De ellende in Brazilië

Aan de stichting van Carambeí in 1911 ging een mislukte kolonisatiepoging in Gonçalves Júnior – eveneens in Paraná gelegen – vooraf. Zij hadden zich in de jaren 1908-1909 in Brazilië gevestigd in de hoop daar een beter bestaan te vinden. Onder hen bevonden zich veel Rotterdamse dokwerkers die ontslagen waren na een havenstaking. De kolonie werd een mislukking. De meesten werden uiteindelijk gerepatrieerd door de Nederlandse overheid. Enkelen van hen – waaronder de familie van de gebroeders Leendert en Jan Verschoor uit ‘s-Gravendeel – trokken verder en vormden in 1911 het begin van Carambeí. Over de ontberingen die de emigranten hebben ondergaan in Gonçalves Junior is was lange tijd weinig bekend. Vooral dankzij de naspeuringen van Ruth en Willem Kiewiet weten we sinds enkele jaren meer over de “rampzalige emigratie” van 1908-1910. Velen hebben hun “Braziliaans avontuur” niet overleefd. Vanwege de vele echtgenotes van emigranten die er het leven lieten, stond de kolonie bekend als het “vrouwenkerkhof”.

Zo’n 20 jaar geleden trof ik in een landbouwweekblad een brief aan van een emigrant die verslag deed van de door hem en zijn familie beleefde ellende in Gonçalves Júnior. Hij schreef deze brief aan de Nieuwe Delftsche Courant. Hieronder volgt de letterlijke weergave van deze ingezonden brief. Voor de in de tekst genoemde plaatsnamen is de huidige spelling gebruikt.

COHNIA CONCALVIS, 27 april 1910

Waarde ouders, broeders en zusters en vrienden,

God zij dank kunnen wij nu eindelijk iets schrijven aangaande ons gezin en onze toestand. De reden, dat ik dezen brief aan uw adres stuur is, dat wij geen geld hebben om meer brieven te schrijven. U zal dan wel zoo goed willen zijn, om er onze ouders van te verwittigen, hopende, dat wij spoedig iets van U zullen hooren. Wij bidden God dat Hij U allen in beteren staat laat, dan wij zijn. Liever schreef ik mijn toestand niet, maar ter wille van de waarheid ben ik verplicht het te doen, hopende, dat U het als ingezonden stuk in een der couranten kan laten plaatsen.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

Onze reis met de boot naar Brazilië was goed. In dit land aangekomen, landden wij te Rio de Janeiro, wat een ware lusthof is. Hier zijn wij 8 dagen gebleven. Het wordt het “Bloemeneiland” genoemd, en het verdient dien naam ten volle. Het is een waar paradijs. Daar vandaan zijn we op eene kustboot gegaan, 3 dagen en 3 nachten lang. ’s Nachts moesten wij op het dek slapen met het huisgezin en al de emigranten, zonder voldoend eten. Toen werden wij emigranten ondergebracht te Paranágua. Eten zeer slecht; ligging op een brits; een matje diende voor bed, dat krioelde van onrein. Drie nachten daar vertoeft hebbende, werden wij per spoor verder vervoerd naar Curitiba. Ook daar in een emigrantenhuis ondergebracht. Het was er nog slechter dan in Paranágua. Na er 5 dagen en nachten te hebben gebivakkeerd en knapjes in het ongedierte gezet te zijn, moesten wij per spoor weer verder naar Ponta Grossa in een emigrantenhuis. Ligging bijna op de planken en voeding niet voldoende. Na 4 à 5 dagen weer per spoor verder, naar Iratí, waar wij het een weinig beter hadden dan in de vorige barak (is emigrantenhuis). Een nacht daar geslapen hebbende, zijn wij ’s morgens met twee andere huisgezinnen op een wagen weggebracht met 6 paarden ervoor, en vervoerd naar de kolonie Conçalves.

Toen dachten we, dat het leed geleden was, maar helaas! Nu begon het eerst recht. In de kolonie aangekomen, werden wij ingeschreven als kolonisten. Er werd mij een waalle of bewijs gegeven, dat ik voor 45 Meil [Milreis] aan levensbehoefte kon halen in een winkel, daarvoor aangewezen. Voor die 45 Meil moest ik 13 dagen van de halve maand wegen helpen maken, zoodat ik maar een dag over heb, om op eigen land te werken. Nadat mij alles was uitgelegd, werden wij weer in een emigrantenhuis gebracht, waar reeds 6 gezinnen bijeen waren. Toen wij daar een paar dagen waren, bivakkeerden wij er met 18 groote huisgezinnen en dat zoo 3 volle maanden. Ook op de planken; een stroomat voor ligging, vuil en stinkend. In zoo’n barak geen gelegenheid voor de vrouwen om te wasschen, ook niet om te koken. Men moest daar een put in den grond maken, bij wijze van een veldkeuken. Als het regende, ging je vuur uit; zoodoende had men dikwijls ongaar eten of brood, zoodat door al deze omstandigheden bij elkaar veel zieken in de barak waren. Het is gebeurd, dat wij 3 maal per week naar het kerkhof gingen met een kinderlijkje. Goddank, heb ik nog allen bij elkander, alhoewel ook wij ons deel gekregen hebben. S. werd daar zwaar ziek in de barak; typhuskoortsen. Ik ben hem zelf moeten oppassen, want er is geen dokter in de kolonie. Er is er wel een; maar deze is daar niet gevestigd, zoodat als hij kwam, dat een welwillendheid van hem was. Na 6 weken begon S. op te knappen, maar toen werd mijn vrouw ziek. Dat liep nogal los; doch ikzelf zat vol zweren en twee andere kinderen waren ook erg ziek. Kortom, wij zijn allen in die barak ziek geweest. 6 December kwamen wij er in, en 9 maart ging ik naar mijn land toe met mijn gezin. Daar kwamen wij in onze nieuwe woning, 6 meter breed en 4 diep; één vertrek, geen zolder; 4 luiken bij wijze van ramen; geen glas er in en alles slecht betimmerd, want de Brazilianen kloven de planken uit de boomen, niet zagen. Dus het woninkje wel!

De genoemde 45 Miel noemt men ondersteuning van de Regeeringen als men dan een half jaar op zijn land zit, wordt dat geld ingetrokken, en dan moet men maar zien, hoe men verder leeft, iets, dat niet bestaan kan, zoodat de toekomst er voor ons donker uitziet. Alle boekjes en geschriften, die ik als reclame voor Brazilië van mej. van Herwijnne gekregen heb, en al haar spreken zijn allemaal grove leugens. Het leven hier is voor een kolonist in elk opzicht allertreurigst, zoodat wie kans ziet ontvlucht uit dit donkere land. Wie nog wat geld meebrengt, schiet het er bij in; en zij, die het niet hebben, krijgen te weinig om te leven. Een Miel is 75 cent Hollandsch geld. Alles is hier zeer duur; 60 centen voor een pond rijst; suiker 30 cent; 1 pond bloem 45 ct.; 1 pond spek 75 ct. Over kleeding zal ik maar niet spreken, zoo duur als die is. Schoenen van 10 tot 15 Miel, zoodat ik met het geheele gezin barrevoets loop. Het hoofdproduct voor levensbehoefte zijn zwarte boonen en omdat die het goedkoopste zijn, eten wij ze 2 à 3 maal daags uit het water, en als ’t kan een uitje er bij. Een pond uien kost 37½ ct. De werktijd aan de wegen is niet lang: van 8 tot 11 en van 1 tot 4. Maar dan moet men een paar uur loopen, berg op, berg af en dan ben ik nog al dicht bij mijn werk! Van onderwijs is men totaal verstoken. Er is wel een school, maar geen onderwijzer; ook een kerkgebouw. De toestand is zoo treurig, dat ik iedereen ten sterkste afraad naar Brazilië te emigreeren.

Nederlandse immigranten bij de opening van de Pinho-lijn op 13 december 1909.
Nederlandse immigranten bij de opening van de Pinho-lijn op 13 december 1909.

Nu ben ik op 9 maart op mijn land aangekomen; dan is het hier geen zaaitijd. In mei is ’t winter en in augustus de tijd om te zaaien en te planten. Dus van 9 maart tot en met 9 augustus, dat zijn 5 maanden, ben ik nu op mijn land. Derhalve op 9 september houdt de ondersteuning op, waarvoor ik evenwel mijn arbeid aan de wegen geleverd heb. Dan mag ik daaraan ook niet meer werken, want dan komen weer nieuwe emigranten die mijn plaats innemen en denzelfden lijdensweg moeten afleggen! Laat ons maar hopen, in alle armoede, die wij doormaken, dat, achter de zwarte wolken, ook voor ons nog eens een zonnetje mag doorbreken. O, als U een kijkje kondt nemen van ons huisgezin! Hoe armoedig onze tronie en onze kleding is. O ja, een kiekje door de regering aangeboden en alom verspreid ziet er uitstekend uit; maar dat is eene voorstelling van 8 à 9 ontwikkelde menschen, die op zeer vrijen voet verkeeren met jonge meisjes van de kolonisten of van hun vrouwen, die er mee gediend zijn. Van zulke lui wordt dan een kiekje genomen voor het kantoor van de kolonie en dan ziet men tevreden, volle gezichten tusschen wat bloemen en planten, maar die tevredenheid is de vrucht van onzedelijkheid met die commissieleden, waarvoor de slachtoffers Waalles in ruil krijgen en dan weer volop kunnen halen in den winkel, terwijl mijn vrouw en zoovele andere tevergeefs gaan bedelen om wat boonen of andere onmisbare levensbehoeften. Melk kost 35 ct. per busje, zoodat wij die kunstmatige melk nooit hebben; ze is voor ons te duur!

Mocht u dus soms een kiekje zien, aangeboden door de regeering, vertrouwt dan daar niet op; het is alles bedrog, om nog meer menschen tot slaven te maken. Er is hier geld, maar erg schaarsch. Het is hier alles ruilen en zoo komt het ook, dat ik geen geld heb. Want de Brazilianen weten, dat het armoe met ons is, en trachten nu door met je te ruilen voor het een of ander, je heelemaal uit te kleeden. Met groote moeite heb ik een jas en een vest verkocht voor 8 Miel, waarvoor ik wat versterkende middelen opdeed voor een door mijner kinderen, die het van den dood heeft opgehaald. Mijn vrouw heeft een mantel geruild voor aardappelen. En zoo gaat hier elke emigrant den grond in en de Braziliaan komt er boven op.

Ter wille van de ellende, die wij hier doormaken, schrijf ik deze brief in alle vrijmoedigheid. Nu nog iets bijzonders over mij zelve. Ik zat vol zweren. En daarvan begon het in mijn lenden erg te steken. Mijn vrouw bekeek dat zaakje eens goed en zag er leven in. Zij haalde er een witten worm uit, met behulp van een anderen man, die de wond bij elkander kneep. Na verloop van 8 dagen heeft mijn vrouw er 81 uitgehaald met een naald, zoodoende ben ik het gevaar ontweken, waar de Brazilianen zoo bang voor zijn. Ik heb nog 15 centen, welke ik gekregen heb van een Braziliaan, welken ik toestond wat thee te plukken van ’t bosch, waar ik woon.

Na U Gods besten zegen te hebben toegewenscht uit het donkere Brazilië aan allen vaarwel!

 Uw vriend, X.

Literatuur:
Willem Eltje Kiewiet e Ruth Los-Kiewiet, A Colônia de Gonçalves Júnior (Irati / (Paraná)) – A Imigração Holandesa de 1908-1909 no Brasil (2011). [PDF]Willemien Schenkeveld, Red mij voordat mijn hele gezin is gestorven. De rampzalige emigratie naar Brazilië, 1908-1909, in: Geschiedenis Magazine 46 (oktober 2011), nr. 7: 20-23.
De foto’s zijn afkomstig uit het boek van Kiewiet (2011).


3 thoughts on “De ellende in Brazilië

  1. Bert Ernste Beantwoorden

    Emigreren was vroeger wel even anders dan nu – althans voor mensen uit het rijkere deel van de wereld. Dat laat deze brief goed zien.

  2. I.M.de Wilt Beantwoorden

    In het boek van Willem Kiewiet is op pagina 71 een foto gepubliceerd van de familie ‘van Dommelen’. Vermeld is dat deze hele familie door ziekten is uitgestorven. Dit is niet juist. Het verhaal dat de familie zou zijn uitgestorven stamt uit een interview met de familie Los-Verschoor in het tijdschrift ‘de Spiegel’ van 20 maart 1954 (kopie in mijn bezit). De foto toont Teunis Mattheus van Dommelen (1863-) en Maria Geertruida Remmers (1862-1941) en zij zijn de overgrootouders van mijn echtgenoot.
    Zij emigreerden in 1909 met hun zes kinderen naar Brazilië. Zij keerden op 23 juni 1911 in Rotterdam terug vanuit Parana. Teunis emigreerde zonder zijn gezin opnieuw in 1914 met bestemming Rio de Janeiro. In 1922 kwam hij vanuit Porto Allegre, Rio Grande do Sul terug naar Rotterdam. Een half jaar later vertrok hij opnieuw naar Porto Allegre, Rua dos Flores. Van zijn overlijden is niets bekend.

    Het boek van Willem Kiewiet met de bewuste foto is te vinden op Internet.

  3. Ingrid van Dommelen Beantwoorden

    Ingrid de Wilt heeft gelijk, blad Der Spiegel, is ook in mijn bezit. Dit waren mijn voorouders, een van de kinderen Teunis Matheus van Dommelen , was mijn opa.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *