‘Zoveel ruwheid en losbandigheid’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (12)

In januari 1892 schreef Antko Drenth enkele brieven naar het thuisfront. Antko en zijn gezin waren vanuit Argentinië in Brazilië aangekomen en hadden zich gevestigd in Itapira, circa 30 kilometer ten noordoosten van het latere Holambra. Liever waren zij teruggekeerd naar Nederland, maar dat bleek niet mogelijk. Over de bevolking en de lokale gebruiken was Drenth niet bijster te spreken, maar Itapira komt uit het navolgende wel naar voren als een vriendelijk stadje.

ITAPIRA, Januari, 1892.
Lieve familie, vrienden en bekenden!

Zoo komen wij tot u in geest en willen ons eenige oogenblikken vermeien bij u te zijn. Heerlijk oogenblik voorwaar, zoo zich eens te mogen kunnen verplaatsen met de gedachte: nu zijn wij na lang verleden toch eens weer bij elkander. ’t Is waar: wij kunnen elkander geen geluk wenschen, bezegeld door een warme handdruk en een hartelijk woord, dat zoo frisch over de lippen vloeit, noch elkander opwekken door een vriendelijken blik. Maar moeten wij al uw bijzijn derven, mogen wij u misschien op dit ondermaansche nimmer weder ontmoeten, toch, mijne geliefden! Laat ons dit niet ontmoedigen. Hij, die ons de hartelijkste gelukwenschen op de lippen legt, zal ook heden mijne hand besturen, om de innigste gevoelens van onze harten aan u te doen openbaren. Aanvaard dan onzer aller hartelijkste gelukwenschen met de intrede van het pas begonnen jaar. Aanvaard die in korte trekken uit dit alles bezielend woord:

“Dat ’s Heeren zegen op u daal!
“Zijn gunst uit Sion u bestraal:
“Hij schiep’ ’t heelal Zijn’ naam ter eer.
“Looft, looft dan aller heeren Heer”.

Gaf het verloopen jaar ons eene zware beproeving door het verlies van ons kind, zooals gij kunt weten uit ons vorig schrijven, ons kind, waarvan wij zooveel verwachting hadden en onze troost was en trots, wij blijven berusten in den wil des Heeren, die het behaagde onzen lieveling tot zich te nemen. – Onwillekeurig niet waar, vragen wij elkander af: wat zal het pas begonnen jaar ons weder geven. Wij pogen elkander te troosten en op te wekken met een hartlijk woord. Welnu, laat ons dat genoeg zijn en blijven wij vertrouwen; elkander het hoogste toewenschende en op Goddelijken hulp blijven bouwen en het wijze woord van den dichter betrachten: “Waar de gebeden als blanke duiven ten hemel stijgen, daar komt men nader tot zijn God.”

Itapira in 1890

Op uwe vraag of wij wel naar het vaderland terug zouden willen keeren, kunnen wij niet ontkennend antwoorden. Ik heb mij na de ontvangst van uwen brief dadelijk schriftelijk gewend tot den consul te Rio do Janeiro, doch kreeg tot op heden geen antwoord; zeer betwijfel ik echter, dat hij er zich mede zal kunnen en willen inlaten. Nu zijn wij te ver van de woonplaats des consuls verwijderd hem in persoon te mogen ontmoeten ; want de afstand van hier uit het binnenland naar de haven te Rio de Janeiro is veel grooter, dan gijlieden zijt verwijderd van Amsterdam, en bovendien eene zeer gevaarlijke reis. Het zijn ongebaande wegen, die wij te voet moeten afleggen en wel door eeuwenoude bosschen en langs berghellingen en rotswanden. Daarbij steeds in gevaar, om door wild gedierte te worden aangevallen en verscheurd.

Zoude het voor u ook mogelijk zijn te weten te komen, wat het kost en op welke wijze het moet worden aangelegd om tot u terug te keeren? Wij verzoeken u beleefd de goedheid te willen hebben bij een agent te vernemen, hoe het moet worden aangelegd, om uit dit ongelukkige land te worden verlost. Waarlijk, ’t is hier voor ons een droevig, ellendig leven. Te midden eener aller losbandigste bevolking, bestaande meest in Spanjaarden, Portugezen, Italianen en zoovele andere vreemde volken, verstaat men elkander niet, zoomin in landtaal of uitdrukking van gebaren als geaardheid en neiging. Nooit had ik mij zooveel ruwheid en losbandigheid kunnen voorstellen van menschen en menschen.
Daarbij is het in deze bergstreken zeer ongezond, en heeft men met allerlei kwalen veelal te kampen, terwijl bij dit alles komt, dat de voeding zeer slecht is en voor ons – wellicht tengevolge van ongewoonte – zeer onvoldoende blijkt te zijn. De morgen- en avondkost bestaat uit maïsmeel. Dit meel wordt eenvoudig overgegoten met heet water, daarna doorgeslagen en is na eenigen tijd eene stijve massa. Men eet deze spijs zonder eenig vet, wijl vet hier erg duur is. De middagkost bestaat in rijstensoep met boonen gemengd waarin eenig spek. Het geld is hier tegenwoordig zeer schaarsch; er bestaat zoo goed als geen geld. Men zegt, dat dit zijn oorsprong vindt in de beroering des lands, tengevolge verschillende politieke stroomingen.

Al de geldzaken worden met papier vereffend, en dat is papiergeld, dat bijna geen waarde heeft. Hieromtrent spreekt men, dat het land bij voortduring onder wankele regeering staat en telkens revolutie kan uitbreken, zoodat de tegenwoordige positie voor burgers, vooral voor emigranten, niet rooskleurig is. Gij hebt zeker wel in de Courant gelezen omtrent den politieken toestand des lands. Dat wij in dit oorlogzuchtige land spoedig zonder werk zullen komen, ligt voor de hand, ja, er is al zelfs veel sprake van onder het volk, dat alle werk eerstdaags zal stil staan. Ook tengevolge stroomen volks, die bij voortduring komen uit Argentina, zal men hier spoedig in ellende komen. – Waarlijk, nog eens: Wij willen, indien het mogelijk is, gaarne naar het vaderland terug. Zou het mogelijk voor u zijn dit te kunnen bevorderen? Wij kregen van HARM het verblijdend bericht, dat er sprake was, dat ieder land zijn eigen volk zoude terughalen uit deze, voor ons arme emigranten ellendige omgeving, doch het bleek ons bij onderzoek, dat het slechts een gerucht was.
Ja, goede vrienden, het is hier geen tehuis voor ons rustig gezinde Nederlanders voor en aleer zich hier eene ordelijke regeering handhaaft en de Europeesche beschaving meer en meer ingang vindt. Ik wil u bij dezen ook eens een beeld schetsen, hoe men hier te werk gaat bij begrafenissen van lijken. Wanneer er bijvoorbeeld heden iemand sterft, wordt het lijk van dien afgestorvene uiterlijk morgen ter aarde besteld. Was de afgestorvene een behoeftig of alledaagsch mensch, die geen noemenswaardige aardsche goederen bezat, dan wordt zoo’n lijk eenvoudig in een grafkleed gewikkeld, waarvan de vier hoeken aan eenen draagstok worden bevestigd. Zoo ingepakt en bevestigd zijnde, komen er een paar mannen, die de vracht opnemen en voort gaat het zonder eenigen vorm of plechtigheid. Voort gaat het naar buiten òf dragende òf slepende, al naar gelang hun krachten het toelaten en de dragers het verlangen te doen. Worden de dragers moede, dan leggen zij de vracht neer en rusten. Eindelijk aan de plaats aangekomen zijnde, waar het lijk moet worden begraven, legt men voor goed den last neder en gaat men aan den arbeid. Spoedig nu wordt er een kuil gegraven en alsof het een hond ware, wordt het lijk er naakt in geworpen ….. en veelal gebrekkig met aarde gedekt. Daarmede is de geheele plechtigheid afgeloopen. – Met de rijken gaat het geheel anders. Deze worden met groote statie in lijkkoetsen, gevolgd door dikwijls vele in rijtuigen gezeten aanzienlijke lieden, weggebracht. Gij kunt ook uit dit feit weder afleiden, dat het hier in velerlei opzichten een naar land is, vooral voor ons, die een meer regelmatige maatschappij gewoon waren in het nu zoo zeer begeerde voormalig lieve vaderland.

Het is hier in velerlei opzichten niet beter gesteld, dan in een slavenland, waarover gij wel eens gelezen hebt. Doch mijn vrienden, laten wij een en ander eens van naderbij bezien en pogen troost te vinden in hoogere sfeeren. Laten wij den rijke, die zoo in volle statie grafwaarts wordt gebracht, niet benijden en al zoo begeeren. Neen, zegen hem veeleer in zijn henengaan. Wij weten immers, dat iedere verantwoording zal worden afgevraagd voor de Eeuwige Gerechtigheid van het gebruik zijner talenten, die hem werden aanvertrouwd – ieder in zijn rang, elk in zijn wezen. En als wij dan zelf onze plichten kennen tegenover alles, wat ons op den levensweg ontmoet, o, geloof dan, dat er veel is te doen ten goede en veel te leeren valt en wij geen oogenblik van onbedachtzaamheid mogen doorbrengen, zoowel tegenover onze naasten en ons zelven, als tegenover God de Eeuwige. Want al kunnen wij de Almacht niet doorgronden, toch moeten wij blijven streven tot toenadering.
Nu zal ik ook nog trachten u eene korte beschrijving te geven omtrent de gesteldheid en ligging der stad Itapira. Deze stad is aardig en voor den vreemdeling gemakkelijk gebouwd. Zes straten hebben hun richting parallel van het Oosten naar het Westen, terwijl eveneens zes straten parallel gebouwd zijn van het Zuiden naar het Noorden, zoodat het geheel dus een kruis vormt. In het midden van dit kruis-model staat eene kerk, blijkbaar vergeten en prijs gegeven aan den tand des tijds, die er al niet weinig aan geknaagd hoeft. Drie oude vervallen deuren verleenen toegang tot het bedehuis, die knarsend op hunne scharnieren met moeite kunnen worden geopend. Hier en daar brokken uit de muren en vele stukgebroken glasruiten ontwarende, krijgt men den indruk, dat het publiek weinig neiging heeft tot de kerk op te gaan. De Godsdienst-secte bestaat hier anders hoofdzakelijk in ’t katholieke, welke secte in Europa de eere toekomt getrouw aan de kerk te zijn, zooals algemeen bekend is. Rondom de stad staan hier en daar kleine houten huisjes als ’t ware gelijkende op schildwachten van een groot leger. Over ’t geheel levert de stad Itapira een schoon gezicht op; vooral voor ons, die in ’t vaderland zoozeer aan vlakte gewoon zijn, kan men met recht zeggen, dat het gezicht vanaf de bergen schilderachtig is.

Itapira in 1893
Itapira in 1893

Itapira geheel in bergen ingesloten, gelijkt, vanaf den hoogst bijstaanden berg gezien, veel op een uiteengezette kinder-speeldoos. Wanneer men zich nu op den hoogsten bergrug bevindt en zoo op die zoogenaamde speeldoos neerziet, denkt men onwillekeurig: daar loop ik in zoo’n kwartiertje naar toe. Dit is echter voor goed mis gerekend en men ondervindt dit bij proefneming. Niet meer als men zich van den hoogsten top des bergs begeeft, bevindt men zich in een bijna ondoordringbaar bosch, dat langs de helling welig tiert. Zes bergruggen staan rondom de stad, waarvan de hellingen alle bedekt zijn met sierlijk bosch. Neemt men nu van af den zesden of buitensten top des bergs de reis aan recht op de stad af, dan verloopen er twee en een half uur, voor men de stad bereikt heeft.
Voor vaardige jagers, vooral voor zulken, die den moed hebben, om groot en gevaarlijk wild te schieten, moet het hier wel zeer aantrekkelijk zijn, hun kans te wagen. Tusschen de bergruggen toch vindt men, sierlijk omzoomd met heerlijk bosch, waterplassen, waarin de krokodil huist, die schijnbaar rustig en onbeweeglijk, bijna aan een boomstam gelijk daar heen ligt, zich blakerende in de middagzon, zijne prooi afwacht. Ik heb ze gezien ter dikte van een volwassen man bij eene lengte van vijf à zes voet. – Slangen zijn in ’t geheel niet zeldzaam en hoewel in vele gevallen een zeer gevaarlijk gedierte is het toch, dat men niet veel overlast heeft van deze serpenten. Onder mijnen arbeid heb ik deze afgrijzelijke monsters dikwijls aangetroffen en ’s avonds hebben wij zo vaak gehoord in het bosch: ratelende en smakkende. Overdag onder het werk heb ik wel eens een gedood, die de dikte had van een mans arm. Zonderling mag het zeker genoemd worden, dat, wanneer bijvoorbeeld des morgens een slang onthoofd wordt, de dood niet intreedt voor de zon ten onder neigt. Ook de leeuw huilt hier, doch volgens zeggen niet zoo talrijk als in Afrika. Nu kan ik er wel niet zoozeer in persoon van getuigen, doch ons dochtertje, GEZINA, heeft, terwijl zij zich in ’t gebergte bevond, een ontmoeting gehad met zoo’n koning des wouds, waarbij ze echter ongedeerd bleef. Gij zult wellicht zeggen, dat het niet mogelijk is een leeuw te kunnen ontkomen en ik u dus een verhaaltje opdisch van onwaarde. Doch zoo gij weet, dat de leeuw – genaamd de koning des wouds – aan zijn kracht een groote mate van fierheid paart en als ’t ware op zijnen tijd edelmoedig weet te zijn, wel eenigzins overeenkomende met het karakter van rooverhoofdmannen, die, voor geen misdaden, hoe ook genaamd, terug deinzende, toch op hunnen tijd zeer galant weten te zijn en aanspraak maken op edelmoedigheid.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *