Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ’s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *