In Brazilië ligt een Hollands boerendorp

In harde pioniersstrijd met voortvarendheid uit de grond gestampt.

In de beginjaren van Holambra was het op en neer reizen naar Nederland slechts weggelegd voor de leidinggevenden van de jonge kolonie. Voor de meeste emigranten zou het nog twee decennia duren voordat deze tijdelijke terugkeer financieel mogelijk werd. Er waren slechts enkele uitzonderingen. Een daarvan was Jan van den Broek, die in september 1952 naar Nederland vloog om er drie stieren te kopen, waarvan één voor een de Braziliaanse dierenarts dr. Leme uit Pinhal. De vliegreis kostte maar liefst bijna 6000 gulden, anno nu nog steeds een groot bedrag. Tijdens zijn verblijf in Nederland werd Van den Broek geïnterviewd door de Noordbrabantse krant “Het Huisgezin”.

JC van den BroekHet is alweer een jaar of vier geleden, dat in Brazilië een Nederlandse emigrantenkolonie tot stand kwam. Deze kolonie was naar haar vorm een coöperatie en werd gesticht op de 5000 ha. grote Fazenda Ribeirão. Op die plaats, waar toen nog slechts een paar onbetekenende gebouwtjes stonden, liggen nu meer dan tachtig boerderijen. Op een van die boerderijen boert Jan van den Broek uit Den Dungen. Van den Broek is op het ogenblik voor een paar maanden in Nederland terug en Het Huisgezin uit Den Bosch had dezer dagen een lang gesprek met hem over zijn ervaringen in Brazilië en over het leven op de Fazenda.

Emigranten bakten stenen om huizen te bouwen
Jan van den Broek emigreerde met zijn jong gezin eind 1949 naar Brazilië. Toen hij op de Fazenda aankwam, waren er reeds ongeveer 30 gezinnen gevestigd. Deze pioniers hadden geen gemakkelijk leven achter de rug. Want Brazilië mag een mild klimaat hebben, het is een hard land. En Jan van den Broek verheelt ons niet, dat ook de groep emigranten, waartoe hij behoorde, een zware tijd heeft doorgemaakt. Maar vandaag aan de dag zijn de grootste moeilijkheden achter de rug, de hardste tijd is voorbij en de 700 kolonisten, die op de Fazenda zitten, zien niet alleen met vertrouwen, maar zelfs met optimisme de toekomst tegemoet.
Het harde pioniersleven wordt het beste geïllustreerd door de geschiedenis van de Fazenda. Toen de emigrantenkolonie “startte” stond er een primitief steenfabriekje. Het was zoiets als een royale Limburgse veldoven. De emigranten hebben dit fabriekje uitgebreid en zijn er de stenen gaan bakken waarvan ze later hun huizen hebben opgebouwd. Er werd een houtzagerij opgericht en het in de bossen gerooid hout werd op die manier voor bouwdoeleinden geschikt gemaakt.

Op de Fazenda wordt ook Nederlands brood gebakken
Huizen bouwen alleen was niet voldoende. Er moest ook ontgonnen worden en er moest landbouw worden bedreven. Dit vroeg machines, tractoren en deze eisten op hun beurt onderhoud en reparatie. Dus werden een smederij en een garage gesticht. Aanvankelijk in handen van de coöperatie, gingen beide in 1951 in particuliere handen over.
De smederij – die thans door Stapelbroek uit Diessen gedreven wordt – voorziet volledig in alle behoeften, die er op dit gebied op de fazenda voorkomen. De garage zorgt voor reparatie van tractoren en mag zich zelfs in de klandizie van de Brazilianen verheugen.
Voorts wordt door de garage een busdienst ingesteld naar de op 40 km afstand liggende stad Campinas en als het nodig is rijdt de bus door naar Sao Paulo. Een coöperatieve winkel, bakkerij en slagerij, die in particuliere handen is, verzorgen de levensmiddelenvoorziening. En het brood dat op de fazenda gebakken wordt is Hollands naar smaak en uiterlijk.

Boter van Hollanders een gewild product
Naast de voedselvoorziening voor de emigranten, vergt de fourage van de veestapel enige aandacht. Want vandaag lopen er op de fazenda een 5000 kippen, ongeveer 3500 varkens en een kleine 600 stuks rundvee. Men heeft er een eigen mengvoederfabriek gesticht. Aanvankelijk had de heer Van den Broek daarvan de leiding. ’t Mengen moet nog altijd met de hand gebeuren maar er zijn thans mengmachines op komst. Overigens heeft dit mengen met de hand kennelijk weinig afbreuk gedaan aan de kwaliteit, want men kreeg onlangs op de fazenda een aanvrage om mengvoeders te leveren aan een van de grote Braziliaanse kippenbedrijven in de buurt.
De producten van de fazenda vinden gretig aftrek. Er is een zuivelfabriek waar de melk tot boter verwerkt wordt. Deze boter heeft een klinkende naam in de hele staat Sao Paulo en onder de elite der Brazilianen is de boter der “Holandeses” een gewild product. Hetzelfde geldt voor de eieren, die al evenzeer vermaard zijn om hun versheid en kwaliteit. Via een eigen eierveiling vinden iedere maand een kleine twintig duizend dozijn eieren hun weg naar de stad Campinas. De veiling bezit een stempel en sorteermachine, de enige in heel Brazilië.

“Kinderen van ons volk” in Brazilië
Maar het is niet alleen de economisch bedrijvigheid van de Fazenda die in Brazilië een goede reputatie geniet. Ook in godsdienstig opzicht is dit het geval. De emigranten hebben een kerkje gebouwd en pastoor Dr. Sijen – een Norbertijn van Postel – heeft tesamen met een der zusters, het kerkje van wandschilderingen voorzien. Over de zusters gesproken: er zijn op de Fazenda 8 zusters kannunikessen van het H. Graf. Vier daarvan hebben de bevoegdheid lager onderwijs te geven aan de Hollandse jeugd. Voorts geven zij huishoudonderwijs aan de grotere meisjes en zij zijn actief werkzaam in de vrouwelijke jeugdbeweging.
Kinderen van ons volk omslagEr valt over deze Nederlandse kolonie nog veel meer te vertellen. De jonge boeren hebben er ook hun rijvereniging en er is een toneelclub, die jaarlijks een keer of vier op de planken komt (o.a. speelde zij Ant. Coolen’s “Kinderen van ons volk”); er wordt lager landbouwonderwijs gegeven en er is een wijkverpleegster en een kraamverzorgster.
Kortom: op Braziliaanse grond ligt een Nederlands boerendorp, dat in vier jaar tijds, met voortvarendheid, durf en energie uit de grond werd gestampt, dat de bewondering opwekt van de Brazilianen, die het bezoeken en dat reeds aan 86 Nederlandse boeren kans gaf zich volledig te ontplooien. En om dit laatste is het tenslotte begonnen.
Ondertussen wordt er op de fazenda verder gewerkt. Tweeduizend hectare zijn uitgegeven; voor ontginning van de volgende tweeduizend worden de plannen uitgewerkt en het is te verwachten, dat volgend jaar opnieuw een paar groepen emigranten kunnen geplaatst worden.

F. 2.500.000 ging verloren in Brazilië

Nederlandse Staat springt in voor gedupeerden van kolonisatie-experiment. Onbekwame leiding

Terwijl de katholieke dag- en weekbladen – De Nieuwe Eeuw uitgezonderd – in de regel positief-kritisch stond ten opzichte de ontwikkelingen op de Fazenda Ribeirão hoefden andere kranten niet terughoudend te zijn om de problemen bij de naam te noemen. Op 3 mei 1952 verscheen op basis van brieven van gedupeerden een artikel in DE TELEGRAAF. Deze krant was niet alleen kritisch op het bewind-Heijmeijer, maar bekritiseerde evenzeer het nieuwe bewind van Hogenboom, die zich bediende van intimidatie en wiens dwangmaatregelen het psychologisch inzicht misten.De vertrekkers zagen evenwel elders in Brazilië voor zichzelf goede kansen.

“Não Me Toque (Brasil), 23 sept. – Beste vrienden. Wij zijn dat concentratiekamp van Sao Paulo ontvlucht en overgeplaatst naar hier. Hier is men tenminste zo vrij als een vogel in de lucht. Wij hebben echter een tractor op de fazenda moeten achterlaten…”

“Als wij nog maar zoveel geld hadden, dat wij in Paraná goed konden beginnen, dan waren wij gered. Maar thuis is alles gedeeld en ons eigen geld hebben wij gestort, terwijl wij nu nooit meer iets er van zullen zien, of het valt mee. Ik voor mij hoop dat wij hier niet lang meer hoeven te blijven, want het mes geraakt hier hoe langer hoe dieper in de keel.”

“Wij zitten me voldoende materiaal maar zonder geld en krijgen hier ook geen eigendom voor de schuld is afgelost. En dat loopt over een termijn van zestien jaar. Daar komt nog bij als ze het niet kunnen halen, mogen ze het materiaal van de boeren nog aanslaan.”

“Men kan aan de coöperatie alles leveren, maar geld ziet men nooit en het spreekwoord zegt toch: men moet een zekere welvaart genieten om gelukkig te zijn.”

“Er zijn hier 2 irs, 1 commissaris, daarbij nog veel kantoorpersoneel en er worden nog zes meisjes opgeleid voor kantoor en dat op zo’n handjevol mensen. Wij liggen hier aan handen en voeten gebonden te midden van de vrijheid. Alle in- en verkoop moet door de coöperatie geschieden. Men hoeft hier geen hoofd te hebben om te boeren, nog enkel om er een pet op te zetten. Als wij ons geld niet hadden gestort konen wij het rustig afkijken en stond het ons niet aan, dan ons geld en materiaal over laten komen en elders beginnen. Heijmeijer zegt wel: de enkeling mislukt hier, maar ik zeg op mijn beurt met ’n ir. in de rug, even vrolijk. Als men zijn ogen de kost geeft, mislukken die mensen die totaal geen verstand hebben van boeren en toch boeren. Ik zeg tegen mijn man, nog liever elders heel mijn leven rijst en bonen dan hier blijven in dit wespennest en ook niets dan rijst en bonen eten. Wil men het hoofd boven water houden, er liggen kansen genoeg voor een boer.”

De Telegraaf plaatste met als ondertitel 'Geslaagde  immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy' deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.
De Telegraaf plaatste met als ondertitel ‘Geslaagde immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy’ deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.

Trieste geschiedenis
Dit zijn enkele brokstukken uit “brieven naar huis” van katholieke Brabantse boeren en boerinnen die indertijd – het is nog maar een paar jaar geleden – vertrokken naar de Fazenda Ribeirao in een gemeente in de Braziliaanse staat São Paulo, om daar in kolonieverband onder leiding van ir. J.G. Heijmeijer aan de slag te gaan. De kolonie ging werken op coöperatieve basis, de gezamenlijke onderneming, want dàt was de bedoeling, heette voluit de Cooperativa Agro Pecuaria Holambra.
En men kent haar trieste geschiedenis. De idealist Heijmeijer, die startte zoals nog zelden een stichter ener kolonie in het buitenland zal hebben kunnen starten, d.w.z. met steun van practisch alle zijden, van de deelnemers zelf (geld en idealisme), van de Staat der Nederlanden (deviezenfaciliteiten voor de uitvoer van vee en zaden of pootgoed, geld en bedrijfsbenodigdheden), van hun organisatie (R.K. Boeren- en Tuindersbond), van de geestelijkheid en last but not least van officiële Braziliaanse zijde (renteloze leningen van de fed. Regering en van de staat Sao Paulo en algehele gastvrijheid), kon het niet bolwerken. Goede bedoelingen, zelfs de allerbeste, zijn nu eenmaal niet voldoende in zulke gevallen.

Dwaas bewind
Daar kwam nog bij, dat de leiding overtuigd scheen te zijn van haar eigen voortreffelijkheid, dat zij goede raad van insiders uit het land zelf van de hand wees, als mede de verstandige adviezen van tot inkeer geraakte kolonisten, onder wie goed onderlegde boeren, en dat zij een dwaas dictatoriaal bewind bleef voeren, hetwelk des te vreemder was, omdat de coöperatie bewust was gebaseerd op een soort communistisch ideaal.
Men heeft in de krant ook kunnen lezen wat er nadien gebeurde. Toen de duiten waren opgesoupeerd, het vee goeddeels aan ziekte bezweken, de zaaizaden verteerd etc. etc., werd een beroep gedaan op de Ned. Staat en kwam bij het namens deze ingestelde onderzoek in loco aan de dag, welke grove fouten er waren gemaakt. Staatsgarantie voor een nieuwe lening van niet minder dan twee en een half millioen gulden werd verleend – het desbetreffend wetsontwerp werd na enkele vragen van Kamerleden, die er een gevaarlijk precedent inzagen en zuurzoete vermaningen voor de toekomst uitten, zonder meer aangenomen, en verder hebben de Nederlandse staatsburgers er niet veel van vernomen.

Individuelen slaagden
Het waren merendeels prima emigranten, die de banier van de heer Heijmeijer hadden gevolgd en die toen zij eenmaal vrij hun wieken konden uitslaan, zich elders wisten te redden, en de goede naam van ons land en volk, welke zeer geleden had door het armzalige experiment van de Cooperativa Holambra, weer ’n beetje herstelden.
Ook had onze regering een commissaris benoemd en naar de fazenda gezonden, om te redden wat er te redden viel en te voorkomen dat er nieuwe brokken zouden worden gemaakt. Welnu, deze deed zijn best om de doodzieke patiënt nog in het leven te houden, maar hij deed het verkeerd. Zijn dwangmaatregelen, waarmee hij de zaak trachtte te redden, misten het psychologische inzicht, hij intimideerde de boeren, en zij, hoewel te weinig organisatieminded om collectief verzet te plegen, zij zochten een goed heenkomen, zij trachtten het althans. Intussen er op bedacht blijvende hun geld terug en hun schade vergoed te krijgen.

Proces van de boeren
De slachtoffers zijn namelijk een proces tegen de leiding begonnen, en hebben daartoe juridische bijstand gekregen van Braziliaanse zijde. Intussen is reeds de Ned. Schatkist aanmerkelijk lichter geworden door dit lichtvaardig opgezet en uitgevoerd idealistisch-communistisch kolonisatieplan, terwijl individuele pogingen om als boer ergens in het rijke Brazilië te slagen gelukten. De vruchtbare bodem wacht op verstandige exploitatie.
“De eerste twee jaren zullen zwaar zijn en hard,” schreef een der gedupeerden van de Cooperativa, die elders opnieuw een voor zichzelf kon beginnen, “maar hier liggen kansen van slagen en voor iemand met voldoende kapitaal zeer goede. Wij zijn bezig met de Braziliaanse regering een contract af te sluiten. Als dit lukt en die kans is groot, zitten hier grote perspectieven in.”
En een brief als deze, is niet de enige. Wij komen op de deplorabele zaak terug.

Erfgoedsubsidie voor boek over Holambra

PaupiekDe erfgoedorganisatie DutchCulture heeft een subsidie uit het fonds voor Gedeeld Cultureel Erfgoed toegekend aan het Centre for Global Heritage and Development voor de uitgave van mijn boek over Holambra in zowel Nederland als Brazilië.

 

Windmolen 'Povos Unidos', Holambra I

Daarmee is wat betreft de uitgave in Nederland de laatste financiële hobbel genomen en is er geld beschikbaar om een deel van het boek in het Portugees te vertalen ten behoeve van een populaire Braziliaanse editie. Het Nederlandse boek zal in het voorjaar van 2016 verschijnen bij Uitgeverij Valkhof Pers.

“Fazenda Ribeirao” werd in drie jaar een model-nederzetting

Braziliaanse regering waardeert en steunt

Behalve de katholieke weekbladen De Nieuwe Eeuw en De Linie publiceerden ook andere Nederlandse kranten over de moeilijkheden op de Fazenda Ribeirão. Ook die kranten zijn onder te verdelen in pro en contra de nieuwe leiding. Het toen nog katholieke dagblad De Volkskrant publiceerde op 22 maart 1952 een redelijk genuanceerd stuk waarin een poging werd gedaan de de moeilijkheden te verklaren. De krant ging daarbij ook niet voorbij aan het feit dat aan het zelfstandig boeren op de Fazenda scherpe voorwaarden werden gesteld, die voor verschillende boeren niet acceptabel waren.

o-cruzeiro-1952Het grootste Braziliaanse weekblad O Cruzeiro, met een oplage van 350.000 exemplaren, publiceerde enige tijd geleden een fotoreportage van de Nederlandse kolonie van katholieke boeren in de staat Sao Paulo: de “Fazenda Ribeirao”. Op een van de foto’s stond boer Fons Sleutjes uit Den Dungen. Zijn rechterarm lag om de hals van een rood-bont kalfje. Het onderschrift bij de foto zei: ‘Dit is een Nederlandse boer in Brazilië, zonder tulpen en zonder molens. Deze boer werkt op een model-kolonie aan de versterking van de inheemse agricultuur van Brazilië’. Op een andere bladzijde werden vier jonge boerinnen, vrolijke frisse meisjes van de Nederlandse boerengemeenschap, afgebeeld. ‘Jonge Nederlandse meisjes van de Fazenda Ribeirao’, stond erbij. ‘Zij gebruiken geen lippenstift en hebben geen gelakte nagels, maar zij werken aan hun toekomst. Meisjes van Brazilië, gaat daar eens kijken.’

Fouten van begin nu overwonnen.
Het is niet alleen de Braziliaanse pers, die belangstelling heeft voor deze grootscheeps opgezette kolonie in groepsverband. Ook de Braziliaanse regering heeft hoge waardering voor de prestaties van de boeren uit het Brabantse en Limburgse land. Op velerlei wijze steunt daarom de overheid het werk van de Fazendabewoners. Drie jaar geleden streken de eerste pioniers neer op deze 5000 hectaren grote lap vruchtbare grond. Terwijl de ene groep huizen en stallen bouwde, begon de andere aan de ontginning en het cultuurklaar maken van de grond. Nu, na deze drie jaren, zijn 2000 hectaren grond beteeld met mais en cassave, arrowroot, “sweet patatoes”, sinaasappelen, koffie, rijst, aardappels, ananas en citrus. In het weiland grazen 600 koeien, er zijn veertigduizend kippen en 1500 varkens.

In de hotels en lunchrooms van de steden Sao Paulo en Campinas serveert men de kaas, boter, chocomel en yoghurt van de Fazenda Ribeirao en de groothandel betaalt voor deze zuivelproducten meer cruzeiro’s dan de gemiddelde marktprijs noteert. Nu liggen weer 2000 maagdelijke hectaren prima bouwgrond voor de ploegmessen der tractoren. Een groot aantal bedrijven kan hier straks weer neergezet worden, want het standaardtype-bedrijf op de nederzetting heeft een oppervlakte van 20 hectaren.
Volgens de plannen van de commissaris van de Nederlandse kolonie, de heer Hogenboom, zullen de nieuwe emigranten pas in het voorjaar van 1953 kunnen oversteken naar Brazilië. Op het einde van dit jaar zal onder de gegadigden een uiterst scherpe selectie worden toegepast. Door schade en schande wijs geworden heeft men in het verleden de ervaring opgedaan, dat de selectie niet secuur genoeg kan zijn.

In opspraak
Uit dit dichtbije verleden is een en ander overgewaaid naar Nederland waardoor de Fazenda nogal in opspraak is gekomen. Sinds de oprichting hadden namelijk 22 gezinnen en vrijgezellen, samen een 150 personen, de kleine gemeenschap in de nabijheid van de stad Campinas verlaten. Buiten een flinke groep niet-agrariërs waren het meest de kapitaalkrachtigste boeren die hun koffers pakten. De weg naar rijkdom duurde hen blijkbaar te lang en ze zochten ander werk buiten de Fazenda.
Lag het zware pionierswerk hun niet of waren zij te materialistisch ingesteld? Het coöperatieve idee, de grondslag van deze emigranten-nederzetting, kwam niet overeen met hun individualistische instelling. Anderen werden ontevreden en pessimistisch onder de tegenslagen, die de jonge onderneming kreeg te incasseren. Ziekten teisterden de veestapel en een misoogst betekende voor de kolonisten een ramp. De inkomsten daalden en de uitgaven in dit relatief schrikbarend dure land lagen hoger dan de raming. Men teerde op de middelen in. Krachtvoer kon niet meer worden aangekocht, investeringen bleven achterwege en de productie kon niet op toeren komen. Van de Braziliaanse samenleving wist men niet veel en van de taal weinig.
En in die eerste uiterst moeilijke aanloop zijn er ook fouten gemaakt. Fouten van economische en technische aard, maar ook fouten van psychologische aard. Met reden had men het vertrouwen in de oude leiding verloren. Onder die leiding in de eerste periode zou het immers op een failliet zijn uitgelopen. De nieuwe commissaris, de heer Hogenboom, is een organisator van de bovenste plank en ook landbouwtechnisch weet hij van wanten. Op organisatorisch en administratief gebied voerde hij een grondige hervorming door.

Inkuilen van groenvoer

Van enorme betekenis voor de bewoners, zowel psychologisch als economisch, was zijn eerste maatregel om zoveel mogelijk gezinnen een eigen bedrijf in beheer te geven. Een Nederlandse boer voelt er bijster weinig voor in collectief verband te werken. Pas als hij een eigen bedrijf onder de voeten heeft krijgt hij het ware hart voor de zaak. Bovendien is het bij collectief werk zeer moeilijk te beoordelen wat iedere emigrant afzonderlijk presteert. Deze maatregel werd met elk der boeren afzonderlijk door de commissaris bekrachtigd in een contract. Komen de boeren hun verplichtingen wat rente en aflossing betreft na, dan zijn ze binnen elf jaar eigenaar van hun grond, vee en inventaris, die ze nu op crediet hebben.
Dit nieuwe contract – een noodzakelijke economische ontwikkeling van de toestand waarin men verzeild was geraakt – zette de boeren het mes op de keel. De tegenstanders sloegen aan het kankeren en ageerden tegen de nieuwe, krachtige leiding, die, gesteund door een millioenencrediet van de Overheid, sanerend ingreep. Velen, boeren en niet-boeren, konden zich met deze maatregel niet verenigen en trokken weg. De blijvers en degenen die niet wisten waarheen, tekenden het contract en gingen met nieuwe moed aan de slag. De coöperatieve arbeidsgemeenschap behoorde hiermee tot het verleden. De “Cooperativa” is nu een coöperatieve aan- en verkooporganisatie, een credietinstelling en bestuurslichaam, dat de nodige maatregelen voor de gemeenschap “Ribeirao” uitvaardigt.

Model-nederzetting
Enkele weken geleden verklaarde de commissaris van de Fazenda Ribeirao, de heer Hogenboom, op een vergadering van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond in Den Haag, dat de zaken in Brazilië nu goed op poten staan. Op eigen kracht en met eigen middelen “boerden” de pioniers hier in drie jaren tijd – zoals de Brazilianen en andere deskundigen beweren – een model-nederzetting uit de grond. Als men van een Noordoostpolder en een Wieringermeerpolder weet, dat er de eerste jaren niet veel uitkomt, mag men dan van een piepjonge emigrantenkolonie in een vreemd land eisen, dat alles geolied naar een letterlijke en figuurlijke gouden toekomst loopt? Het zullen niet de laatste moeilijkheden, desillusies, zorgen en teleurstellingen zijn, die de ploeterende emigranten in het “Nederlandse Dorp” onder de Braziliaanse zon op hun moeizame tocht ontmoeten. Met het thuisfront steunend in de rug en op een nieuwe, gezonde en stevige basis, zal de Fazenda Ribeirao de ploeg veilig en met succes aan het einde van de vore brengen. Veilig en met succes, omdat tienduizenden Nederlanders hier een goede toekomst zullen vinden.

Nieuwjaarswens uit Brazilië

Om na te gaan hoe emigranten de beginjaren van hun verblijf in het nieuwe vaderland hebben ervaren is zijn brieven een onmisbare bron. Voor mijn collega-onderzoeker Renate Stapelbroek zijn naast interviews met teruggekeerde emigranten een onmisbare bron voor haar onderzoek naar de retourmigratie uit Brazilië. Sinds enkele jaren vormen zij de basis voor haar weblog tanterika.nl. Ook in lokale kranten komen we brieven van emigranten tegen. Van Jac. van Riel uit Diessen was bekend dat hij diverse brieven heeft geschreven naar het weekblad de Hilverbode, dat verscheen in Hilvarenbeek en omgeving. Met deze kennis reisde ik onlangs af naar het Regionaal Archief in Tilburg om dit blad in te zien. Helaas bleek het blad in de cruciale jaren 1948-1956 slechts incidenteel bewaard te zijn gebleven. Ik trof slechts één brief aan uit 1950. Van Riel woonde toen nog met zijn gezin in Holambra en was nog positief gestemd over de toekomst ter plaatse. Hieronder zijn nieuwjaarswens voor het cruciale jaar 1951.

Campinas, 1 nov. 1950.
Jac van RielOp het ogenblik is het bij U winter maar hier wordt er volop geploegd en gezaaid met de gemeenschapswerktuigen, want de zaaitijd is er reeds. Vele H.A. maïs, rijst, bruine bonen, mecoena en graszaden zijn er al gezaaid. Het voorjaar is bijna 2 maanden vroeger dan ’t vorig jaar vanwege de veel vroegere regenval. Gras voor het vee is er volop. Dit is een belangrijk voordeel daar we eerst alles bij moesten kopen, zowel hooi als krachtvoer. Maar daar heeft het dit jaar niet aan ontbroken, en het heeft ook zijn nuttig effect wel gehad. Zo treurig als het in den beginne met het vee gesteld was, zo goed gaat het nu. De oorzaak lag niet op de eerste plaats bij het vee, maar was het gebrek aan krachtvoer en verzorging. Stervend van uitputting sukkelden er vele rond over de fazenda geplaagd door duizenden en nog eens duizenden carpatten, soms zelfs zo, dat men geen speld kon steken tussen de carpatten door. Deze diertjes zuigen bloed. U kunt wel begrijpen in hoe weinige dagen er zo’n rund aan moet zonder weerstand van binnen. Nu staan de dieren voor het merendeel op stal of komen tenminste elke dag een korte tijd op stal, en worden goed bijgevoerd en verzorgd. Er komen nu nog maar weinig sterfgevallen voor en de productie is meer dan verdubbeld. Ook de kalveren zijn bij de geboorte veel stugger. Meerdere verse vaarzen brengen het tot aan of over de 20 L. melk per dag en per dier, tegen het vorig jaar 4 of 4 L.

Ook wat de bevolking in het algemeen betreft gaat het zeer goed. Tenminste met de gezondheid. Toch al meer dan drie jaren is het pionieren aan de gang en onze bevolking loopt al tegen de duizend en tot nog toe is er geen enkel sterfgeval voorgekomen, behoudens een paar pasgeborenen. Dit is toch wel de zegen van de Heer. Ook hebben we voor enige maanden geleden de gebr. Geurtsen in ons midden gekregen. Deze vertegenwoordiging is voor ons van het grootste belang. Het zijn sterk organisatorische mensen en ook zeer zakelijk. Deze behartigen de algemene bedrijfsvoering met de heer Miltenburg. 28 Zelfstandigen zijn op 1 sept. gestart in hoofdzaak met kippen en varkens en gemiddeld een paar Hollandse koeien en een pink. Deze zijn van de beste dieren gekozen welke op de fazenda zijn, benevens ook nog 60 stuks voor een fokbedrijf, 125 dieren worden hiervoor uitgezocht. Deze mogen niet buiten de fazenda verkocht worden en zullen de grondslag vormen voor de veestapel. Nu we 28 zelfstandige boeren hebben zullen we ook op de akkers gauw verschil van resultaat zien. De eerste jaren zal het veel proeven nemen zijn, de een zal gelukken en een ander mislukken al door de omstandigheden van nu nog onbekende oorzaken, maar we zullen trachten de hoofden koel te houden en de harten strijdvaardig.

Hilverbode

Ook op godsdienstig gebied gaat het goed. Onze kerk wordt of is al reeds te klein, en deze week hopen er weer 50 mannen op onze fazenda te arriveren. De ontwikkeling gaat door voor jong en oud. Aan ontspanning ontbreekt het niet, vooral de voet- en handbal wordt sterk beoefend zowel buiten als binnen de fazenda. Ook denkt men aan de ontspanning voor ouderen, die moeten ook hun aandeel hebben, al is het dan maar voorlopig ’n gezellig zitje met een potje bier, biljart, kaartje leggen, beugelbaan enz. enz., al naar gelang de streek der afkomst meebrengt. Ook de huishouding kan in haar behoeften heel goed voorzien. De winkel verkocht in de maand augustus voor een bedrag van 112.289 cruzeiros of f. 22.455. Dit is toch nog een aardig bedrag voor kruidenierswaren. Zo leven we dan hoopvol voor de toekomst in Brazilië. Dat God zijn zegen mag blijven schenken aan al onze ondernemingen. Dat onze arbeid vruchtbaar mag zijn voor Kerk en maatschappij. Ik breng U de welgemeende groeten over van onze oud-Diessenaren hier in Brazilië. En nu danken wij allen, die hebben bijgedragen om ons op de hoogte te houden van het leven en werken van ons onvergetelijk Diessen. Wij zouden het zeer op prijs stellen op een of andere wijze op de hoogte contact te blijven houden. De beste wensen voor de gehele bevolking van Diessen, vooral de Zeer Eerw. Pastoor, Burgemeester en Mevrouw, de Eerw. Overste en alle Zusters. Van harte een Zalig Nieuwjaar voor allen.

Jac. van Riel

Verschenen in De Hilverbode, 30 december 1950

Op weg naar de ondergang?

Op 8 maart 1952 publiceerde het weekblad De Nieuwe Eeuw een vervolg op het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar, Drie jaar emigrantenleed. Het nieuwe artikel, dat als ondertitel Nederlandse boerenkolonie in Brazilië op weg naar de ondergang? had, was bedoeld om het optimistische geluid van De Linie te ontzenuwen. Volgens De Nieuwe Eeuw was ingrijpen gewenst, waarbij het vervangen van de huidige leiding o.l.v. Hogenboom het meest urgent was. Hieronder volgt het hele artikel.

In ons nummer van 23 februari publiceerden wij een uitvoerig ons toegezonden stuk betreffende de Fazenda Ribeirão, een nederzetting van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië. Uit dit artikel, dat geschreven was door iemand die het wel en vooral het wee van deze kolonie persoonlijk heeft meegemaakt, kon slechts geconcludeerd worden, dat de Fazenda, die drie jaar geleden onder gunstige omstandigheden en met uitstekende perspectieven werd opgericht, volop bezig is te mislukken; en dit niet ten gevolge van onoverkomelijke moeilijkheden van buitenaf, die men niet in de hand heeft, maar door de wijze van optreden van de elkaar opvolgende leiders.

Na deze publicatie in “De Nieuwe Eeuw” verscheen er in een ander weekblad een artikel, waarin het heette, dat de aanvankelijke moeilijkheden integendeel juist overwonnen zouden zijn; een aanzienlijk optimistischer geluid dus. Inmiddels ontvingen wij echter nadere informaties, wederom afkomstig van diverse personen die de gang van zaken in Brazilië van nabij en persoonlijk hebben meegemaakt en meemaakten. Deze informaties geven stuk voor stuk een stevige bevestiging van de conclusies die reeds getrokken moesten worden uit het ons toegezonden stuk over deze zaak dat wij twee weken geleden plaatsten. Het komst ons noodzakelijk voor, thans een gedeelte van deze nieuwe informaties te publiceren.
Een onzer informanten heeft in de maanden november en december 1951 en januari 1952 een bezoek gebracht aan Brazilië; zijn ervaringen zijn dus van recente datum. Tijdens een gesprek met de Nederlandse gezant in Brazilië, ontraadde deze hem met klem, een kijkje te gaan nemen op de Fazenda Ribeirão. Uiteraard wekte die zijn nieuwsgierigheid en argwaan. Beide werden nog versterkt, toen de Nederlandse emigratie-attaché te São Paulo hem uit eigen beweging meedeelde, dat de toestand op de Fazenda allesbehalve rooskleurig te noemen was ten gevolge van vele in het verleden gemaakte fouten. Volgens de emigratie-attaché bestond er echter hoop op beterschap.
Diverse Nederlanders in São Paulo die deel uitmaken van de Nederlandse kolonie aldaar, noemen tegenover onze informant de toestand op de Fazenda rondweg “hopeloos”. Zij baseerden dit oordeel op feiten als: wanbeheer, rechtsverkrachting ten aanzien van de boeren, volstrekte willekeur van de kant van de huidige leiding. De diverse woordvoerders, die hun inlichtingen rechtstreeks ontvingen van leden van de Fazenda, waren – aldus onze informant – geheel instemmig in hun oordeel en ook in de motivering daarvan.
Nog voordat hem concrete feiten bekend waren, bracht deze informant een bezoek aan de Fazenda Ribeirão. Daar werd hij rondgeleid door de pastoor der Fazenda, die in scherpe bewoordingen afgaf op de Brabanders en Limburgers die het overgrote deel van de kolonie uitmaken. Tijdens dit bezoek kreeg onze informant geen toestemming een kijkje te nemen op een van de boerderijen. Reeds de volgende morgen werd hij met zachte drang van de Fazenda verwijderd; hij was toen slechts aan enkele mensen voorgesteld en had, behalve enkele verlaten werkplaatsen, vrijwel niets kunnen bezichtigen.
In São Paulo kreeg onze informant contact met een veearts, een leraar en een landbouwkundig ingenieur, drie Nederlanders die gewerkt hebben op de Fazenda en die stuk voor stuk, de een op nog minder elegante wijze dan de ander, van hun functies zijn ontheven en van de Fazenda werden verwijderd. Volgens hun zeggen is dit geschied, omdat zij het opnamen voor de rechten van de boeren, iets wat de tegenwoordige dictatoriale leiding niet zou dulden. Een van hen heeft een rapport samengesteld en naar Nederland gezonden, eensdeels om te voorkomen dat eventuele nieuwe leden van de Fazenda gedupeerd worden, anderzijds om te bewerken dat er een onpartijdig onderzoek wordt ingesteld. Volgens deskundigen is dit rapport aan de voorzichtige kant gehouden en geheel in overeenstemming met de werkelijke toedracht, aldus onze informant.
Een eventueel in te stellen onderzoek zou echter wel zeer grondig moeten zijn. Er is namelijk al eens een Commissie van Onderzoek op de Fazenda geweest, voordat de Nederlandse regering aan deze kolonie een lening van twee en een half millioen gulden verstrekte. Volgens insiders is deze commissie om de tuin geleid. De boeren en beambten zouden door de leiding geprest zijn gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen die niet overeenkomstig de waarheid waren; een en ander uiteraard om er toch vooral voor te zorgen dat de gevraagde lening inderdaad verstrekt zou worden.

Crisis
In het artikel dat wij op 23 februari publiceerden, werd verteld hoe begin november vorig jaar een crisis ontstond in de gang van zaken op de Fazenda. Toen werden namelijk de ingezetenen gedwongen een verklaring te tekenen, waarbij zij voor de duur van tien tot twaalf jaar afstand deden van hun eigendomsrechten; een en ander ondanks het feit, dat de ingezetenen elk een flinke som gestort hebben om te mogen deelnemen. Aanvankelijk weigerde ruim een derde deel te tekenen, maar na enige dagen was dit ongeorganiseerde verzet gebroken.
Thans wordt ons, als vervolg hierop, van weer andere zijde het volgende meegedeeld: een boerengezin (waarvan ons naam en antecedenten bekend zijn) dat, evenals een ander gezin, bleef weigeren de verklaring te ondertekenen, kreeg in de loop van januari aanzegging de Fazenda te verlaten.
De boer had indertijd ruim ƒ 60.000 in de onderneming gestoken; daarvan zou hij bij zijn verdrijving geen cent terugkrijgen. Zelfs werd hem het geld voor de overtocht naar Nederland, waarom hij gevraagd heeft, geweigerd. In de week van 11 tot 16 februari was de hem gestelde termijn verstreken en kwam de politie hem voor de laatste keer aanmanen te vertrekken. Een kort persoonlijk onderhoud met politieman was echter voldoende om deze tot andere gedachten te brengen: hij vertrok met de mededeling dat de boer van hem niets meer te vrezen zou hebben. De twee gezinnen die weigerden te tekenen, zijn intussen uitgesloten van winkel en magazijn. Dientengevolge zijn zij uitsluitend aangewezen op de “weldadigheid” van de medebewoners der Fazenda. Deze toestand duurde op 21 februari j.l. nog voort.
Twee Nederlandse priesters die in São Paulo werken en geregeld contact gehad hebben met de Fazenda Ribeirão, noemen de toestanden daar – zo wordt ons gemeld – “ontstellend”. Een van hen heeft verschillende malen de pastoor van de Fazenda enige tijd vervangen. Volgens hem is er nog een vleugje hoop op uitkomst uit de onhoudbare toestand van het moment, mits er spoedig op drastische wijze vanuit Nederland wordt ingegrepen.

Ingrijpen gewenst
Dit ingrijpen zou o.m. moeten inhouden:
1. de huidige leiding van de Fazenda moet in haar geheel uit haar functie worden ontzet (de heer Hogenboom, die thans als voorzitter van het bestuur der Fazenda optreedt, is eigenlijk slechts regeringcommissaris, belast met het toezicht op de gelden die de Nederlandse regering aan de Fazenda heeft geleend; in hoeverre zijn benoeming tot voorzitter reglementair en wettig is, weet men niet).
2. het administratieve apparaat moet tot het uiterst noodzakelijke worden ingekrompen.
3. de leden van de Coöperatie moeten volledig in hun rechten worden hersteld.
4. de pastoor, die voor zijn functie ongeschikt lijkt en niet het vereiste vertrouwen geniet, moet vervangen worden.
5. de dierenarts en de landbouwingenieur, die ontslagen zijn omdat zij opkwamen voor de rechten van de boeren, moeten worden teruggeroepen.

Door deze maatregelen zou aan de boeren het bewijs geleverd worden, dat hun belangen en die van hun gezinnen weer op de voorgrond worden geplaatst. Met wijsheid en tact uitgevoerd, zouden deze maatregelen tot gevolg kunnen hebben, dat het geschokte vertrouwen van de boeren wordt hersteld en het diep gezonken moreel wordt verbeterd. Eerst dan bestaat de mogelijkheid, dat er – onder deskundige en tactvoller leiding – in de toekomst wordt voortgewerkt.
Dit zijn enkele aanvullende gegevens die wij nog over de situatie op de Fazenda Ribeirão ontvingen. Ze zijn afkomstig van mensen die de zaak van nabij en uit eigen ondervinding kennen, en die men tot het vormen van een oordeel in staat kan achten.
De Nederlandse regering is bij deze zaak betrokken, omdat zij de onderneming financieel en moreel royaal heeft gesteund. Zij is er bovendien ook nog bij betrokken, omdat – als de klachten gegrond zijn – een drama als dat van de Fazenda Ribeirão onze emigratiepolitiek ernstig in discrediet kan brengen, niet alleen bij de aspirant-emigranten, maar ook bij de regeringen van landen die emigranten opnemen, en op de eerste plaats natuurlijk bij die van Brazilië. Het lijkt derhalve noodzakelijk, dat de Nederlandse regering een zeer grondig, deskundig en onpartijdig onderzoek naar deze zaak laat instellen. Om te beginnen zouden officiële instanties zo spoedig mogelijk contact moeten opnemen met de Nederlanders in Brazilië die de geschiedenis van de Fazenda Ribeirão van nabij kennen. Wellicht zullen hun verklaringen aanleiding zijn, dat er doeltreffende maatregelen worden genomen, voordat het te laat is.

Ongemotiveerd optimisme?

Een week na het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar in De Nieuwe Eeuw van 23 februari 1952 publiceerde De Linie opnieuw een artikel over de “omstreden” Fazenda Ribeirão. Volgens het blad had De Nieuwe Eeuw er beter aan gedaan om vóór publicatie van een verstrekkend artikel als dat van Van den Besselaar een eigen onderzoek in te stellen, ‘gelijk wij dat ook gedaan hebben’. Op basis van dit onderzoek meent De Linie een meer optimistisch geluid te moeten laten horen: ‘Daar zullen wij dus onze redenen voor gehad hebben. Mocht De Nieuwe Eeuw dit nadere onderzoek alsnog willen instellen, dan kunnen wij namen en adressen geven van critische onderzoekers, die de laatste twee maanden de fazenda bezocht hebben.’

Zo bezocht in januari 1952 een delegatie van Carambeí de kolonie. Deze heren waren nogal te spreken over hun bevindingen. Plannen die men in Carambeí had (bv. inzake de handel met de Brazilianen en de wijze van groenbemesting) werden in Ribeirão al toegepast. Een andere informant die De Linie opvoerde was pater Theodulf van der Sterren ss.cc. uit de Fazenda Tres Poços (Pinheiral RJ). Hij schreef: ‘Mijn geloofsbrieven zijn de volgende: een persoonlijk bezoek gedurende de eerste 14 dagen van januari 1952 – gesprekken met de leiders en met tientallen boeren – gesprekken met tegenstanders en afkammers – een helemaal niet oppervlakkige studie van het nieuwe contract dat zoveel stof heeft opgeworpen – om niet te spreken van de lopende berichten in kranten en brieven die ik sinds de stichting verzameld heb.

In zijn brief zette Van der Sterren – aldus De Linie – uitvoerig uiteen, hoe hij gesproken had met vele boeren die in het begin tegen het nieuwe contract waren, dat zij moesten sluiten. ‘Zij beginnen nu echter in te zien, dat dit contract een juiste oplossing brengt van de gerezen economische moeilijkheden.’ Hij besloot zijn lange brief als volgt: ‘In Ribeirão hebben de mensen, zoals op de hele wereld, hun sociale deugden en ondeugden. Zij zijn en blijven gewone mensen. Daar wil ik mee zeggen (om niet te spreken over hun levenspeil en woning enz., wat allemaal ver uitsteekt boven de Braziliaan en zeker ook ver boven menige emigrant), dat ze samen een echt Hollands dorp vormen, waar naast de gezamenlijke leut ook de wrijvingen bestaan. Er wordt gepraat over vriendjespolitiek, hoge salarissen van de bazen, smokkelen van sommige leden enz. Van dit alles is wat waar – waar is het niet waar?! Maar als men zijn opinie ging bouwen op deze feiten en feitjes, dan moet men op zoek gaan naar een aards paradijs en na het gevonden te hebben, zou men Ribeirão kunnen veroordelen als niet helemaal overeenstemmend met dat model. Alles bij elkaar heb ik dus een gunstig idee over de veel besproken Fazenda Ribeirão… en ik neem het op tegen iedere buitenstaander of “weggelopene” van de fazenda, mijn opinie te verdedigen.’

De Linie besloot zijn vervolgartikel aldus: ‘Dit zijn enige grepen uit ons dossier, die de weg naar een onderzoek voldoende aangeven. Wij menen dan ook te kunnen blijven bij de conclusie, die wij in ons vorig artikel trokken: ‘Men moge er van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten terecht stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is. Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

 

Wegbereiders: Charles Hogenboom (1907-1971)

Een jaar geleden publiceerde ik enkele portretten van personen die aan de wieg hebben gestaan van Holambra. Hoewel Charles Hogenboom daar niet bij betrokken was, heeft hij een grote stempel gedrukt op de ontwikkeling van Holambra. Dankzij de door hem in opdracht van Nederlandse geldschieters ingezette reorganisatie werd de nagenoeg failliete Nederlandse kolonie in Brazilië in tien jaar tijd omgetoverd tot een voorbeeldkolonie die werd bewonderd door invloedrijke Brazilianen en in 1961 met Holambra II een vervolg kreeg. Over zijn optreden als regeringscommissaris bij Holambra en zijn rol als voorzitter van de coöperaties Holambra I en II is veel bekend. Dit geldt minder voor de tijd voor zijn komst naar Brazilië en dan met name zijn Indische tijd. In de aanloop naar de viering van het 50-jarig bestaan van Holambra II (nu Campos de Holambra) verzamelde Kees Wijnen informatie over de jonge jaren van Hogenboom en zijn Indische tijd. Met zijn toestemming publiceer ik het eerste deel van zijn portret van Hogenboom. Hier en daar heb ik dit relaas aangevuld met gegevens die te vinden zijn op het internet.

Jeugd
Charles Jacques Jean Hogenboom werd op 7 januari 1907 geboren in de voormalige gemeente Zwollerkerspel als tweede zoon van Wilhelmus Theodorus Hogenboom (1878-1939) en Aleida Chatharina Stoer (1880-1936). Zijn vader was bij zijn huwelijk in 1902 winkelier in modeartikelen Aleida’s ouders hadden in Kampen een hotel. In Zwolle exploiteerde de familie Hogenboom enkele jaren café Zomerzorg aan de Veerallee. Na de middelbare school vervolgde Charles zijn opleiding aan de Middelbare Koloniale Landbouwschool in Deventer. Zijn schooltijd in Deventer liep parallel met die van Sicco Mansholt, de latere minister van Landbouw.

Uitspanning Zomerzorg. Foto: Historisch Centrum Overijssel
Uitspanning Zomerzorg. Foto: Historisch Centrum Overijssel

Plantagelandbouw
In 1927 of 1929 vertrok Hogenboom naar Nederlands-Indië. Hij werd uitgezonden door de Rubber Cultuur Maatschappij Amsterdam (RCMA). Als jong landbouwkundige was hij op Sumatra in dienst van Nederlandse ondernemingen die plantagelandbouw bedreven. Hij was lange tijd werkzaam als assistent op de plantage Liberta van de RCMA. Op grote oppervlakten werden arbeidsintensieve gewassen voor de export of voor de industriële verwerking geteeld waarvoor grote aantallen arbeidskrachten van andere plaatsen (koelies) werden aangetrokken. De koelies verbleven in eenvoudige onderkomens op de plantages. Charles kwam in Indië aan in de tijd dat de wereldcrisis zich manifesteerde. Men was gedwongen om te saneren bij de productie van grondstoffen die bestemd waren voor de Europese markten. Bovendien gingen de landen met importmaatregelen hun eigen productie beschermen. Een deel van de productie ging naar Japan.
In 1931 trouwde Hogenboom met Johanna Hendrika (Annie) de Gooijer (geboren in 1905). Annie’s ouders, Jan de Gooijer en Klaasje Krijnen hadden een veehouderij in Naarden. Omdat Charles in Nederlands-Indië zat, werd er met de handschoen getrouwd en liet hij zich vertegenwoordigen door zijn vader. Annie was tot haar huwelijk werkzaam als onderwijzeres. Annie nam de boot naar Indië en ging met Charles wonen in Medan. Zij kregen vier kinderen: Hans, Charly, Frans en Paul. Medan was de residentiehoofdplaats. In deze hoofdplaats van het koloniale landbouwgebied Deli bestond een uitgesproken bewustzijn van de rangen en standen. De Nederlanders hielden zich als regel apart van de inheemse bevolking. Ondanks de moeilijke economische situatie slaagde Charles erin om zijn vleugels uit te slaan. Hij werd in 1934 gekozen tot voorzitter van de Vereniging voor Assistenten in Deli. Vanwege zijn opvallende rol wil de rubbermaatschappij wil hem benoemen tot administrateur van een plantage. Hij bleef echter zijn oorspronkelijke functie als planter uitoefenen tot het begin van de Japanse bezetting in 1942.
Typerend voor de ferme houding van Hogenboom was de voordracht die hij op 1 april 1941 hield op de jaarvergadering van de Vereniging van Assistenten in Deli. ‘Geen slapheid maar scheppende arbeid’ was de leidraad van zijn betoog. In navolging van de koningin riep hij op tot morele herbewapening: ‘Wil de krachtsinspanning de sterke hefboom zijn, die ons volk opheft boven zichzelf uit, boven de onderlinge verdeeldheid en den druk van den tijd, dan moet zij worden omgezet in de levenshouding van : “draagt elkanders lasten” in de geheele samenleving. Laten wij in dit ernstige tijdsgewricht werkelijk eerlijk zijn tegenover onszelf ook als volk en de oogen niet sluiten voor onze tekortkomingen en feilen als mensch en als gemeenschap.’(Soerabaijasch Handelblad, 4 april 1941).

Dubbele woning op plantage Liberta. Foto: Wikimedia Commons
Dubbele woning op plantage Liberta. Foto: Wikimedia Commons

Japanse kampen
In 1942 werd Nederlands-Indië bezet door het Japanse leger. Hiermee kwam een einde aan de vooraanstaande positie van de Nederlanders. Alle Nederlanders werden geïnterneerd in kampen. De kampen werden in opdracht van de Japanners bewaakt door leden van de inheemse militie (Heiho’s) en Koreanen. Vanaf april 1944 kwamen de kampen onder het Japanse commando. Het regiem werd strakker. De verbinding met de buitenwereld werd beperkt. En er kwam steeds meer honger. De familie Hogenboom werd gescheiden geïnterneerd. Mevrouw Hogenboom met haar kinderen Charly en Frans kwamen terecht in een kamp met vrouwen en kinderen tot tien jaar. Tijdens haar gevangenschap werd in 1942 haar jongste zoon Paul geboren. De oudste zoon Hans, die inmiddels tien jaar oud was, zat bij zijn vader in het kamp voor de volwassen mannen.
Charles Hogenboom en zoon Hans kwamen eerst terecht in kamp Soengei Sengkol nabij Medan. Dit kamp was gevestigd in het koeliehospitaal van de maatschappij Arendsburg. Vanuit andere kampen werden hierheen de mannen en de jongens samengebracht. Dit kamp had een doorgangsfunctie want in oktober 1944 – toen een geallieerde invasie op handen leek werd het overgrote deel van de kampbewoners weer overgebracht naar een nieuw kamp (Si Rengorengo), op 300 km van Medan in een moerassige omgeving aan de Bila-rivier. Ook vanuit de andere kampen in Medan en omgeving werden de bewoners massaal samengebracht zodat het aantal geïnterneerden in het mannenkamp opliep tot meer dan 2000. Deze bewoners waren ondergebracht in de barakken te midden van de rubberbossen. De dichtst bijzijnde plaats (Rantan Prapat) lag op tien kilometer afstand. Het kamp kreeg de naam van Dodenvallei. Van oktober 1944 tot de bevrijding in augustus 1945 deden er zich 120 sterfgevallen voor. Terzelfder tijd waren ook de vrouwen en kinderen vanuit de omgeving van Medan overgebracht naar een naburig kamp Aek Pamienke (Zie Geert Mak, De eeuw van mijn vader, p. 325; ook Rudy Kousbroek verbleef in Si Ringoringo).
In het kamp Soengo Sengkol en vervolgens ook in Si Ringoringo waren Charles Hogenboom en W F (Pim) van Bloemendaal de kampleiders. Zij waren verantwoordelijk voor de gang van zaken in deze gemeenschap. In de kampen moesten de bewoners zelf zorgen voor de levensmiddelenproductie. Gezamenlijk waren zij verantwoordelijk voor de verzorging van hun ruim 2000 medebewoners in uiterst primitieve omstandigheden. In die functie kwam Charles naar voren als een bezielende leider die ondanks alles de mensen de moed en de hoop liet behouden. Op zijn initiatief werd gewerkt aan de voedselproductie waarvoor rubberbomen van zijn werkgever plaats moesten maken voor de teelt van rijst. Voor zijn heldhaftige rol in de Japanse kampen ontving Charles Hogenboom een onderscheiding ( Bronze Resistence Star for South East Asia) uit handen van Generaal Douglas Mc Arthur. Charles werd ook drager van het Verzetskruis in Nederlands Indië 42-45. De toekenning van de medaille “Commander for the South pacific” heeft hij geweigerd, omdat hij meende dat mensen zoals de broeders in de interneringskampen hierop meer recht hadden.

Van Indië naar Indonesië
Bij de bevrijding van de kampen door het Engelse leger (Gurka’s) waren de moeilijkheden voor de Nederlandse families nog lang niet geweken. Er waren chaotische toestanden. Her en der waren milities die zich keerden tegen het herstel van de eerdere verhoudingen. In sommige plaatsen moesten de Japanners de kampbewoners beschermen tegen de vijandige houding van de Indonesische nationalisten. In die periode trad Charles op als crisismanager om de gezagsverhoudingen te herstellen. Hij was de politieke en sociale adviseur van de Senembah Maatschappij. Dit was de samenvoeging van werkmaatschappijen voor de koffie, thee, rubber en palmolieproductie.
Bij het proces van verzelfstandiging van het koloniale gebied zette de Nederlandse regering in op een federatief verband van Indonesische Staten. Vanwege hun belangen in het Oost-Sumatraans cultuurgebied rond Medan streefden de Nederlanders samen met Indonesische notabelen naar een aparte deelstaat die geen deel uit zou maken van de Federatie, maar verbonden zou blijven met het moederland. In de hoofdplaats Medan woonden in de jaren dertig van de vorige eeuw 4200 blanken, 27 000 chinezen en 40 000 inheemsen. In de kustvlakte bevonden zich grote plantages met teelten van tabak, rubber, oliepalm, thee en agave. Dit waren producten die nauw verbonden waren met de Nederlandse handelshuizen.
Bij de verkiezingen voor de deelstaat Deli werd Charles Hogenboom gekozen tot vice-voorzitter van de Volksraad. De zoon van de sultan van Deli was de voorzitter van het bestuursorgaan. Samen met het sultanaat Celebes en met Timor streefde Sumatra’s Oostkust naar een autonome status en binding met Nederland. Bij de Rondetafelconferentie met de vertegenwoordiging van de Indonesische bestuurders in 1949 werd echter de zelfstandigheid van de Indonesische eenheidsstaat door de Nederlandse regering erkend. Dit ondanks het verzet van de vertegenwoordiger van de Volksraad van Deli.
De familie Hogenboom erkende dat er voor de Nederlanders in de nieuwe verhoudingen geen plaats meer voor hen was. De familie keerde daarom terug naar Nederland. Charles Hogenboom bleef optreden als adviseur van de Senembah-onderneming die vanuit Amsterdam de mogelijkheden verkende voor nieuwe productiegebieden. De familie Hogenboom vestigde zich in Naarden.

Charles Hogenboom
Charles Hogenboom

Holambra
Eind 1950 werd Charles Hogenboom benaderd voor de functie van regeringscommissaris bij de nagenoeg failliete Fazenda Ribeirão in Brazilië. In die tijd genoot hij al enige bekendheid binnen Nederlands-Indische kringen. Wie hem heeft benaderd voor deze opdracht is niet bekend. Hogenboom had onder meer contacten met ir. F. Otten van Philips Nederland en mogelijk stond zijn naam ook op het vizier bij de ministers Sicco Mansholt van Landbouw en Dolf Joekes van Sociale Zaken die beiden ook in Nederlands-Indië hadden gewerkt. Mogelijke andere verbindingen met Indië waren ir. M.A. van Roggen, die als landbouwkundige gerapporteerd had over de situatie op de Fazenda Ribeirão en de secretaris van de KNBTB, R.H.J. Roborgh. Roborgh had hem in 1947 al eens gepolst voor een functie bij de bond.
Begin 1951 vertrok hij als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering om de mogelijkheden op Holambra te bezien. Hij had een voorlopige opdracht om te bezien op welke wijze de voorstellen voor de reorganisatie konden worden uitgevoerd. Was het verlenen van het krediet aan de coöperatie wel verantwoord? De Senembah-maatschappij had hem voor deze periode beschikbaar gesteld. Op basis van zijn bevindingen besloot de Nederlandse regering zich garant te stellen voor een lening van 2,85 miljoen gulden en de aanstelling van Hogenboom te continueren. Charles Hogenboom vestigde zich nu samen met zijn gezin op de fazenda.

Drie jaar emigrantenleed in Brazilië

Fazenda Ribeirão in opspraak!

Op 23 februari 1952, een week na het artikel in De Linie, waarin de opspraak van de Fazenda Ribeirão verscheen in een ander katholiek weekblad een artikel waarin de opspraak uitvoerig uit de doeken werd gedaan. Auteur was Sjef van den Besselaar, leraar klassieke talen, die in 1949 door Geert Heijmeijer was aangetrokken met als doel een Besselaargymnasium op de fazenda te stichten. Van dit ambiteuze plan kwam door de moeilijkheden op de fazenda niets terecht. Zelf had hij de indruk dat hij slechts was ingehuurd voor het opleiden van de kinderen van Heijmeijer. Vanaf eind 1951 maakte hij deel uit van de groep fazendabewoners die zich keerden tegen het nieuwe bewind van Charles Hogenboom. In 1952 ging hij oude geschiedenis doceren aan de Katholieke Universiteit van São Paulo. In 1961 keerde hij met zijn gezin terug naar Nederland waar hij lector en later hoogleraar Portugees werd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1967 publiceerde hij het boek Brazilië. Ontwakende reus in de tropen. Hieronder volgt integraal Van den Besselaars artikel in De Nieuwe Eeuw, dat op de Fazenda Ribeirão direct leidde tot grote beroering.

Het is, uit inlichtingen die ons van meer dan één zijde bereikten, wel duidelijk, dat er met de Nederlandse nederzetting “Fazenda Ribeirão” in Brazilië een en ander niet geheel in orde is. Men zou hierover gaarne een nader onderzoek willen instellen alvorens er over te publiceren. Het feit echter dat een ander weekblad de vorige week een artikel over deze aangelegenheid bracht dat een, naar tot oordelen bevoegdheden verzekeren, ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken gaf, noodzaakt ons thans bijgaand artikel te publiceren. Het wordt door derden als “volkomen waarheidsgetrouw” gekenmerkt. In elk geval is het, voor de goede orde van het hoor en wederhoor, noodzakelijk thans dit relaas te publiceren.

Ruim drie jaar geleden werd een begin gemaakt met de georganiseerde emigratie van katholieke boeren naar Brazilië. Het ontbrak de kolonisten noch aan de zegen der kerkelijke autoriteiten, noch aan de morele en financiële steun der regeringen van het oude en van het nieuwe vaderland. Brazilië gedroeg zich ook in een ander opzicht royaal: het stond immigratie in groepsverband toe. Juist deze omstandigheid oefende op vele boeren een grote aantrekkingskracht uit. Welbewust gaven zij aan deze vorm van emigreren de voorkeur, omdat zij in een kolonie de godsdienstige en zedelijke belangen van hun gezin beter beveiligd achtten dan wanneer zij individueel de grote sprong naar de overzijde van de oceaan zouden wagen. Het werk zou langdurig en zwaar zijn, hiervan was men overtuigd, maar door een gemeenschappelijke krachtsinspanning van allen zou men hier voor zijn kinderen de toekomst kunnen veroveren. Zelfs waren zij bereid tot het grootste offer dat men van een Nederlandse boer kan vragen: voorlopig wilden zij iets prijs geven van hun zelfstandigheid om het geheel betere kansen van slagen te geven. Een gezonde idealistische inslag mag het overgrote deel dezer boeren niet ontzegd worden.
Ondanks de gunstige voortekenen is de Fazenda Ribeirão bezig te mislukken. Het is de droevige werkelijkheid: de kolonie verkeert nu al ruim een jaar in staat van ontbinding en dit proces van ontbinding is niet het gevolg van onvermijdelijke tegenslagen, natuurrampen en dergelijke factoren, waartegen men zich moeilijk wapenen kan, maar is hoofdzakelijk te wijten aan de ondeskundigheid, de tactloosheid en de arrogantie van de leiding. In het kort zullen we trachten deze bewering te adstrueren.

Optreden Ir. Heymeyer
Aan de goede bedoelingen van de voormalige leider Ir. G. Heymeyer behoeft niet getwijfeld te worden. Maar de geschiedenis heeft bewezen, dat men met goede bedoelingen alléén een kolonie niet opbouwt. Het tijdperk van zijn bewind kan men het best kenschetsen als het tijdperk van improvisatie en van de fantastische constructies. Reeds dadelijk bleek, dat aan de meest elementaire problemen nauwelijks of geen aandacht was besteed. Drie jaren emigrantenleedBetrouwbare voorstudies ontbraken, evenals een vast omschreven bouwplan en een reële begroting. Er werd hard gewerkt in die dagen, maar op de manier van dilettanten, die in een roes van optimisme verkeren. Toen de kolonie zich begon uit te breiden, ging men de behoefte aan een betere organisatievorm duidelijker inzien. Maatregelen werden uren lang overwogen, maar ofwel niet uitgevoerd ofwel daags daarna met de grootste lichtzinnigheid herroepen. In een overmaat van verkeerd begrepen verantwoordelijkheidsgevoel, was Ir. Heymeyer op geen enkele manier ertoe te bewegen, anderen in de verantwoording, die hij voor het geheel droeg te laten delen. Zelfs in de kleinste nietigheden eiste hij zich de beslissende stem op, wat zijn gezag na enige tijd ondermijnde en lichtelijk belachelijk maakte. Toen hij hierop van bevriende zijde attent werd gemaakt, legde hij dit uit als een greep naar de macht.
In plaats van zich eerst en vooral om de onmiddellijke productie te bekommeren ging men over tot dure experimenten, alsof men jaren tijd had om de boterham te verdienen. Naar goed bedoelde raad van deskundige zijde, hetzij van Nederlanders hetzij van Brazilianen, werd niet geluisterd. In het algemeen legde men een volkomen misplaatst meerderwaardigheidsgevoel aan de dag tegenover de Braziliaanse buitenwereld. Een positieve waardering voor het volk, dat enige honderden Nederlanders zo gastvrij ontvangen had, konden de leiders van Ribeirão niet opbrengen. Het behoorde – en behoort nog – tot de bon ton af te geven op Brazilië, waarvan men overigens niets weet, en nog minder begrijpt. Geen van hen spreekt ook maar draaglijk Portugees, wat ook in economisch opzicht een grote handicap is.
Aan de grote problemen van de dag werd niet voldoende aandacht geschonken, men verloor zich liever in toekomstdromen, fantaseerde over een middelbare school en een cultureel centrum, waarbij men zich gedroeg alsof Brazilië volkomen een vacuüm was. Tot grote ontsteltenis van de boeren drong een leger ambtenaren de fazenda binnen, niet alleen lieden wier aanwezigheid men op een boerendorp mag veronderstellen, zoals een dierenarts, een landbouwkundig ingenieur en een zuiveldirecteur, maar nog vele andere intellectuelen en semi-intellectuelen zwermden over de fazenda heen. Deed men echter een beroep op dit organisatorisch apparaat, dan bleef het telkens weer in gebreke. Iedereen projecteerde en organiseerde, en niemand kende zijn plaats in het ingewikkelde bestel.
De meest uitgeslapen boeren begonnen toen al te vermoeden, dat het met de cooperativa niet bijster goed ging. Het eerst ontevreden werden natuurlijk die boeren, die financieel bij de onderneming het meest geïnteresseerd waren, m.a.w. zij die er een behoorlijke duit in hadden zitten. Eenmaal in Brazilië aangekomen, konden zij geen enkele invloed meer doen gelden op de algemene gang van zaken, hoe groot het bedrag ook was geweest dat zij kort geleden aan zulke gretige handen geofferd hadden. Want het “gele boekje” met de statuten zag er wel veelbelovend uit, maar in de praktijk bleek het slechts een vodje papier. Vrije opinie- of besluitvorming was voor de leden van het begin af aan een onmogelijkheid. Er werd in die periode druk vergaderd, maar alleen door officiële instanties, die in geen enkel opzicht als de vertegenwoordigende organen van de bevolking konden gelden. Algemene vergaderingen werden maar zelden belegd; ze waren trouwens meer een “Proklamationsstelle” dan een werkelijk delibererend lichaam. Op zakelijke bezwaren werd gereageerd met een stichtelijk verhaaltje, en wat aan de argumenten van de voorzitter ontbrak, werd ’s zondags door de preek van de pater aangevuld.
Intussen waren de financiën hopeloos in de war geraakt. Een nieuwe lening zou worden aangegaan met de Nederlandse regering. Na maandenlange besprekingen en onderhandelingen kwam het midden 1951 dan zo ver: de lening was er door, zij het dan ook veel te laat. Aan het verstrekken van deze lening werd van Nederlandse zijde als voorwaarde verbonden de aanwezigheid van een commissaris, die de hoogst financiële en economische autoriteit op de fazenda zou zijn. Daarmee trad de cooperativa in een nieuwe fase.

Optreden Hr. Hogenboom
De eerste indruk die de commissaris, dhr. Ch. Hogenboom maakte, was niet ongunstig. Aan enige organisatorische wantoestanden werd inderdaad energiek een eind gemaakt. Met vreugde vernamen de boeren zijn besluit, dat ze spoedig allemaal zelfstandig zouden worden. Het tijdperk der fantasie was definitief afgesloten, een nieuw tijdperk van zakelijkheid brak aan.
Maar de zakelijkheid, die de commissaris nastreefde en nog nastreeft, is die van de Senembang-maatschappij, als wier employé hij jarenlang in Indonesië heeft gewerkt. Gewend als hij is met koelies om te gaan, volgt hij dezelfde methode met de boeren, van wier mentaliteit hij te enen male niets begrijpt. Het dient erkend: de nood van de omstandigheden vraagt een energiek beleid. Maar hiermee worden bruutheid en willekeur niet gerechtvaardigd. Dhr. Hogenboom is vastbesloten de fazenda te redden, kost wat kost: de operatie zál slagen, ook al moet de patiënt bezwijken. – En de patiënt is aan het bezwijken.

Van iedereen werd onder het nieuwe bewind een verregaand conformisme verlangd. Elke vorm van kritiek zowel op het oude als op het nieuwe regime werd botweg uitgelegd als een gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. Personen die ernstige en gerechtvaardigde grieven hadden, die de dupe waren geworden van het vroegere wanbeheer en om rechtsherstel vroegen, werden nauwelijks aangehoord en, bleven ze aandringen, zonder meer van de fazenda verwijderd. Het eigenlijke bestuursapparaat, wel te onderscheiden van het bestuur, werd practisch ongewijzigd overgenomen; de vertrouwensmannen van de boeren, die in het nieuwe “officiële” bestuur zitting kregen, hadden geen enkele reële invloed. Nooit werden de fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel, de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken, en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met hun ondoordachte brieven het bestaan der fazenda in gevaar zouden brengen. Soms beriep men zich op de omstandigheden, en enkele malen dreef men de onbeschaamdheid zo ver om de oorzaak van de moeilijkheden toe te schrijven aan Nederlandse paters buiten de fazenda, die meer dan iemand hebben bijgedragen om de jeugdige onderneming op allerlei gebied service te verlenen. Zo werd het rechtvaardigheidsgevoel van de gehele bevolking gekwetst. Met contracten en met eerder gedane toezeggingen werd op de meest willekeurige manier omgesprongen.
Vooral de intellectuelen, die prijs stelden op een onafhankelijk oordeel, moesten het ontgelden. Ze werden er uitgewerkt, de een op een nog minder elegante manier dan de andere. Na deze zuivering beschikt de leiding thans over een stelletje “employé’s”, op wier meegaandheid zij in alle omstandigheden kan rekenen.

Crisis
De crisis, die men al maanden te voren had kunnen zien aankomen, viel eind october – begin november 1951. Toen werden de leden van de coöperatie gedwongen – nota bene: degenen die er hun centen in hadden zitten – een verklaring te tekenen, waarbij ze voor de duur van 10 à 12 jaar afstand deden van hun eigendomsrechten. De term “gedwongen” is hier niet overdreven, want de ondertekenaars, financieel berooid, zonder kennis van dit land, volk en taal, verkeerden in een dergelijke noodpositie, dat van een eigenlijke vrije beslissing geen sprake kon zijn. Aanvankelijk weigerde ruim het derde deel te tekenen, maar na enige dagen was het ongeorganiseerde verzet gebroken. Zulk een capitulatie zou onder havenarbeiders niet mogelijk zijn geweest, onder Brabantse en Limburgse boeren echter wel. Dezen immers zijn sterk individualistisch, bijna wantrouwig van aard, hebben een minderwaardigheidscomplex tegenover de intellectuele leiding, zijn afkerig van blinde avonturen en verstaan niet de kunst om georganiseerde oppositie te voeren. Zo kon de machtspolitiek van de leiding hen overrompelen. Onder het vroegere bewind werden ze gepatroniseerd, onder het huidige worden ze geïntimideerd. Een paar wapenen zijn hun echter niet uit de handen te slaan: het wapen der kritiek, vaak met veel gezond verstand en met groot gevoel voor humor gehanteerd, en een zekere slimheid, die in alle omstandigheden superieur blijkt aan welke maatregelen van overheidswege dan ook.

Sapienti sat…
In brede kringen bestaat momenteel echter een diepe verslagenheid of een grote verbittering; de werklust is bedenkelijk gedaald; velen vragen zich ernstig af hoe ze zichzelf en hun gezin nog kunnen redden. Er zijn er niet weinigen, die gemeend hebben deze vraag te moeten beantwoorden door de benen te nemen, desnoods met achterlating van hun kapitaal en hun bedrijfsinventaris. Er hebben zich al kleine kolonietjes gevormd in Rio Grande do Sul en in het noorden van de staat São Paulo, die door achterblijvers beschouwd worden als mogelijke steunpunten, wanneer het ook hun te warm mocht worden onder de voeten. Dit jaar zijn reeds ruim 150 personen (20 à 25%) naar elders vertrokken, en een zeker even groot aantal personen speculeert nog op een gunstige gelegenheid om de plaat te poetsen. Dit wordt hun echter steeds moeilijker gemaakt, want de laatste handtekening die ze geplaatst hebben, verplicht de deserteurs om voor een opvolger te zorgen. En er zullen nog maar weinig boeren in het lieve vaderland te vinden zijn, bereid om zulk een hoge prijs te betalen voor de post van rechteloos zetboer op de Fazenda Ribeirão. Andere kolonisten en ex-kolonisten, die op de fazenda geen recht konden vinden, hebben een Braziliaans advocaat in de arm genomen. Niemand weet wat het eind van dit liedje zal zijn.

Oplossing?
Het probleem van Ribeirão is niet in de eerste plaats van financiële of economische aard. Als onberekenbare rampen uitblijven, zou het inderdaad mogelijk zijn de enorme lasten te boven te komen, mits een eind wordt gemaakt aan de vertrouwenscrisis van thans. De tegenwoordige leiding doet niets om het geschokte vertrouwen te herstellen, integendeel, met haar ontactische maatregelen prikkelt ze tot daden van sabotage en verzet. Wie een maand geleden op dit stukje kibbelend Nederland rondwandelde, kon de indruk krijgen, dat hij zich in bezet gebied bevond. “Regeringspartij” en “oppositie” waren er gangbare termen, en aan deze terminologie beantwoordden van weerszijden acties en campagnes, die tot de ondergang van de kolonie moet leiden. Uit meerdere bronnen blijkt duidelijk, dat de algemene stemming de laatste maand wezenlijk niet verbeterd is.
Het gemis aan een boven de partijen staande geestelijke leiding doet zich sterk gevoelen. Want de rector van de kolonie is helaas niet geschikt voor zijn ambt van geestelijk herder van de boeren. Dezen zien in hem het verlengstuk van het bestuur, niet de pastoor van de parochie. In hun behoefte om hun hart uit te storten aan een geestelijke, nemen velen hun toevlucht tot de Nederlandse paters in Campinas of São Paulo. Ook dit leidt tot allerlei ongewenste spanningen.
Nog steeds leven 500 Nederlanders op Ribeirão in verdeeldheid en onrust. De naam van ons land heeft in Brazilië reeds veel geleden ten gevolge van het avontuur dat “Cooperativa Holambra” heet. Wij zouden ons crediet helemaal kunnen verspelen, als op deze weg werd voortgegaan. Dit verhindere het gezond verstand van de autoriteiten in het vaderland.

Dr. J.J. van den Besselaar

Filmisch eerbetoon aan nazaten Zeeuwse emigranten in Brazilië

Op zaterdag 31 januari 2015 ging in Vlissingen de documentaire ‘Braziliaanse Koorts’ in première. De film, gemaakt door Arjan van Westen en Monique Schoutsen, werd mogelijk gemaakt door crowdfunding. Sinds de zomer van 2013 waren zij present op vele Zeeuwse jaarmarkten om geld bijeen te verzamelen om de film te kunnen maken. Van de benodigde 25.000 euro wisten zij aldus 22.000 euro bijeen te brengen. Enkele subsidies, zoals van Dutch Culture en OOS International, gaven de filmmakers het laatste zetje.

BrazilkoortsHet plan om de film over de Zeeuwse nazaten in Brazilië te maken is ontsproten aan het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis. Roos en Eshuis waren in de jaren ’70 en ’80 in de deelstaat Espírito Santo werkzaam als zendingsmedewerkers. Zij kwamen in die tijd in contact met de inwoners van het dorpje Holanda, die bij nader inzien afstamden van landarbeiders uit Zeeuws-Vlaanderen, die rond 1860 waren geronseld voor een nieuwe toekomst in Brazilië. De Braziliaanse werkelijkheid bleek echter totaal anders te zijn dan ze werd voorgespiegeld. De omgeving van Holanda, maar ook andere locaties in Espírito Santo waar zich Zeeuwen hadden gevestigd, was echter moeilijk toegankelijk en amper geschikt voor landbouw. Bovendien ontbeerden de emigranten de vaardigheden om een bloeiend landbouwbedrijf op te zetten. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw was er nog contact met Nederland, waarna dit contact werd verbroken.

‘Braziliaanse Koorts’ volgt nauwgezet het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse gemeenschappen in Espírito Santo en het aangrenzende deel van de deelstaat Minas Gerais. De film bevat interviews met archivarissen, historici en journalisten in Zeeland en Brazilië, die de emigratie van de Zeeuwen nader verklaren. Vervolgens wordt ingezoomd op oudere nazaten, die nog steeds een Zeeuws-Vlaams dialect spreken, een erfenis van een langdurig isolement. De laatste decennia gaat het langzaamaan beter waardoor de invloed van de omliggende Braziliaanse samenleving groter is geworden en het dialect werd vervangen door het Portugees.

In het tweede deel van de film wordt ingezoomd op de herontdekking van de Zeeuwen. De filmmakers konden dankbaar gebruikmaken van super-8 films van Roos en Eshuis, om iets van de Zeeuwse gemeenschap in de jaren ’70 te laten zien. De herontdekking leidde direct ook vanuit Zeeland tot hulpacties, waarvan de resultaten op zijn minst discutabel waren. Alleen Zeeuwse nazaten hadden recht op hulp, terwijl hun niet-Zeeuwse buren niet mochten meeprofiteren. De hulpacties waren misschien wel goed bedoeld, maar weinig effectief. De Zeeuwse nazaten profiteerden meer van de economische voorspoed van Brazilië van de laatste decennia.

???????????????????????????????
Arjan van Westen (midden) tijdens de première van Braziliaanse Koorts

In de film komt vrijwel elke historische episode in de geschiedenis van de Zeeuwen van Espírito Santo aan de orde. Zo ook, zoals gezegd de aanwezigheid van Roos en Eshuis, de hulpacties van de stichting Zeebra (Zeeland-Brazilië) en het onderzoek van de Zeeuws-Vlaamse antropoloog Frans Buysse. Dat eind jaren tachtig al een documentaire over Holanda werd gemaakt, blijft echter onvermeld. In deze documentaire uit de reeks ‘Hollander voor de eeuwigheid’ werd vooral ingezoomd op Holanda als gemeenschap en de wijze waarop de inwoners na 130 jaar hun ‘Hollandse’ identiteit beleefden. Vanwege de juridische problemen rond de filmmaker konden Van Westen en Schoutsen geen gebruik maken van deze oude documentaire. ‘Braziliaanse Koorts’ is daarentegen het werk van historici en vertelt op het filmdoek een geschiedenis. Aan het einde laten de filmmakers zien hoe de cirkel weer rond is. Zij portretteren een nazaat van de Zeeuwse landarbeiders die in 2003 in Brazilië werd geronseld met het verhaal dat in Nederland het geld voor het oprapen ligt. In Amstelveen ervaart zij op haar beurt wat het is om onder valse voorwendselen een nieuw bestaan te moeten opbouwen in een nieuw land, waar zij niet gewenst is en ook geen werk kan vinden en veroordeeld is tot een marginaal bestaan als illegaal.

‘Braziliaanse Koorts’ is een fascinerende documentaire geworden als eerbetoon aan de Zeeuwse emigranten die onder de belofte van een gouden toekomst terecht kwamen in bittere armoede. De filmmakers kwamen net op tijd. Over tien à vijftien jaar is er in Brazilië waarschijnlijk niemand meer te vinden die een Zeeuws-Vlaams dialect spreekt.

De DVD van Braziliaanse Koorts is te verkrijgen door 15 euro over te maken op NL06 RABO 0137776128 op naam van Kadekoorts (En vermeld uiteraard uw naam en adresgegevens)