‘Wij zwervers in dit ondermaansche’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (9)

In het laatste deel van de brief die hij op kerstmis 1891 naar het thuisfront schreef, gaf Antko Drenth uiting aan het verlangen om naar huis terug te keren. Ook het verblijf in Brazilië bleek geen verbetering te zijn en maakte het alleen maar lastiger om die terugkeer mogelijk te maken. Het verlangen kerstmis te vieren in het oude vaderland overheerste het gemoed.

Dezer dagen kregen wij nog al eenige bemoedigende tijdingen en wel, dat er in België commissiën waren gevormd om pogingen in ’t werk te stellen, hunne landgenooten van hier terug te transporteeren naar hun vaderland. Er moeten zelfs uit enkele havens al velen zijn vertrokken, waaronder bij uitzondering, naar men zegt, ook eenige Zeelanders. Ook loopt hier het gerucht , dat de overtochtskosten naar België slechts vijf-en-twintig gulden bedragen, zoodat wij alle hoop hebben dat gij ons gelukkig kunt maken, om, door weinige kosten te verspillen, ons uit de ongelukkige positie, waarin wij anders wellicht zullen moeten omkomen, te verlossen. Wij betreuren het ten zeerste, dat de Nederlanders nog niets deden, om ons te verlossen, die anders in liefdadigheidszin nooit ten achteren staan. Het zal wellicht een gevolg zijn van het feit, dat ons land, of beter gezegd, Nederland, geen geregelde vaart heeft op Brazilië, en bijgevolg het onmogelijk is ons de behulpzame hand te bieden, tenzij men groote sommen gelds bijeen bracht ter uitvoering. Zulk een offer is wel te groot, om daaraan te denken en zullen wij dus moeten afwachten, wat de orde van den tijd ons zal geven.

Ik heb ook al aan den Consul te Rio de Janeiro geschreven wat het zoude moeten kosten, om naar Holland terug te keeren, doch kreeg eenvoudig geen antwoord. Nog zal ik het eenmaal wagen aan dien heer te schrijven met beleefd verzoek, toch in elk geval de goedheid te willen hebben, dat ZEd. ons de noodige inlichtingen verstrekken, dan komen wij, zoo hij ons daarmede wil dienen, nader tot den waren toestand. Zoo wij ons nu nog maar in Argentina bevonden, zoude ‘k eenvoudig naar de hoofdstad loopen waar de Consul woont, en hem in persoon trachten te mogen spreken. Doch hier in Brazilië gaat het niet aan om te voet bij een zeehaven te komen. Gij moet weten dat wij ons diep in het binnenland bevinden en de weg die wij zouden moeten passeeren, is uiterst moeielijk en zeer gevaarlijk tevens. Daarenboven nog de omstandigheid dat het in den regentijd is, zoodat, het een bij het ander genomen, het er naar aanligt om ons aan het lot over te geven.

Men zegt hier ook dat de landreis tot de kortst bijzijnde zeehaven tegen zeventig mijl per familie kan worden afgelegd per spoor; dit zal dunkt mij ongeveer vijftig gulden bedragen, want het geld staat hier tegenwoordig zeer laag in koers en heeft dus tegenover de geregelde Europeesche staten, weinig waarde. Dit vindt zeker ook al weder zijn oorsprong in het bestaan der wisselvallige regeering. Men doet de betalingen hoofdzakelijk in papier.
Mocht gij u nu willen overtuigen in welke verhouding deze geldswaarden tot elkander staan, zal de firma des heeren GROENEVELD, kassiers te Winschoten, u wel willen inlichten. Zoo hebt ge dan, lieve vrienden, eenen langen brief die echter, ik weet het, u niet bemoedigt en u niet gelukkig maakte. Ik ben echter verplicht u de volle waarheid te melden, want mocht het wezen dat er nog zijn die plan hebben het vaderland te verlaten, mogen ze zich vooraf aan ons wedervaren spiegelen. Ik eindig met de hartewensch dat gij ons nog eens spoedig schrijft.

O, het doet ons zoo’n goed iets van zijn geliefden uit en om het oude dorpje, waar wij als kinderen zoo gelukkig samen waren, te vernemen. God geve, dat gij u allen in opgewekte stemming bevindt terwijl ik dezen schrijf, want immers is het juist bij u het heerlijke Kerstfeest. Kerstfeest in het vaderland – wat heerlijke, wat zielverheffende gedachte!
In onze verbeelding zien wij u allen gezellig bij elkander in een door de lamp verlicht vertrek rondom den gezelligen haard vereenigd, terwijl de sneeuw buiten krast en kraakt als de wandelaar zich op weg of pad beweegt. Wat al eigenaardige en tevens hoogst leerzame oogenblikken zijn het die men in dat tijdperk kan genieten, niet waar? Ziet in de eerste plaats ter voorbereiding dier groote plechtigheid hier en daar een sierlijken kerstboom prijken, omringd met lachende kindergezichtjes die zich heerlijk afspiegelen in de schitterende verlichting, die zoo met voor kinderen kostbare geschenken rijk beladen is en waarom de lieve jeugd zich woelend en joelend beweegt, het tijdstip verbeidende, om op een gegeven oogenblik van al dat schoons een deeltje te genieten. – Dan zien wij in onze verbeelding den waardigen leeraar het predik-gestoelte beklimmen, om in welsprekende en zielverheffende taal te gewagen van het nieuwe licht, dat door de geboorte van onzen grooten: Meester, Jezus Christus, Gods Zoon, ons omstraalt. En als wij dan zoo met diepen ernst nadenken over het komen, het zijn en het gaan van dien grooten Meester, dan hebben wij wel geen recht tot klagen, maar spoort het ons aan tot zelfverloochening in hooge mate, om het pad in te slaan zooals Hij het ons heeft afgebakend. O, hoeveel lijden ook wij moesten ondervinden op ons levenspad, het weegt niet op tegen, dat wat Jezus ondervond en overwon: Hij, die somwijlen geen steen de zijne kon noemen, waarop hij zijn vermoeid hoofd mocht nederleggen ter ruste en na de hoogste verzoekingen weerstand te hebben geboden – als een overwinnaar uit het strijdperk trad. Hij bad zelfs voor zijn belagers – Hij bleef rein. Ja dierbare Jezus al wordt Uw woord hier niet in ruimen zin gepredikt, toch kennen wij U en hopen wij U te volgen. Gij die de liefde predikte tot grondslag van alle geluk.
Ja Heiland Gij hebt niet te vergeefs voor ons geleefd – Gij Meester, die Uw jongeren dient, Gij Godsman en toch onzer één – met de gedachte aan U, aan Uwe alles doordringende almacht en liefde, in aanbidding neergebogen, zingen ook wij in het verre land, maar toch even als elders in Uwe nabijheid met onze geliefden meê:
“Juicht Christ’nen juicht uit eenen mond,
“Volgt Bethl’ems herd’ren koren,
“Haast zal heel ’t luist’rend wereldrond
“Verrukt dit heilnieuws hooren.
“De Hemel zing’ en de aard vervang’,
“Verblijd het heerlijkst lofgezang:
“Messias is geboren” !

Vaartwel dan onze geliefden, vaartwel! Moge ook op u het heerlijke Kerstfeest dien heiligen invloed uitoefenen die wij, zwervers, in dit ondermaansche zoo zeer noodig hebben, is de hartewensch van ons allen.

Uw genegen broeder en vriend:
A. DRENTH.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *