‘Van eenig geld verdienen was geen sprake’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (6)

In het laatste deel van de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef vanuit Tucumán, vertelde hij over het werk in de bossen buiten de stad en het gebrek aan verdiensten. De groep emigranten had er snel genoeg van en besloot terug te keren naar het emigrantenhuis in Tucumán, in de hoop om elders een beter bestaan te vinden.

Zoo hadden wij dan verblijf in het groote emigrantenhuis. Na een dag toevens begon men elkander af te vragen, wat het straks wel zou geven, doch geen onzer kon anders antwoorden, dan slechts in raadsels. De eene dag verliep na den andere en wij kwamen maar niets te weten. Dit echter ondervonden wij maar al te spoedig, dat het verstrekte voedsel zeer sober was en vooral voor jeugdige kinderen zeer ongepast. Dan het gezamenlijk wonen met het ruwst denkbare element, wat een bevolking kan opleveren, behoef ik u wel niet nader te zeggen, dat het ons daar walgde en wij reikhalzend uitzagen, om aan ’t werk te komen. Eindelijk, nadat wij negen dagen daar werkeloos gelegen hadden, klonk het kommando: voorwaarts. Eenige oogenblikken daarna was ieder gereed en zouden wij den weg inslaan ter ontnuchtering. Spoedig zouden wij dat voor goed ervaren; want zooals later bleek, was ons lot al beslist, waarin wij niet het minste te zeggen hadden. Zoo werden dan een aantal karren opgeladen met gereedschappen en goederen, die ieder bij zich had. De karren, die na deze lading niet al te veel bevracht waren met schoppen, houweelen, bijlen, hefboomen en dergelijken mochten nog betrokken worden door de zwakste vrouwen en kleinste kinderen, terwijl de mannen in elk opzicht de rijdende karavaan te voet moesten volgen. Hoewel wij aan den eenen kant blijde waren, dat wij spoedig aan geregeld werk zouden komen en wel op landbouwgebied, was het ons in ’t algemeen toch niet aangenaam te moede, omdat wij zoo volstrekt werktuigelijk in massa werden voortgedreven, geheel de onzekerheid tegemoet. Het was eene lange, moeitevolle reis, die den geheelen dag duurde en kwamen wij tegen den avond bij een groot en ondoordringbaar bosch aan, waar wij halt moesten houden en de karren afladen.

Nu begon het ons al spoedig duidelijk te worden, dat wij vooralsnog geen rustige landbouwende kolonie zouden vormen, maar dat men ons in de eerste plaats trachtte te gebruiken, om eeuwenoude bosschen uit te roeien en daarna met landbouw te beginnen.
Wat moesten wij beginnen ? ’t Spreekt van zelf dat wij alles, hoe of het ook mocht zijn, moesten aannemen, zoo wij maar slechts aan den kost kwamen. Tot dusverre hadden wij nog in ’t geheel de eer niet gehad met eenig hooggeplaatst persoon of werkgever in aanraking te komen, dat echter, toen wij bij bet genoemde bosch waren, op eens veranderde.

Een groot heer kwam ons naderen, waarin wij al spoedig en niet ten onrechte onzen chef opmerkten. Hij gaf ons te kennen, dat wij voor hem zouden werken in de aan te wijzen bosschen tegen voorloopige vergoeding van voeding, kleeding, woning ja alles, wat wij noodig hadden voor ons dagelijks onderhoud. Van eenig geld verdienen was geen sprake. Dit accoord werd niet gesloten na een gemeenschappelijk overleg van werkgever en werknemers, maar had meer het wezen van een kort en onherroepelijk bevel, zoodat wij, als ’t ware aan handen en voeten gebonden, geen andere keuze hadden dan slechts aan te nemen, wat ons werd aangeboden. – Daar stonden wij dan zonder onderdak, zonder eenig geld. Slechts eenig karig voedsel werd ons verstrekt en moesten wij ons tot nader order maar zien te redden. – Eigenaardig en tevens leerzaam voor hen is het, die veel moeten ontberen en die dikwijls voor schijnbaar onoplosbare raadsels staan en voor schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden, dat er nog altijd een sprankje hoop tot redding overblijft en een weg tot uitkomst. Zoo ook hier: het zachte klimaat, dat hier heerscht werd ons tot hulp, ofschoon het juist in de maand Augustus was, dat zooveel wil zeggen als een maand in het winterseizoen. Het barre winterweder, dat gewoonlijk in ’t noorden van Europa en elders heerscht, is hier niet heerschende: van hagelslag en sneeuwstormen heeft men hier geen last; ’t is slechts zelden, dat men ’s morgens een lichte rijp ontwaart, waarna het overdag weder erg warm kan zijn. Zoo troostten wij ons dan, dat het zeer zacht weder was, wijl de eerste nacht onherroepelijk onder den blooten hemel moest worden doorgebracht. Toch sloegen we nog in aller haast eenige boomstaken in den grond, waarop een soort dak van takken, boombladeren en mos. In dien toestand dan woonden wij in de wildernis en trachtten den eersten nacht slapende door te brengen, den volgenden morgen afwachtende naar nieuwe orders.

De volgende dag werd ons in de eerste plaats toch gegund, om tenten op te slaan, doch zoo, dat iedere tent eenige families kon bergen. Het noodige materieel moest uit het bosch worden gekapt. Het is mij niet mogelijk u nu de omstandigheden en gebeurtenissen, die dag op dag plaats hadden: in ’t breede te omschrijven en zal mij dan maar in hoofdzaak bepalen, hoe het ons ging in de negen weken die wij daar hebben doorgebracht. Negen weken, die ons even zooveel jaren toeschenen, hebben wij in genoemde bosschen zwaar – nog eens: zwaar gewerkt tegen een karig loon en wel slechts tegen eenig slecht voedsel. ’t Was dus een onhoudbare toestand en moesten wij wel opbreken. Doch wat dan? dat vroeg men elkander angstig af, maar hoe het dan ook uitliep, het moest en er was dan ook niemand onder het geheele gezelschap, die den moed had te blijven.

Intusschen had er nog eene gebeurtenis plaats, die echter alleen ons huisgezin betrof: er werd ons een zoon geboren, die wij Christiaan hebben genoemd. Gelukkig, dat deze ernstige omstandigheid boven aller verwachting gunstig afliep. Als ik zoo spreek van boven aller verwachting zal u dat wel niet verwonderen als gij bedenkt, dat wij letterlijk van alle hulpmiddelen verstoken waren en gemeenschappelijk woonden in eene ruw gebouwde tent.

Toen wij dan op zekeren morgen allen aanstalten maakten, om te vertrekken, ging dat nog niet zoo heel gemakkelijk. Bij bet vernemen hiervan vloog onze opzichter op en ontstak in vuur tegen de volgens hem door ons gepleegde ontrouw. Het oogenblik was ernstig. Maar wij hadden immers het volste recht. Wij waren immers geen willekeurige werkstakers en oproerkraaiers, die meer verlangden te hebben dan het billijke! Neen, wij verlangden alléén wat beter voedsel en een zeer weinig handgeld, opdat ons zwaar beproefd dagelijksch leven toch eenigszins dragelijker mocht worden. De opzichter begon ons toen. zekere beloften te doen voor de toekomst, doch kon en wilde voor het oogenblik niets tot beterschap aan ons beloven, zoodat wij op staanden voet wilden vertrekken. Hij, de opzichter, bleek toen in bijzonder een echte zuidelijke type te zijn, die zeker nog eenig slaven-jagers-bloed in zijn aderen had, daar hij onder de woedenste drift naar de revolver greep en ons dreigde met den dood. Even snel echter als zijn dollemans drift ten top steeg, even snel trad er betrekkelijke kalmte bij hem op den voorgrond, wellicht tengevolge door de wetenschap, dat er ook mannen in onzen ploeg waren van stavast en bij het opwekken hunner driften hij wel eens het onderspit kon delven. Alzoo: de vrede werd in zooverre gesloten, dat de revolver niet zoude spreken en wij dan maar zelf moesten weten, wat ons te doen stond.

Het besluit van het geheele gezelschap was onherroepelijk gemaakt: wij braken op en begaven ons in een grooten drom te voet in de richting van Tucumán. Dat dit eene moeielijke reis was kunt gij begrijpen als ge bedenkt, dat wij toen niet in ’t bezit waren van die karren, waarop de meeste vrouwen en kinderen waren heen gereden, zoodat het o.a. voor mijne vrouw met het voor eenige dagen geboren kind op den arm een ware martelreis was en ons in groote zorg wikkelde. God de Heer schonk ons echter kracht naar kruis: wij kwamen bij het emigrantenhuis te Tucumán behouden aan. Niets was natuurlijker dan dat wij verzochten in het groote huis opnieuw te worden geherbergd, dat dan ook gebeurde. Nu scheen het ons toe, dat er al een wrok bestond van de zijde onzer meerderen, daar men ons wel onderdak, maar geen spijs gaf. Hadden wij moeielijke dagen achter den rug, het begon er hier al niet beter op te worden. Er ontbrak ons letterlijk alles; want wij hadden immers geen cent verdiend en konden het geringste niet koopen.

En ziet, alsof hij uit den hemel kwam nederdalen, verscheen daar plotseling een Hollander voor ons, die begon met goeden raad te geven en troost in te spreken. – Het was blijkbaar een edel mensch, daar hij bij het vernemen van onzen nood onmiddellijk eenen grooten zak met brood liet komen, zoodat wij voor dien avond gered waren. Nadat wij onzen innigen dank aan hem hadden betuigd, dien hij echter niet als een verdienste wilde aannemen, maar te kennen gaf, dat hij slechts een menschelijken plicht had vervuld, “waaraan” zeide hij “ook wij in zijn plaats zouden hebben voldaan,” vertrok hij, onzen zegenwensch medenemende, want hij had niet alleen ons lichaam , maar ook onzen geest versterkt. Hij schonk weer nieuwe hoop en wakkerde het vertrouwen in de toekomst zoodanig aan, dat wij met zeker dichter uit den grond onzer harten konden uitroepen:

De Heer kastijdt dien Hij bemint,
En leidt ons vaak langs donk’re wegen;
Maar d’ uitkomst voert altoos ten zegen
Van Zijn geliefd, gelouterd Kind!


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *