Bedelen of vergaan

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (11)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het tweede deel van deze brief beschrijft hij de reis vanuit Rosario in Argentinië naar zijn nieuwe woonplaats Itapira.

Hervormde_kerk_en_toren_in_Westerlee_-_4
St. Joriskerk te Westerlee

’t Was dan ook eene landstreek die wij doortrokken, zoo aangenaam, en voor ons, die de moeitevolle berglanden hadden bereisd met de minst mogelijke hulpmiddelen, zoo verrukkelijk, dat wij ons waanden in ’t geliefde vaderland te zijn. Ja, wij hadden de bergen en bosschen achter den rug en zagen een groote schoone, voor het oog onmetelijke vlakte voor en om ons, hier en daar begroeid met eenig kreupelhout, dat ons zoo opwekkend deed denken aan ons geliefd dorpje. Zullen wij ooit uw klein torenspitsje dat zich nauw verheft boven de toppen der boomen, die u omringen, wederzien? Zullen we ooit uw kerkje weder betreden, om Gods woord te hooren verkondigen? Zullen wij ooit weder als voorheen, toen wij nog bij u waren, gezellig met u vereenigd zijn? Wij willen het hopen; maar mocht onze wensch niet worden vervuld, toch in welke omstandigheden wij ook mogen komen, nimmer o heilige geboorteplaats zullen wij u vergeten.

Zoo trokken wij dan steeds verder deze landstreek door. De bodem is hier zeer vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken. Naar men ons verklaarde zoude men voor duizend peso’s (twee duizend en vijfhonderd gulden) vijf-en-twintig hectare van dat heerlijke land kunnen koopen. Gij begrijpt, dat zoo iets voor ons onmogelijk was en wij er natuurlijk niet aan konden denken, zoo’n voordeelige koop te doen, omdat wij ontbloot waren van alles, wat waarde had, geldig voor de maatschappij, behalve alleen onzen goeden wil en daar het voortdurend bleek, dat die goede wil luttele waarde had, bleven wij arm en verlaten en leden gebrek aan alles.

Van ons bovenbeschreven voorgevoel gesproken, ben ik verplicht u hier te doen weten, dat er iets gebeurde, wat op ons, die zoo weinig meer aan menschelijke deelneming gewoon waren, een diepen en nooit te vergeten indruk maakte. Het smart ons, dat we niet in staat zijn de namen dier edele menschen te kunnen vermelden, die ons zoo hulpvaardig tegemoet kwamen. ’t Was bij aankomst aan een voor ons onbekend gebleven station, dan, waar wij zoodanig uitgeput waren en niets bezaten om iets te koopen, dat de chef en zijn schrijvers, Duitschers, zich over ons ontfermden. Die braven – zij gaven ons van alles te eten en te drinken, schonken aan de kinderen vele kleedingstukken en aan mijne vrouw schoenen. Deze laatstgenoemde gift kwam zeer te stade, daar wij allen barrevoets liepen, wat voor de vrouw onmogelijk bleek te zijn. Het scheen ons toe, dat deze goede menschen de heerlijke spreuk omhelsden: “Doe goed en zie niet om,” want waarlijk zij waren het goeddoen aan ons blijkbaar nog niet moede, waarvan het feit getuigde, dat zij ons kosteloos lieten mederijden in een goederenwagen van des morgens elf tot den daaropvolgenden nacht twaalf uur. Wij arriveerden toen bij oen station en moesten daar des nachts overblijven. Wederom werd ons gegund daar in een goederenloods te mogen slapen om den volgenden morgen de nog acht kilometer afstand tot Rosario te voet beginnen af te leggen. Zeker tengevolge wij den vorigen dag gereden hadden en dus uitgerust, kwamen wij des avonds niet erg vermoeid aan te Rosario.

Dit was het punt, waar wij gaarne wilden wezen, om persoonlijk den consul te spreken. Nooit genoeg kunnen wij de bovengenoemde Duitsche spoorweg-ambtenaren prijzen, die ons zoo veel goed hadden gedaan. Wij vergaten dan ook nimmer hen in het geheel gedachtig te zijn, dat we nooit verzuimden tot den Allerhoogste op te zenden.
Te Rosario dan zijnde begaf ik mij den volgenden morgen onmiddellijk naar den consul om raad te vragen en hulp in te roepen. Ik mocht hem ontmoeten. Het hart klopte mij hoorbaar in den boezem, toen ik voor hem stond, en mijn onderdanig verzoek tot hem richtte, om ons te redden òf aan arbeid òf ons terug te willen zenden naar Europa. Hij bleek een gepantserde gelijk te zijn. Alles stuitte op dien man af, zoowel een redelijk woord als wanhopig smeeken. Met de meeste koelheid antwoordde hij: ik kan niets voor u doen. Slechts van één ding kon hij zich zeker niet onttrekken en wel om ons onderdak te geven in het emigrantenhuis, waar wij echter geen het minste voedsel kregen, noch iets, dat ons zoo zwaar beproefden konde opwekken. Nog dankten wij den hemel voor ons onderdak, want wij hadden al zoo dikwijls buiten moeten slapen.

Lieve vrienden! Ik moet u zeggen, dat hoeveel wij ook al reeds hadden ontbeerd wij, wij allen hier op proef werden gesteld en hier moesten ondervinden, wat onze karakters in ’t geheel niet toelieten: wij moesten… bedelen. Aan wanhoop ten prooi ging ik – wij gingen allen bedelen, want het scherpe zwaard – de honger – dreigde ons te vernietigen. Ja, wij gingen allen, zelfs mijne vrouw met het kleinste kind op den arm. Dit was te veel. Doch arbeid was er niet: de staat had zijn kinderen verlaten. Had men mij slechts den zwaarsten arbeid aangeboden waar ik, zoo gij weet in ’t vaderland ook niet tegen op zag, hoe gaarne zoude ‘k hebben aangepakt, ware het dan ook slechts alleen ten voordeele van mijne vrouw en het kleinste kind. Niets echter baatte, noch mijn goeden wil, noch vragen, zelfs smeeken om werk; het wachtwoord heette: bedelen of vergaan. Dit trof ons op ontzettende wijze, doch wij moesten berusten in het noodlot, door te bedelen konden wij toch eten. Wij zochten troost in het geloof. Wij mochten nog heimelijk –heimelijk vermoeden: wij zullen nog wel gered worden, omdat eenvoudig onze goede wil steeds zoo vast streefde naar beter. ’t Was tevens ook, dat wij gesterkt werden door het woord van Job:
“De Heer heeft gegeven:
“De Heer heeft genomen,
“De naam des Heeren zjj geloofd.”

Wij bedelden. Ik huurde eene kleine woning in de stad voor 7 peso’s per maand. Deze betrokken wij hoofdzakelijk ’s nachts, daar wij over dag natuurlijk op straat moesten gaan. In dezen toestand verkeerden wij ruim eene maand. Dat in dergelijke omstandigheden het spreekwoord : “buurman’s leed troost” waar is en als ’t ware eigen leed vergemakkelijkt, mag ik niet ontkennen, in weerwil echter, dat het wel wat zweemt naar ongeoorloofde zelfzucht. Bij het vernemen toch, dat er zoo’n 600 personen rondliepen als bedelaars was het ons beter te moede en konden dus het schaamtegevoel, dat ons zoo diep geschokt had, beter onderdrukken. Deze 600 bedelaars waren mannen, die hier niet gekomen waren als bedelaars van beroep, maar om een eerlijk stuk brood te verdienen, waarvan hen zoo veel goeds was voorspeld. Er waren vele Hollanders onder. Men verklaarde, dat er tal van Hollanders in deze stad waren, die in geen zes maanden werk hadden kunnen bekomen en enkel van bedelen hadden moeten bestaan. – Doch wederom kwam er eenig licht: wederom schoot er een vonk in de ziel, die nieuwe hoop opwekte. Op zekeren morgen toch werd aan alle hoeken der straten en pleinen het aangename bericht aangeslagen, dat de emigratie naar Brazilië open was. ’t Was ons te moede alsof die aankondiging zóó uit den hemel viel en alléén ten dienste van ons, gedwongen bedelaars, in leven werd geroepen. Wij namen zonder eenig beraad deel aan de inschrijving, gelijk ook de grootste massa deed. Den 27 Augustus verlieten wij Rosario met den trein naar Buenos-Ayres en van daar ging het per stoomboot tot Santos, eene zeehaven in Brazilië. Gij zult u wellicht herinneren,dat Santos nog al vrij algemeen bekend is als een belangrijke haven, waar veel beste soort koffie gescheept wordt, bestemd voor Europa. De arbeid, die ons zoude worden opgedragen, bestond dan ook in de koffieplantage.

Santos 1890
Santos 1890

Intusschen moet ik u nog even doen opmerken, dat wij vóór onze afreis van Rosario onder alle die vreemdelingen een nauwe bekende aantroffen en wel CHRISTOFFEL SPRENGER van Heiligerlee. Dit was voor ons een aangename verrassing en we drukten elkander onstuimig de hand. Tal van vragen en verhalen omtrent toekomst en wedervaren kruisten elkander, wij werden het vragen niet moede, toen SPRENGER ons verhaalde al reeds in Brazilië geweest te zijn, en het ons eenvoudig afraadde daar naar toe te gaan. Helaas, wij hadden reeds een contract geteekend en moesten, ’t mocht loopen zoo bet wilde, vertrekken. Welnu, wij waren immers toch in de eerste plaats geen bedelaars meer. Wij kwamen immers in dienst van den staat en zouden wij zoo iets niet gretig aanvaarden? Het afscheid nemen van onzen vriend SPRENGER viel ons hard. De uitdrukking die wij ons in ’t vaderland wel eens veroorloofden :
“Vrienden in den nood
“Honderd op een lood.”

Was bij deze ontmoeting niet op de rechte plaats: wij waren als ’t ware één ziel en één zin. O, wat een handdruk is van een vriend in verre landen en in den nood, geliefden, dat is met geen pen te beschrijven – in geen woorden uit te drukken. Ze wekt den moedeloozen zwoeger op gelijk een heldere zonnestraal opwekkend is na den regen en verkwikt ons als een milde regen na gloeiende zonnehitte. Ze verkoelt ons het brandende voorhoofd na vele inspanning en moedig schraagt haar sterke arm ons op het glibberigste pad. Ze deelt met ons in leed en gevaren en zoo ons welvaart bejegent, juicht ze oprecht met ons mede. O reine, trouwe vriendenblik, driewerf gezegend! Steun in den nood – redder, waar de wanhoop ons dreigde te vermeesteren, kom aan ons naar deelneming smachtend harte. Bode uit hoogere sfeeren – zalige vriendschapsband omsluit ons steeds vaster: word’ met ons harte één.
“Wat ons dan ook moog’ ervaren
“’t Zij ons moeite, wacht of strijd,
“Bij het klimmen der gevaren,
“Aan Uw trouwe borst gevlijd:
“Zal ons harte niet verkwijnen,
“Staat de Poolstar in ’t verschiet,
“Moge om ons ’t al verdwijnen,
“Trouwe vriendschap, gij slechts niet !”

Ter eere dient gezegd, dat het Leger des Heils hier ook zeer veel goeds deed. Het belaste zich niet alleen met onvermoeid troostende en bemoedigende woorden te richten tot de naar beterschap hakende massa zwervelingen, maar vergat daarbij niet op te treden ook aan hongerige magen voldoening te geven. Met de meeste toewijding na zang en gebed deelde het geheel kosteloos brood, soep en vleesch uit aan allen, die het slechts verlangden. Ik geef u de verzekering dat deze wijze van handelen door zeer velen gretig en onder dankbaarheid werd aanvaard. Ook wij genoten mee. Ik kan echter niet ontkennen, dat het mij tegen de borst stuitte, dat wij, na reeds zoolang bedelaar geweest te zijn, ’t welk ons zoo diep gegriefd had, weder op nieuw bij aankomst in een andere, zoo het heette betere plaats, zouden profiteren en van gegeven brokken. En toch, met het oog op de bleeke, afgematte en moedelooze vrouw en kinderen, nam ik alles in dank aan wat de leden van het Leger des Heils ons zoo minzaam toereikten.

Zoo bevonden wij ons dan in Santos en moesten daar weder voorloopig in een emigrantenhuis worden geherbergd. Dit ging wederom onder groote moeilijkheden gepaard, daar het huis, hoe groot het ook is, veel te klein bleek te zijn voor de groote massa emigranten. Wonderlijk niet waar? ’t Was alsof een kwade demon ons vervolgde en ons steeds bij den minsten schijn van hoop de pas afsneed. In plaats wij ons dan dachten uit te rusten werden de deuren voor ons gesloten, omdat het huis reeds overvol was, zoodat wij ons des nachts onder den blooten hemel moesten behelpen. Nadat wij daar vier dagen geweest waren, braken we op in de richting van St. Paul [São Paulo], steeds zoekende en trachtende om langs den weg van arbeid redding te verschaffen.
Ten slotte moet ik u nog melden, dat, hoe sterk ook altijd vroeger mijn levendige hoop mij bijbleef, zelfs onder de slechtste vooruitzichten, ik begon te wanhopen aan welslagen. Ik vrees voor ’t ergste. Niet vrees ik voor den dood of wat ook dat tot verontrusting kan leiden aan kleinzieligen, maar de vrees bevangt mij in hooge mate dat er een tijd kan komen, dat het mij niet meer gegeven is troost in te spreken aan mijn hulpbehoevend huisgezin. Intusschen zal ik doen wat de hand vindt om te doen en mocht alles, wat wij aanvangen, steeds vruchtloos blijken te zijn, welnu, wij hebben ons dan geen zelfbeschuldiging te verwijten. Tot slotte nog dit: wij blijven heimelijk hopen, dat het u gegeven moge zijn ons uit dit land te verlossen.

Uw toegenegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

‘Ook wij hebben een kruis te dragen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (10)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het eerste deel van deze brief beschrijft hij wat zij moesten doorstaan tijdens de reis vanuit Tucuman naar Rosario.

Geliefde familie, vrienden en bekenden en allen, die deze brief zullen zien en lezen, u allen wensch ik het slotvers van de openbaring van Johannes: “De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen! Amen.” Het was hedenmorgen, dat mij in ’t bijzonder trof, het 24e vers uit Mattheus 16, Toen Jezus tot zijne discipelen zeide: “Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en volge Mij.” Hoe troostend is dit woord uit Jezus’ eigen mond voor ons zoo zwaar beproefden – voor ons, die niet meer zijn dan droeve zwervers. Doch laat het heerlijke woord van Jezus ons voldoende zijn en wat ons ook ontmoete, wij staande zullen blijven door de kracht van zijn woord en een onwankelbaar geloof.

Ja, ook wij hebben een kruis te dragen, dat, wij gevoelen het, alleen mogelijk is door Jezus’ troostwoord. Buiten en behalve de slechte vooruitzichten, die hier voor ons open staan op ’t gebied van maatschappelijke zaken hebben wij door den dood het verlies te betreuren van onzen geliefden zoon Udo, die onverwacht heenging tot zijn Heer. Hoe zwaar ons dit ook treft in het voor ons zoo vreemde land, moeten wij echter zwijgen en berusten in den wil des Heeren – moeten wij zwijgen – ook omdat onze Udo de toekomst goed inzag. Tot het laatst genoot hij, hoewel twee dagen sprakeloos zijnde, een vol verstand en gaf op levendige wijze te kennen tot zijn Jezus te zullen gaan. De gedachte – die wetenschap liever, dat hij vol vertrouwen zoo kalm en rustig henen ging, doet ons in hooge mate berusten in den wil van Hem, wiens doen enkel wijsheid is en liefde, en deed ons nog dankbaar voor zijn gezegend aandenken vol vertrouwen ons dierbaar kleinood aan de groeve afstaan, wetende, dat Hij, die nimmer plaagt uit lust tot plagen, alles doet ten goede voor zijn kinderen.
“Wie heeft verworven die leere te lijden,
“Hecht niet aan de aardsche bezitting uw hart;
“Wie heeft genoten die leere te Jijden,
“Wenkt u de vreugd, zij verwijst naar de smart.”

Ziehier onze levensloop verder. Gelijk gij reeds weet hebben wij het laatst verloopen jaar te Tukuman doorgebracht, na dan hier en daar gezworven te hebben, zoodat gij in langen tijd geen bericht van ons hebt gehad, want het is iemand, overmand van zwarigheden en droefenis, op zulke zwerftochten niet maar zoo gegeven en de gelegenheid is niet altijd daar om te kunnen schrijven. Toen wij dan eindelijk niet meer in Tukuman konden zijn, gingen we vertrekken naar Santiago, eene stad in de provincie Santiago [Santiago del Estero, MS], dat is een afstand van 865 kilometers. Deze reis ondernamen wij te voet en behoef ik u dus niet te zeggen hoe moeitevol dat ging, als ge bedenkt, dat wij nagenoeg zonder geld waren. Met een zak, waarin eenig beddegoed, op den rug, ging het steeds voort. Mijne vrouw droeg het kleinste kind, terwijl de andere kinderen belast waren met het ons nog overgebleven plunje. Wellicht zult gij zeggen: hoe is het mogelijk zoo’n hopelooze reis te ondernemen. Laat ik u in de eerste plaats doen opmerken, dat wij vooraf schreven aan den consul te Rosario met beleefd verzoek ons te hulpe te willen komen om te kunnen vertrekken op zijn order, doch we kregen in ’t geheel geen antwoord. Een tweede brief, mede onderteekend door tien Hollanders werd afgezonden, waarop eindelijk na lang wachten een antwoord inkwam, luidende, dat hij (de consul) geen vrije overtocht konde geven.

De consul Leonard van Riet

Hij gaf ons echter den raad ons verzoek te richten tot den consul-generaal, den heer Van Riet, wellicht, dat deze raad konde geven. Dit geschiedde: wij schreven onmiddellijk en het antwoord, dat wij weldra ontvingen luidde, dat hij niets voor ons konde doen, daar hij wel de emigratie naar het binnenland bevorderde, maar in ’t geheel niet naar buiten, alzoo niet terug. Daar nu de ondervinding ons voor goed geleerd had niets van autoriteiten te hopen te hebben en wij steeds bedrogen uitkwamen en in weerwil onzer goeden wil steeds verarmden en verzwakten, bleef er niets anders over dan al onzen moed en krachten te verzamelen en te voet de oogenschijnlijk onmogelijke reis te aanvaarden. Reeds waren er al vijf familiën op weg, toen ook wij in gezelschap van een familie lotgenooten, herkomstig uit Zeeland, ons op zekeren dag op reis begaven. Na vijf dagen gezwoegd te hebben bij het gebruik van zeer slechte voeding, de nachten doorbrengende in open lucht, of bij buitengewoon geluk in de eene of andere loods, waren de vrouwen en kinderen in ’t bijzonder uitgeput, zoodat zij niet meer voort konden en dus de toestand nog hopeloozer werd. Gevoelden wij allen groote afmatting, de vrouwen waren letterlijk niets meer. Opgezwollen beenen als zij hadden, stonden hunne oogen hol, waaruit dikwijls tranen te voorschijn kwamen, als zij den blik sloegen op de kinderen, waaraan zij als moeders zoo gaarne hulp en troost hadden verleend. Gelukkig konden wij nog enig geld bij elkander brengen om een spoorkaart te koopen voor dertig kilometer afstand, ten dienste der vrouwen en kleinste kinderen.

Ofschoon in de laatste dagen niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk diep geschokt door de soms bijna onmenschelijke behandeling, die wij ondervonden, zagen we hier toch, dat er in dit vreemde land nog edele harten vol van liefde en menschenmin klopten bij het aangenaam verrassend feit, dat het spoorwegpersoneel de vrouwen en kinderen nog een aanzienlijke afstand kosteloos lieten meerijden. Wij, de mannen en de grootste kinderen mochten toen slapen in een goederenloods van het station Ruisch en hebben daar ook gegeten. Des anderen daags begaven wij ons weder vroeg op reis en kwamen na groote vermoeienis weder bij de vrouwen aan te Labanda, eene kleine stad in de provincie Santiago. Wij merkten spoedig op, dat daar veel drukte heerschte, door het bouwen van loodsen en andere aanverwante zaken aan het nieuwe station behoorende. Onmiddellijk zagen wij dan ook om naar arbeid, die wij daar tot aller blijdschap kregen. Hoe behoeftig het u wellicht ook moge toeschijnen, wij zagen hier de grootst mogelijke uitredding door vóór onze arbeid aanving eene woning te verkrijgen, bestaande in een goederenwagen, die de spoorwegdirectie ons in gebruik afstond. O ’t was dan ook zoo hoog tijd, dat er eenige verpoozing kwam. Uitgeput naar lichaam en ziel als wij allen waren, begon de moed zoodanig bij den dag te zinken, dat er al zeer weinig veerkracht meer over was, om elkander tot moedhouden aan te kunnen sporen. En toch onzen waarden – toch, toen wij gezamentlijk den wagen betrokken hadden, bezield met de gedachte eenige rust te zullen erlangen en morgen en vele achtereenvolgende dagen werk en brood, zongen wij uit volle borst, doch met verzwakte stem ter eere van onzen God: Gezang 7, vers 1:
“Op bergen en in dalen,
“En overal is God!
“Waar wij ook immer dwalen,
“Of zitten, daar is God ;
“Waar mijn gedachten zweven,
“Of stijgen daar is God;
“Omlaag en hoog verheven,
“Ja overal is God !”

Na versterkt te zijn, tevens door een gebed, dat wij tot den Allerhoogste opzonden en het genot van een diepen slaap genoten hebbende, gingen wij aan den arbeid. Twee maanden hebben we aan bovengenoemde gebouwen gewerkt tot genoegen van de directie: het werk was toen voltooid. Helaas, er werd ons toen als ’t ware een wachtwoord toegeroepen, dat ons deed opschrikken en maar al te veel herinnerde aan den tijd van werkeloosheid, bijgevolg armoede en wellicht wederom zwerven. Het zoogenaamde wachtwoord heette: “Tramwage Conklade” dat is: ’t Werk is gereed.

ArgentinaNu hadden wij voor ons huisgezin weer eenig geld over verdiend en wel vijftien gouden peso’s (deze hebben eene waarde naar Hollandsche munt van twee gulden en vijftig cents. Een rijksdaalder dus). Er bestonden ook peso’s in papier, die slechts eene waarde hadden van een gulden. Onder deze bedrijven waren er weder twee Hollandsche familiën aangekomen uit Tukuman, eveneens te voet en doodelijk uitgeput als ook wij bij onze aan komst. Ik kan u de verzekering geven, dat hun lot ons in hooge mate trof en wij allen onze krachten en gegevens, die we bezaten in goud zoowel als in ziel, ten beste gaven, onze lotgenooten te helpen steunen – die armen en bedroefden. Wij waren immers zóó rijk, niet waar? Het scheen na alle deze bedrijvigheden, dat ons lijden werkelijk voorbij was• en wij onzen goeden wil beloond zouden zien, bij de ontmoeting van eenen Hollander, die de landtaal goed machtig was en niet spaarzaam bleek te zijn in het geven van goeden raad en daad tevens, wijl hij ons hielp aan het station te komen en vele en velerlei raadgevingen gaf omtrent datgene te doen wat in onze positie het beste scheen te zijn. Nadat wij onzen dank aan dien goeden vriend gebracht hadden, namen wij reiskaarten naar het station Ceres in de provincie Santa Fe.Deze spoorreis, die den geheelen dag duurde, kostte ons per familie zeven en een halve peso – de helft dus van onzen verdiende en bezittende schat. Eindelijk des avonds laat te Ceres aankomende, waren we wel eenigszins opgewekt om, na eenige rust genomen te hebben, morgen verder te gaan in de richting van Rosario. Zoo begon dan weder een voetreis, waarvan wij tusschen Itapira en Labanda nog zoo’n toonbeeld van ellende in ’t geheugen hadden. In hooge mate moesten wij dus eerstens op spaarzaamheid bedacht zijn en daarbij zooveel mogelijk elkander moed in boezemen, opdat we toch de reis zouden volbrengen om weder op een plaats te zijn, waar werk en brood zoude worden gevonden. Nadat wij dan twee dagen hadden gemarcheerd, natuurlijk alle onze bezittingen op den rug, kon mijne vrouw niet meer. Met ons kleinste kind van 10 maanden dat zij op den arm droeg, viel ze flauw, waarbij wij dachten, dat het met haar gedaan was. Groote barmhartige God, zoo het met Uwe rechtvaardigheid overeenstemt, help dan ook nog voor ditmaal in den nood!

Zoo was mijn gebed, terwijl onze kinderen het zwijgend doch in tranen badend aanhoorden. God hoorde en verhoorde: Hij gaf het bewustzijn aan mijn vrouw terug. Mijne vrouw was toen zeer zwak en uitgeput en moest dus noodzakelijk rust hebben. Slechts één dag rust genoot ze, toen de noodzakelijkheid dáár weder was verder te moeten gaan. Nu nam ik een spoorwegkaart voor haar en de kleinste kinderen tot een eerstvolgend station, waarna wij, Gezina en ik wederom te voet de reis vervolgden. Over Gezina gesproken, deze wordt al vrij groot en forsch en draagt dan ook zoo veel mogelijk het kleinste kind. Zoo kwamen wij dan na een langen dagmarsch bij het station Placio, waar mijne vrouw met ons kleinste kind reeds was aangekomen.

In de nabijheid van dit station is eene kolonie gelegen, bestaande uit Russische joden. Daar deze stambeoefenaars zijn van landbouw en veeteelt, waar ik, zoo gij weet, het best in thuis behoor, zag ik den volgenden dag dadelijk rond om daarbij te kunnen worden geplaatst. En waarlijk: ik kreeg arbeid, of liever ik kreeg op mijn vraag om arbeid een toestemmend antwoord, zonder voorloopig te weten te komen of het al dan niet een kostwinning zoude geven. Mijn werk, dat mij later werd opgedragen, bestond in ploegen en wel met ossen. Welnu, dat ging mij goed af; een ploeg loopt door ossen getrokken regelmatiger dan paarden, vooral als paarden wat wild zijn. Ook kregen wij eene woning, waaraan echter nog veel getimmerd moest worden. ’t Was slechts eene ruwe massa, waarvan vier muren de eenige goede deelen waren. Nu moest ik maar zien hierop een dak te plaatsen, waar ik in geen geval tegen op zag, zoo het mocht gebleken hebben, dat het te verdienen dagloon zoodanig was, dat wij er eenigszins van konden bestaan. Dit bleek echter onmogelijk te zijn, daar het dagloon slechts bestond in drie kilogram vleesch en twee kilogram brood. Onhoudbare toestand. Gij zult wellicht zeggen: drie kilogram rundvleesch, gerekend bij u te lande per 5 ons naar den prijs van zes, zeven, acht stuivers of meer, wordt een bedrag van aanzienlijke geldswaarde en zoude men eenvoudig minstens de helft van het vleesch verkoopen om voor dat geld wat het opbracht andere huishoudelijke zaken te koopen. – Met deze veronderstelling rekent ge mis. – Het is wederom de omstandigheid van den eigenaardigen toestand des lands en bij goed doorzien laat dit zich zeer goed begrijpen, als gij weet, dat het vleesch wat hier wordt aangeboden, komt van het ongemeste rund, dat graast op de prairie en in de bergstreken en hoogstwaarschijnlijk meer ter wille der huid dan wel om het vleesch wordt gehouden, vandaar ook, dat er massa’s koeien rondloopen, die zelfs duizendtallen bedragen. Zoo kunt ge u dus wel voorstellen, dat het vleesch dezer dieren erg taai is, met één woord slecht, en bij u onder gezeten burgers eenvoudig zoude worden gestempeld met de woorden : “als zoolleder zoo taai.”

Zoo zijn wij dan ook maar drie dagen daar geweest, omdat het eenvoudig onmogelijk was te bestaan. En weder gingen wij op reis , al weder te voet, totdat we op zekeren avond bij een klein station aankwamen. Het scheen ons toe dat er nog wel redding zoude opdagen, waarvoor wij echter geen reden hadden, wijl er in genen deele eenig uitzicht op bestond. Ik geloof heimelijk, dat deze zoete hoop zijn oorsprong vond in het feit, dat wij op dien avond niet zoo erg vermoeid waren. ’t Was alsof wij, ja, hoe zal ik het uitdrukken, bezield waren door een niet te beschrijven voorgevoel, dat ons zeide : houd moed, eenmaal zal uw vaste wil zegevieren !

Geen paradijs.

De Nederlandse emigratie naar Zuid-Amerika, 1858-1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel omvangrijkere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. Swierenga’s conclusies zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zich richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

– Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
– De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
– Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
– Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
– Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen);
– Onvoldoende capaciteiten als landbouwer.

Zeeuwen in Espírito Santo
De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst. De opbrengst kon men vervolgens gebruiken voor het afbetalen van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.

A Espirito SantoOp 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in het zuiden van Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ook ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.

De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen die Holanda en Holandinha werden genoemd. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.

Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voor handen. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.

Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

Argentinië
Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.

In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1891 4474 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen, Friesland en Zeeland. Van hen waren 3742 emigranten, 84% van het totaal, zogenoemde kredietpassagiers. Zoals uit de onderstaande Argentijnse statistiek blijkt, arriveerden ook het merendeel van de ca. Belgen en Fransen dankzij de door Argentinië beschikbaar gestelde kredietpassages. Van de Spanjaarden en Engelsen was die maar voor de helft het geval, terwijl het merendeel van de Duitsers, Oostenrijkers, Zwitsers en Italianen hun overtocht zelf betaalde.

A tabel

Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede. Al in 1890 constateerde de Commissaris-Generaal van het Argentijnse Departement van Immigratie dat een deel van deze ellende ook te wijten viel aan de verleende kredietpassages: ‘Zij bezaten niet het minste kapitaal, en in ’t algemeen evenmin een voor ons land geschikt beroep. Ten einde de passage machtig te worden, deden zij de valsche verklaring, dat zij landbouwers waren en met het doel terugbetaling van het ontvangen voorschot te vermijden, teekenden zij valsche schuldbekentenissen met valsche namen.’ Er heerste ‘overal bedrog in deze uit de laagste klasse der maatschappij voortgekomen immigratie. Ontbloot van alle energie, waren deze elementen ook niet in staat tegen hunne oude gewoonten te reageeren in het nieuwe land hunner vestiging; zij konden tot den vooruitgang van ons land niet bijdragen. Twee derde van de kredietimmigratie was slecht.’

A ArgentiniëKort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Daarnaast verleende de in 1889 in Buenos Aires opgerichte Nederlandse vereniging aan circa 200 Nederlandse gezinnen en ongehuwden onderstand.

Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië en het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding met Buenos Aires.

Mislukking en nieuwe start
In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd in 1907 vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het merendeel van de landverhuizers was dit keer afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

A Z-BrazilieDe emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Verder waren vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië vertrokken, terwijl anderen zich vanuit de kolonies vestigden in Braziliaanse steden. Door de negatieve berichtgeving over de immigratie en het snelle vertrek van veel emigranten uit de kolonies besloot de Braziliaanse regering met ingang van 1910 de verstrekking van vrije passages te staken. Voor de Nederlandse regering waren de berichten aanleiding om een ieder, die geen landbouwer was of over enige middelen beschikten, ten sterkste te ontraden naar Brazilië te emigreren. Het gevolg van de bemoeienis van beide regeringen was dat het aantal Nederlanders dat emigreerde sterk terugliep.

A Brazilië immigratie
Nederlandse immigratie in Brazilië, 1908-1916

Na de scherpe terugval stabiliseerde de emigratie naar Brazilië zich voor enkele jaren rond de ca. 250 per jaar. Onder de emigranten bevonden zich ook enkelen die eerder met steun van de Nederlandse overheid waren teruggekeerd. Zij wilden terugkeren omdat zij terdege mogelijkheden zagen in Brazilië. Samen met enkele nieuwe emigranten stonden zij aan de wieg van de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. Deze kolonie ging in 1911 van start nadat enkele enkele Nederlandse emigranten van Gonçalves Junior erin waren geslaagd in Carambeí grond te verwerven van de Brazil Railway Company. Hun positieve verhalen waren voor familieleden en bekenden uit hun dorp van herkomst een reden om nu ook naar Brazilië te vertrekken. De pioniers van Carambeí waren afkomstig uit het Zuid-Hollandse ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer.

Met het aflopen van de mislukte emigratie naar Brazilië groeide wederom de migratiebeweging naar Argentinië. Van 1905 tot en met 1917 vertrokken 2200 Nederlanders naar dit land. Het merendeel van deze emigranten waren zakenlieden en kooplui. Boeren en ongeschoolde arbeiders vormen nog slechts een kleine minderheid. Dit was ook het geval in de jaren twintig, toen zich nog eens 1200 Nederlanders in Argentinië vestigden. Een deel van de boeren die vertrokken ging de bestaande Nederlandse kolonie Tres Arroyos versterken.

A migratie Z-AmerikaDe Koninklijke Hollandsche Lloyd heeft een belangrijke rol gespeeld bij de groei van de emigratie naar Zuid-Amerika in de zeven jaren voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. De grafiek laat het verloop van de emigratie vanuit de Nederlandse havens naar Zuid-Amerika zien. We kunnen constateren dat vanaf 1907 de KHL deze migratiebeweging volledig voor zijn rekening heeft genomen. Het merendeel van de migranten waren afkomstig uit het Duitse achterland. Net als uit de statistiek van de Braziliaanse immigratiedienst wat betreft de Nederlandse migratie naar voren kwam, zien we ook hier dat in 1910 de het aantal landverhuizers dat via de KHL vertrok sterk terugliep. Oorzaak was het feit dat de Braziliaanse overheid geen vrije passages meer verstrekte. Dit was een tijdelijke dip, die zich daarna weer herstelde. Terwijl de Nederlandse emigratie stabiel bleef op het lage niveau van ca. 250 per jaar, was het herstel vooral toe te schrijven aan het feit dat met name Duitse emigranten nog wel gebruik konden maken van door de Braziliaanse overheid verstrekte passages.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen Antko als gevolg van de crisis in Argentinië werd ontslagen begon ht gezin aan een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 13 september 2014 voor Genootschap Amstelodanum in Koffiehuis van de Koninkijke Hollandsche Lloyd ter gelegenheid van Open Monumentendag.

Bewaren

Een hel voor emigranten

De Zeeuwse emigratie naar Zuid-Amerika vóór 1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel grotere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. De conclusies van Swierenga zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zicht richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

  • – Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
  • – De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
  • – Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
  • – Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
  • – Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen).
Uitbetaling
Uitbetaling bij het huis van de directeur

De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst, te gebruiken voor de afbetaling van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.
Op 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro aan. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.
De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen met de namen Holanda en Holandinha. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.
Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voorhanden. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.
Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

ss-Schiedam-W
SS Schiedam van de NASM

Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.
In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1890 4470 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen en Friesland. Zuid-Beveland leverde ca. 600 landverhuizers. Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede.
Kort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië een het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding op Buenos Aires.

In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd een jaar eerder vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het aandeel Zeeuwse emigranten was beperkt; het merendeel van de landverhuizers was afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van Gonçalves Júnior in 1908. Groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

De emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Opmerkelijk is verder dat met name vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië waren vertrokken. De kolonie die gedurende korte tijd de meeste Nederlanders huisvestte was Gonçalves Junior in Paraná. In deze kolonie, die onder emigranten bekend stond als het vrouwenkerkhof, werd de basis gelegd voor de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. In 1911 slaagden enkele emigranten van Gonçalves Junior erin bij de spoorwegmaatschappij grond te verwerven. Nadien zouden emigranten uit Nederland deze groepsvestiging versterken en werd er een begin gemaakt met familieleden en voormalige dorpsgenoten.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de Zeeuwse emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Behalve in Espírito Santo in Brazilië zijn er waarschijnlijk ook in Argentinië nog nazaten van Zeeuwse emigranten te vinden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van een niet-Zeeuwse familie, nl. de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen ze als gevolg van de crisis in Argentinië werden ontslagen begonnen zij een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 18 juli 2014 in Middelburg tijdens de Viering 200 jaar Provincie Zeeland: Komen, gaan en terugkeren.

‘Wij zwervers in dit ondermaansche’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (9)

In het laatste deel van de brief die hij op kerstmis 1891 naar het thuisfront schreef, gaf Antko Drenth uiting aan het verlangen om naar huis terug te keren. Ook het verblijf in Brazilië bleek geen verbetering te zijn en maakte het alleen maar lastiger om die terugkeer mogelijk te maken. Het verlangen kerstmis te vieren in het oude vaderland overheerste het gemoed.

Dezer dagen kregen wij nog al eenige bemoedigende tijdingen en wel, dat er in België commissiën waren gevormd om pogingen in ’t werk te stellen, hunne landgenooten van hier terug te transporteeren naar hun vaderland. Er moeten zelfs uit enkele havens al velen zijn vertrokken, waaronder bij uitzondering, naar men zegt, ook eenige Zeelanders. Ook loopt hier het gerucht , dat de overtochtskosten naar België slechts vijf-en-twintig gulden bedragen, zoodat wij alle hoop hebben dat gij ons gelukkig kunt maken, om, door weinige kosten te verspillen, ons uit de ongelukkige positie, waarin wij anders wellicht zullen moeten omkomen, te verlossen. Wij betreuren het ten zeerste, dat de Nederlanders nog niets deden, om ons te verlossen, die anders in liefdadigheidszin nooit ten achteren staan. Het zal wellicht een gevolg zijn van het feit, dat ons land, of beter gezegd, Nederland, geen geregelde vaart heeft op Brazilië, en bijgevolg het onmogelijk is ons de behulpzame hand te bieden, tenzij men groote sommen gelds bijeen bracht ter uitvoering. Zulk een offer is wel te groot, om daaraan te denken en zullen wij dus moeten afwachten, wat de orde van den tijd ons zal geven.

Ik heb ook al aan den Consul te Rio de Janeiro geschreven wat het zoude moeten kosten, om naar Holland terug te keeren, doch kreeg eenvoudig geen antwoord. Nog zal ik het eenmaal wagen aan dien heer te schrijven met beleefd verzoek, toch in elk geval de goedheid te willen hebben, dat ZEd. ons de noodige inlichtingen verstrekken, dan komen wij, zoo hij ons daarmede wil dienen, nader tot den waren toestand. Zoo wij ons nu nog maar in Argentina bevonden, zoude ‘k eenvoudig naar de hoofdstad loopen waar de Consul woont, en hem in persoon trachten te mogen spreken. Doch hier in Brazilië gaat het niet aan om te voet bij een zeehaven te komen. Gij moet weten dat wij ons diep in het binnenland bevinden en de weg die wij zouden moeten passeeren, is uiterst moeielijk en zeer gevaarlijk tevens. Daarenboven nog de omstandigheid dat het in den regentijd is, zoodat, het een bij het ander genomen, het er naar aanligt om ons aan het lot over te geven.

Men zegt hier ook dat de landreis tot de kortst bijzijnde zeehaven tegen zeventig mijl per familie kan worden afgelegd per spoor; dit zal dunkt mij ongeveer vijftig gulden bedragen, want het geld staat hier tegenwoordig zeer laag in koers en heeft dus tegenover de geregelde Europeesche staten, weinig waarde. Dit vindt zeker ook al weder zijn oorsprong in het bestaan der wisselvallige regeering. Men doet de betalingen hoofdzakelijk in papier.
Mocht gij u nu willen overtuigen in welke verhouding deze geldswaarden tot elkander staan, zal de firma des heeren GROENEVELD, kassiers te Winschoten, u wel willen inlichten. Zoo hebt ge dan, lieve vrienden, eenen langen brief die echter, ik weet het, u niet bemoedigt en u niet gelukkig maakte. Ik ben echter verplicht u de volle waarheid te melden, want mocht het wezen dat er nog zijn die plan hebben het vaderland te verlaten, mogen ze zich vooraf aan ons wedervaren spiegelen. Ik eindig met de hartewensch dat gij ons nog eens spoedig schrijft.

O, het doet ons zoo’n goed iets van zijn geliefden uit en om het oude dorpje, waar wij als kinderen zoo gelukkig samen waren, te vernemen. God geve, dat gij u allen in opgewekte stemming bevindt terwijl ik dezen schrijf, want immers is het juist bij u het heerlijke Kerstfeest. Kerstfeest in het vaderland – wat heerlijke, wat zielverheffende gedachte!
In onze verbeelding zien wij u allen gezellig bij elkander in een door de lamp verlicht vertrek rondom den gezelligen haard vereenigd, terwijl de sneeuw buiten krast en kraakt als de wandelaar zich op weg of pad beweegt. Wat al eigenaardige en tevens hoogst leerzame oogenblikken zijn het die men in dat tijdperk kan genieten, niet waar? Ziet in de eerste plaats ter voorbereiding dier groote plechtigheid hier en daar een sierlijken kerstboom prijken, omringd met lachende kindergezichtjes die zich heerlijk afspiegelen in de schitterende verlichting, die zoo met voor kinderen kostbare geschenken rijk beladen is en waarom de lieve jeugd zich woelend en joelend beweegt, het tijdstip verbeidende, om op een gegeven oogenblik van al dat schoons een deeltje te genieten. – Dan zien wij in onze verbeelding den waardigen leeraar het predik-gestoelte beklimmen, om in welsprekende en zielverheffende taal te gewagen van het nieuwe licht, dat door de geboorte van onzen grooten: Meester, Jezus Christus, Gods Zoon, ons omstraalt. En als wij dan zoo met diepen ernst nadenken over het komen, het zijn en het gaan van dien grooten Meester, dan hebben wij wel geen recht tot klagen, maar spoort het ons aan tot zelfverloochening in hooge mate, om het pad in te slaan zooals Hij het ons heeft afgebakend. O, hoeveel lijden ook wij moesten ondervinden op ons levenspad, het weegt niet op tegen, dat wat Jezus ondervond en overwon: Hij, die somwijlen geen steen de zijne kon noemen, waarop hij zijn vermoeid hoofd mocht nederleggen ter ruste en na de hoogste verzoekingen weerstand te hebben geboden – als een overwinnaar uit het strijdperk trad. Hij bad zelfs voor zijn belagers – Hij bleef rein. Ja dierbare Jezus al wordt Uw woord hier niet in ruimen zin gepredikt, toch kennen wij U en hopen wij U te volgen. Gij die de liefde predikte tot grondslag van alle geluk.
Ja Heiland Gij hebt niet te vergeefs voor ons geleefd – Gij Meester, die Uw jongeren dient, Gij Godsman en toch onzer één – met de gedachte aan U, aan Uwe alles doordringende almacht en liefde, in aanbidding neergebogen, zingen ook wij in het verre land, maar toch even als elders in Uwe nabijheid met onze geliefden meê:
“Juicht Christ’nen juicht uit eenen mond,
“Volgt Bethl’ems herd’ren koren,
“Haast zal heel ’t luist’rend wereldrond
“Verrukt dit heilnieuws hooren.
“De Hemel zing’ en de aard vervang’,
“Verblijd het heerlijkst lofgezang:
“Messias is geboren” !

Vaartwel dan onze geliefden, vaartwel! Moge ook op u het heerlijke Kerstfeest dien heiligen invloed uitoefenen die wij, zwervers, in dit ondermaansche zoo zeer noodig hebben, is de hartewensch van ons allen.

Uw genegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

‘Eene smart zonder tranen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (8)

In het tweede deel van de brief van 25 december 1891, geschreven vanuit Itapira in Brazilië, beschrijft Antko Drenth de lotgevallen van zijn gezin tijdens de reis vanuit Alderete in Argentinië terug naar Buenos Aires. Het gezin was getroffen door pokken en wist nog maar net het vege lijf te redden. Drenth had nog weinig hoop dat het nog goed zou komen en gaf te kennen graag naar Nederland terug te willen keren.

Toen dan eindelijk FREDERIK weer loopen kon, braken wij spoedig op, om te trachten opnieuw aan ’t werk te komen. Nadat wij na eene vermoeiende reis bij een andere kolonie waren aangekomen, werd ons dadelijk arbeid aangewezen. Die scheen werkelijk niet slecht te zijn, daar wij eenig meer loon zouden erlangen dan in de vorige kolonie en ieder huisgezin voor zich in ’t genot zou worden gesteld van eene vrije woning. Echter moesten wij zelf de woning timmeren, waarvoor het benoodigde materieel uit het bosch konde worden gehaald. Aan alle ellende gewoon en verhard door zooveel slagen van het noodlot, pakten wij vlijtig aan, om toch maar spoedig onder dak te komen.

Zoo gelukte het dan, dat wij in zes dagen tijds, door vier man, negen huisjes timmerden, die toen onmiddellijk werden betrokken. Ik geef u de verzekering, dat wij, hoe sober deze woningen er ook uitzagen, blijde waren toch maar verlost te zullen worden van dat samenwonen in massa, dat toch tot niets anders leidde dan tot totale verdierlijking. Tijdens de zesdaagsche bearbeiding der woningen moesten wij de diepste ellende wedervaren. Het was nl. juist tot overmaat van ramp regentijd, die in deze streken allergeweldigst kan zijn. Wel nu, een lang afdak of soort loods aan de zijden open, veel overeenkomende met bij u een bijenstal, diende ons die zes dagen tot gezamentlijke woning, waar wij gelijk varkens in den stal nederlagen. Daar het dak dezer loods bestond uit lang gras, dat steeds de regen met stroomen doorliet, kunt ge u wel voorstellen, wat wij te verduren hadden. Nog was dit alles niets, nog kon deze ellende voor niets noemenswaard geheten worden bij den ernst, die maar al te wel zou volgen. Te midden dan in dezen poel van jammer en ellende werd mijne vrouw aangetast door de zoozeer gevreesde pok-ziekte en daarna ons kleinste kind. – Neen, hier is mijn pen niet in staat u dezen toestand te beschrijven: zóó mijne geliefden te zien heenliggen en hun letterlijk niets tot verlichting hunner smarten te kunnen aanbieden, dan zooveel mogelijk mijn best te doen hen tegen de altijd doorslaande regen te dekken.
Gelukkig hadden wij een geneesheer, die ons trouw ter zijde stond.

’t Was God, de alomtegenwoordige, die ons ook in dezen nieuwe kracht ten strijde gaf. Ja wij streden en spoorden elkander aan tot het gebed, waarin wij altijd onze troost vonden en opwekking om den strijd te voleinden, die van ons gevraagd werd. Hier zal het woord van den dichter wederom op zijn plaats zijn, waar hij zoo naar waarheid zingt :
“Stort ge tranen bij ’t verhalen
“Van ’t vergallen uwer vreugd,
“O, verzamel ’t geen u restte:
“Doe veeleer gelijk de jeugd;
“Is het speeltuig eens gebroken,
“’t Hindert ’s kinds genoegen niet,
“Daar men ’t met gebroken speeltuig
“Toch opnieuw weer spelen ziet”.

Ja, de Heer onze God gaf verlichting, toen wij na drie dagen in de bovengenoemde loods op de afschuwelijkste wijze hadden moeten verblijven. Onder groote bezwaren, zoo gij begrijpen kunt, had toen de overbrenging plaats van de zieken naar het houten huisje, dat eindelijk voor ons in gereedheid was. Dit geschiedde echter zonder ongelukken, waarbij wij ons zeer gelukkig gevoelden en dankbaar. Nadat ons verblijf zoo’n vier weken geduurd had in de eigen of liever vrije woning, waren mijn vrouw en kind oogenschijnlijk het grootste gevaar voorbij; zij waren echter uiterst zwak, en hadden dus nog groote behoefte aan goede zorg. En wederom bleek dat er nieuwe zwarigheden zouden opdoemen, wederom geleek het, dat wij als ’t ware een stuk wild gelijk waren, die nergens en nooit rust zouden vinden. Op zekeren morgen dan kwam de chef of opzichter ons zeggen, dat wij ons aan een nieuw accoord moesten onderwerpen en wel zóó, dat ons loon minder zoude bedragen. Algemeene schrik, zoo gij denken kunt, overstelpte ons, daar ons bestaan tegen het zware werken toch al zoo uiterst karig was. Wat moesten wij wel beginnen? Met het oog toch op de zieken en zwakken kon er geen sprake zijn op het oogenblik, om te trachten te vertrekken naar eene andere kolonie en bleven wij genoodzaakt ons aan de willekeur van onzen meester te onderwerpen, hoe het dan ook mocht uitloopen.

Wij werkten door en bleven afwachten, wat ons boven den gewonen kost zoude worden uitbetaald. Weerloozen, die we waren, wisten en konden we als slaven gelijk zijnde niet weten, wat ons opnieuw te wachten stond. Eenigen tijd dan werkten wij door, altijd nog met hoop bezield, dat alles wel wat mee zou kunnen vallen. Doch na eenigen tijd, toen wij op een Zondag, dat is hier de betaaldag, bij den meester kwamen, om ons dagloon te mogen ontvangen, kregen wij eenvoudig het voor ons zoo verpletterend bericht, dat er niet werd uitbetaald. De reden hiervan werden ons kort en bondig te kennen gegeven en wij konden gaan, ons aan het lot overlatende. Was hier de oorzaak dezer wreedheid, omdat wij slecht werk leverden of onwillig waren zult ge wellicht zeggen – of wel kon het zijn, dat er geen arbeid meer was, neen, goede vrienden, de oorzaak was gelegen in iets, dat gewoonlijk een grooten invloed uitoefent op den gang der maatschappelijke zaken: ’t Was in dezen de politiek die sprak. – Niet minder toch werd ons gezegd, dan dat de Nationale bank zijne betalingen had gestaakt. – Dat dit een verpletterende boodschap voor ons was, kunt gij wel denken. De staat zijne betalingen gestaakt, waarvan wij slaven gelijk waren. De staat niet bij machte, om zijne huishouding te onderhouden, hoe moest het dan nu wel met ons worden. Het spreekt van zelf, dat wij in de eerste oogenblikken geen gezond idee hadden en waarom toch men ons zoo hard durfde behandelen. Dat een staat, of regeering liever, geen onfeilbaar en onkreukbaar lichaam was over zijn onderdanen, dat konden wij in geenen deele bevatten.

En toch bleek het maar al te waar te zijn: wij moesten ons nu maar voor goed zelf zien te redden. – Gij zult zeker wel in de Hollandsche couranten vernomen hebben, hoe of het hier eigenlijk stond ten opzichte van verschillende politieke stroomingen, die revolutie uitlokten en bij gevolg alle dagelijkschen arbeid ondermijnden. Thans weder ten prooi van alle wisselvalligheden, moesten wij onze kluis verlaten en waren wij genoodzaakt opnieuw een zwerftocht te aanvaarden. Wij gingen. Wederom zwoegde ik onder den last van eenig beddegoed, gereedschappen en ander plunje in gezelschap mijner zwakke vrouw en kinderen, om nog niet te spreken van de andere familiën, die in gelijke benarde omstandigheden verkeerden dan wij. De tocht ging in de richting van Rosario, de hoofdstad van Santa Fé. Ik zal u de moeite maar niet geven te lezen wat ook deze tocht ons voor inspanning gaf. Met één woord: het ging onder de bitterste omstandigheden. Toch kwamen wij te Rosario, waar wij al spoedig lotgenooten aantroffen, herkomstig uit Friesland, die hetzelfde lot gelijk wij hadden ondervonden en na de vreeselijkste beproevingen te hebben doorstaan, ook in Rosario waren aangekomen. Het tafereel, dat ook zij ter aanschouwing gaven, was hartverscheurend. Deze had het verlies te betreuren zijner vrouw, gene van vrouw en kind, terwijl een andere gewaagde van meer. Eén o.a., dit was een gewezen bakker uit Leeuwarden, treurde over ’t verlies zijner vrouw en zes kinderen ….. de man was radeloos. Verder werd ons verhaald, dat er in een kolonie van de vijf-en-twintig Hollanders slechts zes waren overgebleven. Deze waren allen vrijgezellen. Wanneer gij u eene voorstelling kunt maken van al deze ellende en het beeld kunt scheppen , alsof gij er mede in betrokken waart, gij zoudt bezielend uitroepen: “dat alles is te veel!” Ook wij deden dezelfde uitroep hooren, doch aan het bitterste lijden gewoon was het, alsof het als ’t ware eene smart geleek te zijn zonder tranen en wij ons steeds trachtten op te beuren en onze lijdensgeschiedenis te beschouwen voor een noodzakelijkheid, die de Voorzienigheid ons had opgelegd.

Ja, wij hebben tot dusverre altijd getracht ons staande te houden door immer bemoedigend het lot, wat voor ons was geordineerd, te aanvaarden en te dragen. Dit durf ik naar waarheid te zeggen, dat wij alle krachten inspanden, om tot een goed einde te komen, doch de verwarring en algemeene ellende was zoo groot, dat er niet te denken viel voor een huisgezin het soberste onderhoud te kunnen veroveren. Zelfs vrijgezellen liepen er in groote menigte om, die letterlijk niets konden verdienen. O.a. ontmoetten wij nog eenen Duitscher en eenen Engelschman, die ook aan alles gebrek hadden. Zij bleken anders wel dappere mannen te zijn, daar zij nagenoeg naakt en zonder eenig redmiddel ver uit het binnenland waren gekomen langs ongebaande wegen, om zoo mogelijk in de een of andere zeehaven een schip te vinden, dat koers zoude zetten naar Europa, onverschillig naar welke streek van het oude werelddeel, zoo zij maar slechts aan Europeeschen wal kwamen. Tot overmaat van ramp, die veroorzaakt was door honger en uitputting, hadden deze ongelukkigen nog met een anderen vijand te kampen, die in de gegeven omstandigheden niet te overwinnen was, waarvan wij tot toen nog verschoond waren gebleven. In de eerste plaats waren hun beenen ontzettend opgezwollen, tengevolge het aanhoudend marcheeren op bloote voeten langs rotswanden, berghellingen en ongebaande wegen door somwijlen ondoordringbare bosschen. Op dergelijke tochten en onder dergelijke omstandigheden wordt de reiziger veelal aangevallen door een insekt, dat in die bergstreken welig tiert en wee dengene, die er door wordt aangetast. Het is een soort vloo, zandvloo, in de landtaal genoemd Pikus. Het diertje huist zich ’t liefst in enkele deelen van het menschelijk lichaam en wel het eerst zet het zich bij voorkeur onder de nagels der teenen, eveneens onder die der vingers. Het monster, hoe klein ook, overrompelt den mensch veelal in den slaap en eenmaal in zijn begeerde woning gehuisvest zijnde, laat het zich door geen kleinigheid verdrijven.
Niet meer als het in ’t vleesch zit, veroorzaakt het aan den mensch een geweldige jeukte, waarna opzwelling en het leggen van een eitje is geschied. Dan volgt zwering en afschuwelijke etterbuilen die erge pijnen veroorzaken, blijven den lijder bij.
Slechts rust en de uiterste zindelijkheid zijn in staat deze kwaal weg te maken, doch dan ook nog slechts met groote nauwgezetheid.

Als gij nu weet, dat op zulke zwerftochten noch van onderdak in den nacht, noch van geregeld voedsel, noch van rust sprake kan zijn, zult ge u eenigszins kunnen verplaatsen in het leed, dat zulke zwervers ondervinden. – Zoo ziet gij dan, dat het hier in genen deele is uit te houden en onmogelijk is gebleken te zijn, dat wij – dat – wie ook, als emigrant der Europeanen langer tegen den stroom kunnen opwerken. ’t Is dan ook daarom en gegrond op het volle bewustzijn, clan wij allen onze uiterste krachten en goeden wil immer ten beste hebben gegeven, ik mij niet schaam op uw vraag om naar het vaderland terug te willen keeren, volmondig antwoord: Ja, van ganscher harte. – Want gij moet weten, dat niet alleen de slechte vooruitzichten omtrent brood te verdienen mijn krachten beginnen te ondermijnen, maar als ik het oog sla op de vale en uitgeputte gezichten van vrouw en kinderen, die ten gevolge de slechtste voeding of dikwijls zonder voedsel er uit zien als wandelende dooden, dan wordt het mij bang om ’t hart en gevoel ik mij zoo voor goed afgemat, dat ik niet in staat meer ben het zware werk, dat ik vroeger zoo gaarne aanpakte en uitvoerde, te kunnen verrichten. Echter blijf ik in zekeren zin nog al goed gezond, dat wij als een groote zegen beschouwen. Dat mijn spierkrachten zich begeven beschouw ik voor geen ziekte zoozeer, want zoo ik maar goed voedsel kreeg, zoude mijn gespierde vuist van voorheen wel spoedig terug keeren. Hoe sterk en vaardig was ik vroeger niet waar? Voor genen arbeid terugdeinzende, gevoelde ‘k geen afmatting gelijk nu, nu mijn stramme beenen mij steeds in herinnering brengen, dat ik er minder op word.

Moge dan de Heere uwe pogingen zegenen om ons uit de ellendigste omstandigheden te verlossen. Zende uw gebeden gelijk ook wij doen, tot den Almachtigen op ter onzer redding, opdat wij elkander nog eenmaal op vaderlandschen bodem mogen terug zien.

 

‘Straks kan het ook uw beurt zijn’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (7)

Op 25 december 1891 schreef Antko Drenth zijn vierde brief naar het thuisfront in Oost-Groningen. Deze brief was verzonden vanuit Itapira in Brazilië. In het jaar dat was verstreken was er met zijn gezin veel gebeurd. Zij waren uit Tucumán in Argentinië vertrokken en via Alderete, Rosario en Buenos Aires overzee naar Brazilië gereisd in de hoop dat hun lot daar gunstiger gezind zou zijn. Drenth maakt in zijn schrijven ook gewag van de wens om terug te keren naar Nederland, maar dit blijkt niet mogelijk te zijn. In het eerste deel van de brief beschrijft het verblijf in Tucumán en het nabijgelegen Alderete. Drenth beschrijft vooral de slechte huisvesting en de pokken waarmee zijn gezin te kampen had.

ITAPIRA, 25 December 1891.

Lieve familie, vrienden en bekenden!

Tot groote blijdschap en onder de meest mogelijke verrassing hadden wij het genoegen dezen morgen een brief van u te ontvangen, waaruit wij gelukkig uwen welstand vernamen. Hier in deze wildernis en in dezen hopeloozen toestand, waarin wij en zooveel anderen met ons vertoeven, eenen brief van zijne bloedverwanten en vrienden uit het geliefde vaderland te mogen bezitten, is als ’t ware eene gave des hemels en wordt dan ook telkens gelezen en als een schat bewaard. ‘k Wil mij onmiddellijk neerzetten tot schrijven en u wederom van onze avonturen vertellen. Doch wat zal ik wel schrijven? Hoe gaarne zou ‘k u niet eenen opwekkenden brief saâmstellen. Ik weet, dat gij, onze dierbaren, zoo gaarne eenen opwekkenden brief van ons zoudet zien, waarin tevredenheid, welvaart, opgewektheid en Godsdienstzin doorstraalt. Ik weet ook, dat gij de meest eerlijke en oprechtste wenschen voor ons koestert en ons lot u nauw ter harte gaat. Ik ben tevens overtuigd, dat gij voor ons blijft bidden gelijk ook wij u steeds in onze gebeden gedenken, die wij nooit vergeten tot den Allerhoogsten op te zenden. Ach, mogen wij ons niet kunnen verheugen u te melden van welvaart en vooruitgang zooals men het bij den beginne had voorgesteld, onze opgewektheid voor Godsdienstzin blijft en al naar mate ons lijden verzwaard, al naar mate worden onze gebeden vuriger en dankzeggingen inniger voor het bewustzijn dat Gods oog op ons blijft rusten en Hij ons tot nog toe kracht gaf en moed om de bitterste beproevingen te blijven doorstaan. Wel worden wij dag aan dag zwaar beproefd op velerlei wijze, doch wij willen in ons aangewezen lot berusten en onzen plicht doen en blijven hopen, werken en bidden.

Gewis zal het woord des dichters hier en in zulk eenen toestand op zijne plaats zijn, waar hij zegt :
“Als de rampen van dit leven
“Ons hier treffen keer op keer,
“Gaat ons vaak de moed begeven
“En men ziet geen uitkomst meer.
“Vreugde schijnt van ons geweken,
“’t Is alles kommer en verdriet,
“Maar toch blijft het harte spreken :
“Droeve strijder wanhoop niet!”

Wij verheugen ons dat gij ons vorig schrijven in welstand ontvangen hebt en alzoo al iets van ons wedervaren zijt te weten gekomen. Wat ons na den vorigen brief tot dusverre is bejegend, wensch ik u in hoofdtrekken mede te deelen. Eigenlijk weet ik nauwelijks hoe en waar te beginnen, omdat de gebeurtenissen en wisselvalligheden van ons bestaan zoo snel afwisselen, dat dikwijls het hoofd duizelt en de band onvast is een pen te verroeren. Nadat wij dan wederom eenige dagen in het groote emigrantenbuis te Tucuman gehuisvest waren geweest, werden wij opnieuw als een kudde vee geleid naar een groot en ondoordringbaar bosch, om ook dáár weder boomen te vellen en daarna het land bebouwbaar te maken. Ons gezelschap bestond uit dertien Hollandsche familiën.

De mannen en grootste kinderen, beladen met eenig beddegoed en onmisbaarste huishoudelijke gereedschappen en de vrouwen met kinderen op de armen en aan de hand, ging het onder geleide van een opzichter langzaam voorwaarts, den weder nieuwen werkkring tegemoet. In genoemd bosch, waar wij tegen den namiddag arriveerden, kregen wij bevel eene tent te bouwen tot gezamentlijk verblijf. Het bevel luidde, dat het materieel uit het bosch moest worden gehaald, dat natuurlijk spoediger gezegd was dan gedaan. Gij kunt begrijpen dat deze arbeid ruw toeging en van in ’t minst geen netheid sprake was.
Vele handen maken gemakkelijk werk, een gezegde, dat hier op zijn plaats was. Als wij vroeger in ’t vaderland een hok timmerden, bestemd voor een schaap of varken, deden wij dat zóó, dat het, vooral voor een varken, behoorlijk dicht en warm was en alzoo met eenige activiteit timmerden, niet waar? Doch van die nauwgezetheid was hier geen sprake, hoor. Er was maar één order van onzen opzichter en wel deze: sla onmiddellijk een tent op, waarin gij te zamen zult wonen en vang met den arbeid aan. Welnu, wij gingen dan ook handig aan het werk, om toch in de eerste plaats maar spoedig onderdak te krijgen, vooral ter wille van de vrouwen en kinderen. Zoo sloegen wij dan in eenige uren tijds eene tent op waarvan het dak bestond uit zeildoek, die wij dan onmiddellijk betrokken in gezamentlijk gezelschap van de dertien bovengenoemde familiën. Ik zal u maar niet trachten te beschrijven, hoe of het er zoowat uitzag met huislijke orde, hoe met zindelijkheid, hoe, met een woord, met de geheele combinatie. Ik laat een en ander aan uwe verbeelding•over. Hoe innig toch verlangt men en hoe versterkend werkt het niet voor ziel en lichaam beide, dat men, na zijn dagtaak te hebben volbracht, een gezellig tehuis vindt in eigen kring, zij het dan ook nog zoo bescheiden, niet waar? Dáár toch kan men frissche krachten vergaren om daarna weder• met nieuwen moed aan te vangen. Neen, dat mocht hier niet zijn.

Als weezen van eene ordeloozen staat moesten wij eenvoudig berusten in het noodlot. Zoo hebben wij dan in genoemde tent tachtig dagen gewoond en in het bosch zwaar gewerkt tegen slechts enkel eenig sober voedsel – van geld was weer geen sprake. Gij begrijpt hoe het er begon uit te zien met onze kleeding en huishoudelijke zaken. Alles begon waardeloos te worden, omdat wij geen geld hadden, nu en dan het noodige in te koopen. Wij zouden dus niet in dezen staat ons gaarne in ’t vaderland laten zien. Daar wij nu dan ook niets beter leven hebben dan slaven, komt het er hier minder op aan en verharden wij al merkbaar in het wreede lot. Gedurende de tachtig dagen, dat wij dan zoo hadden geleefd, viel er slechts één sterfgeval voor in onze kolonie. Dit was echter treurig genoeg, daar het een man was, die vrouw en zes kinderen naliet. Ik geef u de verzekering, dat dit een slag was die algemeen diep gevoeld werd en ernstig betreurd. Want het was een waarschuwing te meer: straks kan het ook uw beurt zijn. Straks zal ook uw lichaam naakt in eenen kuil kunnen geworpen worden in dit eeuwenoude bosch, waar zeer waarschijnlijk wilde dieren zullen komen, om zich van uw vleesch te voeden. – Afschuwelijke gedachte voorwaar! En allen onder dien indruk verkeerende, deed ieder zijn best voor de weduwe en kinderen alles te doen, wat in onze macht was te doen. Gij begrijpt echter, dat wij al weinig konden uitvoeren, daar de armoede te algemeen was. Nadat wij dan genoemde tachtig dagen achter den rug hadden, gingen we vertrekken naar Alderete, twee uur verwijderd van Tucuman, waar wij weldra opnieuw aan den arbeid kwamen. Daar ging het in den eersten tijd beter en scheen het ons werkelijk toe, dat de fortuin ons nu wel zoude begunstigen. Eene vonk van hoop schoot in de ziel en met eenigen overmoed, zou ‘k haast zeggen, arbeidden wij vlijtig door met het oog op de belofte dat wij, behalve den kost, nog eenige toelage zouden erlangen. Er was dus weder eenig licht.

Wat ons huishouden belangt, dat ging weder op denzelfden voet: alle familiën gezamentlijk in een ruw gebouwde tent. Daar wij nu echter een weinig geld bij de kost kregen, was het, dat wij in ’t algemeen beter de akelige huishouding konden verdragen. Zoo bleven wij dan ongeveer vier maanden aan den arbeid. Toen op zekeren dag ons opnieuw een order, die ons algemeen deed ontstellen, genaakte, was het, alsof er een nieuw terrein van moeilijkheden en ellende voor ons open stond te betreden. Niet minder toch dan dat onze chef mededeelde, dat wij konden gaan: daar was geen arbeid meer.

Voor ik u van ons wedervaren op eene volgende plaats gewaag, moet ik u nog zeggen, dat wij gedurende ons verblijf te Alderete eene gevreesde ziekte ondervonden in hoofdzaak onder de kinderen. Van deze stierven er velen. Een geruimen tijd ging het met ons huisgezin boven alle verwachting goed, doch eindelijk werd ook onze FREDERIK door de pokken aangetast, die hem tot aan den rand des grafs bracht. Gelukkig herstelde hij ; echter zeer langzaam. Hij kon in langen tijd niet loopen. Gij kunt begrijpen, dat in zulk een samenwonen en onder de droevigste omstandigheden de herstelling van eenen zieke uiterst langzaam gaat.

‘Van eenig geld verdienen was geen sprake’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (6)

In het laatste deel van de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef vanuit Tucumán, vertelde hij over het werk in de bossen buiten de stad en het gebrek aan verdiensten. De groep emigranten had er snel genoeg van en besloot terug te keren naar het emigrantenhuis in Tucumán, in de hoop om elders een beter bestaan te vinden.

Zoo hadden wij dan verblijf in het groote emigrantenhuis. Na een dag toevens begon men elkander af te vragen, wat het straks wel zou geven, doch geen onzer kon anders antwoorden, dan slechts in raadsels. De eene dag verliep na den andere en wij kwamen maar niets te weten. Dit echter ondervonden wij maar al te spoedig, dat het verstrekte voedsel zeer sober was en vooral voor jeugdige kinderen zeer ongepast. Dan het gezamenlijk wonen met het ruwst denkbare element, wat een bevolking kan opleveren, behoef ik u wel niet nader te zeggen, dat het ons daar walgde en wij reikhalzend uitzagen, om aan ’t werk te komen. Eindelijk, nadat wij negen dagen daar werkeloos gelegen hadden, klonk het kommando: voorwaarts. Eenige oogenblikken daarna was ieder gereed en zouden wij den weg inslaan ter ontnuchtering. Spoedig zouden wij dat voor goed ervaren; want zooals later bleek, was ons lot al beslist, waarin wij niet het minste te zeggen hadden. Zoo werden dan een aantal karren opgeladen met gereedschappen en goederen, die ieder bij zich had. De karren, die na deze lading niet al te veel bevracht waren met schoppen, houweelen, bijlen, hefboomen en dergelijken mochten nog betrokken worden door de zwakste vrouwen en kleinste kinderen, terwijl de mannen in elk opzicht de rijdende karavaan te voet moesten volgen. Hoewel wij aan den eenen kant blijde waren, dat wij spoedig aan geregeld werk zouden komen en wel op landbouwgebied, was het ons in ’t algemeen toch niet aangenaam te moede, omdat wij zoo volstrekt werktuigelijk in massa werden voortgedreven, geheel de onzekerheid tegemoet. Het was eene lange, moeitevolle reis, die den geheelen dag duurde en kwamen wij tegen den avond bij een groot en ondoordringbaar bosch aan, waar wij halt moesten houden en de karren afladen.

Nu begon het ons al spoedig duidelijk te worden, dat wij vooralsnog geen rustige landbouwende kolonie zouden vormen, maar dat men ons in de eerste plaats trachtte te gebruiken, om eeuwenoude bosschen uit te roeien en daarna met landbouw te beginnen.
Wat moesten wij beginnen ? ’t Spreekt van zelf dat wij alles, hoe of het ook mocht zijn, moesten aannemen, zoo wij maar slechts aan den kost kwamen. Tot dusverre hadden wij nog in ’t geheel de eer niet gehad met eenig hooggeplaatst persoon of werkgever in aanraking te komen, dat echter, toen wij bij bet genoemde bosch waren, op eens veranderde.

Een groot heer kwam ons naderen, waarin wij al spoedig en niet ten onrechte onzen chef opmerkten. Hij gaf ons te kennen, dat wij voor hem zouden werken in de aan te wijzen bosschen tegen voorloopige vergoeding van voeding, kleeding, woning ja alles, wat wij noodig hadden voor ons dagelijks onderhoud. Van eenig geld verdienen was geen sprake. Dit accoord werd niet gesloten na een gemeenschappelijk overleg van werkgever en werknemers, maar had meer het wezen van een kort en onherroepelijk bevel, zoodat wij, als ’t ware aan handen en voeten gebonden, geen andere keuze hadden dan slechts aan te nemen, wat ons werd aangeboden. – Daar stonden wij dan zonder onderdak, zonder eenig geld. Slechts eenig karig voedsel werd ons verstrekt en moesten wij ons tot nader order maar zien te redden. – Eigenaardig en tevens leerzaam voor hen is het, die veel moeten ontberen en die dikwijls voor schijnbaar onoplosbare raadsels staan en voor schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden, dat er nog altijd een sprankje hoop tot redding overblijft en een weg tot uitkomst. Zoo ook hier: het zachte klimaat, dat hier heerscht werd ons tot hulp, ofschoon het juist in de maand Augustus was, dat zooveel wil zeggen als een maand in het winterseizoen. Het barre winterweder, dat gewoonlijk in ’t noorden van Europa en elders heerscht, is hier niet heerschende: van hagelslag en sneeuwstormen heeft men hier geen last; ’t is slechts zelden, dat men ’s morgens een lichte rijp ontwaart, waarna het overdag weder erg warm kan zijn. Zoo troostten wij ons dan, dat het zeer zacht weder was, wijl de eerste nacht onherroepelijk onder den blooten hemel moest worden doorgebracht. Toch sloegen we nog in aller haast eenige boomstaken in den grond, waarop een soort dak van takken, boombladeren en mos. In dien toestand dan woonden wij in de wildernis en trachtten den eersten nacht slapende door te brengen, den volgenden morgen afwachtende naar nieuwe orders.

De volgende dag werd ons in de eerste plaats toch gegund, om tenten op te slaan, doch zoo, dat iedere tent eenige families kon bergen. Het noodige materieel moest uit het bosch worden gekapt. Het is mij niet mogelijk u nu de omstandigheden en gebeurtenissen, die dag op dag plaats hadden: in ’t breede te omschrijven en zal mij dan maar in hoofdzaak bepalen, hoe het ons ging in de negen weken die wij daar hebben doorgebracht. Negen weken, die ons even zooveel jaren toeschenen, hebben wij in genoemde bosschen zwaar – nog eens: zwaar gewerkt tegen een karig loon en wel slechts tegen eenig slecht voedsel. ’t Was dus een onhoudbare toestand en moesten wij wel opbreken. Doch wat dan? dat vroeg men elkander angstig af, maar hoe het dan ook uitliep, het moest en er was dan ook niemand onder het geheele gezelschap, die den moed had te blijven.

Intusschen had er nog eene gebeurtenis plaats, die echter alleen ons huisgezin betrof: er werd ons een zoon geboren, die wij Christiaan hebben genoemd. Gelukkig, dat deze ernstige omstandigheid boven aller verwachting gunstig afliep. Als ik zoo spreek van boven aller verwachting zal u dat wel niet verwonderen als gij bedenkt, dat wij letterlijk van alle hulpmiddelen verstoken waren en gemeenschappelijk woonden in eene ruw gebouwde tent.

Toen wij dan op zekeren morgen allen aanstalten maakten, om te vertrekken, ging dat nog niet zoo heel gemakkelijk. Bij bet vernemen hiervan vloog onze opzichter op en ontstak in vuur tegen de volgens hem door ons gepleegde ontrouw. Het oogenblik was ernstig. Maar wij hadden immers het volste recht. Wij waren immers geen willekeurige werkstakers en oproerkraaiers, die meer verlangden te hebben dan het billijke! Neen, wij verlangden alléén wat beter voedsel en een zeer weinig handgeld, opdat ons zwaar beproefd dagelijksch leven toch eenigszins dragelijker mocht worden. De opzichter begon ons toen. zekere beloften te doen voor de toekomst, doch kon en wilde voor het oogenblik niets tot beterschap aan ons beloven, zoodat wij op staanden voet wilden vertrekken. Hij, de opzichter, bleek toen in bijzonder een echte zuidelijke type te zijn, die zeker nog eenig slaven-jagers-bloed in zijn aderen had, daar hij onder de woedenste drift naar de revolver greep en ons dreigde met den dood. Even snel echter als zijn dollemans drift ten top steeg, even snel trad er betrekkelijke kalmte bij hem op den voorgrond, wellicht tengevolge door de wetenschap, dat er ook mannen in onzen ploeg waren van stavast en bij het opwekken hunner driften hij wel eens het onderspit kon delven. Alzoo: de vrede werd in zooverre gesloten, dat de revolver niet zoude spreken en wij dan maar zelf moesten weten, wat ons te doen stond.

Het besluit van het geheele gezelschap was onherroepelijk gemaakt: wij braken op en begaven ons in een grooten drom te voet in de richting van Tucumán. Dat dit eene moeielijke reis was kunt gij begrijpen als ge bedenkt, dat wij toen niet in ’t bezit waren van die karren, waarop de meeste vrouwen en kinderen waren heen gereden, zoodat het o.a. voor mijne vrouw met het voor eenige dagen geboren kind op den arm een ware martelreis was en ons in groote zorg wikkelde. God de Heer schonk ons echter kracht naar kruis: wij kwamen bij het emigrantenhuis te Tucumán behouden aan. Niets was natuurlijker dan dat wij verzochten in het groote huis opnieuw te worden geherbergd, dat dan ook gebeurde. Nu scheen het ons toe, dat er al een wrok bestond van de zijde onzer meerderen, daar men ons wel onderdak, maar geen spijs gaf. Hadden wij moeielijke dagen achter den rug, het begon er hier al niet beter op te worden. Er ontbrak ons letterlijk alles; want wij hadden immers geen cent verdiend en konden het geringste niet koopen.

En ziet, alsof hij uit den hemel kwam nederdalen, verscheen daar plotseling een Hollander voor ons, die begon met goeden raad te geven en troost in te spreken. – Het was blijkbaar een edel mensch, daar hij bij het vernemen van onzen nood onmiddellijk eenen grooten zak met brood liet komen, zoodat wij voor dien avond gered waren. Nadat wij onzen innigen dank aan hem hadden betuigd, dien hij echter niet als een verdienste wilde aannemen, maar te kennen gaf, dat hij slechts een menschelijken plicht had vervuld, “waaraan” zeide hij “ook wij in zijn plaats zouden hebben voldaan,” vertrok hij, onzen zegenwensch medenemende, want hij had niet alleen ons lichaam , maar ook onzen geest versterkt. Hij schonk weer nieuwe hoop en wakkerde het vertrouwen in de toekomst zoodanig aan, dat wij met zeker dichter uit den grond onzer harten konden uitroepen:

De Heer kastijdt dien Hij bemint,
En leidt ons vaak langs donk’re wegen;
Maar d’ uitkomst voert altoos ten zegen
Van Zijn geliefd, gelouterd Kind!

‘Wij zullen blijven berusten in ons lot’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (5)

In de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de reis vanuit Nieuw Santa Rosa in het midden van Argentinië naar de provincie Tucumán in het noorden van het land. In het tweede deel van zijn brief beschreef hij de reis vanuit Buenos Aires naar Tucumán.

Nadat wij dan twee dagen in het genoemde emigrantenhuis gewoond, of liever verblijf gehad hadden (want wonen kan het toch niet heeten) werd ons aangezegd, dat wij ons vaardig hadden te maken tot vertrek en wel naar Tucumán, vanwaar ik u nu deze zend.
Tucumán, wie had dat ooit hooren noemen : wie wist, of het een stad was of dorp, dan wel, dat het eene kolonie was in ’t binnenland – of, en met deze zoete hoop bezield als het zóó zijn kon – riep men elkander toe: dat kan wel een groote aan de bewoonde kust gelegen plaats zijn en kunnen wij wel eens een goeden toekomst tegemoet gaan. In allerijl spoedden wij ons in massa, als om strijd, naar de aanwezige landkaart ter overtuiging in welke richting de plaats lag en wat afstand het ongeveer was. Gij moet weten, dat wij dergelijke inlichtingen niet kregen van onze aanvoerders. – De landkaart gaf ons al spoedig maar al te wel zekerheid, waar naar toe en in welke richting het zou gaan. – En tot aller verbazing bedroeg de afstand, die wij moesten afleggen, ongeveer 800 uren (zegge achthonderd uur.) De schrik sloeg ons wel wat om ’t hart bij ’t vernemen hiervan, omdat de toestanden in de binnenlanden huiveringwekkend werd afgemaald en, waarvan ook wij trouwens al een kleine voorproef hadden ondervonden. Naar het diepe binnenland dus, dat voor het meerendeel nog door negerbevolking wordt ingenomen.

Gedreven door de hoogst mogelijke belangstelling, wat ons daar te doen en te wachten stond, namen wij schoorvoetend het kloek besluit ons tot den chef onzer meerderen te wenden met de vraag, wat men op die ver van de kust gelegen plaats met ons voor had. Het antwoord luidde welwillend; wij kregen bemoedigende gegevens en wel: Gij gaat per spoor tot Tucumán en zult daar werkzaam zijn op ’t gebied van landbouw en wel tegen een winst van een derde der oogst. Een vonk van hoop schoot er door de ziel bij het aanhooren dezer billijke voorwaarden en was spoedig bij machte de moeilijkheden der af te leggen groote reis en de pijnlijke onzekerheid die ons te wachten stond, te doen veranderen in de zoete hoop op welslagen. En met die gevoelens bezield werden wij al spoedig als eene groote kudde gewillige lammeren in spoorwagens gestopt, om de reis te aanvaarden. En voort ging het, voort met groote snelheid. ’t Was alsof de locomotief er tegen hijgde en dampte en fluitte, om ons ten allerspoedigste te doen ontnuchteren; want een ontnuchtering zoude volgen, waarvan wij, die in die oogenblikken alleen op de vleugelen der hoop zweefden, nog niet het minste vermoeden hadden en niet hebben konden: wij waren immers door autoriteiten aangenomen, onder de aannemelijkste conditiën en hadden geen reden, om slechte vermoedens te koesteren. Toch gingen wij, zooals later spoedig gebleken is, met groote snelheid een noodlot tegemoet! Nadat wij dan op een zekeren avond te acht ure te Buenos•Ayres in den spoortrein plaats hadden genomen, reden wij den geheelen nacht door; velen slapende met het hoofd rustende op hun plunje, anderen sluimerende of wakende bij hunne zwaarmoedige vrouwen en schreiende kinderen. Weer anderen zongen, of beter gezegd schreeuwden allerlei soort straatliedjes van minder aangenaam gehalte, waarvan de echo’s nog meer ontstemd werden door vloeken en zwetsen in verschillende talen en van verschillende volkeren, zoodat de indruk, die wij kregen onder dat gezelschap hoogst onaangenaam voor ons was. Wij waren dan ook recht blijde, dat de trein den volgenden morgen te 7 ure stand hield aan het station te Rosario, waar we order kregen, om uit te stappen en daar dien dag te blijven.

’t Was juist op een Zondagmorgen en dat was eigenlijk een milde vergoeding voor het leed, dat ons den gepasseerden nacht gebracht had. Niet waar? de Zondagmorgen toch heeft altijd iets plechtigs – iets verhevens in zich, waarvoor men eigenlijk geen woorden kan vinden. Eerst als men zich in eene combinatie bevindt van zóóveel verschillend volk , waarvan de groote massa niet vatbaar schijnt te zijn voor eenigerlei indrukken, die op de ziel een zoo gunstigen indruk kunnen uitoefenen, eerst dàn kan men gevoelen, wat het is iets in zich om te dragen, dat tot groote en ernstige vraagstukken leidt. Dan zij bij dezen alle eer gebracht aan en hartgrondig toegejuicht: het vrije Nederland, waar de gevoelens omtrent kerk en school geheel tolvrij zijn. Hoeveel anders toch is het op dat gebied gesteld in verschillende streken van het buitenland, waarvan wij in ’t bizonder de ondervinding opdeden niet alleen op dezen tocht, maar eveneens in den dagelijkschen omgang. Lichtzinnig als de groote massa op godsdienstig gebied was, kwam dat gebrek eveneens in al hun handelingen te voorschijn. Om iets te noemen b.v., werd bij het minste trachten onzerzijds, om een gesprek op godsdienstig terrein te brengen, niet zelden met hoon en spot bejegend. Echter belette dit niet aan ons, in gezelschap van nog eenige Hollanders, onze redeneeringen voort te zetten en hieven wij op genoemden Zondagmorgen uit den grond onzer harten aan de schoone verzen van Psalm 84.

In Rosario vertoefden wij tot den volgenden morgen. Te 9 ure stond er wederom een lange trein gereed in de richting van Cordoba. Weder ging het op dezelfde wijs als de vorige rit: de wagons boordevol geladen en de combinatie van ruwe mannen, bleeke vrouwen en schreiende kinderen niet minder afstootelijk als de vorige nachtrit. Ja het was goed bezien nog veel grooter verwarring dan bij de inlading te Buenos Ayres, wijl te Rosario nieuwe drommen volks bij onze massa werden aangesloten. Weder zette de trein zich in beweging en ging het met duizelingwekkende snelheid zonder eenig oponthoud door tot des avonds aan het station Cordoba. Lk zal maar niet meer over de ongemakken, die zulk reizen opleveren, gewagen. Zoo gij ooit eene groote spoorreis gemaakt hebt in uw burgerlijken stand, hebt ge wellicht wel uw nooden geklaagd en van verveling gesproken, en kunt er dan dus iets van weten, doch hoeveel temeer woog dan niet bij ons de zwarigheid: Wij, die op kosten van – ja van wien – van spekulanten, of van den staat, of van wie of wat ook, konden wij het weten? moesten reizen aan een karavaan slaven vrij gelijk. Nog eens: ik zal het u sparen de moeilijkheden aan zoo’n reis verbonden, haarklein te omschrijven.

Ik laat een en ander liever aan uwe verbeelding over. Des avonds in Cordoba. Alsof het een reusachtige slang was, zich kronkelende en buigende langs helling en spleet, zoo bewoog zich de geheele sombere massa langs hoogten en laagten in de richting van het even groote als sombere emigrantenhuis, om daarin voor den volgenden nacht te worden geherbergd.
Natuurlijk werd het ons niet gegund om de stad en deszelfs omstreken van naderbij te bezien, waartoe wij echter, zooals gij begrijpt, ook al weinig lust gevoelden. “Gjj hebt na zoo’n vermoeiende reis des nachts zeker heerlijk kunnen slapen!” zult ge wellicht vragen, en die vraag is dan ook niet misplaatst en onnatuurlijk, doch als gij weet, dat het op een houten batterij, waar eigen plunje moest dienen voor dekking, alles behalve aangenaam is en zoo’n sobere slaapplaats iemand nog benijdt wordt door wandgedierte bij dozijnentallen – dan behoef ik wel niet te zeggen, dat de nacht slapeloos werd doorgebracht. Het was dan ook een algemeene blijdschap, toen wij des Dinsdagsmorgens weder konden vertrekken: altijd de hoop omhelzende: spoedig zal alles wel beter worden. Als wij straks in Tucuman waren en daar tegen een derde der oogst aan het werk kwamen, gelijk de belofte was – dat kon alles weder goed maken – dat goede vooruitzicht temperde alle leed.

Zoo werden wij dan des Dinsdagsmorgens vroeg weder ingeladen, om voor goed zoolang te blijven zitten, tot dat we Tucumán bereikt hadden. Nu ik al reeds genoeg akelijks van zoo’n reis gezegd heb en ik vrees u te beginnen vervelen als ik in herhaling treed of, dat ik dat laatste (eindje) reis nog ijselijker afschilder dan het vorige, zal ik maar besluiten met alleen te zeggen, dat wij dien Dinsdag en den daaropvolgenden nacht achtereenvolgens doorspoorden zonder eenige verpoozing. Dit alleen moet ik nog even aanstippen, dat er mannelijke standvastigheid bij te pas kwam zich zelf in die mate te verloochenen, om kracht en lust aan den dag te leggen, aan vrouw en kinderen moed in te spreken en hen op te wekken. Zoo stonden wij dan des Woensdagsmorgens bij het station te Tucumán, waar wij zouden blijven wonen. Hoe zal men het nu aanleggen en waar zullen onze woningen zijn, om in den landbouw werkzaam te wezen tegen 1/3 der op te brengen oogst? die vraag stelde de een tegen den ander, want wij zagen rondom ons niets dan uitgestrekte bosschen. Doch vóórdat ons die vraag opgelost werd, zouden wij nog eerst op proef worden gesteld, om in massa te verblijven in een emigrantenhuis en onder dezelfde omstandigheden als in de vorige. En wederom bewoog zich de groote massa om, uitgehongerd als ieder was, maar spoedig onder dak te komen, waar in de eerste plaats voedsel zou worden verstrekt aan dat tal van hongerige magen.

Ik moet u ronduit zeggen dat, hoeveel behoefte mijn lichaam ook had aan versterkende spijs, ik toch geen lust gevoelde het noodige naar binnen te krijgen, wijl de zorg over mijne doodlijk afgematte vrouw en kinderen mij alle lust tot eten benam en heimelijk begon te twijfelen aan welslagen onzer toekomst. En waarom ? Och wij hadden in de laatste tijden zóóveel teleurstellingen ondervonden, die bij goed doorzien onzerzijds wel moesten geweten worden aan de werkgevers, die willekeurig met ons lot omsprongen. Is het dus te verwonderen, dat wij soms aan de toekomst wanhoopten – onze toekomst, die we elkander bij de aanvaarding onzer groote reis zoo heerlijk hadden voorgespiegeld! Neen voorzeker.
Hoe gaarne zouden wij niet een tipje hebben willen oplichten van het gordijn, dat ons zoo geheimzinnig scheidde van die toekomst, al ware het slechts alleen, om zekerheid te hebben, welkeen weg wij thans zouden moeten inslaan. Doch wij zullen blijven berusten in ons lot en hopen, dat de belofte den werkgevers niet mag falen om tegen goeden arbeid het aangeboden loon te mogen erlangen.

‘Een ware zwerftocht’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (4)

Op 1 november 1890, een jaar na de aankomst met zijn gezin in Argentinië, schreef Antko Drenth een uitgebreide brief naar het thuisfront. Was hij begin 1890 nog hoopvol gestemd, nu was het gezin op zoek naar een nieuwe bestemming. Argentinië werd getroffen door een zware economische depressie en ook het kamp Nieuw Santa Rosa ging failliet. De kolonisten moesten op zoek naar een nieuwe bestemming en ook het gezin Drenth ging op weg naar een nieuwe vestigingsplaats. Via Buenos Aires, Rosario en Cordoba kwamen ze uiteindelijk terecht in Tucumán in het noorden van Argentinië. In het eerste deel van de brief beschreef Drenth het vertrek uit Santa Rosa en de reis terug naar Buenos Aires. In de brief maakte hij ook melding van de steun die hij ontving van de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet (1857-1916).

Tucuman, 1 November 1890.

Geachte broeders, zusters, vrienden en bekenden!

Daar gij in langen tijd niets van ons vernomen hebt, tenzij ge door geruchten eenigszins op de hoogte zijt gekomen van het wedervaren der Hollandsche emigranten alhier, in ’t algemeen zal het zeker wel aangenaam zijn, dat gij weder•teekenen van leven van ons komt vernemen. Terwijl ik weet, dat gij uit mijn vorig schrijven nog al bemoedigende berichten hebt kunnen vernemen, toen wij nog in het kamp Nieuw Santa Rosa [Santa Rosa, La Pampa] vertoefden en daar nog al konden bogen op goede uitzichten, op grond onzer contracten met staat of chefs aangegaan, om het heerlijk land dáár te bewerken met uitzicht om door veel en aanhoudenden arbeid brood te hebben en op den duur eenig land in eigendom te

Santa Rosa in 1895
Santa Rosa in 1895

bekomen, zult ge wellicht onaangenaam verrast kunnen zijn bij het vernemen van ons wedervaren tot op dit oogenblik van mijn schrijven. Als ik u nu zeg, dat het kamp Nieuw Santa Rosa failliet is gegaan, of liever de ondernemers van die groote landontginning, of, dat het de staat is, die te kort kwam, om het plan van uitvoering te voltooien, weet ik niet zoo juist ; dit echter ondervonden wij maar al te wel, dat wij in massa werden afgedankt.
Helaas, de goede vooruitzichten, die wij daar hadden, vielen in duigen en begon ons leven een ware zwerftocht te worden. De geheele toedracht der zaak zal ik trachten u te omschrijven. Zie hier de juiste geschiedenis: Toen wij op een zekeren morgen weder op ’t appèl kwamen, deed de patroon ons weten, dat wij konden gaan . . . . Hij verklaarde eenvoudig, dat hij voor het administrateurschap had bedankt, daar hij van hooger hand geene betalingen meer kon erlangen. Op deze verklaring liet hij volgen: dat hij ons nog voor een paar dagen van vleesch zoude voorzien en was genoodzaakt ieder voor zich aan zijn lot over te laten. Daar stonden wij nu voor goed aan den dijk.

In volstrekt hopeloozen toestand vroeg men elkander af: wat nu? Als ’t ware kinderen of weezen van den staat, meenden wij met het oog op ons geteekend contract, dat het van onze werkgevers een hoogst ongeoorloofde handeling was, zoo op eens, zonder de minste voorbereiding en zonder eenig hulpmiddel, ons als een kudde vee aan het lot over te laten. ’t Zag er hoogst bedenkelijk uit. Daar stonden wij in massa geschaard als roependen in eene woestijn.

Onze ploeg bestond in tweeëntwintig huisgezinnen, waaronder vele kleine kinderen. Na veel en lang overleg werd besloten, om te schrijven aan den consul-generaal den heer VAN RIET. Dit geschiedde, doch konden natuurlijk niet zoo maar in het volgende oogenblik antwoord terug hebben, zoodat wij, die geen dag zonder verdienste konden leven, in elk geval alle pogingen in het werk moesten stellen, om arbeid te krijgen. Zoo ging dan de een hier, de andere daar zoeken, om iets te verdienen. Wij o. a. begaven ons met nog een paar huisgezinnen in de richting van Jacobuco [Chacobuco], natuurlijk te voet en belast met eenig beddegoed en aller onontbeerlijkste huishoudelijke zaken. Na te Jacobuco aangekomen te zijn, kregen we tot aller groote blijdschap arbeid en wel bij een dorschmachine. Nu kunt gij wel begrijpen: dat deze arbeid slechts tijdelijk was, als ik u zeg, dat het kolossale machines zijn en dus in korten tijd alles is afgeloopen. Maar toch, wij waren recht gelukkig te kunnen beginnen en moesten ons maar gewennen voorloopig bij den dag te leven, intusschen met de zoete hoop bezield, dat de heer VAN RIET na ons schrijven wel goeden raad zou weten te verschaffen. Toen wij dan eenigen tijd te Jacobuco werkzaam waren geweest, kwam bericht van den consul, dat echter nog geen vast besluit inhield, om ons opnieuw aan te nemen. Toch waren wij in hooge mate verblijd met dit schrijven, daar we nu de overtuiging hadden, dat men ons nog niet uit het oog verloren had.

Zoo verliepen opnieuw nog eenige dagen, toen wij een tweede schrijven ontvingen van den heer VAN RIET, waarin ons te kennen werd gegeven, dat wij kosteloos naar Buenos-Ayres konden reizen. Ofschoon wij nu niet konden weten, wat ons in de havenstad Buenos-Ayres te doen stond, omdat daaromtrent niets gezegd werd in den brief, zoo waren wij toch blijde, weder aan de kust te zullen komen en opnieuw weder bescherming zouden erlangen. Dit hebben wij al voor goed geleerd, dat het in de binnenlanden van Zuid-Amerika nog zeer onherbergzaam is. Spoedig pakten wij onze plunje bij elkander en begaven ons op reis onder opgewekte stemming: het ging naar de kust. Op zekeren avond tegen 9 ure arriveerden wij goed en wel in de havenstad. Gij begrijpt, dat wij wel vreemd stonden te kijken, toen we stroomen volks zagen voortschuiven in de richting van het groote emigrantenhuis, daar wij in een betrekkelijk klein gezelschap van eene kleine plaats waren gekomen. Wij konden uit het op één tijdstip aankomen dier menschenmassa opmaken, dat niet alleen wij, maar veel anderen eveneens waren aangeschreven, om op dit punt saam te komen. Het groote, ruwe huis werd gezamenlijk betrokken, of beter gezegd bestormd. Ik geef u de verzekering, dat het eene wonderlijke mengeling was.

Afgematte mannen, zwoegende onder den last, die zij op den rug hadden; bleeke vrouwen, wie moedeloosheid op het gezicht te lezen stond en schreiende kinderen zag men, als om strijd de houten batterijen betrekken, waarop wij met- en doo relkander voorloopig moesten wonen. Wij werden dus gehuisvest en ook gevoed, doch niemand, wie ook, van de geheele kudde, wist het minste te zeggen, wat men met ons voor had te doen – konden zelfs het flauwste idee niet vormen, wat het samentrekken van al die menschen te beteekenen had.
Welnu, wij waren onder dak en in ’t bezit van brieven, die van hooger hand afkomstig waren, zoodat wij eigenlijk geen reden hadden om verontrust te worden.