De (r)emigratie van de familie Niens

In 1958 emigreerde de familie Niens uit Dalfsen, bestaande uit vader van 47 jaar, moeder van 44 jaar en 5 jongens en 6 meisjes in de leeftijd van 3 t/m 19 jaar naar Holambra. Zeven jaar later keerde het gezin terug naar Nederland. Gerard Niens schreef het onderstaande verhaal over hun verblijf in Brazilië. Het verhaal verscheen eerder in het tijdschrift van de Historische Kring Dalfsen, Rondom Dalfsen, nr. 56.

Familie G.J. Niens in 1958

Je bent boer in hart en nieren en je ziet dat de jongens ook graag boer willen worden.  Dat doet je genoegen, maar het geeft ook zorgen, want op je bedrijf is er in de toekomst maar plaats voor één.

Ik zat in die tijd in het bestuur van de ABTB. Op een dag kregen we een brief van kapelaan Kievitsbosch, die juist terug was van vakantie in Brazilië. Hij was bij zijn broers geweest die boer waren. Hij wilde wel een lezing houden. Het bestuur besloot de kapelaan te laten komen met zijn dia’s. Ik ging er natuurlijk heen met mijn jongens.

Boerderij van de familie Niens in Oosterdalfsen

Volgens de kapelaan was Brazilië een katholiek land en bestond er een groot gebrek aan goede boeren; melk was er nauwelijks te krijgen. Iemand die werken wilde, had daar toekomst, de taal was geen probleem, want in de kolonie sprak je gewoon Nederlands en Portugees leer je vanzelf. Je kon er heel goedkoop komen, de staat betaalde, dus heel voordelig voor grote gezinnen. Als je tenminste twee jaar bleef, hoefde je niets terug te betalen. Het is er zo mooi en vrij, geen gedoe met vergunningen of belastingen.

Na thuiskomst hebben we nog lang nagepraat en zijn we verder gaan informeren bij de Katholieke Emigratie Stichting. Zij stuurde meneer Duijsens uit Roermond, hij kon verdere uitleg geven. Dat deed hij en hoe! Als we gingen, werden we lid van de coöperatie en konden we direct gaan boeren, een woning was beschikbaar, we bleven als gezin bij elkaar, er was een schooltje, geleid door de zusters van Het Heilig Hart uit Maarssen; verder waren er een dokter, een verpleegster en een winkel annex bar met Nederlands personeel.

Eind april 1958 begonnen onze plannen vaste vorm te krijgen. Begin mei raakten ze zelfs in een stroomversnelling, want op een zondagmiddag, terwijl we in de wei zaten te melken, brandde onze hele boerderij in Oosterdalfsen af. Het vee konden we redden op een paar varkens na. We hadden alleen nog wat kleding en huisraad; het kippenhok had de vuurzee overleefd.

Afgebrande boerderij van de familie Niens

Onze boerderij mocht niet herbouwd worden in verband met de ruilverkaveling. Met hulp van de buren hebben we toen van het kippenhok een noodwoning gemaakt en daar verbleven we met zijn twaalven. We hebben toen de knoop doorgehakt en besloten te gaan. We kregen het erg druk, problemen met de brandverzekering, de grond die verkocht moest worden, afrekenen met de belastingen. Het hele gezin moest gekeurd en gevaccineerd worden. Er moesten ook dingen aangeschaft worden voor Brasil zoals een tractor met ploeg en schijf, gereedschap, nieuw meubilair en kleding.

Op 20 juli zouden we vertrekken vanuit Antwerpen, de tijd van afscheid nemen was gekomen. Op de laatste avond kwamen veel mensen nog even langs, ook burgemeester Van Bruggen.

Om vier uur ’s morgens vertrokken we met de bus. In Antwerpen hadden we nauwelijks tijd om afscheid te nemen. Onze namen werden al afgeroepen toen we aan kwamen rijden. Ik kreeg een verzegelde envelop in mijn hand geduwd van meneer Duijsens met daarin de opbrengst van het laatst verkochte vee en het erfhuis. Er stond iets op in het Portugees wat ik niet lezen kon natuurlijk. Bij aankomst op de coöperatie moest ik die onmiddellijk afgeven aan de kassier van de Boerenleenbank.

Met de boot naar Brazilië, 26 juli 1958

De opbrengst van de verkoop viel niet tegen, er was echter wel een pittige aftrek voor gemaakte onkosten. Toen ik daar achter kwam, zaten we al op de boot.

De scheepsbel luidde, vaarwel mijn dierbaar vaderland. Voor ons gezin kwam nu het totaal onbekende.

We zaten op een Franse boot met een Franse bemanning, met wie we geen woord konden wisselen; het eten was ook Frans en daar moesten we erg aan wennen. Gelukkig waren er meer Nederlandse emigranten en ook een oudere Duitse pater, met wie we een beetje konden praten. Natuurlijk werden we zeeziek, behalve onze jongste dochter.

In Lissabon kwamen er veel passagiers bij, allemaal emigranten, arme mensen, dat kon je zomaar zien. Ze hadden een aparte afdeling aan boord. Je moest je spullen vanaf dat moment wel goed in de gaten houden. Er was niet veel te doen aan boord, het was mooi zonnig weer en de zee was rustig. We voerden gesprekken met een ieder die we verstaan konden.

Op 13 augustus kwamen we in Santos aan. Toen kregen we het weer druk. Ik moest de kapitein zien te vinden, want die had die envelop met geld in bewaring en dat met die taalmoeilijkheden.

Iedereen wilde tegelijk van boord, wat natuurlijk niet lukte. Ik moest mijn hele gezin langs de douane loodsen en dat viel niet mee.

Daar stonden we alle dertien op de kade met onze handbagage. Onze grote kisten met materialen en meubilair zouden pas over drie maanden arriveren. De hutkoffers bleven nog in het ruim en kwamen tien dagen later.

Er stond een bus voor ons klaar, waar we nauwelijks in konden met zijn allen. Na een dag rijden door een steeds leger gebied kwamen we in Holambra. Daar moest iedereen uitstappen. Het was inmiddels donker. We kwamen in een soort schuur, flauw verlicht door petroleumlampen en kaarsjes. lk ging op zoek naar de voorzitter van de coöperatie om mijn aankomst te melden en om te vragen waar ons huis was. “Meneer Hogenboom, de voorzitter, is er niet, die is bijna altijd weg,” kreeg ik als antwoord . Ook de envelop wilde ik graag weer in de kluis van de bank hebben. Dit werd me echter afgeraden, “je kunt hem maar beter bij je houden, want als hij er eenmaal in zit, krijg je hem er nooit meer uit, het is een foute boel hier.”

Dit klonk me niet bepaald geruststellend in de oren. Na veel gevraag vonden we een pater die ons in zijn jeep naar ons huis bracht. Onze eerste woning was niet veel beter dan het kippenhok dat we een maand daarvoor verlaten hadden.

Het eerste huisje in Holambra

De eerste nacht in Brasil sliepen we slecht. De volgende dag gingen we op verkenning. Het viel ons allemaal niet mee. De 40 ha. grond die we zouden krijgen was niet al te best en lag ongunstig ten opzichte van de rivier. In de regentijd zou het land anderhalve meter onder water verdwijnen. Toen kwamen we de landbouwvoorlichter tegen, die een complete boerderij voor ons had met paarden, een koe, zeugen, legkippen, sinaasappelbomen en maniok. We konden direct aan het werk. Het was een beetje vreemde toestand op die boerderij. De mensen die erop zaten gingen terug naar Nederland. Ze woonden er pas een maand. Hun koffers waren niet eens allemaal uitgepakt. Ik vertrouwde het niet helemaal, maar we hebben het bedrijf toch gekocht.

Onze kinderen gingen inmiddels naar school, Wim naar de landbouwschool 300 km verderop, de oudste dochters gingen uit werken. Met de jongens ging ik er tegenaan. We hadden onze tractor en machines, paarden, van die magere die nauwelijks bijgevoerd werden en mankracht. We gingen 26 ha. ontginnen.

Het was hard werken, de veestapel breidde zich langzaam uit. We verbouwden mais, pinda’s, suikerriet, soja en maniok. We hadden 12 paarden, die we ook wel nodig hadden. Gerard ging om zes uur weg met één paard, hij was misdienaar, Johan nam er één mee voor zijn werk, vervolgens namen twee of drie meisjes ieder een paard om naar het werk te gaan. We hadden nog het schoolpaardje met de kar en dan had ik zelf ook nog een paard nodig voor de boodschappen.

Met de paardenkar naar school en naar de kerk

De grond waarop we boerden bestond voor een groot deel uit klei, die bij droogte keihard werd en bij regen spiegelglad, lastig te bewerken dus. We hadden ook te maken met wegspoelen. Regenbuien op een hellend stuk zorgden daarvoor. Je oogst kon daardoor mislukken. We hebben ook sinaasappelbomen ingeplant, die in het begin meerdere malen in de week een emmertje water nodig hadden. We hadden een hectare geplant en waren met zijn drieën driemaal een halve dag bezig om ze water te geven, soms wel drie maanden lang.

De coöperatie waarvan wij deel uitmaakten liep niet goed. Er vertrokken steeds meer mensen. Er waren boeren die ermee stopten en in loondienst gingen werken. ’s Nachts verdwenen er soms hele gezinnen met achterlating van al hun spullen en schulden.

De hoofdweg van Holambra

Er was veel stille armoede. Een sociaal vangnet kende men niet in Brasil. Soms vielen de oogsten tegen, ook was de markt snel overvoerd en een beetje onvoorspelbaar. Het bestuur van de coöperatie was allesbehalve coöperatief, enigszins eigenzinnig en niet bereid naar de deelnemers te luisteren. Men had het ons in Nederland te mooi voorgesteld, achteraf wel te begrijpen natuurlijk; men had mensen en geld nodig om te kunnen overleven.

Binnen ons gezin kwamen veranderingen. Johan ging trouwen en nam het bedrijf van zijn schoonvader over. Riet die, toen we uit Dalfsen vertrokken een tante al had toevertrouwd dat de emigratie voor haar niet hoefde, wilde echt terug naar Nederland. Er waren al vier buurmeisjes vertrokken naar hun geboorteland en die schreven enthousiaste verhalen hoe leuk Nederland wel geworden was.

Toen Riet vertrok, zeiden de andere meisjes bij het afscheid: “Ga maar gauw een plaatsje klaarmaken voor ons, want wij komen wel vroeg of laat”. Ik begreep dus wel, dat we er met één afscheid niet waren.

Holland kwam toch weer in beeld. We hebben lang na moeten denken en advies gevraagd, ook in Nederland. Drie zoons wilden blijven en het boerenleven voortzetten. Wij moesten zien, dat we de financiën rond kregen. Afrekenen met de coöperatie bleek niet mee te vallen. Ook de terugtocht met negen personen kostte niet weinig.

We gingen terug met dezelfde boot waarmee we gekomen waren. We ontmoetten veel mensen die net als wij voorgoed teruggingen. Brazilië had niet gebracht wat ze ervan verwacht hadden.

In het donker kwamen we in Dalfsen aan.

Terug in Nederland, 1965

Na enige tijd kon ik het huis van Hollak kopen en vond ik werk bij de ABTB in Zwolle. Ik kreeg een veilig gevoel, mijn gezin was verzekerd, iedereen had werk of ging weer naar school. We moesten natuurlijk wel wennen, vooral aan het razende en onbeleefde verkeer. Er was veel veranderd in Nederland in zeven jaar.

Ik kan zeggen, dat we wel een lange en dure vakantie hebben gehad, maar in goede gezondheid en goede verstandhouding onder elkaar, hebben we deze emigratieperiode kunnen afsluiten.

Gepubliceerd onder Creative Commons Licentie. Met dank aan Historische Kring Dalfsen.

 

 

Bewaren


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *