Uitgelicht bericht

Tradução Português do livro sobre a história de Holambra

Aeroporto de Schiphol, quarta-feira, 13 de fevereiro de 1988. Depois de mais de meio ano de preparação, eu estava prestes a embarcar na primeira grande viagem de avião da minha vida. Já estava acostumado a viajar, mas, ao chegar no aeroporto naquela fatídica quarta-feira, algo muito diferente me esperava. O voo me levaria para o Brasil, onde eu ficaria por ano. Como historiador interessado na emigração holandesa, estava prestes a tornar-me eu mesmo um emigrante. A preparação tinha o caráter de uma emigração. Minha ida ao Brasil foi preparada pelas antigas organizações de emigração holandesas. Isso significava, entre outras coisas, que precisei pedir um visto temporário de emigração, fazer um exame médico e assinar um contrato de trabalho.

coverholambraportuguessm

Baixe a edição Português do livro de Mari Smits sobre a história de Holambra

Depois de um voo com escala em Marrocos, cheguei na sexta-feira 15 de abril, de manhã cedo, no novo aeroporto de Guarulhos, perto de São Paulo. Após recolher minha bagagem, fui à procura de alguém que me levaria para Holambra. Não foi difícil identificar Henk Klein Gunnewiek entre as pessoas que estavam aguardando. Eu o reconheci da sua publicação mimeografada intitulada “Memórias de um emigrante”. Henk guiou-me através de São Paulo e Campinas até o meu destino final: Holambra. Embora o centro desta vila de emigrantes ainda não tivesse sido enfeitado com vários elementos do estilo holandês, o vilarejo respirava claramente um ambiente holandês. Durante o ano em que vivi entre os emigrantes holandeses – ou melhor, imigrantes – acabei perguntando-me várias vezes se um novo futuro no Brasil seria algo interessante para mim. A resposta foi não; eu não me via como um imigrante e, portanto, preferi construir o meu futuro na Holanda. Apesar de viver um ano no meio de emigrantes, acabei sendo apenas um transeunte. Lees verder

Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië

Ribeirão begon waar Carambei na veertig jaar eindigde!

In het najaar van 1952 verbleef de Utrechtse sociologiestudente M. Muntz in Brazilië voor het doen van onderzoek voor haar afstudeerscriptie. Zij bezocht Carambeí en Holambra en deed daarvan uitvoerig verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Een half jaar later deed zij dit op 21 maart 1953 nog eens dunnetjes over in De Nieuwe Eeuw. In haar uitvoerige artikel zette zij de opgedane ervaringen van Carambeí op een rij vergeleek die met de beginnersfouten van Holambra. Muntz, die sterk onder invloed stond van de oppositiegroep die in 1953 Holambra verliet, spaarde de nieuwe leiding van de kolonie niet.

De enige Nederlandse nederzetting die in aanmerking komt voor een vergelijking met de Fazenda Ribeirão is de 40-jarige kolonie Carambeí in de Braziliaanse staat Paraná. Ook hier wordt, evenals in Ribeirão, coöperatief gewerkt en was de opzet een veekolonie.

Emigrantenwoning in Ribeirão

Een van de hoofdoorzaken van de moeilijkheden der emigranten op de Fazenda Ribeirão was de grote sterfte onder het vee in het eerste halfjaar. Niemand was bekend met de behandeling die hoogwaardig Nederlands stamboekvee in Brazilië vraagt! De koeien kwamen in plaats van in een goede wei, zoals zij in Nederland gewend waren, in een soort “bush” terecht. De struiken en het gras stonden hier manshoog. Bovendien werden zij tezamen met inlandse koeien ’s nachts in de koraal gedreven, waardoor zij veel besmettelijke veeziekten opliepen. De emigranten waren niet bekend met de karpattenbestrijding, waardoor de melkproductie snel terugliep. (Een karpat is een klein soort bloedzuiger die in hoog gras veel voorkomt). De dieren verwondden zich aan doornig hout en kregen dan zware infecties, omdat in Brazilië altijd maden komen in een open wond. Deze eten in twee dagen al het vlees weg tot op het bot. Bij een spoedige deskundige behandeling kunnen de maden echter makkelijk bestreden worden. Door het gebrek aan voldoende schaduwplekken en onwetendheid omtrent de noodzaak hiervan, stierven vele dieren aan een zonnesteek. Lees verder

Themagids “Zeskamp” verschenen

Inzicht in Braziliaans-Nederlandse archieven en collecties.

zeskamp_cover_20161031De migratiegeschiedenis van Nederlanders naar Brazilië in de twintigste eeuw is een onderwerp dat vanuit beide landen bestudeerd wordt en waarbij beschikbare historische bronnen zoals archieven, foto’s en kaarten een belangrijke basis vormen. In 2012 is in het kader van het GCE programma door het Nationaal Archief en de New Holland Foundation al een gids over Nederlandse archiefbronnen verschenen.

Nu is er in 2016 eindelijk ook een langverwachte en uitgebreide gids verschenen met archiefbronnen die aanwezig zijn in zes verschillende emigranten-gemeenschappen van landbouwers en veehouders in Brazilië. Deze nieuwe themagids heeft de naam “Zeskamp” meegekregen omdat nog jaarlijks de gemeenschappen bij elkaar komen om op sportieve wijze contact te onderhouden en de onderlinge banden aan te halen. Lees verder

Lichtpuntje voor Fazenda Ribeirão?

Onmogelijke toestanden in Nederlandse landbouwerskolonie

Eind 1952 liepen de spanningen op de Fazenda Ribeirão weer hoog op. Inzet was het nieuwe Portugeestalige contract dat de leden van de coöperatie ter tekening kregen voorgelegd. De tegenstanders van dit contract stelden dat de lasten onmogelijk waren op te brengen en drongen aan op ingrijpen vanuit Nederland. Uiteindelijk werd met medewerking van het Nederlandse episcopaat besloten de Limburgse deken Henricus Bemelmans naar Brazilië te sturen om te bemiddelen. Voor het weekblad De Nieuwe Eeuw een reden om op 10 januari 1953 de situatie op de fazenda uit de doeken te doen en dieper in te gaan op de ‘onmogelijke’ rechtspositie van de Fazendabewoners.

In de sombere geschiedenis van de Nederlandse landbouwerskolonie “Fazenda Ribeirão” in Brazilië is eindelijk een lichtpuntje verschenen. Door de Katholieke Limburgse boerenbond is deken Bemelmans naar Brazilië gezonden om een onderzoek in te stellen. Dit stemt tot verheuging, evenals het feit dat ook de Nederlandse regering van plan schijnt te zijn tot een soortgelijke stap (het zenden van een commissie van onderzoek) over te gaan.
Het was overigens hard nodig, dat er iets gebeurde. Zo schreef de N.R.Ct. op 16 december j.l. onder meer: ‘De dertig gezinnen (op de Fazenda) die op het punt staan te vertrekken, laten zich alleen weerhouden door de hoop dat een commissie uit Nederland hier orde op zaken zal komen stellen.’ Inderdaad is de nood gedurende de laatste maanden steeds verergerd. Een insider die juist uit Brazilië kwam, vertelde ons dat de boeren het nog hoogstens twee maanden zullen kunnen uithouden; en van die twee maanden is er inmiddels al weer bijna één voorbij….

Bemelmans

Henricus Bemelmans

In een uitvoerig artikel (zie De Nieuwe Eeuw van 21 juni j.l.) hebben wij destijds de rechtspositie van de Fazenda-bewoners uiteengezet aan de hand van de vier officiële stukken die successievelijk aan deze mensen ter ondertekening zijn voorgelegd. Toen de kolonisten uit Nederland vertrokken, hadden zij slechts twee stukken getekend, de “Overeenkomst met de kolonisten” en de statuten van de landbouwcoöperatie Holambra. In begin 1951 (nadat de boel min of meer was spaak gelopen), kwam er een commissaris van de Nederlandse regering, de heer Hogenboom. Dit ondanks het feit dat de Braziliaanse wetgeving op het gebied van coöperaties – onder welke wetgeving uiteraard ook de coöperatie Holambra valt – uitdrukkelijk vaststelt dat geen enkele coöperatie mag staan onder controle of zeggenschap van welk ander lichaam of organisatie dan ook; waaruit volgt dat de benoeming van een commissaris door de Nederlandse regering onwettig is volgens de Braziliaanse wet, die op de Fazenda geldt. Deze regeringscommissaris is in januari 1951 prompt van wal gestoken met een nieuw document, een “Verklaring” die aan alle Fazenda-bewoners ter ondertekening werd voorgelegd. Daarop volgde in november 1951 nog eens een “Overeenkomst”. Deze beide stukken zijn zeer aanmerkelijk zwaarder dan de twee documenten die de kolonisten vóór of kort na hun vertrek uit Nederland hadden gesigneerd. Aan deze mensen werden dus nieuwe lasten opgelegd, terwijl zij in een vreemd land kennelijk verkeerden in een dwangpositie. De meesten van hen hebben, door de harde nood gedwongen, inderdaad getekend en zichzelf daarmee vrijwel van al hun rechten beroofd.

Slavernij
Sindsdien is gebleken, dat de “Overeenkomst November 1951” in Brazilië hoogstwaarschijnlijk of zeker niet rechtsgeldig is. Het is tussen haakjes wel merkwaardig, dat de “regeringscommissaris” er een klein jaar voor nodig heeft gehad om dit te ontdekken, maar op de Fazenda is niets te dol. De officiële boeken van de coöperatie (registers, diverse boekhoudkundige boeken etc.) hebben vrijwel geen van alle ooit voldaan aan de op dit gebied gedetailleerde Braziliaanse wetgeving; dit ondanks het feit dat de coöperatie beschikt over een topzwaar kantoor-apparaat!

Hoe dan ook, er moesten nieuwe papieren komen die wél in overeenstemming zouden zijn met de Braziliaanse wet. En derhalve kregen de kolonisten in september 1952 een nieuwe stapel paparassen voorgelegd ter ondertekening. Deze nieuwe documenten gaan nog een stapje verder dam de “Overeenkomst November 1951” en betekenen voor de boeren nauwelijks minder dan slavernij. Wij hebben deze stukken getoond aan een Nederlander die jarenlang aan het hoofd van een landbouwcoöperatie in Argentinië heeft gestaan; deze vakman sprak verontwaardigd van “dictatuur” en van “bijna zoals in Rusland”.

Het gaat hier om niet minder dan zes overeenkomsten waarvan wij hier slechts enkele der meest opvallende bepalingen kunnen weergeven. De grond met de daarop staande gebouwen wordt aan de kolonisten verhuurd voor een termijn van elf (!) jaar, daarna zal de coöperatie de grond met de gebouwen aan de huurder verkopen. De gehele inventaris, werktuigen, vee enz. (daarbij inbegrepen ook de dingen die de kolonist zelf en voor zichzelf uit Nederland heeft meegebracht) wordt door de coöperatie verkocht aan de kolonist, die nota bene van een deel van deze dingen eigenaar is! Hij moet betalen in twintig termijnen, en hem wordt 8% rente berekend. De kolonist kan crediet krijgen, dat hij in twintig halfjaarlijkse termijnen moet terugbetalen. De kolonist moet heel de opbrengst van zijn land en vee, voor zover deze bestemd is voor derden, inleveren bij de coöperatie opdat deze voor de verkoop zorgen. De coöperatie kan zelf vaststellen, hoeveel van de koopprijs ze zelf mag hebben voor kosten van transport, verpakking e.d.; daarenboven krijgt ze nog 5% van de bruto-opbrengst. Hiermee worden de kolonisten voor enorme lasten geplaatst. En nadrukkelijk wordt vastgesteld in elk van deze contracten, dat alle verplichtingen van de coöperatie ten aanzien van de kolonist vervallen, zodra deze op de een of andere manier in gebreke blijft (b.v. door niet te betalen) of een van de vastgelegde bepalingen overtreedt. De kolonist is dus met handen en voeten gebonden aan de coöperatie, die hiermee inderdaad aan “dictatoriale” en “bijna Russische” gedaante aanneemt.

Verzetsbeweging
Het spreekt wel vanzelf, dat de boeren er danig tegen opzagen, deze nieuwe vloed van zeer belastende documenten te tekenen. Inderdaad is het een heel grote vraag of de boeren de lasten zullen kunnen opbrengen, die door deze acten van hen geëist worden; en de coöperatie geeft harerzijds geen enkele garantie. Toen er dan ook een Algemene Vergadering gehouden zou worden betreffende deze documenten, heeft een aantal boeren de koppen bijeen gestoken. Ze stelden samen een brief op die zij aan het bestuur van de coöperatie wilden voorleggen. Hierin werd gezegd, dat zij zeer bevreesd waren deze stukken te tekenen, omdat zij niet konden voorzien of de Fazenda in de toekomst zou bloeien; ze zouden slechts tekenen indien de heer Hogenboom van de Nederlandse regering gedaan zou krijgen dat deze zich borg stelde voor de toekomst van de boeren.

Dit stuk werd door meer dan vijftig boeren ondertekend en het was verstandig bedacht, omdat het de zaak op zijn minst op de lange baan schoof. Tijdens de Algemene Vergadering trachtte de heer Hogenboom dit stuk eerst over het hoofd te zien. Toen hem dit onmogelijk werd gemaakt, zei hij dat hij op deze brief geen antwoord kon geven voordat deze zaak in het bestuur besproken was, en sloot daarna de vergadering.

De boeren waren blij en rekenden op uitstel. Maar enige dagen later begon de heer Hogenboom doodleuk een actie tot ondertekening van de documenten, zonder ook maar met één woord in te gaan op het stuk dat door meer dan vijftig boeren was getekend. Zijn actie was zeer persoonlijk: met enige van zijn medestanders bezocht hij elke boer afzonderlijk en trachtte hem omver te praten. Wie niet tekent, zal worden uitgesloten van de winkel, zal geen crediet meer krijgen. Zo worden de mensen in urenlange gesprekken onder druk gezet. Een van de boeren tekende eerst na 72 manuren bewerkt te zijn. Doet dat niet denken aan een bepaald soort verhoren in een bepaald soort landen?

De Westrik verruild voor de fazenda

In 2007 publiceerde Ad Reijrink een uitvoerig artikel in “Hers en Geens dur Diessen” over de wederwaardigheden van de geëmigreerde dorpsgenoten in Brazilië. Dit zette de journalist Ton de Jong aan om een inventarisatie te maken van de emigranten die vanuit het naburige Hilvarenbeek vertrokken. In het heemkundetijdschrift “Tussen Paradijs en Toekomst” van augustus 2015 publiceerde hij hierover het volgende artikel.

Honderden Diessenaren en Bekenaren hebben door de eeuwen heen hun koffers of reiskist gepakt en zijn voorgoed naar elders vertrokken. Zij monsterden zich aan op een schip van de VOC, trokken naar onder meer Engeland, Italië en Amerika,  traden in bij een orde of congregatie die hen naar de missie stuurde, vochten in vreemde legers en bleven na gedane strijd daar wonen. Na de Tweede Wereldoorlog vond vanuit Nederland een landverhuizing van 375.000 Nederlanders plaats naar Canada, Frankrijk, Australië en Brazilië. Het nog steeds bestaande Hollandse emigrantendorp Holambra was in die jaren een begrip. Commissaris van de Koningin Jan de Quay  wierp zich op als een groot pleitbezorger van de nieuwe woongemeenschap die geschoeid was op coöperatieve grondslag. De rooms-katholieke kerk  en de NCB maakten er reclame voor. Emigratie was een oplossing voor het tekort aan boerderijen en landbouwgrond voor de vele boerenzonen. Toch waren het niet alleen boeren die vertrokken.

Ad Reijrink, ‘Diessense emigranten in Brazilië: paradijs of nachtmerrie?’ In: Hers en geens dur Diessen, deel 15 Uitgave: Fotostichting Diessen (2007)

Ad Reijrink,
‘Diessense emigranten in Brazilië: paradijs of nachtmerrie?’
In: Hers en geens dur Diessen, deel 15
Uitgave: Fotostichting Diessen (2007)

Ad Reijrink heeft in Hers en Geens door Diessen de wederwaardigheden in Holambra van zijn dorpsgenoten uitvoerig besproken, zoals die van de families Teunissen, Van Riel, Assinck, Stapelbroek en Van Spreeuwel. De belangstelling in Hilvarenbeek voor Brazilië was minder groot. Een enkeling waagde de oversteek. Behalve een paar familieleden weet niemand er meer iets over te vertellen. Recent zijn de immigratiekaarten van Brazilië op internet geplaatst. Dat is een aanleiding om stil te staan bij dit minieme emigratiegolfje. Behalve de basisinformatie van de emigranten staat op de meeste kaarten ook een pasfoto en op een klein deel zelfs een vingerafdruk.

Metselaar Herman Krabben en Kristje Spaan hadden voordat zij naar Brazilië gingen  in Hilvarenbeek niet veel sporen achtergelaten. Zij komen in 1940 uit Tilburg om op de Vrijthof te gaan wonen. In het najaar van 1945 emigreren zij naar Brazilië. Zij had maar liefst elf broers en zussen. Het echtpaar keert later met de kinderen terug naar Nederland, maar niet meer naar Hilvarenbeek.

Fien van der Wouw (geboren 1926) brengt haar vroege jeugd door op de ouderlijke boerderij aan de Tilburgseweg. In 1937 verhuist het gezin daar Oisterwijk. In de Tweede Wereldoorlog geeft vader Tinus van der Wouw onderdak aan onderduikers. Fien wordt op één van hen verliefd: Willem van den Brink uit Achttienhoven. Zij dromen over een mooie toekomst in een ver land. Het wordt de  Fazenda Ribeirão in Holambra, de Nederlandse kolonie in Brazilië. “Het was 1950 en op tweede kerstdag zouden we met drie stellen tegelijk trouwen in het kerkje. De kerstnachtviering was buiten op het plein, want het kerkje was veel te klein voor al die mensen. We zaten op planken die op groentekistjes gelegd waren, onder de sterrenhemel. Dat maakte diepe indruk op mij. Om duizenden kilometers van huis de nachtmis te beleven, met heimwee naar je familie, samen met al die anderen die ook met hun gedachten in Nederland waren.” Zes jaar later is het avontuur voorbij. “We kregen een wurgcontract voorgelegd. Daar konden we echt niet van leven.” Holambra kampte in de eerste tien jaar van zijn bestaan met grote moeilijkheden. De boeren waren een zelfstandig leven gewend en konden moeilijk wennen aan de dwangbuis van de coöperatie die alles regelde. Bovendien was de kapitaalinbreng erg  verschillend wat voor scheve gezichten zorgde. Een gedeelte trok weg naar andere delen van Brazilie, anderen gingen terug naar Nederland. Fien woont nu in Utrecht. Zij is jarenlang actief geweest in het wijkwerk en bij de ouderenbond.

pietavanham

Pieta van Ham

Nelie Heefer (geboren in 1914 in Hilvarenbeek)  van de Voortsepad trouwt met de elf jaar oudere schoenmaker Piet van Ham. Hun laatste adres voordat zij in 1957 met hun drie kinderen Pieta, Jo en Jac naar Brazilië vertrekken was Wouwerstraat 10. Op Pieta na komt het gezin na een paar jaar terug naar Brabant. Jo en Jac wonen nu in Reusel. Piet overlijdt in 1970 overlijdt in Tilburg, Nelie Heefer in 1988 in dezelfde stad, maar wordt begraven in Bladel, dicht bij de twee kinderen. Pieta trouwt in Brazilie met een andere emigrantenzoon (Henk van Rooijen) en blijft daar wonen tot zij hoogzwanger is van de derde, Karin. “Mijn moeder kreeg ontzettend veel heimwee. Zij gingen terug en begonnen een boerenbedrijf in Meijel”.

Vaak emigreerden meerdere leden uit één gezin. Zus Josephina Heefer was in 1949 al afgereisd met haar man Toon van der Bruggen en hun zes kinderen. Hij boerde op de Westrik naast fruitteler Gomberts. De Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan hun vertrek en drukte er een foto bij af van vader Van der Bruggen met zijn kinderen bij de douane. De verslaggever van de Katholieke Illustratie: ‘De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond. De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.’

De familie Van der Bruggen heeft het wél volgehouden in Holambra. Jo van der Bruggen (75) vanuit Brazilië: “Het was zwaar in het begin. De coöperatie is wel drie keer over de kop gegaan. Onze pa deed er van alles bij. Hij was de eerste taxichauffeur van Holambra en had de eerste slagerij.” Het gezin redde het vond in Holambra een nieuw thuis.  Van de zes kinderen zijn er twee overleden, ook de andere vier zijn blijven wonen in Brazilie. Samen hebben zij zestien kinderen.  Toon overleed in 1973. “Mijn moeder ging  wegens ziekte terug naar Nederland en stierf in 1977 in het Elisabethziekenhuis. Zij is in Nederland begraven.”  Overleden zus Cisca was de eerste Nederlandse vrouw die trouwde met een Braziliaan. Verder stond overleden broer ‘Toninho’ bekend als de meest Braziliaanse Nederlander. Hij runde in Holambra het daar bekende ‘Bar e Restaurante Toninho’.

Ton de Jong in Tussen Paradijs en Toekomst, augustus 2015

Een drama dreigt op de Fazenda Ribeirão

Na de eerste publicaties in februari en maart 1952 ging het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw onverdroten verder met ‘onthullende’ artikelen over de misstanden op de Fazenda Ribeirão. De krant verwachtte aan het einde van dat jaar nieuwe moeilijkheden, bij de ondertekening van het nieuwe Portugeestalige contract. Om de in Nederland verantwoordelijke instanties te herinneren aan de kwestie-Ribeirão publiceerde De Nieuwe Eeuw op 30 augustus 1952 een fragment uit een brief, die het blad had ontvangen van een ‘hoogstaand, zeer betrouwbaar figuur die de toestand op de Fazenda door en door kent; hij kan bovendien niet geacht worden persoonlijke motieven na te jagen of rancunes te willen botvieren. Hetzelfde geldt voor de in de brief genoemde P.A.’

Tegen het einde van het jaar zal er op de Fazenda Ribeirão wel weer iets gaan gebeuren, denk ik. De leiding is hier namelijk druk doende met te vertellen dat de rechten van de boeren ook eens vastgelegd moeten worden, en wel op een rechtskrachtige manier. Dit zou dan moeten gebeuren in de Braziliaanse taal door een notariële acte, ondertekend door het lid en door de coöperatie. Dit klinkt zeer onschuldig, maar het zal de doodsteek Fazendaplein met kantorenzijn voor de boeren. Ik ben er van overtuigd dat de stukken, tot op heden door de boeren getekend, niet rechtsgeldig zijn. Essentiële formaliteiten ontbreken, verschillende delen zijn tegen de wet, de stukken staan niet geregistreerd, enz. De coöperatie weet dit allemaal ook zeer goed, en haar plan is nu een rechtsgeldig stuk in handen te krijgen van de boeren; de notariële acte waarover men momenteel spreekt zal dit klaarspelen. Ik heb hierover niet de minste twijfel. Daarna zijn de boeren verloren voor eens en voor altijd.
Zullen de boeren deze notariële acte tekenen? Ik schreef hierover aan P.A., een naam die u reeds bekend is, en ik ontving hierop het volgende antwoord: ‘Als het nieuwe voorstel, waarover u spreekt, het tekenen van die misdadige notariële acte, op de proppen komt, ben ik er van overtuigd dat zo goed als niemand vrijwillig zal tekenen, maar dat de boeren onder zulk een druk zullen worden gesteld, dat ze uiteindelijk tóch zullen tekenen. Het enige effectieve verzet zou “georganiseerd” moeten zijn, tegen de georganiseerde tirannie, maar voor een organisatie van het verzet hebben die goede, eenvoudige boeren practisch de middelen niet.’ Ik ben het volkomen met P.A. eens, en de toekomst zal bewijzen dat hij deze zaak goed gezien heeft.

Op het ogenblik is er weer grote onrust, ontevredenheid en clandestien verzet op de Fazenda Ribeirão. Ook P.A. heeft dit gemerkt, en hij schrijft mij: ‘Inderdaad neemt de onrust tegenwoordig weer sterk toe, en het vertrouwen dat enige maanden geleden opleefde bij althans een gedeelte van de boeren, lijkt mij nu weer hopeloos geschokt.’ Dit alles komt ook door de winter, een tijd van weinig werk, dus veel tijd om na te denken. De heer Hogenboom is zeer slim, maar het is dom van hem dat hij geen maatregelen neemt om deze wintertijd niet beter te overbruggen.

De laatste tijd heb ik met veel mensen van de fazenda gesproken, en het nieuws komt ongeveer op het volgende neer: onrust, ontevredenheid, clandestien verzet, smokkelhandel. Ik denk dat er binnenkort weer een 5-6 families zullen vertrekken, enige ondanks document no. 4. Twee families vertrekken naar Nederland en hebben een z.g. opvolger. Zij hebben practisch alles verloren, en de coöperatie betaalt alleen hun passage voor de boot.

Inkuilen van groenvoer

De oogst is niet al te goed geweest dit jaar. De katoen maakt zeer slechte prijzen, en de aardappelen eveneens. Hierbij komt dat de aardappelen bovendien slecht van kwaliteit waren. Er is in grote lijnen met verlies gewerkt. Bijna alle mensen zijn over hun crediet heen. Dit zou een alarmtoestand moeten veroorzaken, maar de heer Hogenboom heeft dit onderschept door voorlopig nog iets uit te keren voor levensonderhoud. Deze bedragen zijn ongelijk, en niet voldoende. Men kan er amper van eten, maar andere behoeften zoals aanschaf van kleren kunnen er helemaal niet af. De enigen die het goed maken zijn de personen in dienst van de coöperatie, die immers een vast salaris ontvangen. In grote lijnen zijn dit de collaborateurs. Met salarissen van 4000 tot 6000 cruzeiros kunnen zij er komen.

Ik ben bang dat er nog eens een ongeluk gebeurt op de Fazenda, namelijk: dat er klappen zullen vallen. Sommige mensen dulden de toestand niet meer, en in een vlaag van waanzin zouden er ongelukken kunnen gebeuren. Ik hoop dat onze boeren verstandig zullen zijn en zich zullen beheersen, want op deze manier trekken zij natuurlijk aan het kortste eindje. Het zou mij evenwel niet verwonderen als ik eens hoorde dat er een moord gebeurd was. De heer Hogenboom en zijn collaborateurs zullen dit ook wel weten. Ik vernam namelijk, dat zij altijd met vier of vijf man samen zijn, en dat zij op sommige stukken van de Fazenda niet graag komen.

Het allergrootste deel van de boeren is het alleen “clandestien” met de leiding niet eens, maar publiek zijn zij anders. Zo hoorde ik dat sommige boeren niet meer bezocht worden door andere boeren, tenzij ’s avonds héél laat, tegen half elf of elf uur. Men is namelijk bang dat de leiding het te weten komt, en dat er dan maatregelen genomen zullen worden. Komt het een of ander niet overeen met wat men in Nederland gekend heeft tijdens de Duitse bezetting? Daar had men ook collaborateurs. Maar daarna is er ook een overwinning gekomen! Moge dit ook gebeuren op Ribeirão.

De zeereis met de Algenib

Op 19 december 1948 vertrok de eerste grote groep emigranten met de ms Algenib naar Brazilië om zich te vestigen op de Fazenda Ribeirão, ofwel Holambra. Onder de reizigers bevond zich ook de familie Teunissen uit Diessen. Onlangs ontving op mijn website een bericht van Ans Peijnenburg. Haar vader was bevriend met Gerrit Teunissen, de oudste zoon van de familie. Gerrit Teunissen, die helaas in 1950 op Holambra is verdronken, schreef aan de familie Peijnenburg een verslag van de zeereis, die ik hieronder publiceer. Later stuurden de zussen van Gerrit vanuit Não Me Toque brieven naar Nederland met daarin de belevenissen van de familie. Ans zou graag deze brieven willen overdragen aan de familie Teunissen. Naar verluidt zou één van de dochters Zus (Rika) in Nederland wonen. Indien u meer weet, laat dan een bericht achter op het reactieformulier.

Ja, U moet maar niet kijken naar ’t schrijven want ’t begint al aardig te schommelen, ik zal maar beginnen bij ’t begin, dat hebben we immers altijd nog gedaan.

Gerrit Teunissen

Gerrit Teunissen

Toen jullie weg waren zijn wij naar binnen gegaan, eerst heel onwennig die trappen af en op, maar nu stormen we er al op en af het zo moet, net als in Boxtel naar boven gevlogen wordt. Zaterdagavond, of beter gezegd maandagochtend om 12 u 35 is de boot losgekomen, twee sleepboten trokken hem los, ’t was even ’n schok, maar dat was ’t ergste niet, nl. ’t volgende dat was erger, veel erger, onbeschrijfelijk veel erger. Wij stonden op het sloependek met ’n man of 8 heel gemoedereerd te kijken, wisten van God geen kwaad, allen vol spanning op wat voor ons in ’t water gebeurde, met de rug tegen ’n soort schoorsteen leunende (’t was ’n misthoorn). Ja en meteen dat de schuit Ioskwam begint dat ding toch te gillen, en fluiten, te janken en te razen, dat kun je, je eigen niet voorstellen als er 10 kanonnen op 25 m afstand van je afgeschoten worden, zonder dat je er iets van wist, dan was ook u niet harder geschrokken dan wij. We knikten met ons allen door de knieën, het was onmogelijk het uit te staan.
Toen er niets meer te beleven was zijn we naar bed gegaan en ’s morgens om 7 uur opgestaan, goed geslapen, ‘t was wel iets schommelig, en men had ’n raar gevoel in de maag, 2 van onze emigranten moesten al overgeven.
Het is nu al zondagavond 19 december en we hebben met ons 6 allen nog goed gegeten, en voelen ons lekker. ‘N keuken en kok hebben ze hier up to date. Het is prima om u iets op te noemen, Zaterdagavond kregen we warm eten, met koffie, thee, brood, boter, kaas, vlees en worst, van den morgen eerst ’n mis en daarna rijstepap met suiker en brood, enz., net als gisteravond. Om 10 uur Hoogmis. Op 6 na van de 50 passagiers is hier alles Katholiek, het is goed ingericht, de scheepsdokter komt elke morgen inspectie houden.
Gisterenavond heb ik al kennis gemaakt met ’n Zweeds meisje. Ze is 21 jaar oud en gaat naar Bolivia naar haar familie op ’n fazenda. Ze spreekt o.a. vlot Engels en Portugees, zij komt uit Stockholm, verder zijn er nog 2 passagiers uit Hongarije, 3 uit Tsjechoslowakije, spreken allen goed Duits en Engels, gaan allen naar Brasil, zijn gevlucht voor de Rus.
Wij zijn vandaag de meeste tijd op het dek geweest, er is nog wel wat te zien. We hebben verschillende grotere en kleinere boten gezien, het is heel mooi om te zien hoe ze die groeten, dat doen ze overdag met vlaggensein en ’s nachts met lichtseinen en als ze geen gehoor geven dan per radio. Ze vragen door middel van die seinen waar ze naar toe gaan, vanwaar ze komen, hoe het schip heet, wie de gezagvoerder is, wat ze geladen hebben enz. de seconde per radio is internationaal evenals de vlag- en de lichtseinen, u ziet wel ook op zee zijn ze nieuwsgierig. Het is anders geweldig mooi op het water met niets dan de blauwe Noordzee en lucht. Er is ook ’n cantine op de boot, hier kan men van alles krijgen o.a. Engelse en Amerikaanse sigaretten, zoveel je wilt de prijs is ƒ 2,15 de 50 stuks. ’t zijn o.a. Gold Flake, State Express! Players, Camel, enz. we hebben geen geld doch voor de vertering op de boot kan men een kwitantie tekenen, als men de reis ten einde is wordt dit opgestuurd naar Heijmeijer. Deze betaalt dan de boot weer, terwijl hij het geld daarvoor van onze rekening aftrekt. De sigaretten zitten alle in busjes van 50 net als de Engelse ze hadden.

Ms Algenib

Ms Algenib

Zondagmiddag, vanmiddag dus konden we duidelijk de krijtrotsen zien, het is ’n mooi gezicht, ’n geel grijze kleur en hier en daar loodrecht in de zee afdalend, ’t lijkt wel afgestoken kalkmergel. Daar konden we ook zien grote gebouwen, lichttorens enz. Er voeren hier nogal veel schepen. Vanmiddag hebben we een menu gehad van 6 gangen, als dit zo doorgaat worden we nog echte mestdieren, zodat ze ons in Santos van boord af moeten takelen. Morgenmiddag zullen we de golf van Biscaje halen zegt men, daar moet het om deze tijd van ’t jaar nogal ruw zijn. Weltrusten.

Maandagavond 20 december. Goed geslapen en gegeten. Vandaag verschillende grotere en kleinere boten gezien, ook nog ’n Engelse militaire tanker. Heb niet veel zin om te schrijven, nog niet ziek, maar ‘n beroerd gevoel in m’n maag, zitten in de Golf, schommelt nogal wat heen en weer, kan nog eten en slapen als respectievelijk paard en os. Zijn vanmiddag om 4 uur in de Golf gekomen, de boot heeft al aardig wat deining, je hebt zo’n gevoel of je ’n paar borrels te veel op hebt, minstens 3/4 van de passagiers heeft ’t te pakken en doen en kijken alles behalve vriendelijk onze ma en de 3 meisjes horen er ook bij, en onze Pa en ik weten practisch van niets, kan nog komen, hoop van niet, affijn welterusten. I go to my cabine, Goodnight.

Dinsdagavond 21-12-’48. Goed geslapen, lekker gewassen, we hebben ieder ‘n wastafel met warm en koud water, spiegel enz. verder is er een douche en badkamer alles is fijn ingericht, het is vooral niet minder dan in ’n middelmatige klasse hotel, er staan 5 of 6 tafels en bij elke tafel behoren bedienden, in ’t geheel zijn er 18 bedienden voor passagiers en bemanning op ’t schip.
Elke morgen is er om 7 uur Mis met Communieuitreiking, dan ontbijten, hm hm, dan gaan we verder onze gang, tafeltennis, sjoelbak, kaarten, dammen, schaken, leren, studeren, luieren of maffen of ’n uiltje knappen, op z’n Hollands gezegd. Muziek is ook goed in orde, accordeon (W. Stapelbroek) blokfluit, gitaar, radio, pick-up, om half 11 koffie, thee of melk met scheepsbiscuit, ’s middags het menu, half namiddag weer ’n half elfje, ’s avonds diner, om 8 uur weer ’n half elfje.
Buiten is er niet veel meer te zien, we zullen moeten wachten tot we voorbij Kaap Finistere zijn eer de zee weer kalm is zegt de kapitein, die zullen we (K.F.) vanavond misschien nog wel halen.

Donderdag 23-12-’48. Ben weer goed in orde, anders geweldig beroerd geweest, er zaten vanmiddag 8 passagiers aan tafel van de 50. Gisteren niets anders gegeten dan droge scheepsbiscuits, moeten 2x daags op inspectie komen bij de scheepsdokter, die vertelt dan wanneer je weer gewoon aan tafel mag eten. Vandaag geen schip gezien, niets dan water en lucht, welke allebei eeuwig schijnen te zijn. We zitten nu kort voor de straat van Gibraltar.

Vrijdag 24-12-’48. Gisteren niet veel geschreven, ben nu weer 100 %‚ vandaag is de zee heel kalm en glad, we zitten nu al in de eilandengroep Madeira. Het is al flink warm overdag, wat een verschil met Holland, bij jullie vriest het en wij zitten in ons sporthemd op het dek te zonnebaden. Wij krijgen elke dag het scheepsbulletin met al ‘t wereldnieuws, bij jullie is ’t koud en in Ned Indië is ’t warm letterlijk en figuurlijk. De boot vaart gemiddeld 280 mijl per etmaal = 500 km. – 1 zeemijl is 1800 m. Ik ben ook gepromoveerd tot misdienaar‚ van alle markten thuis is gemakkelijk he (opschepper he).
De zieken zijn allemaal weer opgeknapt en zitten, of beter geregeld liggen, evenals wij gezonden, maar lui, in gemakkelijke ligstoelen bovenop het sloependek, we komen niets tekort, hebben de gehele dag al ’n zonnebril op, en als het zo doorgaat worden we zo vet als ’n varken, en zo bruin als peper. Het zal wel gauw warm of heet worden, want we hebben in iedere hut al een electrische ventilator gekregen. Hier aan boord zijn voor onze kolonie op Riberao 12 mannen, 8 vrouwen, 13 kinderen, 50 ton cement, 100 ton prikkeldraad, 500 m waterleidingsbuis, 250 automatische drinkbakken, huisraden, grote kisten enz.

Zondagmorgen 2de Kerstdag 1948. Gisteren niet geschreven, veel te druk gehad met kijken en feesten, om half 7 de Nachtmis en om 10 uur de Hoogmis, gezongen door de passagiers begeleid door een piano van de kapitein, die alhoewel geen Katholiek toch alle medewerking toestond.

Afscheid emigranten in Den Bosch

Afscheid emigranten in Den Bosch

Gisteren wat gezien, is met geen pen te beschrijven, je moet het kunnen weergeven, maar dat gaat niet. De Canarische eilanden met als laatste ervan Las Palmas. Hier kwam de boot op 500 m afstand langs, het is wonderbaarlijk mooi, ook hier weer kan men Gods schepping bewonderen, men kijkt er hoog tegenaan, het is 3000 m hoog, de bovenste bergspitsen zitten in ‘n neveldamp, net of ‘t mist is, op de meeste plaatsen is ’t blote rots met plateaus er op, de huizen, grote gebouwen, zijn er van onder tot boven zo maar tegen aan geplakt, alles is wit, de huizen en gebouwen zijn wit, men kon er de rivieren en beken goed tegenop zien kronkelen net zilveren linten, ook waren er gedeelten die overvloedig begroeid waren, ook heel veel palmen, hele lange rechte bomen met boven ’n kruintje er op van 10 of 12 bladeren, lange wel meterslange bladeren zonder zijtakken. Het geheel blonk en schitterde in de al warm wordende zon. Ik heb er een tiental foto’s van getrokken, als ze goed zijn stuur ik ze evenals een originele routekaart per zeepost op aan jullie, zo gauw we in Riberao zijn aangekomen, deze brieven kunnen we in de eerste haven Pernambuco in Brasil, waar de boot aan zal leggen, per luchtpost opsturen.
Ook de tafel was gisteren extra in ’n kerststemming, ‘t kerstmenu en de kerstversiering zullen hiervan wel de oorzaak geweest zijn. Het menu gisteren b.v. bestond uit kerrysoep, pasteitjes, gebraden konijn, appelmoes, aardappelen, kerstpudding met rum, fruit, terwijl er zoals wel eens in het Evangelie gezegd wordt de wijn rijkelijk vloeide.
Gisterenavond hebben we de avond doorgebracht met film, toneel, voordracht zang en declamatie door klein en groot en verder op de dansvloer, die ze de vorige dag gelegd hadden in de salon toen alles al naar bed was, ze hadden er een zeil over gedaan, en toen wij ’s morgens vroegen wat dat te betekenen had, zeiden ze dat ze Circus van Bever besteld hadden, die dan vanavond een voorstelling zou komen geven; wij dachten wel dat er een dansvloer onder zou liggen, maar zien konden wij hem niet, ’t zeil was er over gelegd met aan de kanten afgesloten met balken die men met geen 2 man op kon heffen. Toen gisterenavond de kapitein dan bevel gaf ’t zeil eraf te halen en de balken weg te doen, ging het er eventjes aan toe, dat begrijp je wel. ‘t Ging geweldig, vanavond weer, woensdagavond nogmaals en dan Zaterdag en Zondag als we gedoopt zijn n.l. dan gaan we onder of over de evenaar heen, en is de God der Zee Neptunus de baas, zolang men hem geen zoenoffer heeft gebracht n.l. door zich te laten dopen. Men zal dan met ’n papje dat er niet aantrekkelijk uit zal zien, ingesmeerd worden en dan moet je een massa water over je heen krijgen, we zullen zien. Men krijgt dan van de maatschappij ook een doopbewijs, zodat men de volgende keer als men over de evenaar komt daarvan vrijgesteld is, als men ’n dergelijk document kan tonen, er zijn hier enkele, o.a. een Pater die zo’n doopbewijs hebben, en ze voelen er ook niet voor om mee te doen, ze geven er niets om zeggen ze, om zich daarna 2-5 uur te moeten wassen en dan er nog uitzien als oliemannen in een garage zeggen ze.

Dinsdagavond 28-12-’48. Gisteren nog een eilandengroep voorbij gevaren o.a. het eilandje Taco waar we dicht langs kwamen evenals de vorige mooi en bewonderenswaardig, dit eilandje moet 10.000 voet hoog zijn volgens de marconist. Ook hebben we vliegende vissen gezien, hele scholen zelfs. Ze vliegen een eind 10-25 m en schieten dan weer in het water, om er eventjes later weer uit wippen.
Donderdagavond 30-12-’48. ’t Wordt in de zon al flink heet, heel de boot is boven met zeilen afgemaakt, ‘t is nu net een grote drijvende danstent, ’t is wel fijn men loopt dan overal uit de zon, terwijl het binnen ook koel blijft. ’t Heeft vandaag ‘n flinke tropische bui geregend, stralen net zo dik als macaroni en vielen steil en onafgebroken omlaag, ’t duurde ’n minuut of 10, en 5 minuten erna was er geen wolkje meer aan de lucht.
Vanmorgen lag er ’n vliegende vis op het dek, ’t is net ’n grote soort haring, met grote zijwaartse vinnen die samen net zo lang zijn als de vis zelf is, ook zitten hier zeezwaluws, eens zo groot als de zwaluws die in Holland zitten (des zomers dan) en dan heeft hij zwemvliezen, ze scheren ’n tijdje over de zee en gaan af en toe op het water zitten, zonder meer, als ze ’n eindje afgedreven zijn vliegen ze weer op.
Al krijgen jullie deze brief pas over ’n dag of tien, ik wens jullie een goed en gezellig uiteinde en een Zalig Nieuwjaar.

Zaterdagmiddag 1-1-’49. Op de eerste plaats wens ik jullie allen namens de gehele familie ’n Zalig en Voorspoedig 1949. Hopende jullie allebei (n.b. ik stuur deze brief naar de fam. Peijnenburg en deze moeten ze dan doorsturen naar ? v Beijsterveld Heuvel A9 Oirschot, de volgende brief is dan voor Quirinus die dan op zijn beurt deze moet doorsturen aan de fam Peijnenburg. Jullie moet geen van beiden kwalijk nemen, maar ik moet meer brieven schrijven, maar dat zijn er van ’n velletje, dat we ’t goed maken en meer van die flauwekul, dat weten jullie wel, alleen jullie beide wil ik elke week of elke 14 dagen een uitvoerig Epistel schrijven op voorwaarde dat jullie net zo dikwijls terugschrijven. Ik ben ondertussen al aardig van mijn nieuwjaarsrede afgedwaald. Ik hoop dat jullie zowel de fam. Peijnenburg als Quirinus als ’t ginder goed vlot, ’t volgend jaar in Brasil op Riberao persoonlijk nieuwjaar te kunnen wensen.
Vandaag hebben we ze meegemaakt n.b. We zijn gedoopt door Neptunus de Koning van de Zee. Gisteravond hebben we ook oliebollen gegeten en de Kapitein kwam een telegram brengen van Neptunus zelf er stond op “Dat de God der Zee morgen de passagiers van de Algenib eigenhandig zou komen dopen, om zodoende ten alle tijden, zonder bij hem in de ongunst te staan, ongehinderd de zeeën te kunnen bevaren. Gisteravond hebben we groot bal gehad, de gehele bemanning plus de passagiers ongeveer 100 man namen er aan deel.
Vanmorgen 2 missen gehad, ontbijt en daarna begonnen al de sirenes en de stoomfluiten te loeien en na de toestand in ogenschouw te hebben genomen zien we op ongeveer 500 m van ’t schip de grootste motorreddingssloep van de Algenib op ’t schip afkomen, met ‘n zwarte vlag in top, waarop ’n geraamte met gekruiste benen op was afgebeeld, Deze sloep moet Neptunus tegemoet zijn gevaren, zoals de Kapitein uitlegde, ze hadden vanaf gisterenavond onafgebroken radiocontact met hen gehad zodat ’t hen niet moeilijk was, om de juiste positie van HM Neptunus te bepalen. Toen de sloep bij ’t schip lag, werd de sloep met Neptunus plus z’n naaste medewerkers 4 in totaal aan boord gehesen, hij of beter zijn Hoogheid nam plaats op ‘n kruiwagen en liet zich naar de plaats rijden, waar de doping moest plaatsvinden. Hij was geheel zwart evenals z‘n trawanten en gekleed in lange gewaden van touw gemaakt, men kon wel zien dat hij ver van huis kwam waar de moderne beschaving nog niet tot doorgedrongen is, ook hadden ze lange touwharen met ’n hoofddeksel van haringen gemaakt. De dopelingen moesten stuk voor stuk voor zijne hoogheid neerknielen en nu begonnen ze je te kwasten met een witte pap die gemaakt was van stijfsel, plakkerig en net gom zo taai, en kwasten heel je gezicht en bovenlichaam er mee in en goten dan wel een halve emmer van dat spul zomaar op je hoofd, zodat men van je haren tot en met je voetzolen een glibberige witte massa was, dan kwam een van z‘n helpers met ‘n groot scheermes van hout gemaakt, ongeveer 80 cm lang vatte je bij je neus en begon te scheren, daarna werd je ingewreven met granietpoeder zodat men zo zwart werd, afijn, als graniet. Daarna kreeg men ’n waterstraal op z’n ontsierd lichaam en gezicht (zout water) met ’n capaciteit van minstens 1000 l per minuut, daarna moest men de staf van Neptunus kussen of zoenen (ik weet nooit hoe jullie zoiets noemen).
Aan die staf zaten 2 niet bepaald smakelijk uitziende haringen bevestigd. Dan kon men gaan en maar zien dat men weer schoon werd, ik heb minstens een half uur met borstel en vim en zand gewassen en geschuurd en het resultaat was dat ook daar waar ik niet geraakt was, zo grauw en grijs werd ik als as. Pa en Ma behoefden niet mee te doen, de kapitein had het voor de oudere mensen met Neptunus op een accoordje gegooid, het had hem nog wel een paar busjes sigaretten gekost zei hij. Met de meisjes en andere dames die aan boord waren was het anders gesteld, deze kregen zelfs een extra beurt, ’t spel begon om 10 uur in de morgen en was om één uur afgelopen (ik heb n.l. de brief onderbroken) en nog steeds zijn er in de vrouwenwaszaal rumoer en jammerklachten te horen. Nog nooit in m‘n leven hebben we zo gelachen als vandaag.
Vanavond om 12 uur, over een uur dus, zullen de doopbewijzen door de kapitein uitgereikt worden dan alleen aan hen waar geen vuil of zwart meer aan te zien is, dus je begrijpt dat er hevig gewassen wordt. Ik zelf moet er dadelijk ook nog in onder, men kan alle figuren in je haren maken zo plakkerig zijn ze nog. En toch heeft er niemand spijt van dat Neptunus er geweest is. Het is trouwens ook veel waard, nooit meer nabij hem in ongunst te komen. Vannacht na de uitreikingsplechtigheid zal er door de kapitein en z’n vrouw ’n diner worden aangeboden met daarna bal.

De Algenib zal zondagnacht de eerste haven in Brazil binnenlopen, en maandagmorgen voor de aanlegsteiger gesleept worden, om er dinsdagmorgen weer van te vertrekken, als we aan wal mogen, zal ik deze brief posten, ik hoop dat het zal lukken, de familie Peijnenburg moet deze brief ook Verhoeven laten lezen, ook deze wens ik al ’t beste zoals eerder omschreven ook van hen verwacht ik bericht. Jullie beide moet zorgen dat Quirinus deze brief binnen 2 dagen na aankomst bij U deze brief heeft hoor!!
Nou tot kijk en tot de volgende reis, ik hoop dat jullie hem met of zonder gebruik van de loupe kunnen ontcijferen, en ook jullie allen een epistel terugschrijven. Zo gauw we op de fazenda zijn zal ik jullie ieder wel een privébriefje schrijven.

PS: Ik zal proberen om er nog in Reina Buco voor iedereen te posten, die behoeven dan niet doorgegeven te worden. Deze is de brief van de fam. Teunissen van 3 januari 1949. Einde 1e brief.

Gerrit Teunissen Daaaaaaaaaag.

Terug van hun Braziliaanse reis

Op woensdag 11 maart 1953 keerden de vier opa’s na een reis van drieënhalve maand terug in Nederland. Het Venrayse weekblad Peel en Maas informeerde naar hun ervaringen in Brazilië.

Woensdagmiddag voer de vrachtboot “Alpherat” langs de Scheldekade in Antwerpen, na een voorspoedige reis van Brazilië. En met dit schip voeren naar huis 4 opa’s, die op 27 november van het vorige jaar hun grote reis naar Brazilië begonnen waren. Bruin verbrand stonden dan aan de reling van het machtige schip: de 72-jarige Jos v.d. Sterren uit Wanssum, de 71-jarige Ties Goumans uit Venray, de 70-jarige Hoeymakers uit Sevenum en de benjamin van het gezelschap, de 63-jarige Grad Michels uit Volen. Vier krasse heren, die een welbestede vacantie achter de rug hadden en die nu uit de Braziliaanse zon een beetje stonden te schuiveren in het niet bepaald zonnige klimaat van deze streken.
Vol verlangen om naar huis te komen, nu men eenmaal de “stal weer rook”. En met notitieboekjes vol aantekeningen van hun belevenissen en van alles wat zij in die 4 maanden mochten ondervinden, zien en horen en vol van verhalen over de families, die zij daar bezochten en waarmede zij kennis mochten maken.

Wondermooie reis
Eenmaal thuis, na deze lange tocht, komen de verhalen los. De heen- zowel als de thuisreis is best en voorspoedig verlopen, al waren de golven in de Golf van Biscaye op de thuisreis wel zo hoog, dat het de opa’s toch wat wit om de neus werd. Maar na twee weken was dat leed geleden en als volleerde zeelui is de grote oversteek gemaakt.
Van Brazilië zelf zullen ze niet gauw zijn uitgepraat. Dit prachtige land met zijn buitengewoon klimaat, met zijn vruchtbare landerijen, zijn prachtige wereldsteden met zijn gemoedelijke bevolking heeft diepe indruk op hen gemaakt.
Op 13 december kwamen zij in Rio de Janeiro aan waar o.a. pater Conradus Goumans en pater Thiessen uit Meerlo hen opwachtten en de stad lieten zien. Vandaar uit werd dan na enkele dagen doorgevaren naar Santos, waar de verschillende familieleden reeds op de uitkijk stonden en waar ook pater van der Sterren stond te wachten. Met taxi’s werd de reis naar de Fazenda Ribeirao ondernomen, een reis van 215 km naar het binnenland, waar de meeste bewoners ’s nachts om 4 uur nog op de krasse oudjes stonden te wachten.

Welbestede tijd
En dan is voor de opa’s een drukke tijd begonnen. Ze kwamen wel op vacantie, maar nu ze er eenmaal waren, wilden ze ook zoveel mogelijk zien! En als we dan zo hun notitie’s doorbladeren, dan lezen we honderd en een naam van steden en plaatsen, die door de verschillende groepjes zijn bezocht, van de kilometers lange reizen per spoor en met paard en wagen, ja zelfs met het vliegmachine! En telkens en telkens moeten we horen, welk een schoon en prachtig land Brazilië is, met grote mogelijkheden voor nu en in de toekomst!
Drie opa'sHonderden boerderijen zijn bezocht, fabrieken, kloosters en winkels, grond werd gemonsterd, landbouwproducten bekeken, koffieplantages bezichtigd en de handel bestudeerd, kortom de dagen zijn omgevlogen. De dagboeken vertellen van de avonturen in de trein, waarin een dronkeman zijn medepassagier doodschoot en een andere zwaar verwond werd, zij spreken van de veeprijzen en van de smaak van mamoie, kortom, deze dagboeken tonen, dat onze wereldreizigers hun tijd niet in ledigheid hebben doorgebracht, ook niet buiten de Fazenda.

Fazenda Ribeirão
Hun grootste aandacht hebben de opa’s natuurlijk gewijd aan de Fazenda zelf, waar alle familieleden hadden wonen, die daar gezamenlijk in deze mooie Nederlandse nederzetting een nieuwe toekomst proberen op te bouwen. Ze hebben het werk meegemaakt, gestaan tussen de manshoge maisplanten, die daar een buitengewone opbrengst hebben.
Ze hebben de katoen-oogst meegemaakt, een van de voornaamste producten, die op de Fazenda geteeld worden en een goede prijs opbrengen.
Ze hebben de rijst zien groeien en in de kleine kapel, daar midden in de nederzetting gebouwd, meegebeden om water, toen de rijst dreigde te verdrogen. Ze hebben de mandiokka mee geoogst, de grote wortels, die men o.a. mengt onder het meel en ook als varkensvoer gebruikt. Ze hebben de ananas geplukt en gegeten, die daar in rijke overdaad groeit en de mamoie geplukt van de palmboompjes, alsmede sinaasappels, die allemaal door de Nederlandse boeren worden geteeld.
Ze zijn in de stallen gaan werken, waar de zwartbonte koeien over hun schrik heen zijn.
Het wennen van deze dieren aan het klimaat, heeft nogal slachtoffers gevraagd, maar na het tweede kalf gaat alles weer goed en zij fleuren en verlevendigen het Braziliaanse land op, waar alleen de halfwilde zeboe, grijs en donker, bekend is. De melkproducten zijn zeer gezocht evenals de eieren en vooral twee grote concerns uit het nabij gelegen Campinas zijn reuze afnemers geworden.
Ze hebben verder gehandeld over de zwarte en rooie Braziliaanse varkens, die het bij de Nederlanders goed doen, maar waarvan de prijzen ook niet bijster gunstig liggen op dit moment. Kortom zij hebben het leven van iedere dag meegemaakt, op deze Fazenda, waar alles nog in coöperatief verband gebeurd, wat op dit moment wel tot moeilijkheden aanleiding heeft gegeven, maar waaruit tenslotte toch ook het moeilijke begin een heel stuk is verlicht.

Zij hebben met hun kinderen en kleinkinderen gepraat, souvenirs gekocht en tenslotte – veel te vroeg naar hun zin – afscheid moeten nemen, omdat de boot naar Nederland wachtte. Zo zijn ze dan teruggekomen, met een hart vol indrukken en herinneringen aan dat schone land, waar hun kinderen en kleinkinderen nu werken onder de milde zon van de evenaar. En als zij het vrachtschip verlaten, klinken er van alle kanten groeten van de scheepslui, die het oude stel een ruim hart toedroeg en is hun afscheidsgroet Hasta la vista, want ze spreken al een aardig mondje Portugees en als er een roept “Tot weerziens”, dan knipogen ze eens stiekem naar elkaar. Wie weet…

Vier opa’s naar Brazilië (2)

In de vorige bijdragen kwamen vier Noord-Limburgse opa’s aan het woord voorafgaand aan hun bootreis naar Brazilië om daar hun kinderen en kleinkinderen te bezoeken. Het katholieke dagblad De Tijd publiceerde 16 januari 1953 een impressie van hun reis en hun aankomst in Brazilië.

Op 27 november zijn ze aan boord van de “Alioth” gegaan, een vrachtboot met accommodatie voor dertig passagiers. Met goede moed werd de reis ingezet, doch in de Golf van Biscaje was de zee echter zó ruw, dat toch enige benauwde ogenblikken werden doorgemaakt. Slechts één van de vier heeft last gehad van zeeziekte, terwijl de overige passagiers allen ziek in hun kooi lagen.

1Alioth201950a

De tijd brengen ze grotendeels door met kaarten onder het genot van een goede sigaar en borrel. De eerste zondag aan boord was voor de vrome opa’s wel een vreemde gewaarwording, daar er geen gelegenheid was Mis te horen in plaats van twee keer, zoals ze gewend waren. Ze lieten daarom de kralen van de rozenkrans maar een keer vaker door hun vingers glijden.

In Las Palmas hadden ze een dag oponthoud voor het verladen van goederen en de volgende dag werd koers gezet naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië, waar ze 13 december aankwamen en begroet werden door twee Limburgse missionarissen, pater Thielen en pater Goumans. Na Rio bezichtigd te hebben, werd de volgende dag de reis voortgezet naar Santos, waar ze opgewacht werden door pater Van der Sterren en enkele medebewoners van de fazenda, het eigenlijke doel van de reis.

Vier opa’s naar Brazilië (1)

Waren tijdelijke bezoeken van emigranten aan Nederland in de beginjaren al zeldzaam, hetzelfde geldt voor het bezoeken van geëmigreerde familieleden overzee. Een bijzonder bezoek was wel dat van vier Noord-Limburgse opa’s die in november 1952 op scheep gingen naar Brazilië om niet alleen hun kinderen en kleinkinderen in Holambra te bezoeken, maar ook twee in Brazilië verblijvende priesterzonen. De opa’s bezochten Holambra in een bewogen tijd waarin het al of niet tekenen van Portugeestalige contracten leidde tot een scheiding der geesten. Ook hun kinderen zaten niet op één lijn. In het Limburgs Dagblad van 21 november 1952 vertelden de opa’s hoe zij tot het voornemen om hun kinderen te gaan bezoeken zijn gekomen.

Sterren GJvd

Jos van der Sterren

Venlo, 20 november, 1952.
De dagen beginnen nu af te tellen voor Matthijs Goumans, Jos v.d. Sterren, Graad Michels en Hans Hoeymakers. Nog enige dagen en het motorschip “Alioth” zal de haven van Rotterdam uitvaren voor de grote oversteek naar Brazilië, aan boord waarvan deze vier heren wel tot de merkwaardigste passagiers zullen behoren. Want het zijn allen grootvaders, die eens gaan kijken hoe hun kinderen en kleinkinderen het daar in dat verre land wel maken. Ze hebben het goed bekeken, want tegen de tijd, dat ze terugkomen, – vermoedelijk maart – is de winter hier in Nederland al weer voor een goed deel achter de rug. Als trekvogels zoeken ze de warme landen op, om tegen het voorjaar weer terug te keren.

Het plan werd geboren in het brein van Jos v.d. Sterren, 72 jaar en zaakvoerder te Wanssum. Zijn zoon pater Theodulfus SSCC is professor aan het seminarie Tres Poços de Pinheiral in Brazilië. Daarenboven is er een

Matthijs Goumans

Matthijs Goumans

van z’n dochters getrouwd met Bovee uit Meerlo, die op de Fazenda Ribeirão woont. Het echtpaar heeft 9 kinderen, waarvan er twee in Brazilië geboren zijn, die opa v.d. Sterren nog nooit gezien heeft. Twee woorden over Brazilië met Matthijs Goumans, 71 jaar, landbouwer te Venray, waren voldoende om deze ondernemende Peelhaas deelgenoot in het plan te maken. Goumans heeft een priesterzoon, pater Coenradus O.F.M., die leraar is in São João del Rei. Hij heeft twee dochters op de Fazenda Ribeirão getrouwd en mag zich verheugen op de begroeting van drie opa-zeggertjes. Aangezien een dochter van Goumans gehuwd was met de zoon van Graad Michels, 63 jaar, landbouwer te Venray-Volen, rolde het “plan v.d. Sterren” als een sneeuwbal verder. Ook Michels verklaarde zich van de partij en toen was het vanzelfsprekend dat ook Hans Hoeymakers, 70 jaar, landbouwer Steeg-Sevenum, zich bij de onderneming aansloot, want de twee spruiten van een andere op Ribeirão woonachtige zoon van Michels moeten tegen Hoeymakers “opa” zeggen. En daarmee was het gezamenlijk 276 jaar tellende kwartet volledig.

Graad Michels

Graad Michels

Met veel moeite hebben we deze vier kranige reizigers bij elkaar kunnen krijgen voor een kiekje in de krant. Ze vonden het zo bijzonder niet, wat ze gingen doen. Maar het vooruitzicht eens een middag gezellig met elkaar te kunnen “klasjeneren” – ’t was de eerste maal, dat ze alle vier tegelijk bijeen waren – zijn ze tenslotte toch gezwicht. Bij van der Sterren thuis vond de samenkomst plaats en de stemming was al dadelijk opperbest, dat het geen twijfel liet, of de vier zullen het onderweg best met elkaar kunnen vinden.
Van der Sterren vertelde monkelend hoe hij het vuurtje had aangestookt, hoe hij Hoeymakers had gestrikt. “Kaarte geej ok geer?” had Hans gevraagd, zodra hij van de reis hoorde. – De kart neme we mee!, had van der Sterren geantwoord. “Ik zei: kruutsjasse,”glimlachte van der Sterren. “Dat doon weej ok!” had Hoeymakers geestdriftig uitgeroepen en toen was de zaak meteen beklonken. Nou en toen heeft van der Sterren de ene brief na de andere aan meneer Duysens van de emigratiedienst van de LLTB gestuurd en hoewel ze eigenlijk geen emigranten waren, had ie er zoveel schik in, dat hij alles voor de reis tot in de puntjes heeft geregeld.

Kandidaat-President
Van der Sterren heeft al twee grote koffers aangeschaft, tussen welke hij bijna verdwijnt. Het lijkt wel of Sinterklaas naar Brazilië gaat, zoveel hebben de grootvaders te verslepen: speelgoedbeertjes en eierleggende kippen voor de kleintjes, rozenkransen voor de communicantjes, missaals en bijbelse geschiedenisboeken voor de groten en nog veel meer. Op speciaal verzoek: boekjes met Marialiederen en Nederlandse schoolliedjes.
Van der Sterren heeft daar zojuist over Hoeymakers lelijk uit de school zitten klappen, maar nu is het de beurt aan de Sevenummer. “Van der Sterren blijft misschien wel in Brazilië achter. Ze hebben in die Zuid-Amerikaanse landen nogal eens ’n nieuwe president nodig. Hij als zaakvoerder weet van wanten en met dat snorretje en dat sikje heeft ie ook z’n voorkomen mee”. Dat zegt Hoeymakers en de “president” geeft hem een joviale por in de ribben.

Hans Hoeymakers

Hans Hoeymakers

Goumans en Michels praten verder over de reis. Michels is benieuwd naar het eten aan boord, maar Goumans maakt er zich geen zorgen over. “Enne goeie mök sluupt alles!” zegt hij op z’n Venrays, waarin met “mökke” jeugdige runderen worden aangeduid. Hij is de bereisde Roel van het gezelschap, want hij is al eens in Lourdes geweest en heeft verschillende malen een inspectietocht gehouden langs de boerderijen van Nederlandse emigranten in Frankrijk.
Ginds in Brazilië is de komst van de grootvaders ’t gesprek van de dag. Maar de Brazilianen behoeven zich geen zorg te maken. Troef-boer en faatse-nel zullen in de gemeenschappelijke hut aan boord van de Alioth zozeer de gemoederen beroeren, dat ze nog geen tijd hebben gehad aan zeeziekte te denken, als ze reeds te Santos aan wal stappen, om daar met de ter begroeting aanwezig zijnde priesterzonen in een speciaal autobusje te stappen en regelrecht naar Ribeirao te snorren, 180 km, het binnenland in…