Moed gehouden

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (2)

 Op 25 september 1889 gingen Antko Drenth, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen aan boord van de ms Schiedam, op weg naar Argentinië. In de eerste brief, die Drenth na aankomst in Buenos Aires naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de bootreis. Hoewel zij onderweg getuige waren van enkele ongelukken met dodelijke afloop en ook Rijna ziek was, verliep de reis voor henzelf voorspoedig. De brief, zoals deze werd gepubliceerd in het boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat een aantal onjuistheden. Op de boot bevond zich ook de familie Koornstra uit het Friese Koudum . Hun brieven zijn ook te lezen op internet en beschrijven ten dele dezelfde voorvallen tijdens deze reis. De onjuiste data die in de Brieven vermeld staan, zijn aan de hand van de brieven van de familie Koornstra gecorrigeerd.

Santa Rosa, den 24 November 1889.

Geachte familieleden, Vrienden en bekenden!

ss-Schiedam-W
SS Schiedam

Ik laat u bij dezen weten, dat wij allen in goeden stand zijn overgekomen, wat al veel zegt op zoo’n grooten tocht en waarvoor wij dan ook in hooge mate dankbaar zijn. Op reis hebben wij zóóveel gezien en ondervonden, dat het mij wel niet mogelijk is, dat alles ten nauwste te omschrijven. Want het is niet alleen een lange tocht naar Zuid-Amerika, maar er valt onderweg zooveel op te merken langs vreemde kusten, dat mijn pen ten eenenmale niet in staat is, dat alles weer te geven of liever u een beeld voor te tooveren. Zooals gij weet werden wij op den 25en September 1889 te Amsterdam ingescheept, om reeds den volgenden dag te IJmuiden door de sluis te gaan en onmiddellijk het ruime sop te kiezen. Den 28en landden wij al reeds aan de Fransche kust, bij de stad Boulogne. Hier was het, dat de zorgen ernstig begonnen op te wegen door een gevreesde ongesteldheid mijner vrouw. Een gevaarlijk bloeddiarrhee takelde hare krachten zoodanig af, dat ik heimelijk vreesde voor ’t ergste. Zij werd aan boord in ’t hospitaal uitstekend verpleegd en wij mochten het innig genoegen smaken, dat zij na eenigen tijd weder, hoewel erg verzwakt, toch gezond op ’t dek verscheen. Intusschen vervolgden wij snel onzen weg. Reeds op den 1en October hebben wij Corsina, eene stad in Spanje,[1] aangedaan en reisden toen verder door langs de kusten van Spanje en Portugal, zoodat wij des avonds tegen 8 uur van den volgenden dag te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, arriveerden. Naar men ons mededeelde is dit de schoonste stad der wereld, vooral ten opzichte der ligging in ’t gebergte.

Lissabon in 1890
Lissabon in 1890

Hier begon het al ongewoon warm voor ons te worden. Nadat wij kort te Lissabon vertoefd hadden, ging het weder voorwaarts, om op den 5den October te Las Palmas aan te komen, waar den volgenden dag steenkolen werden ingenomen, om dan voor goed het vaste land van Europa te verlaten, en als ’t ware te trachten nader tot de zon te komen. In Las Palmas werden ons heerlijke Oostersche vruchten verstrekt, die zich goed lieten smaken.

Den 9 October stierf er aan boord een kind[2], dat al spoedig aan de golven werd prijs gegeven en kort daarop overleed een kolentremmer, die werkzaam was bij de machine; men zeide, dat die ongelukkige tengevolge de groote hitte der machine was bezweken. Binnen één uur tijds was hij gezond en . . . dood. – En reeds den volgenden morgen ten 5 ure werd ook dit lijk aan de zee toevertrouwd.[3] Ik geef u de verzekering dat deze gevallen geducht op ons terugwerkten en wij allen in een onaangename stemming verkeerden. Wij bevonden ons nu al op een hoogte, waar de zon bijna loodrecht boven ons stond, dus al warm, en terwijl er nagenoeg geen windje op te merken was, lag de groote, ontzagwekkende zee als ’t ware te sluimeren van haar altijddurend voorwaartsch snellen naar het eindelooze, het onbekende, het eeuwige. O zeker, er is poëzie in de zee en heerlijk kunnen somwijlen de tonen zijn, die zij ons toeruischt. Zoo passeerden wij den 11 October kaap Sint Vincent het uiterste westelijke punt van Portugal.[4] Hier zagen wij een gebergte, dat boven de wolken uitsteekt. Den 13 October alles wel aan boord; de zee lag nog even schilderachtig daarhenen en wij hadden het erg warm.

Geen wonder voorwaar en zeer begrijpelijk, toen ons den volgenden dag werd bekend gemaakt, dat wij ons nu vlak onder de zon bevonden. Ik geef u de verzekering, dat het een eigenaardige gedachte is zich op zoo’n hoogte te bevinden, en men onwillekeurig geleerden benijdt, die, (het is zoo te zien) op deze hoogte aangename bezigheden verrichten ten dienste der wetenschap. Ook op dit punt hadden wij weder een sterfgeval te betreuren; dit was dus al reeds het derde sterfgeval op onze reis. Er waren nog mee ziekten aan boord en hoewel men ons vertelde, dat er op deze hoogte gewoonlijk veel sterfte heerscht, vooral onder kleine kindren van een à drie jaren, hadden wij het groote genot onze kinderen te zien spelen als lammeren. Zij bewogen zich vrij en ongedwongen op het dek in gezelschap van anderen. Deze vrijheid was een groot genot, waarvoor alle hulde toekomt aan den gezagvoerder, die dan ook van de zijde der ouders werd betoond.

Wederom een sterfgeval – nog een en twee dagen later nog ….. twee. Dit geschiedde op den 17-18 en 20 October. ’t Was droevig, wat ons deze gebeurtenissen te zien gaven vooral met het oog op de bedroefde familieleden, die zóó hunne geliefden moesten missen. De ernstige vraag rees dan ook bij ons op: kan het morgen ook uw beurt zijn ? Onder deze stemming dankten wij den Allerhoogsten, dat wij tot dusverre nog bij elkander waren in ’t bezit van de nooit genoeg volprezen gezondheid, die ons dan ook zoo te stade kwam, om zooveel mogelijk diensten te bewijzen aan onze droeve reisgenooten, waaraan wij dan ook alle krachten wijdden. Gij zult wellicht zeggen: wat een mengeling van omstandigheden, die zoo’n reis doet ondervinden, als ik u nu weer vertel, dat wij op den 21en October algemeen verrukt stonden bij het aanschouwen van groote zwermen zwaluwen en dat op den grooten Atlantischen Oceaan. ’t Was verrukkelijk deze trouwe boden van voorjaar en herfst – die zoo in ons vaderland als geliefde voorjaarsboden worden gehuisvest –in massa te zien voortsnellen naar het zuiden. Zij schenen vermoeid te zijn, daar een groot gedeelte der zwerm zich ter ruste neerzette in het want van ’t schip tot aller aangename gewaarwording. ’t Was of die lieve onschuldige diertjes ook hier tot ons kwamen, om ons een groet te brengen, die ieder voorjaar opnieuw ons in ’t noorden zoo aangenaam is, ’t was alsof ze nog eenen laatsten groet brachten aan den huiselijken haard. Wij hadden algemeen respect voor het nederdalen dier massa in ons want; niemand dan ook, die de te laken moed had één dezer natuurgenooten te vangen of te beleedigen, gelijk het maar al te veel blijkt te geschieden in Frankrijk, aan de kusten der Middellandsche zee, ter wille van modes meestal gewijd aan dames van ijdel gehalte. – ’t Was op deze hoogte warm – zwoel – van daar geen wonder, dat ons in den nacht van 21 op 22 October een onweder overviel zoo hevig, als ik en zooveel anderen het nimmer ondervonden.

De bliksem verlichtte op indrukwekkende wijze zee en schip, terwijl holle donderslagen alles deden trillen. Daarop volgde een slagregen zoo geweldig, als het mij nimmer heugde. En onder deze omstandigheid had er weder een sterfgeval plaats. Met dezelfde formaliteiten als de overigen, werd ook dit lijk spoedig aan de zee toevertrouwd.

Eindelijk, ’t was op den 21 october, zagen wij tot aller blijdschap de Braziliaansche kust en konden bij eenig geluk dus binnen korten tijd aan wal zijn. Doch wat moesten wij eerst nog niet ondervinden – wat moest ons oog nog eerst zien ? ’t Was ’s morgens van den 24en, dat, uitgelokt door schoon weder, vele passagiers zich op dek begaven. Onder ons gezelschap bevonden zich twee jonge Duitsche mannen. Deze, blijkbaar vrienden, die uitgetrokken waren, om ook hun geluk in ’t zuiden te beproeven, vierden hun dartelheid bot in ’t stoeien. Helaas, nadat wij hen in hun vaardigheid een poos hadden gadegeslagen, verdwenen zij als in een tooverslag: zij vielen over boord en ….. niemand zag een enkel spoor van hen terug.[5] Nog huiver ik bij de gedachte aan dit feit; aan die beide goede vrienden, die zoo noodlottig moesten heengaan, te meer ook nog, dat het een paar gulle jongens waren, waarmede wij alzoo veel aangename kennismaking hadden aangeknoopt, dat men elkanders gezelschap noode konden missen.

Den 25e October alles betrekkelijk wel aan boord, doch wij verkeerden algemeen in gedrukte stemming en konden den indruk der treurige geschiedenis onzer goede Duitsche kameraden niet maar zoo vergeten. Arme vrienden, uw heengaan moge vrede zijn! In den loop van den dag beviel er eene vrouw, welke gebeurtenis algemeen met vreugde werd begroet, nadat wij vernomen hadden dat alles wèl was. Wat al wisselingen in dit leven, niet waar ? wat al een mengeling van omstandigheden ondervindt men en vóóral op zoo’n groote zeereis. Het is echter in hooge mate troostend en aangenaam voor ’t gemoed, dat de broederschap en eensgezindheid op een schip, welker bevolking als ’t ware een maatschappij in de maatschappij vormt, voorbeeldig is, welke omstandigheid den reiziger veel leed geduldig doet dragen en vergeten. En zoo ging het steeds door en verder. De kolossale machine, die dag en nacht haar forsche slagen deed hooren, verkondde, dat wij er snel door gingen, ’t was alsof ze ons telkens toeriep: houd moed! straks zet ik u in ’t nieuwe vaderland. Van den 26- en 27en Oct. valt geen bizonder nieuws te zeggen, alleen de algemeene opmerking werd gemaakt, dat het kouder werd.

’s Avonds van den 27en zagen wij het eiland St. Carlos, nadat we het eiland St. Marie reeds waren gepasseerd. Een eigenaardig gevoel maakte zich van ons meester, toen wij vernamen, dat we na eenige uren binnen konden zijn. ’t Was ons te moede alsof wij nu een andere wereld, of liever een andere planeet zouden betreden, waar we slechts wonderen zouden zien en na vele jaren van moeite en strijd tot geluk en welvaart zouden komen. En inderdaad, in den vroegen morgen van den 28en October zagen we weder land, dat we snel naderden en toen al spoedig de groote haven van Montevideo binnenliepen. Wij gevoelden ons recht gelukkig aan wal te zijn en door innige dankbaarheid gedreven zongen wij uit het diepste der ziel Psalm 103: vers 1-2.

Loof, Loof den Heer, mijn ziel met alle krachten,
Verhef Zijn naam zoo groot, zoo heilig ’t achten,
Och of nu al, wat in mij is Hem preez,
Loof, loof mijn ziel! den Hoorder der gebeden,
Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden!
Vergeet zo niet: ’t is God die z’ u bewees.

Loof Hem, die u al, wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij genadig wil vergeven,
Uw krankheen kent en liefderijk geneest,
Die van ’t verderf uw leven wil verschoonen,
Met goedheid en barmhartigheid u kroonen,
Die in den nood uw redder is geweest.

’t Was ’s morgens te elf ure van den 28sten October, dat wij het schip verlieten en Montevideo binnen gingen. Zoo hadden wij dan, nadat we Kaap St. Vincent gepasseerd waren, 17 dagen en even zooveel nachten gestoomd. Ontzaggelijk is de afstand, die we thans van u verwijderd zijn. Zie zoo, daar zijn we dan in het nieuwe vaderland en wat zal het nu zijn? Ja, wat zal het nu zijn! Zoo was de gedachte onder een drukkend gevoel. Ik kan u dan ook zeggen, dat er een angstige uitdrukking op veler gelaat te lezen stond en een zeker heimwee zich meester maakte van velen. Evenwel moet ik u eerlijk bekennen, dat mij in alles de moed bijbleef en zoo stapten wij in eene massa het emigrantenhuis binnen, beladen met zak en pak.

Dit emigrantenhuis is ontzaglijk groot. Ruw gebouwd van hout, het bergt 12- à 14.000 menschen, welk getal er op dien dag zeker ook wel aanwezig was. En dan een mengeling van, ik zoude wel haast zeggen: alle volken der aarde, ieder met zijn plunje belast en elk, het was zoo op te merken, eveneens belast met bitteren zorg. Deze ophooping van al die menschen was te groot en spoedig ontdekten wij dan ook de gevolgen er van. Dat groote tal van weerlooze kinderen, waaraan geen tijdige hulp kon worden verleend, die verbazende onaangename menschenmassa veroorzaakte ontzettend veel leed en overlaadde ons – nog niet gerekend de op proefstelling onzer gehoor- en reukzenuwen – met levend onrein zoo ijselijk, dat het eenvoudig niet is te beschrijven. Hier moesten wij vijf dagen vertoeven en werden we dus al op proef gesteld. Nu had ik gaarne de groote stad Montevideo eens nader willen bezien, doch, daar we emigranten waren op staatskosten en dus als ’t ware kinderen van den stat, was het niet geoorloofd, om naar eigen wil te handelen. Nadat wij dan vijf dagen te Montevideo vertoefd hadden, ging het weer verder, ieder naar zijn aangewezen kolonie. ’t Was toen wel in ’t bizonder, dat de zorgwekkende gedachte opdoemde: “Wat zal het straks wel zijn!” Doch moed gehouden, zoo dachten wij en spoorden elkander tot moed houden aan.

Vaartwel, onze waarden, vaartwel! God de Heer zij en blijve met u. Ik hoop spoedig eens weer te schrijven van ons wedervaren.

A. Drenth



[1] Coruña.

[2] Dit kind was afkomstig uit Marrum, Friesland. Zie de brief van J. Koornstra en S. Bijlsma van 11 oktober 1889.

[3] Hierover schreven Koornstra en Bijlsma op 11 oktober: ‘Er is geen sprake van begrafenis of lijkrede. Een paar matrozen en de administrateur erbij doch er wordt geen woord gesproken, net zo min als dat er zondags sprake is van kerk houden.’

[4] São Vincente op het Portugese eiland Madeira.

[5] Volgens Koornstra ging er door het stoeien een hek los en stortten beiden achterover in zee. Brief van 2 november.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *