Fazenda Ribeirão in opspraak?

In het voorjaar van 1952 werd de crisis waarin Holambra sinds 1950 verkeerde breed uitgemeten in de Nederlandse pers. De spits werd op 15 februari afgebeten door het katholieke weekblad De Linie met een artikel met als titel “Fazenda Ribeirão in opspraak?” De ondertitels van het stuk maken echter duidelijk dat het blad de opspraak in twijfel trok. Het artikel beschreef de reorganisatie die Charles Hogenboom (‘Een man die op economisch en sociaal gebied zijn sporen verdiend had bij grote ondernemingen in Oost-Indië’) het voorgaande jaar op de fazenda had doorgevoerd en de gevolgen voor de boeren die een eigen bedrijf waren begonnen. Volgens een in het artikel geciteerde boer hadden de kolonisten ‘totaal, maar dan ook totaal moeten omschakelen, en (…) snel moeten aanpassen aan de Braziliaanse werkwijzen.’ Volgens De Linie school hierin ‘een der grootste psychologische en morele moeilijkheden voor de argeloos uit Nederland overgekomen landbouwer. Want economisch zijn de zorgen en problemen thans niet zo groot meer.’

De aanpassing was volgens het weekblad een kardinale kwestie. ‘In het begin zijn diverse gezinnen naar de fazenda getrokken zonder voldoende besef van wat hun daar wachtte, zelfs zonder de noodzakelijke voorlichting van geestelijke en wereldlijke autoriteiten. Dit heeft de moeiten en desillusies van de beginperiode niet weinig verzwaard, en “desertie” tengevolge gehad – zoals trouwens in dergelijke pionier-milieux niet te verbazen valt. Er arriveerden reeds grote gezinnen vóórdat naar verhouding van enige productiviteit sprake kon zijn. Dit werkte des te nadeliger nu men in een relatief schrikbarend duur land terecht kwam. Bovendien wist men van Braziliaanse levenswijze, omstandigheden en vooral taal weinig of niets – en, zoals een der briefschrijvers het uitdrukt, “taal is hier kapitaal, in verband met snelle aanpassing en omgang met inheems personeel.” Men kan zich voorstellen dat zulke tekorten op sommige beginnelingen deprimerend, om niet te zeggen vernietigend gewerkt hebben, en soms oorzaak waren van negatieve stemmingmakerij. Het is dan ook voor een niet gering deel aan het uitstekende gehalte der meeste Brazilië-emigranten te danken, dat zulke ernstige teleurstellingen overwonnen zijn.
Men is (…) door deze schade en schande wijzer geworden, en streeft thans naar volwaardige aanpassing aan de Braziliaanse levenswijs zonder de kostbare en aangename elementen van eigen vaderlandse aard te verloochenen. Op deze taak legt ook de technische en religieuze leiding thans meer het accent.

Men moge er dan ook van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten (terecht) stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

Deze positieve voorstelling van zaken werd echter niet algemeen gedeeld. Een week later publiceerde het eveneens katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw een artikel met een totaal andere strekking. Volgens dit blad had De Linie een ‘ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken’ gegeven, die niet strookte met de waarheid. Daarop het besloot De Nieuwe Eeuw het artikel van de hand van Dr. J.J. van den Besselaar, ooit de beoogd leider van een op te richten gymnasium op de Fazenda Ribeirão, te publiceren. In de volgende blog zal dit artikel van Van den Besselaar integraal worden gepubliceerd.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *