Emigrantenleed in Itapira

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (1)

Afgelopen jaar bracht ik tijdens mijn Braziliëreis een bezoek aan Itapira. De reden voor het korte bezoekje aan dit stadje, 40 kilometer ten noordoosten van Holambra, was een

Itapira in 2013
Itapira in 2013

Nederlands emigrantendrama dat zich tussen 1891 en 1893 in Itapira heeft afgespeeld. Op 25 september 1889 was de landarbeider Antko Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen Gezina, Frederik en Udo met de ms ‘Schiedam’ naar Argentinië geëmigreerd. Drenth verbleef in Argentinië op verschillende plaatsen, maar wist daar geen geregeld bestaan op te bouwen. In maart 1891 – het gezin was inmiddels uitgebreid met de in Tucumán (Argentinië) geboren Christiaan – vertrok de familie Drenth over zee naar Brazilië, ten einde op de koffieplantages te gaan werken. De hoop op een herkansing werd echter de bodem ingeslagen. Het gezin Drenth bleef zowel in Argentinië als in Brazilië ziektes niet bespaard. Moeder Rijna wist wonderwel te herstellen, maar hun zoon Udo en ook Antko lieten het leven. Met behulp van geld uit Nederland konden de weduwe Rijna, de oudste dochter Gezina (17 jaar) en de zoon Frederik (13 jaar) in september 1893 naar Nederland terugkeren. Over het lot van de kleine Christiaan is niets bekend.

Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)
Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)

Met de terugkeer was het emigratievirus nog niet geweken. In 1905 emigreerde zoon Frederik Drenth naar de Verenigde Staten, om zich te vestigen in Kalamazoo, Michigan. Een jaar later volgde zijn zus Gezina, haar man Jan Hensens en hun vier kinderen en ook de weduwe van Antko Drenth. Allen vestigden zich in Kalamazoo in Michigan, in de nabijheid waarvan zich heden ten dage nog nazaten van Antko Drenth en Rijna Dijk woonachtig zijn. Dit zijn nazaten van Jan en Gezina, die uiteindelijk negen kinderen kregen, zeven dochters en twee zonen.

De reden dat ik aandacht besteed aan de lotgevallen van de familie Drenth is gelegen in het feit dat enkele jaren geleden in het nalatenschap van Trijntje Rens, een vrouw die zelf in 1909 met haar gezin naar Brazilië emigreerde en via Argentinië weer terugkeerde naar Nederland een boekje werd aangetroffen met brieven van de familie Drenth. Dit boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat brieven die Antko en Rijna schreven aan hun familie in Nederland. De komende tijd wil ik deze brieven op mijn website publiceren.

Reeds vóór het verschijnen van dit boek verscheen in diverse kranten het volgende bericht over de terugkeer van de weduwe Drenth en haar twee overgebleven kinderen.

Brieven emigranten“De weduwe van Antko Drenth, een arbeider die voor vier jaren met vrouw en vier kinderen van Westerlee naar Buenos-Ayres vertrok, is met twee kinderen, een jongen van pl.m. 14 en eene dochter van 17 jaren, vandaar teruggekeerd. Zij hangt een verschrikkelijk tafereel op van de ellende, de gevaren en de ontberingen, die de emigranten zich daar moeten getroosten. De dood ontnam haar in Brazilië eerst haar oudsten zoon, daarna stierf Drenth aan de gevolgen van de doorgestane ellende en later stierf nog een kind van 2½ jaar oud, dat op hare zwerftochten geboren was. Volgens haar blijkt de Europeaan ten eenemale ongeschikt voor den arbeid in die streken, want zwaar gebouwde mannen — en daaronder zelfs Italianen — zag men binnen weinige weken tot schimmen veranderen. De Asser Ct. deelt bovendien nog het volgende mede:

De woningen der emigranten waren slecht, niet beter dan hokken, en van meubelen was geen sprake, zelfs stoelen en tafel ontbraken en de vloer diende te gelijk tot legerstede. Eerst scheen het nogal dragelijk te zullen worden, maar toen de crisis kwam en de geldnood zich openbaarde, werden ze van de eene provincie naar de andere gezonden, zoodat ze eindelijk na een voetreis van een maand, met pak en zak — wat trouwens niet veel was — weder op het punt van uitgang terugkwamen. Het binnenland is bergachtig en het reizen aldaar moeilijk en vol ontberingen; logementen zijn er voor de emigranten op hun reis bijna niet te vinden en dikwijls moeten zij onder den blooten hemel overnachten. Het eten bestond in hoofdzaak uit maïsbrood en rijst. Eens scheen er voor haar uitkomst te zullen komen, want door eenige vrienden was een zekere som naar een broeder van Drenth te Chicago gezonden, welke som daar werd aangevuld en toereikend was om de familie naar Noord-Amerika te doen verhuizen, maar Drenth was inmiddels overleden en ofschoon de weduwe wist dat het geld naar den consul was opgezonden, kon zij niet, te weten komen wie het in bezit had, tot zij eindelijk, na wel een half jaar zoeken, bij den Nederlandschen consul te Santos (een Duitscher) kwam, die haar in hare opsporing bijstond en door wiens bemiddeling het gevonden werd. Het was echter al geslonken tot een bedrag, niet toereikend voor de lange reis naar Noord-Amerika. Maar ook de rest kon zij niet ontvangen, want de consul te Santos eischte daarvoor een bewijs van overlijden van haren man, doch daar de Argentijnen er geene registers van den burgerlijken stand op na houden, was dat bewijs natuurlijk door haar niet te geven, ’t Geluk diende haar, want geruimen tijd daarna ontving zij te Buenos-Ayres een bezoek van een landsman, een Amsterdammer, die haar man had uitgedragen, en die zich verwonderde haar daar nog aan te treffen. Deze bood haar aan met haar naar Santos te gaan. Daar bezwoer deze het overlijden van Drenth en nu verschafte de consul haar vrijen overtocht naar Bremen en een weinig reisgeld naar haar vroeger vaderland. Zij is arm en heeft een veelbewogen leven van vier bange jaren achter den rug.”

Bron: Algemeen Handelsblad, 28 september 1893.
Met dank aan Trinida de Kraker en de nazaten van de familie Drenth in de V.S.