Vier opa’s naar Brazilië (2)

In de vorige bijdragen kwamen vier Noord-Limburgse opa’s aan het woord voorafgaand aan hun bootreis naar Brazilië om daar hun kinderen en kleinkinderen te bezoeken. Het katholieke dagblad De Tijd publiceerde 16 januari 1953 een impressie van hun reis en hun aankomst in Brazilië.

Op 27 november zijn ze aan boord van de “Alioth” gegaan, een vrachtboot met accommodatie voor dertig passagiers. Met goede moed werd de reis ingezet, doch in de Golf van Biscaje was de zee echter zó ruw, dat toch enige benauwde ogenblikken werden doorgemaakt. Slechts één van de vier heeft last gehad van zeeziekte, terwijl de overige passagiers allen ziek in hun kooi lagen.

1Alioth201950a

De tijd brengen ze grotendeels door met kaarten onder het genot van een goede sigaar en borrel. De eerste zondag aan boord was voor de vrome opa’s wel een vreemde gewaarwording, daar er geen gelegenheid was Mis te horen in plaats van twee keer, zoals ze gewend waren. Ze lieten daarom de kralen van de rozenkrans maar een keer vaker door hun vingers glijden.

In Las Palmas hadden ze een dag oponthoud voor het verladen van goederen en de volgende dag werd koers gezet naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië, waar ze 13 december aankwamen en begroet werden door twee Limburgse missionarissen, pater Thielen en pater Goumans. Na Rio bezichtigd te hebben, werd de volgende dag de reis voortgezet naar Santos, waar ze opgewacht werden door pater Van der Sterren en enkele medebewoners van de fazenda, het eigenlijke doel van de reis.

Vier opa’s naar Brazilië (1)

Waren tijdelijke bezoeken van emigranten aan Nederland in de beginjaren al zeldzaam, hetzelfde geldt voor het bezoeken van geëmigreerde familieleden overzee. Een bijzonder bezoek was wel dat van vier Noord-Limburgse opa’s die in november 1952 op scheep gingen naar Brazilië om niet alleen hun kinderen en kleinkinderen in Holambra te bezoeken, maar ook twee in Brazilië verblijvende priesterzonen. De opa’s bezochten Holambra in een bewogen tijd waarin het al of niet tekenen van Portugeestalige contracten leidde tot een scheiding der geesten. Ook hun kinderen zaten niet op één lijn. In het Limburgs Dagblad van 21 november 1952 vertelden de opa’s hoe zij tot het voornemen om hun kinderen te gaan bezoeken zijn gekomen.

Sterren GJvd
Jos van der Sterren

Venlo, 20 november, 1952.
De dagen beginnen nu af te tellen voor Matthijs Goumans, Jos v.d. Sterren, Graad Michels en Hans Hoeymakers. Nog enige dagen en het motorschip “Alioth” zal de haven van Rotterdam uitvaren voor de grote oversteek naar Brazilië, aan boord waarvan deze vier heren wel tot de merkwaardigste passagiers zullen behoren. Want het zijn allen grootvaders, die eens gaan kijken hoe hun kinderen en kleinkinderen het daar in dat verre land wel maken. Ze hebben het goed bekeken, want tegen de tijd, dat ze terugkomen, – vermoedelijk maart – is de winter hier in Nederland al weer voor een goed deel achter de rug. Als trekvogels zoeken ze de warme landen op, om tegen het voorjaar weer terug te keren.

Het plan werd geboren in het brein van Jos v.d. Sterren, 72 jaar en zaakvoerder te Wanssum. Zijn zoon pater Theodulfus SSCC is professor aan het seminarie Tres Poços de Pinheiral in Brazilië. Daarenboven is er een

Matthijs Goumans
Matthijs Goumans

van z’n dochters getrouwd met Bovee uit Meerlo, die op de Fazenda Ribeirão woont. Het echtpaar heeft 9 kinderen, waarvan er twee in Brazilië geboren zijn, die opa v.d. Sterren nog nooit gezien heeft. Twee woorden over Brazilië met Matthijs Goumans, 71 jaar, landbouwer te Venray, waren voldoende om deze ondernemende Peelhaas deelgenoot in het plan te maken. Goumans heeft een priesterzoon, pater Coenradus O.F.M., die leraar is in São João del Rei. Hij heeft twee dochters op de Fazenda Ribeirão getrouwd en mag zich verheugen op de begroeting van drie opa-zeggertjes. Aangezien een dochter van Goumans gehuwd was met de zoon van Graad Michels, 63 jaar, landbouwer te Venray-Volen, rolde het “plan v.d. Sterren” als een sneeuwbal verder. Ook Michels verklaarde zich van de partij en toen was het vanzelfsprekend dat ook Hans Hoeymakers, 70 jaar, landbouwer Steeg-Sevenum, zich bij de onderneming aansloot, want de twee spruiten van een andere op Ribeirão woonachtige zoon van Michels moeten tegen Hoeymakers “opa” zeggen. En daarmee was het gezamenlijk 276 jaar tellende kwartet volledig.

Graad Michels
Graad Michels

Met veel moeite hebben we deze vier kranige reizigers bij elkaar kunnen krijgen voor een kiekje in de krant. Ze vonden het zo bijzonder niet, wat ze gingen doen. Maar het vooruitzicht eens een middag gezellig met elkaar te kunnen “klasjeneren” – ’t was de eerste maal, dat ze alle vier tegelijk bijeen waren – zijn ze tenslotte toch gezwicht. Bij van der Sterren thuis vond de samenkomst plaats en de stemming was al dadelijk opperbest, dat het geen twijfel liet, of de vier zullen het onderweg best met elkaar kunnen vinden.
Van der Sterren vertelde monkelend hoe hij het vuurtje had aangestookt, hoe hij Hoeymakers had gestrikt. “Kaarte geej ok geer?” had Hans gevraagd, zodra hij van de reis hoorde. – De kart neme we mee!, had van der Sterren geantwoord. “Ik zei: kruutsjasse,”glimlachte van der Sterren. “Dat doon weej ok!” had Hoeymakers geestdriftig uitgeroepen en toen was de zaak meteen beklonken. Nou en toen heeft van der Sterren de ene brief na de andere aan meneer Duysens van de emigratiedienst van de LLTB gestuurd en hoewel ze eigenlijk geen emigranten waren, had ie er zoveel schik in, dat hij alles voor de reis tot in de puntjes heeft geregeld.

Kandidaat-President
Van der Sterren heeft al twee grote koffers aangeschaft, tussen welke hij bijna verdwijnt. Het lijkt wel of Sinterklaas naar Brazilië gaat, zoveel hebben de grootvaders te verslepen: speelgoedbeertjes en eierleggende kippen voor de kleintjes, rozenkransen voor de communicantjes, missaals en bijbelse geschiedenisboeken voor de groten en nog veel meer. Op speciaal verzoek: boekjes met Marialiederen en Nederlandse schoolliedjes.
Van der Sterren heeft daar zojuist over Hoeymakers lelijk uit de school zitten klappen, maar nu is het de beurt aan de Sevenummer. “Van der Sterren blijft misschien wel in Brazilië achter. Ze hebben in die Zuid-Amerikaanse landen nogal eens ’n nieuwe president nodig. Hij als zaakvoerder weet van wanten en met dat snorretje en dat sikje heeft ie ook z’n voorkomen mee”. Dat zegt Hoeymakers en de “president” geeft hem een joviale por in de ribben.

Hans Hoeymakers
Hans Hoeymakers

Goumans en Michels praten verder over de reis. Michels is benieuwd naar het eten aan boord, maar Goumans maakt er zich geen zorgen over. “Enne goeie mök sluupt alles!” zegt hij op z’n Venrays, waarin met “mökke” jeugdige runderen worden aangeduid. Hij is de bereisde Roel van het gezelschap, want hij is al eens in Lourdes geweest en heeft verschillende malen een inspectietocht gehouden langs de boerderijen van Nederlandse emigranten in Frankrijk.
Ginds in Brazilië is de komst van de grootvaders ’t gesprek van de dag. Maar de Brazilianen behoeven zich geen zorg te maken. Troef-boer en faatse-nel zullen in de gemeenschappelijke hut aan boord van de Alioth zozeer de gemoederen beroeren, dat ze nog geen tijd hebben gehad aan zeeziekte te denken, als ze reeds te Santos aan wal stappen, om daar met de ter begroeting aanwezig zijnde priesterzonen in een speciaal autobusje te stappen en regelrecht naar Ribeirao te snorren, 180 km, het binnenland in…

In Brazilië ligt een Hollands boerendorp

In harde pioniersstrijd met voortvarendheid uit de grond gestampt.

In de beginjaren van Holambra was het op en neer reizen naar Nederland slechts weggelegd voor de leidinggevenden van de jonge kolonie. Voor de meeste emigranten zou het nog twee decennia duren voordat deze tijdelijke terugkeer financieel mogelijk werd. Er waren slechts enkele uitzonderingen. Een daarvan was Jan van den Broek, die in september 1952 naar Nederland vloog om er drie stieren te kopen, waarvan één voor een de Braziliaanse dierenarts dr. Leme uit Pinhal. De vliegreis kostte maar liefst bijna 6000 gulden, anno nu nog steeds een groot bedrag. Tijdens zijn verblijf in Nederland werd Van den Broek geïnterviewd door de Noordbrabantse krant “Het Huisgezin”.

JC van den BroekHet is alweer een jaar of vier geleden, dat in Brazilië een Nederlandse emigrantenkolonie tot stand kwam. Deze kolonie was naar haar vorm een coöperatie en werd gesticht op de 5000 ha. grote Fazenda Ribeirão. Op die plaats, waar toen nog slechts een paar onbetekenende gebouwtjes stonden, liggen nu meer dan tachtig boerderijen. Op een van die boerderijen boert Jan van den Broek uit Den Dungen. Van den Broek is op het ogenblik voor een paar maanden in Nederland terug en Het Huisgezin uit Den Bosch had dezer dagen een lang gesprek met hem over zijn ervaringen in Brazilië en over het leven op de Fazenda.

Emigranten bakten stenen om huizen te bouwen
Jan van den Broek emigreerde met zijn jong gezin eind 1949 naar Brazilië. Toen hij op de Fazenda aankwam, waren er reeds ongeveer 30 gezinnen gevestigd. Deze pioniers hadden geen gemakkelijk leven achter de rug. Want Brazilië mag een mild klimaat hebben, het is een hard land. En Jan van den Broek verheelt ons niet, dat ook de groep emigranten, waartoe hij behoorde, een zware tijd heeft doorgemaakt. Maar vandaag aan de dag zijn de grootste moeilijkheden achter de rug, de hardste tijd is voorbij en de 700 kolonisten, die op de Fazenda zitten, zien niet alleen met vertrouwen, maar zelfs met optimisme de toekomst tegemoet.
Het harde pioniersleven wordt het beste geïllustreerd door de geschiedenis van de Fazenda. Toen de emigrantenkolonie “startte” stond er een primitief steenfabriekje. Het was zoiets als een royale Limburgse veldoven. De emigranten hebben dit fabriekje uitgebreid en zijn er de stenen gaan bakken waarvan ze later hun huizen hebben opgebouwd. Er werd een houtzagerij opgericht en het in de bossen gerooid hout werd op die manier voor bouwdoeleinden geschikt gemaakt.

Op de Fazenda wordt ook Nederlands brood gebakken
Huizen bouwen alleen was niet voldoende. Er moest ook ontgonnen worden en er moest landbouw worden bedreven. Dit vroeg machines, tractoren en deze eisten op hun beurt onderhoud en reparatie. Dus werden een smederij en een garage gesticht. Aanvankelijk in handen van de coöperatie, gingen beide in 1951 in particuliere handen over.
De smederij – die thans door Stapelbroek uit Diessen gedreven wordt – voorziet volledig in alle behoeften, die er op dit gebied op de fazenda voorkomen. De garage zorgt voor reparatie van tractoren en mag zich zelfs in de klandizie van de Brazilianen verheugen.
Voorts wordt door de garage een busdienst ingesteld naar de op 40 km afstand liggende stad Campinas en als het nodig is rijdt de bus door naar Sao Paulo. Een coöperatieve winkel, bakkerij en slagerij, die in particuliere handen is, verzorgen de levensmiddelenvoorziening. En het brood dat op de fazenda gebakken wordt is Hollands naar smaak en uiterlijk.

Boter van Hollanders een gewild product
Naast de voedselvoorziening voor de emigranten, vergt de fourage van de veestapel enige aandacht. Want vandaag lopen er op de fazenda een 5000 kippen, ongeveer 3500 varkens en een kleine 600 stuks rundvee. Men heeft er een eigen mengvoederfabriek gesticht. Aanvankelijk had de heer Van den Broek daarvan de leiding. ’t Mengen moet nog altijd met de hand gebeuren maar er zijn thans mengmachines op komst. Overigens heeft dit mengen met de hand kennelijk weinig afbreuk gedaan aan de kwaliteit, want men kreeg onlangs op de fazenda een aanvrage om mengvoeders te leveren aan een van de grote Braziliaanse kippenbedrijven in de buurt.
De producten van de fazenda vinden gretig aftrek. Er is een zuivelfabriek waar de melk tot boter verwerkt wordt. Deze boter heeft een klinkende naam in de hele staat Sao Paulo en onder de elite der Brazilianen is de boter der “Holandeses” een gewild product. Hetzelfde geldt voor de eieren, die al evenzeer vermaard zijn om hun versheid en kwaliteit. Via een eigen eierveiling vinden iedere maand een kleine twintig duizend dozijn eieren hun weg naar de stad Campinas. De veiling bezit een stempel en sorteermachine, de enige in heel Brazilië.

“Kinderen van ons volk” in Brazilië
Maar het is niet alleen de economisch bedrijvigheid van de Fazenda die in Brazilië een goede reputatie geniet. Ook in godsdienstig opzicht is dit het geval. De emigranten hebben een kerkje gebouwd en pastoor Dr. Sijen – een Norbertijn van Postel – heeft tesamen met een der zusters, het kerkje van wandschilderingen voorzien. Over de zusters gesproken: er zijn op de Fazenda 8 zusters kannunikessen van het H. Graf. Vier daarvan hebben de bevoegdheid lager onderwijs te geven aan de Hollandse jeugd. Voorts geven zij huishoudonderwijs aan de grotere meisjes en zij zijn actief werkzaam in de vrouwelijke jeugdbeweging.
Kinderen van ons volk omslagEr valt over deze Nederlandse kolonie nog veel meer te vertellen. De jonge boeren hebben er ook hun rijvereniging en er is een toneelclub, die jaarlijks een keer of vier op de planken komt (o.a. speelde zij Ant. Coolen’s “Kinderen van ons volk”); er wordt lager landbouwonderwijs gegeven en er is een wijkverpleegster en een kraamverzorgster.
Kortom: op Braziliaanse grond ligt een Nederlands boerendorp, dat in vier jaar tijds, met voortvarendheid, durf en energie uit de grond werd gestampt, dat de bewondering opwekt van de Brazilianen, die het bezoeken en dat reeds aan 86 Nederlandse boeren kans gaf zich volledig te ontplooien. En om dit laatste is het tenslotte begonnen.
Ondertussen wordt er op de fazenda verder gewerkt. Tweeduizend hectare zijn uitgegeven; voor ontginning van de volgende tweeduizend worden de plannen uitgewerkt en het is te verwachten, dat volgend jaar opnieuw een paar groepen emigranten kunnen geplaatst worden.

F. 2.500.000 ging verloren in Brazilië

Nederlandse Staat springt in voor gedupeerden van kolonisatie-experiment. Onbekwame leiding

Terwijl de katholieke dag- en weekbladen – De Nieuwe Eeuw uitgezonderd – in de regel positief-kritisch stond ten opzichte de ontwikkelingen op de Fazenda Ribeirão hoefden andere kranten niet terughoudend te zijn om de problemen bij de naam te noemen. Op 3 mei 1952 verscheen op basis van brieven van gedupeerden een artikel in DE TELEGRAAF. Deze krant was niet alleen kritisch op het bewind-Heijmeijer, maar bekritiseerde evenzeer het nieuwe bewind van Hogenboom, die zich bediende van intimidatie en wiens dwangmaatregelen het psychologisch inzicht misten.De vertrekkers zagen evenwel elders in Brazilië voor zichzelf goede kansen.

“Não Me Toque (Brasil), 23 sept. – Beste vrienden. Wij zijn dat concentratiekamp van Sao Paulo ontvlucht en overgeplaatst naar hier. Hier is men tenminste zo vrij als een vogel in de lucht. Wij hebben echter een tractor op de fazenda moeten achterlaten…”

“Als wij nog maar zoveel geld hadden, dat wij in Paraná goed konden beginnen, dan waren wij gered. Maar thuis is alles gedeeld en ons eigen geld hebben wij gestort, terwijl wij nu nooit meer iets er van zullen zien, of het valt mee. Ik voor mij hoop dat wij hier niet lang meer hoeven te blijven, want het mes geraakt hier hoe langer hoe dieper in de keel.”

“Wij zitten me voldoende materiaal maar zonder geld en krijgen hier ook geen eigendom voor de schuld is afgelost. En dat loopt over een termijn van zestien jaar. Daar komt nog bij als ze het niet kunnen halen, mogen ze het materiaal van de boeren nog aanslaan.”

“Men kan aan de coöperatie alles leveren, maar geld ziet men nooit en het spreekwoord zegt toch: men moet een zekere welvaart genieten om gelukkig te zijn.”

“Er zijn hier 2 irs, 1 commissaris, daarbij nog veel kantoorpersoneel en er worden nog zes meisjes opgeleid voor kantoor en dat op zo’n handjevol mensen. Wij liggen hier aan handen en voeten gebonden te midden van de vrijheid. Alle in- en verkoop moet door de coöperatie geschieden. Men hoeft hier geen hoofd te hebben om te boeren, nog enkel om er een pet op te zetten. Als wij ons geld niet hadden gestort konen wij het rustig afkijken en stond het ons niet aan, dan ons geld en materiaal over laten komen en elders beginnen. Heijmeijer zegt wel: de enkeling mislukt hier, maar ik zeg op mijn beurt met ’n ir. in de rug, even vrolijk. Als men zijn ogen de kost geeft, mislukken die mensen die totaal geen verstand hebben van boeren en toch boeren. Ik zeg tegen mijn man, nog liever elders heel mijn leven rijst en bonen dan hier blijven in dit wespennest en ook niets dan rijst en bonen eten. Wil men het hoofd boven water houden, er liggen kansen genoeg voor een boer.”

De Telegraaf plaatste met als ondertitel 'Geslaagde  immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy' deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.
De Telegraaf plaatste met als ondertitel ‘Geslaagde immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy’ deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.

Trieste geschiedenis
Dit zijn enkele brokstukken uit “brieven naar huis” van katholieke Brabantse boeren en boerinnen die indertijd – het is nog maar een paar jaar geleden – vertrokken naar de Fazenda Ribeirao in een gemeente in de Braziliaanse staat São Paulo, om daar in kolonieverband onder leiding van ir. J.G. Heijmeijer aan de slag te gaan. De kolonie ging werken op coöperatieve basis, de gezamenlijke onderneming, want dàt was de bedoeling, heette voluit de Cooperativa Agro Pecuaria Holambra.
En men kent haar trieste geschiedenis. De idealist Heijmeijer, die startte zoals nog zelden een stichter ener kolonie in het buitenland zal hebben kunnen starten, d.w.z. met steun van practisch alle zijden, van de deelnemers zelf (geld en idealisme), van de Staat der Nederlanden (deviezenfaciliteiten voor de uitvoer van vee en zaden of pootgoed, geld en bedrijfsbenodigdheden), van hun organisatie (R.K. Boeren- en Tuindersbond), van de geestelijkheid en last but not least van officiële Braziliaanse zijde (renteloze leningen van de fed. Regering en van de staat Sao Paulo en algehele gastvrijheid), kon het niet bolwerken. Goede bedoelingen, zelfs de allerbeste, zijn nu eenmaal niet voldoende in zulke gevallen.

Dwaas bewind
Daar kwam nog bij, dat de leiding overtuigd scheen te zijn van haar eigen voortreffelijkheid, dat zij goede raad van insiders uit het land zelf van de hand wees, als mede de verstandige adviezen van tot inkeer geraakte kolonisten, onder wie goed onderlegde boeren, en dat zij een dwaas dictatoriaal bewind bleef voeren, hetwelk des te vreemder was, omdat de coöperatie bewust was gebaseerd op een soort communistisch ideaal.
Men heeft in de krant ook kunnen lezen wat er nadien gebeurde. Toen de duiten waren opgesoupeerd, het vee goeddeels aan ziekte bezweken, de zaaizaden verteerd etc. etc., werd een beroep gedaan op de Ned. Staat en kwam bij het namens deze ingestelde onderzoek in loco aan de dag, welke grove fouten er waren gemaakt. Staatsgarantie voor een nieuwe lening van niet minder dan twee en een half millioen gulden werd verleend – het desbetreffend wetsontwerp werd na enkele vragen van Kamerleden, die er een gevaarlijk precedent inzagen en zuurzoete vermaningen voor de toekomst uitten, zonder meer aangenomen, en verder hebben de Nederlandse staatsburgers er niet veel van vernomen.

Individuelen slaagden
Het waren merendeels prima emigranten, die de banier van de heer Heijmeijer hadden gevolgd en die toen zij eenmaal vrij hun wieken konden uitslaan, zich elders wisten te redden, en de goede naam van ons land en volk, welke zeer geleden had door het armzalige experiment van de Cooperativa Holambra, weer ’n beetje herstelden.
Ook had onze regering een commissaris benoemd en naar de fazenda gezonden, om te redden wat er te redden viel en te voorkomen dat er nieuwe brokken zouden worden gemaakt. Welnu, deze deed zijn best om de doodzieke patiënt nog in het leven te houden, maar hij deed het verkeerd. Zijn dwangmaatregelen, waarmee hij de zaak trachtte te redden, misten het psychologische inzicht, hij intimideerde de boeren, en zij, hoewel te weinig organisatieminded om collectief verzet te plegen, zij zochten een goed heenkomen, zij trachtten het althans. Intussen er op bedacht blijvende hun geld terug en hun schade vergoed te krijgen.

Proces van de boeren
De slachtoffers zijn namelijk een proces tegen de leiding begonnen, en hebben daartoe juridische bijstand gekregen van Braziliaanse zijde. Intussen is reeds de Ned. Schatkist aanmerkelijk lichter geworden door dit lichtvaardig opgezet en uitgevoerd idealistisch-communistisch kolonisatieplan, terwijl individuele pogingen om als boer ergens in het rijke Brazilië te slagen gelukten. De vruchtbare bodem wacht op verstandige exploitatie.
“De eerste twee jaren zullen zwaar zijn en hard,” schreef een der gedupeerden van de Cooperativa, die elders opnieuw een voor zichzelf kon beginnen, “maar hier liggen kansen van slagen en voor iemand met voldoende kapitaal zeer goede. Wij zijn bezig met de Braziliaanse regering een contract af te sluiten. Als dit lukt en die kans is groot, zitten hier grote perspectieven in.”
En een brief als deze, is niet de enige. Wij komen op de deplorabele zaak terug.

Erfgoedsubsidie voor boek over Holambra

PaupiekDe erfgoedorganisatie DutchCulture heeft een subsidie uit het fonds voor Gedeeld Cultureel Erfgoed toegekend aan het Centre for Global Heritage and Development voor de uitgave van mijn boek over Holambra in zowel Nederland als Brazilië.

 

Windmolen 'Povos Unidos', Holambra I

Daarmee is wat betreft de uitgave in Nederland de laatste financiële hobbel genomen en is er geld beschikbaar om een deel van het boek in het Portugees te vertalen ten behoeve van een populaire Braziliaanse editie. Het Nederlandse boek zal in het voorjaar van 2016 verschijnen bij Uitgeverij Valkhof Pers.

“Fazenda Ribeirao” werd in drie jaar een model-nederzetting

Braziliaanse regering waardeert en steunt

Behalve de katholieke weekbladen De Nieuwe Eeuw en De Linie publiceerden ook andere Nederlandse kranten over de moeilijkheden op de Fazenda Ribeirão. Ook die kranten zijn onder te verdelen in pro en contra de nieuwe leiding. Het toen nog katholieke dagblad De Volkskrant publiceerde op 22 maart 1952 een redelijk genuanceerd stuk waarin een poging werd gedaan de de moeilijkheden te verklaren. De krant ging daarbij ook niet voorbij aan het feit dat aan het zelfstandig boeren op de Fazenda scherpe voorwaarden werden gesteld, die voor verschillende boeren niet acceptabel waren.

o-cruzeiro-1952Het grootste Braziliaanse weekblad O Cruzeiro, met een oplage van 350.000 exemplaren, publiceerde enige tijd geleden een fotoreportage van de Nederlandse kolonie van katholieke boeren in de staat Sao Paulo: de “Fazenda Ribeirao”. Op een van de foto’s stond boer Fons Sleutjes uit Den Dungen. Zijn rechterarm lag om de hals van een rood-bont kalfje. Het onderschrift bij de foto zei: ‘Dit is een Nederlandse boer in Brazilië, zonder tulpen en zonder molens. Deze boer werkt op een model-kolonie aan de versterking van de inheemse agricultuur van Brazilië’. Op een andere bladzijde werden vier jonge boerinnen, vrolijke frisse meisjes van de Nederlandse boerengemeenschap, afgebeeld. ‘Jonge Nederlandse meisjes van de Fazenda Ribeirao’, stond erbij. ‘Zij gebruiken geen lippenstift en hebben geen gelakte nagels, maar zij werken aan hun toekomst. Meisjes van Brazilië, gaat daar eens kijken.’

Fouten van begin nu overwonnen.
Het is niet alleen de Braziliaanse pers, die belangstelling heeft voor deze grootscheeps opgezette kolonie in groepsverband. Ook de Braziliaanse regering heeft hoge waardering voor de prestaties van de boeren uit het Brabantse en Limburgse land. Op velerlei wijze steunt daarom de overheid het werk van de Fazendabewoners. Drie jaar geleden streken de eerste pioniers neer op deze 5000 hectaren grote lap vruchtbare grond. Terwijl de ene groep huizen en stallen bouwde, begon de andere aan de ontginning en het cultuurklaar maken van de grond. Nu, na deze drie jaren, zijn 2000 hectaren grond beteeld met mais en cassave, arrowroot, “sweet patatoes”, sinaasappelen, koffie, rijst, aardappels, ananas en citrus. In het weiland grazen 600 koeien, er zijn veertigduizend kippen en 1500 varkens.

In de hotels en lunchrooms van de steden Sao Paulo en Campinas serveert men de kaas, boter, chocomel en yoghurt van de Fazenda Ribeirao en de groothandel betaalt voor deze zuivelproducten meer cruzeiro’s dan de gemiddelde marktprijs noteert. Nu liggen weer 2000 maagdelijke hectaren prima bouwgrond voor de ploegmessen der tractoren. Een groot aantal bedrijven kan hier straks weer neergezet worden, want het standaardtype-bedrijf op de nederzetting heeft een oppervlakte van 20 hectaren.
Volgens de plannen van de commissaris van de Nederlandse kolonie, de heer Hogenboom, zullen de nieuwe emigranten pas in het voorjaar van 1953 kunnen oversteken naar Brazilië. Op het einde van dit jaar zal onder de gegadigden een uiterst scherpe selectie worden toegepast. Door schade en schande wijs geworden heeft men in het verleden de ervaring opgedaan, dat de selectie niet secuur genoeg kan zijn.

In opspraak
Uit dit dichtbije verleden is een en ander overgewaaid naar Nederland waardoor de Fazenda nogal in opspraak is gekomen. Sinds de oprichting hadden namelijk 22 gezinnen en vrijgezellen, samen een 150 personen, de kleine gemeenschap in de nabijheid van de stad Campinas verlaten. Buiten een flinke groep niet-agrariërs waren het meest de kapitaalkrachtigste boeren die hun koffers pakten. De weg naar rijkdom duurde hen blijkbaar te lang en ze zochten ander werk buiten de Fazenda.
Lag het zware pionierswerk hun niet of waren zij te materialistisch ingesteld? Het coöperatieve idee, de grondslag van deze emigranten-nederzetting, kwam niet overeen met hun individualistische instelling. Anderen werden ontevreden en pessimistisch onder de tegenslagen, die de jonge onderneming kreeg te incasseren. Ziekten teisterden de veestapel en een misoogst betekende voor de kolonisten een ramp. De inkomsten daalden en de uitgaven in dit relatief schrikbarend dure land lagen hoger dan de raming. Men teerde op de middelen in. Krachtvoer kon niet meer worden aangekocht, investeringen bleven achterwege en de productie kon niet op toeren komen. Van de Braziliaanse samenleving wist men niet veel en van de taal weinig.
En in die eerste uiterst moeilijke aanloop zijn er ook fouten gemaakt. Fouten van economische en technische aard, maar ook fouten van psychologische aard. Met reden had men het vertrouwen in de oude leiding verloren. Onder die leiding in de eerste periode zou het immers op een failliet zijn uitgelopen. De nieuwe commissaris, de heer Hogenboom, is een organisator van de bovenste plank en ook landbouwtechnisch weet hij van wanten. Op organisatorisch en administratief gebied voerde hij een grondige hervorming door.

Inkuilen van groenvoer

Van enorme betekenis voor de bewoners, zowel psychologisch als economisch, was zijn eerste maatregel om zoveel mogelijk gezinnen een eigen bedrijf in beheer te geven. Een Nederlandse boer voelt er bijster weinig voor in collectief verband te werken. Pas als hij een eigen bedrijf onder de voeten heeft krijgt hij het ware hart voor de zaak. Bovendien is het bij collectief werk zeer moeilijk te beoordelen wat iedere emigrant afzonderlijk presteert. Deze maatregel werd met elk der boeren afzonderlijk door de commissaris bekrachtigd in een contract. Komen de boeren hun verplichtingen wat rente en aflossing betreft na, dan zijn ze binnen elf jaar eigenaar van hun grond, vee en inventaris, die ze nu op crediet hebben.
Dit nieuwe contract – een noodzakelijke economische ontwikkeling van de toestand waarin men verzeild was geraakt – zette de boeren het mes op de keel. De tegenstanders sloegen aan het kankeren en ageerden tegen de nieuwe, krachtige leiding, die, gesteund door een millioenencrediet van de Overheid, sanerend ingreep. Velen, boeren en niet-boeren, konden zich met deze maatregel niet verenigen en trokken weg. De blijvers en degenen die niet wisten waarheen, tekenden het contract en gingen met nieuwe moed aan de slag. De coöperatieve arbeidsgemeenschap behoorde hiermee tot het verleden. De “Cooperativa” is nu een coöperatieve aan- en verkooporganisatie, een credietinstelling en bestuurslichaam, dat de nodige maatregelen voor de gemeenschap “Ribeirao” uitvaardigt.

Model-nederzetting
Enkele weken geleden verklaarde de commissaris van de Fazenda Ribeirao, de heer Hogenboom, op een vergadering van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond in Den Haag, dat de zaken in Brazilië nu goed op poten staan. Op eigen kracht en met eigen middelen “boerden” de pioniers hier in drie jaren tijd – zoals de Brazilianen en andere deskundigen beweren – een model-nederzetting uit de grond. Als men van een Noordoostpolder en een Wieringermeerpolder weet, dat er de eerste jaren niet veel uitkomt, mag men dan van een piepjonge emigrantenkolonie in een vreemd land eisen, dat alles geolied naar een letterlijke en figuurlijke gouden toekomst loopt? Het zullen niet de laatste moeilijkheden, desillusies, zorgen en teleurstellingen zijn, die de ploeterende emigranten in het “Nederlandse Dorp” onder de Braziliaanse zon op hun moeizame tocht ontmoeten. Met het thuisfront steunend in de rug en op een nieuwe, gezonde en stevige basis, zal de Fazenda Ribeirao de ploeg veilig en met succes aan het einde van de vore brengen. Veilig en met succes, omdat tienduizenden Nederlanders hier een goede toekomst zullen vinden.

Nieuwjaarswens uit Brazilië

Om na te gaan hoe emigranten de beginjaren van hun verblijf in het nieuwe vaderland hebben ervaren is zijn brieven een onmisbare bron. Voor mijn collega-onderzoeker Renate Stapelbroek zijn naast interviews met teruggekeerde emigranten een onmisbare bron voor haar onderzoek naar de retourmigratie uit Brazilië. Sinds enkele jaren vormen zij de basis voor haar weblog tanterika.nl. Ook in lokale kranten komen we brieven van emigranten tegen. Van Jac. van Riel uit Diessen was bekend dat hij diverse brieven heeft geschreven naar het weekblad de Hilverbode, dat verscheen in Hilvarenbeek en omgeving. Met deze kennis reisde ik onlangs af naar het Regionaal Archief in Tilburg om dit blad in te zien. Helaas bleek het blad in de cruciale jaren 1948-1956 slechts incidenteel bewaard te zijn gebleven. Ik trof slechts één brief aan uit 1950. Van Riel woonde toen nog met zijn gezin in Holambra en was nog positief gestemd over de toekomst ter plaatse. Hieronder zijn nieuwjaarswens voor het cruciale jaar 1951.

Campinas, 1 nov. 1950.
Jac van RielOp het ogenblik is het bij U winter maar hier wordt er volop geploegd en gezaaid met de gemeenschapswerktuigen, want de zaaitijd is er reeds. Vele H.A. maïs, rijst, bruine bonen, mecoena en graszaden zijn er al gezaaid. Het voorjaar is bijna 2 maanden vroeger dan ’t vorig jaar vanwege de veel vroegere regenval. Gras voor het vee is er volop. Dit is een belangrijk voordeel daar we eerst alles bij moesten kopen, zowel hooi als krachtvoer. Maar daar heeft het dit jaar niet aan ontbroken, en het heeft ook zijn nuttig effect wel gehad. Zo treurig als het in den beginne met het vee gesteld was, zo goed gaat het nu. De oorzaak lag niet op de eerste plaats bij het vee, maar was het gebrek aan krachtvoer en verzorging. Stervend van uitputting sukkelden er vele rond over de fazenda geplaagd door duizenden en nog eens duizenden carpatten, soms zelfs zo, dat men geen speld kon steken tussen de carpatten door. Deze diertjes zuigen bloed. U kunt wel begrijpen in hoe weinige dagen er zo’n rund aan moet zonder weerstand van binnen. Nu staan de dieren voor het merendeel op stal of komen tenminste elke dag een korte tijd op stal, en worden goed bijgevoerd en verzorgd. Er komen nu nog maar weinig sterfgevallen voor en de productie is meer dan verdubbeld. Ook de kalveren zijn bij de geboorte veel stugger. Meerdere verse vaarzen brengen het tot aan of over de 20 L. melk per dag en per dier, tegen het vorig jaar 4 of 4 L.

Ook wat de bevolking in het algemeen betreft gaat het zeer goed. Tenminste met de gezondheid. Toch al meer dan drie jaren is het pionieren aan de gang en onze bevolking loopt al tegen de duizend en tot nog toe is er geen enkel sterfgeval voorgekomen, behoudens een paar pasgeborenen. Dit is toch wel de zegen van de Heer. Ook hebben we voor enige maanden geleden de gebr. Geurtsen in ons midden gekregen. Deze vertegenwoordiging is voor ons van het grootste belang. Het zijn sterk organisatorische mensen en ook zeer zakelijk. Deze behartigen de algemene bedrijfsvoering met de heer Miltenburg. 28 Zelfstandigen zijn op 1 sept. gestart in hoofdzaak met kippen en varkens en gemiddeld een paar Hollandse koeien en een pink. Deze zijn van de beste dieren gekozen welke op de fazenda zijn, benevens ook nog 60 stuks voor een fokbedrijf, 125 dieren worden hiervoor uitgezocht. Deze mogen niet buiten de fazenda verkocht worden en zullen de grondslag vormen voor de veestapel. Nu we 28 zelfstandige boeren hebben zullen we ook op de akkers gauw verschil van resultaat zien. De eerste jaren zal het veel proeven nemen zijn, de een zal gelukken en een ander mislukken al door de omstandigheden van nu nog onbekende oorzaken, maar we zullen trachten de hoofden koel te houden en de harten strijdvaardig.

Hilverbode

Ook op godsdienstig gebied gaat het goed. Onze kerk wordt of is al reeds te klein, en deze week hopen er weer 50 mannen op onze fazenda te arriveren. De ontwikkeling gaat door voor jong en oud. Aan ontspanning ontbreekt het niet, vooral de voet- en handbal wordt sterk beoefend zowel buiten als binnen de fazenda. Ook denkt men aan de ontspanning voor ouderen, die moeten ook hun aandeel hebben, al is het dan maar voorlopig ’n gezellig zitje met een potje bier, biljart, kaartje leggen, beugelbaan enz. enz., al naar gelang de streek der afkomst meebrengt. Ook de huishouding kan in haar behoeften heel goed voorzien. De winkel verkocht in de maand augustus voor een bedrag van 112.289 cruzeiros of f. 22.455. Dit is toch nog een aardig bedrag voor kruidenierswaren. Zo leven we dan hoopvol voor de toekomst in Brazilië. Dat God zijn zegen mag blijven schenken aan al onze ondernemingen. Dat onze arbeid vruchtbaar mag zijn voor Kerk en maatschappij. Ik breng U de welgemeende groeten over van onze oud-Diessenaren hier in Brazilië. En nu danken wij allen, die hebben bijgedragen om ons op de hoogte te houden van het leven en werken van ons onvergetelijk Diessen. Wij zouden het zeer op prijs stellen op een of andere wijze op de hoogte contact te blijven houden. De beste wensen voor de gehele bevolking van Diessen, vooral de Zeer Eerw. Pastoor, Burgemeester en Mevrouw, de Eerw. Overste en alle Zusters. Van harte een Zalig Nieuwjaar voor allen.

Jac. van Riel

Verschenen in De Hilverbode, 30 december 1950

Op weg naar de ondergang?

Op 8 maart 1952 publiceerde het weekblad De Nieuwe Eeuw een vervolg op het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar, Drie jaar emigrantenleed. Het nieuwe artikel, dat als ondertitel Nederlandse boerenkolonie in Brazilië op weg naar de ondergang? had, was bedoeld om het optimistische geluid van De Linie te ontzenuwen. Volgens De Nieuwe Eeuw was ingrijpen gewenst, waarbij het vervangen van de huidige leiding o.l.v. Hogenboom het meest urgent was. Hieronder volgt het hele artikel.

In ons nummer van 23 februari publiceerden wij een uitvoerig ons toegezonden stuk betreffende de Fazenda Ribeirão, een nederzetting van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië. Uit dit artikel, dat geschreven was door iemand die het wel en vooral het wee van deze kolonie persoonlijk heeft meegemaakt, kon slechts geconcludeerd worden, dat de Fazenda, die drie jaar geleden onder gunstige omstandigheden en met uitstekende perspectieven werd opgericht, volop bezig is te mislukken; en dit niet ten gevolge van onoverkomelijke moeilijkheden van buitenaf, die men niet in de hand heeft, maar door de wijze van optreden van de elkaar opvolgende leiders.

Na deze publicatie in “De Nieuwe Eeuw” verscheen er in een ander weekblad een artikel, waarin het heette, dat de aanvankelijke moeilijkheden integendeel juist overwonnen zouden zijn; een aanzienlijk optimistischer geluid dus. Inmiddels ontvingen wij echter nadere informaties, wederom afkomstig van diverse personen die de gang van zaken in Brazilië van nabij en persoonlijk hebben meegemaakt en meemaakten. Deze informaties geven stuk voor stuk een stevige bevestiging van de conclusies die reeds getrokken moesten worden uit het ons toegezonden stuk over deze zaak dat wij twee weken geleden plaatsten. Het komst ons noodzakelijk voor, thans een gedeelte van deze nieuwe informaties te publiceren.
Een onzer informanten heeft in de maanden november en december 1951 en januari 1952 een bezoek gebracht aan Brazilië; zijn ervaringen zijn dus van recente datum. Tijdens een gesprek met de Nederlandse gezant in Brazilië, ontraadde deze hem met klem, een kijkje te gaan nemen op de Fazenda Ribeirão. Uiteraard wekte die zijn nieuwsgierigheid en argwaan. Beide werden nog versterkt, toen de Nederlandse emigratie-attaché te São Paulo hem uit eigen beweging meedeelde, dat de toestand op de Fazenda allesbehalve rooskleurig te noemen was ten gevolge van vele in het verleden gemaakte fouten. Volgens de emigratie-attaché bestond er echter hoop op beterschap.
Diverse Nederlanders in São Paulo die deel uitmaken van de Nederlandse kolonie aldaar, noemen tegenover onze informant de toestand op de Fazenda rondweg “hopeloos”. Zij baseerden dit oordeel op feiten als: wanbeheer, rechtsverkrachting ten aanzien van de boeren, volstrekte willekeur van de kant van de huidige leiding. De diverse woordvoerders, die hun inlichtingen rechtstreeks ontvingen van leden van de Fazenda, waren – aldus onze informant – geheel instemmig in hun oordeel en ook in de motivering daarvan.
Nog voordat hem concrete feiten bekend waren, bracht deze informant een bezoek aan de Fazenda Ribeirão. Daar werd hij rondgeleid door de pastoor der Fazenda, die in scherpe bewoordingen afgaf op de Brabanders en Limburgers die het overgrote deel van de kolonie uitmaken. Tijdens dit bezoek kreeg onze informant geen toestemming een kijkje te nemen op een van de boerderijen. Reeds de volgende morgen werd hij met zachte drang van de Fazenda verwijderd; hij was toen slechts aan enkele mensen voorgesteld en had, behalve enkele verlaten werkplaatsen, vrijwel niets kunnen bezichtigen.
In São Paulo kreeg onze informant contact met een veearts, een leraar en een landbouwkundig ingenieur, drie Nederlanders die gewerkt hebben op de Fazenda en die stuk voor stuk, de een op nog minder elegante wijze dan de ander, van hun functies zijn ontheven en van de Fazenda werden verwijderd. Volgens hun zeggen is dit geschied, omdat zij het opnamen voor de rechten van de boeren, iets wat de tegenwoordige dictatoriale leiding niet zou dulden. Een van hen heeft een rapport samengesteld en naar Nederland gezonden, eensdeels om te voorkomen dat eventuele nieuwe leden van de Fazenda gedupeerd worden, anderzijds om te bewerken dat er een onpartijdig onderzoek wordt ingesteld. Volgens deskundigen is dit rapport aan de voorzichtige kant gehouden en geheel in overeenstemming met de werkelijke toedracht, aldus onze informant.
Een eventueel in te stellen onderzoek zou echter wel zeer grondig moeten zijn. Er is namelijk al eens een Commissie van Onderzoek op de Fazenda geweest, voordat de Nederlandse regering aan deze kolonie een lening van twee en een half millioen gulden verstrekte. Volgens insiders is deze commissie om de tuin geleid. De boeren en beambten zouden door de leiding geprest zijn gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen die niet overeenkomstig de waarheid waren; een en ander uiteraard om er toch vooral voor te zorgen dat de gevraagde lening inderdaad verstrekt zou worden.

Crisis
In het artikel dat wij op 23 februari publiceerden, werd verteld hoe begin november vorig jaar een crisis ontstond in de gang van zaken op de Fazenda. Toen werden namelijk de ingezetenen gedwongen een verklaring te tekenen, waarbij zij voor de duur van tien tot twaalf jaar afstand deden van hun eigendomsrechten; een en ander ondanks het feit, dat de ingezetenen elk een flinke som gestort hebben om te mogen deelnemen. Aanvankelijk weigerde ruim een derde deel te tekenen, maar na enige dagen was dit ongeorganiseerde verzet gebroken.
Thans wordt ons, als vervolg hierop, van weer andere zijde het volgende meegedeeld: een boerengezin (waarvan ons naam en antecedenten bekend zijn) dat, evenals een ander gezin, bleef weigeren de verklaring te ondertekenen, kreeg in de loop van januari aanzegging de Fazenda te verlaten.
De boer had indertijd ruim ƒ 60.000 in de onderneming gestoken; daarvan zou hij bij zijn verdrijving geen cent terugkrijgen. Zelfs werd hem het geld voor de overtocht naar Nederland, waarom hij gevraagd heeft, geweigerd. In de week van 11 tot 16 februari was de hem gestelde termijn verstreken en kwam de politie hem voor de laatste keer aanmanen te vertrekken. Een kort persoonlijk onderhoud met politieman was echter voldoende om deze tot andere gedachten te brengen: hij vertrok met de mededeling dat de boer van hem niets meer te vrezen zou hebben. De twee gezinnen die weigerden te tekenen, zijn intussen uitgesloten van winkel en magazijn. Dientengevolge zijn zij uitsluitend aangewezen op de “weldadigheid” van de medebewoners der Fazenda. Deze toestand duurde op 21 februari j.l. nog voort.
Twee Nederlandse priesters die in São Paulo werken en geregeld contact gehad hebben met de Fazenda Ribeirão, noemen de toestanden daar – zo wordt ons gemeld – “ontstellend”. Een van hen heeft verschillende malen de pastoor van de Fazenda enige tijd vervangen. Volgens hem is er nog een vleugje hoop op uitkomst uit de onhoudbare toestand van het moment, mits er spoedig op drastische wijze vanuit Nederland wordt ingegrepen.

Ingrijpen gewenst
Dit ingrijpen zou o.m. moeten inhouden:
1. de huidige leiding van de Fazenda moet in haar geheel uit haar functie worden ontzet (de heer Hogenboom, die thans als voorzitter van het bestuur der Fazenda optreedt, is eigenlijk slechts regeringcommissaris, belast met het toezicht op de gelden die de Nederlandse regering aan de Fazenda heeft geleend; in hoeverre zijn benoeming tot voorzitter reglementair en wettig is, weet men niet).
2. het administratieve apparaat moet tot het uiterst noodzakelijke worden ingekrompen.
3. de leden van de Coöperatie moeten volledig in hun rechten worden hersteld.
4. de pastoor, die voor zijn functie ongeschikt lijkt en niet het vereiste vertrouwen geniet, moet vervangen worden.
5. de dierenarts en de landbouwingenieur, die ontslagen zijn omdat zij opkwamen voor de rechten van de boeren, moeten worden teruggeroepen.

Door deze maatregelen zou aan de boeren het bewijs geleverd worden, dat hun belangen en die van hun gezinnen weer op de voorgrond worden geplaatst. Met wijsheid en tact uitgevoerd, zouden deze maatregelen tot gevolg kunnen hebben, dat het geschokte vertrouwen van de boeren wordt hersteld en het diep gezonken moreel wordt verbeterd. Eerst dan bestaat de mogelijkheid, dat er – onder deskundige en tactvoller leiding – in de toekomst wordt voortgewerkt.
Dit zijn enkele aanvullende gegevens die wij nog over de situatie op de Fazenda Ribeirão ontvingen. Ze zijn afkomstig van mensen die de zaak van nabij en uit eigen ondervinding kennen, en die men tot het vormen van een oordeel in staat kan achten.
De Nederlandse regering is bij deze zaak betrokken, omdat zij de onderneming financieel en moreel royaal heeft gesteund. Zij is er bovendien ook nog bij betrokken, omdat – als de klachten gegrond zijn – een drama als dat van de Fazenda Ribeirão onze emigratiepolitiek ernstig in discrediet kan brengen, niet alleen bij de aspirant-emigranten, maar ook bij de regeringen van landen die emigranten opnemen, en op de eerste plaats natuurlijk bij die van Brazilië. Het lijkt derhalve noodzakelijk, dat de Nederlandse regering een zeer grondig, deskundig en onpartijdig onderzoek naar deze zaak laat instellen. Om te beginnen zouden officiële instanties zo spoedig mogelijk contact moeten opnemen met de Nederlanders in Brazilië die de geschiedenis van de Fazenda Ribeirão van nabij kennen. Wellicht zullen hun verklaringen aanleiding zijn, dat er doeltreffende maatregelen worden genomen, voordat het te laat is.

Ongemotiveerd optimisme?

Een week na het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar in De Nieuwe Eeuw van 23 februari 1952 publiceerde De Linie opnieuw een artikel over de “omstreden” Fazenda Ribeirão. Volgens het blad had De Nieuwe Eeuw er beter aan gedaan om vóór publicatie van een verstrekkend artikel als dat van Van den Besselaar een eigen onderzoek in te stellen, ‘gelijk wij dat ook gedaan hebben’. Op basis van dit onderzoek meent De Linie een meer optimistisch geluid te moeten laten horen: ‘Daar zullen wij dus onze redenen voor gehad hebben. Mocht De Nieuwe Eeuw dit nadere onderzoek alsnog willen instellen, dan kunnen wij namen en adressen geven van critische onderzoekers, die de laatste twee maanden de fazenda bezocht hebben.’

Zo bezocht in januari 1952 een delegatie van Carambeí de kolonie. Deze heren waren nogal te spreken over hun bevindingen. Plannen die men in Carambeí had (bv. inzake de handel met de Brazilianen en de wijze van groenbemesting) werden in Ribeirão al toegepast. Een andere informant die De Linie opvoerde was pater Theodulf van der Sterren ss.cc. uit de Fazenda Tres Poços (Pinheiral RJ). Hij schreef: ‘Mijn geloofsbrieven zijn de volgende: een persoonlijk bezoek gedurende de eerste 14 dagen van januari 1952 – gesprekken met de leiders en met tientallen boeren – gesprekken met tegenstanders en afkammers – een helemaal niet oppervlakkige studie van het nieuwe contract dat zoveel stof heeft opgeworpen – om niet te spreken van de lopende berichten in kranten en brieven die ik sinds de stichting verzameld heb.

In zijn brief zette Van der Sterren – aldus De Linie – uitvoerig uiteen, hoe hij gesproken had met vele boeren die in het begin tegen het nieuwe contract waren, dat zij moesten sluiten. ‘Zij beginnen nu echter in te zien, dat dit contract een juiste oplossing brengt van de gerezen economische moeilijkheden.’ Hij besloot zijn lange brief als volgt: ‘In Ribeirão hebben de mensen, zoals op de hele wereld, hun sociale deugden en ondeugden. Zij zijn en blijven gewone mensen. Daar wil ik mee zeggen (om niet te spreken over hun levenspeil en woning enz., wat allemaal ver uitsteekt boven de Braziliaan en zeker ook ver boven menige emigrant), dat ze samen een echt Hollands dorp vormen, waar naast de gezamenlijke leut ook de wrijvingen bestaan. Er wordt gepraat over vriendjespolitiek, hoge salarissen van de bazen, smokkelen van sommige leden enz. Van dit alles is wat waar – waar is het niet waar?! Maar als men zijn opinie ging bouwen op deze feiten en feitjes, dan moet men op zoek gaan naar een aards paradijs en na het gevonden te hebben, zou men Ribeirão kunnen veroordelen als niet helemaal overeenstemmend met dat model. Alles bij elkaar heb ik dus een gunstig idee over de veel besproken Fazenda Ribeirão… en ik neem het op tegen iedere buitenstaander of “weggelopene” van de fazenda, mijn opinie te verdedigen.’

De Linie besloot zijn vervolgartikel aldus: ‘Dit zijn enige grepen uit ons dossier, die de weg naar een onderzoek voldoende aangeven. Wij menen dan ook te kunnen blijven bij de conclusie, die wij in ons vorig artikel trokken: ‘Men moge er van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten terecht stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is. Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’