“Fazenda Ribeirao” werd in drie jaar een model-nederzetting

Braziliaanse regering waardeert en steunt

Behalve de katholieke weekbladen De Nieuwe Eeuw en De Linie publiceerden ook andere Nederlandse kranten over de moeilijkheden op de Fazenda Ribeirão. Ook die kranten zijn onder te verdelen in pro en contra de nieuwe leiding. Het toen nog katholieke dagblad De Volkskrant publiceerde op 22 maart 1952 een redelijk genuanceerd stuk waarin een poging werd gedaan de de moeilijkheden te verklaren. De krant ging daarbij ook niet voorbij aan het feit dat aan het zelfstandig boeren op de Fazenda scherpe voorwaarden werden gesteld, die voor verschillende boeren niet acceptabel waren.

o-cruzeiro-1952Het grootste Braziliaanse weekblad O Cruzeiro, met een oplage van 350.000 exemplaren, publiceerde enige tijd geleden een fotoreportage van de Nederlandse kolonie van katholieke boeren in de staat Sao Paulo: de “Fazenda Ribeirao”. Op een van de foto’s stond boer Fons Sleutjes uit Den Dungen. Zijn rechterarm lag om de hals van een rood-bont kalfje. Het onderschrift bij de foto zei: ‘Dit is een Nederlandse boer in Brazilië, zonder tulpen en zonder molens. Deze boer werkt op een model-kolonie aan de versterking van de inheemse agricultuur van Brazilië’. Op een andere bladzijde werden vier jonge boerinnen, vrolijke frisse meisjes van de Nederlandse boerengemeenschap, afgebeeld. ‘Jonge Nederlandse meisjes van de Fazenda Ribeirao’, stond erbij. ‘Zij gebruiken geen lippenstift en hebben geen gelakte nagels, maar zij werken aan hun toekomst. Meisjes van Brazilië, gaat daar eens kijken.’

Fouten van begin nu overwonnen.
Het is niet alleen de Braziliaanse pers, die belangstelling heeft voor deze grootscheeps opgezette kolonie in groepsverband. Ook de Braziliaanse regering heeft hoge waardering voor de prestaties van de boeren uit het Brabantse en Limburgse land. Op velerlei wijze steunt daarom de overheid het werk van de Fazendabewoners. Drie jaar geleden streken de eerste pioniers neer op deze 5000 hectaren grote lap vruchtbare grond. Terwijl de ene groep huizen en stallen bouwde, begon de andere aan de ontginning en het cultuurklaar maken van de grond. Nu, na deze drie jaren, zijn 2000 hectaren grond beteeld met mais en cassave, arrowroot, “sweet patatoes”, sinaasappelen, koffie, rijst, aardappels, ananas en citrus. In het weiland grazen 600 koeien, er zijn veertigduizend kippen en 1500 varkens.

In de hotels en lunchrooms van de steden Sao Paulo en Campinas serveert men de kaas, boter, chocomel en yoghurt van de Fazenda Ribeirao en de groothandel betaalt voor deze zuivelproducten meer cruzeiro’s dan de gemiddelde marktprijs noteert. Nu liggen weer 2000 maagdelijke hectaren prima bouwgrond voor de ploegmessen der tractoren. Een groot aantal bedrijven kan hier straks weer neergezet worden, want het standaardtype-bedrijf op de nederzetting heeft een oppervlakte van 20 hectaren.
Volgens de plannen van de commissaris van de Nederlandse kolonie, de heer Hogenboom, zullen de nieuwe emigranten pas in het voorjaar van 1953 kunnen oversteken naar Brazilië. Op het einde van dit jaar zal onder de gegadigden een uiterst scherpe selectie worden toegepast. Door schade en schande wijs geworden heeft men in het verleden de ervaring opgedaan, dat de selectie niet secuur genoeg kan zijn.

In opspraak
Uit dit dichtbije verleden is een en ander overgewaaid naar Nederland waardoor de Fazenda nogal in opspraak is gekomen. Sinds de oprichting hadden namelijk 22 gezinnen en vrijgezellen, samen een 150 personen, de kleine gemeenschap in de nabijheid van de stad Campinas verlaten. Buiten een flinke groep niet-agrariërs waren het meest de kapitaalkrachtigste boeren die hun koffers pakten. De weg naar rijkdom duurde hen blijkbaar te lang en ze zochten ander werk buiten de Fazenda.
Lag het zware pionierswerk hun niet of waren zij te materialistisch ingesteld? Het coöperatieve idee, de grondslag van deze emigranten-nederzetting, kwam niet overeen met hun individualistische instelling. Anderen werden ontevreden en pessimistisch onder de tegenslagen, die de jonge onderneming kreeg te incasseren. Ziekten teisterden de veestapel en een misoogst betekende voor de kolonisten een ramp. De inkomsten daalden en de uitgaven in dit relatief schrikbarend dure land lagen hoger dan de raming. Men teerde op de middelen in. Krachtvoer kon niet meer worden aangekocht, investeringen bleven achterwege en de productie kon niet op toeren komen. Van de Braziliaanse samenleving wist men niet veel en van de taal weinig.
En in die eerste uiterst moeilijke aanloop zijn er ook fouten gemaakt. Fouten van economische en technische aard, maar ook fouten van psychologische aard. Met reden had men het vertrouwen in de oude leiding verloren. Onder die leiding in de eerste periode zou het immers op een failliet zijn uitgelopen. De nieuwe commissaris, de heer Hogenboom, is een organisator van de bovenste plank en ook landbouwtechnisch weet hij van wanten. Op organisatorisch en administratief gebied voerde hij een grondige hervorming door.

Inkuilen van groenvoer

Van enorme betekenis voor de bewoners, zowel psychologisch als economisch, was zijn eerste maatregel om zoveel mogelijk gezinnen een eigen bedrijf in beheer te geven. Een Nederlandse boer voelt er bijster weinig voor in collectief verband te werken. Pas als hij een eigen bedrijf onder de voeten heeft krijgt hij het ware hart voor de zaak. Bovendien is het bij collectief werk zeer moeilijk te beoordelen wat iedere emigrant afzonderlijk presteert. Deze maatregel werd met elk der boeren afzonderlijk door de commissaris bekrachtigd in een contract. Komen de boeren hun verplichtingen wat rente en aflossing betreft na, dan zijn ze binnen elf jaar eigenaar van hun grond, vee en inventaris, die ze nu op crediet hebben.
Dit nieuwe contract – een noodzakelijke economische ontwikkeling van de toestand waarin men verzeild was geraakt – zette de boeren het mes op de keel. De tegenstanders sloegen aan het kankeren en ageerden tegen de nieuwe, krachtige leiding, die, gesteund door een millioenencrediet van de Overheid, sanerend ingreep. Velen, boeren en niet-boeren, konden zich met deze maatregel niet verenigen en trokken weg. De blijvers en degenen die niet wisten waarheen, tekenden het contract en gingen met nieuwe moed aan de slag. De coöperatieve arbeidsgemeenschap behoorde hiermee tot het verleden. De “Cooperativa” is nu een coöperatieve aan- en verkooporganisatie, een credietinstelling en bestuurslichaam, dat de nodige maatregelen voor de gemeenschap “Ribeirao” uitvaardigt.

Model-nederzetting
Enkele weken geleden verklaarde de commissaris van de Fazenda Ribeirao, de heer Hogenboom, op een vergadering van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond in Den Haag, dat de zaken in Brazilië nu goed op poten staan. Op eigen kracht en met eigen middelen “boerden” de pioniers hier in drie jaren tijd – zoals de Brazilianen en andere deskundigen beweren – een model-nederzetting uit de grond. Als men van een Noordoostpolder en een Wieringermeerpolder weet, dat er de eerste jaren niet veel uitkomt, mag men dan van een piepjonge emigrantenkolonie in een vreemd land eisen, dat alles geolied naar een letterlijke en figuurlijke gouden toekomst loopt? Het zullen niet de laatste moeilijkheden, desillusies, zorgen en teleurstellingen zijn, die de ploeterende emigranten in het “Nederlandse Dorp” onder de Braziliaanse zon op hun moeizame tocht ontmoeten. Met het thuisfront steunend in de rug en op een nieuwe, gezonde en stevige basis, zal de Fazenda Ribeirao de ploeg veilig en met succes aan het einde van de vore brengen. Veilig en met succes, omdat tienduizenden Nederlanders hier een goede toekomst zullen vinden.

In de Braziliaanse pers

Op 10 mei 1950 publiceerde het dagblad O Estado de São Paulo artikel over de Nederlandse boeren op de Fazenda Ribeirão. Auteur van deze bijdrage was Edgar Fernandez Teixeira, in het dagelijks leven hoofd van de Divisão de Fomento Agrícola van de deelstaat São Paulo,  een functie die te vergelijken was met die van Directeur van de Landbouw in Nederland.
Teixeira was vol waardering over hetgeen er op de fazenda gepresteerd werd. Het maandblad van de katholieke jonge boeren Ontginning publiceerde een eigen vertaling van dit artikel.

Replica van de oude bushalte van de Fazenda Ribeirão

Van meet af aan hebben wij met belangstelling het experiment gevolgd, dat in de gemeente Mogi Mirim ondernomen wordt. Dit experiment beoogt de vestiging van kerngroepen Nederlandse landbouwers in Brazilië, specialisten in het fokken van melkvee en in de zuivelindustrie en bovendien van tuinders en deskundigen op het gebied van de landbouw. Eind 1947 maakten Nederlandse experts een rondreis door Brazilië en kwamen daarbij tot de bevinding, dat zowel in Minas Gerais als in São Paulo en de overige zuidelijke staten de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijk project alsmede voor de vestiging van coöperatieve bedrijven. Hier zouden de emigranten in groepsverband geleidelijk kunnen wennen aan onze methoden, onze gronden en onze cultures en een eigen zuivelindustrie kunnen beginnen, gebaseerd op de hier bestaande omstandigheden en tegelijk even modern als in Nederland.

De uitslag van hun onderzoek was tenslotte, dat de Fazenda Ribeirão thans de “Granjas Holandezas Reunidas” ‑ aan de minimum eisen voldeed om enige duizenden Nederlanders onder te brengen. Voornoemde fazenda werd door de Federale regering van “Amour”[1] gekocht en daarna weer van de hand gedaan aan de Nederlanders, tegen afbetaling op lange termijn. Vervolgens organiseerde men, met de steun en onder toezicht van de Nederlandse regering, een coöperatie, die de gronden verdeelde en de eerste maatregelen begon te treffen om tot een rationele exploitatie te komen. De “Granjas Holandezas Reunidas” liggen op ongeveer 42 km van de stad Campinas, aan de weg van Mogi-Mirim, en behoren tot het grondgebied van die gemeente.

De eerste maal, dat wij daar een bezoek hebben gebracht, was in 1948, niet lang nadat de nieuwe eigenaren hun goed in bezit hadden genomen. Later zijn we er nog twee of drie keer terug geweest en nog heel onlangs, j.l. Zondag, hebben we een tocht gemaakt over de velden en langs de bedrijven. Indertijd het was toen eind 1948 ‑ schreef O Estado het volgende: “Sinds de fazenda in Nederlandse handen is overgegaan, zijn er al twee families aangekomen en bovendien een econoom, die tevens landbouwkundig-ingenieur[2] is. Deze maakte een begin met de verdeling van het land in percelen. Het plan beoogt de productie van ongeveer 20.000 liter melk per dag, die op de fazenda gepasteuriseerd zal worden en zal worden afgeleverd aan São Paulo, Campinas en andere steden in de omgeving.
Behalve melk zal men natuurlijk
ook boter, kaas en verschillende bijproducten gaan fabriceren. Ook de tuinderij en de aanleg van weiden hebben een belangrijke taak te vervullen bij het verwezenlijken van dit plan. In dit verband moet ons een opmerking van het hart! Vele kenners van de streek hebben er hun bevreemding over uitgesproken, dat juist deze fazenda voor immigratiedoeleinden door de Nederlanders is uitgekozen, want de grond ervan zou betrekkelijk arm zijn. Het schijnt echter, dat de Nederlanders zich niet vergist hebben in de landbouwkundige waarde van de aangekochte gronden en men mag verwachten, dat de toekomst de mogelijkheid zal bevestigen om die “slechte” gronden te herscheppen in akkers, die economisch rendabel zijn.”

Inkuilen van groenvoer
Inkuilen van groenvoer

Wij zijn dus bevoegd om een oordeel uit te spreken over hetgeen er te zien was eind 1948 en over wat op dit ogenblik bereikt is, vooral in het laatste jaar. Naar onze mening is het verrassend te zien wat hier door noeste arbeid tot stand is gebracht en met een gerust hart durft men nu reeds de uitslag van dit experiment optimistisch beoordelen. Een landbouwbedrijf van een dergelijke structuur is wellicht een unicum op ons grondgebied. De eerste kolonisten zijn nu al een groep van meer dan 500 personen[3]: mannen, vrouwen en kinderen. De “Granjas Holandesas Reunidas” vormen een klein, maar vooruitstrevend boerendorp, waar alle arbeid steunt op het coöperatieve principe. Men vindt er een kerk, scholen, magazijnen, ruime en goed ingerichte · werkplaatsen, zoals een timmermanswinkel, een smederij, een garage voor de reparatie der landbouwmachines; bovendien een modern machinepark voor alle soorten werkzaamheden, vanaf tien grote tractoren tot z.g. “combines”, om tarwe te oogsten en andere graansoorten, alsmede een “combineom maïs te oogsten. De coöperatie beschikt ook over machtige sproeiers, die in een paar uren tijds tientallen hectaren aardappelland kunnen besproeien.Bij ons bezoek was men juist bezig 75 ha tarweland, in maart bezaaid, te besproeien om een hevige rupsenplaag te bestrijden, die in een paar dagen was opgekomen en het gewas van dat bouwland in ernstig gevaar bracht.

Dit jaar hebben de “Granjas Holandesas Reunidas” reeds meer dan 700 ha beplant, waarvan 200 met maïs, 100 met tarwe, 30 met aardappelen van zes verschillende uit Holland geïmporteerde soorten, vooral die, welke geschikt zijn voor ons land, 80 ha guando, 35 mucuna en kleinere percelen met andere gewassen, zoals erwten, waarmee men hier proeven neemt en die een van de belangrijkste teelten zal gaan uitmaken. De “slechte” gronden ontsluiten zich langzamerhand voor de kennis van de Nederlandse boeren (van wie velen in het bezit van een diploma zijn op het gebied van de landbouwkunde, de veefokkerij, de veeartsenij, economie)[4], enz. Daar men een intensieve bemesting toepast en de modernste. methoden op landbouwkundig gebied toepast, en de arbeid vanaf het gereedmaken van de bodem tot aan de oogst zoveel mogelijk met behulp van machines verricht wordt, slaagt men erin een bevredigende opbrengst te verkrijgen. Naar men ons inlichtte, is men ook voornemens de inrichting van stallen te bevorderen, waar men compost zal kunnen verkrijgen, omdat de organische meststoffen een ideale oplossing zullen betekenen voor deze gronden, zodat ze n.l. weer geschikt zullen worden gemaakt voor iedere soort gewas.

Het program van deze uitgebreide werkzaamheden wordt uitgestippeld door de coöperatie, die het toezicht houdt over alle takken van dienst en hoofdzakelijk beoogt grassoorten, maïs en andere granen te winnen om er het melkvee mee te voeren. Tot nu toe zijn er al ongeveer 1.000 stuks vee[5]door de boeren zelf meegebracht hij hun overtocht naar Brazilië. Er is zowel zwart-bont als rood-bont vee. Voor groenvoer en groenbemesting is de keus voornamelijk op guando en mucuna gevallen, omdat deze gewassen het voordeel bieden, dat ze de grond vruchtbaar maken en tegelijk uitstekend dienst kunnen doen als veevoer en als hooi.

Maar de grondslag van deze Nederlandse kolonie berust op de melkbedrijven. Deze hebben een uniforme omvang van 15 ha.[6] Naar de aard van de grond heeft men hiervoor overwogen decultuur van maïs, rijst en aardappelen, de aanleg van kleine tuinen en van een tamelijk groot oppervlak weiland. Dit oppervlak van 15 ha laat bij een gunstige ontwikkeling een veestapel van 30 melkkoeien toe. De stal bevindt zich vlak bij het woonhuis van de kolonist en sommige van die woonhuizen zijn hoogst comfortabel ingericht. Vele boeren zullen zelf boter en kaas produceren, maar men gaat ook een modelzuivelfabriek bouwen om bepaalde standaardtypen kaas en boter te kunnen vervaardigen. Men vindt hier velenieuwigheden, die men in het binnenland, zelfs in de steden, nog niet kent, o.a. een wasserij (reeds in uitvoering), die alle personen van de Nederlandse kolonie zal bedienen.

De vooruitgang, die hier practisch in anderhalf jaar geboekt is, laat ons voorzien, dat over nog één jaar op zijn hoogst[7] de “Granjas Holandesas Reunidas” een modelcentrum zullen vormen, dank zij hun hoog organisatiepeil en dank zij de methoden, die hier op het gebied van de landbouw en de veeteelt worden toegepast. Men zal er een leerzaam voorbeeld kunnen vinden, dat hopelijk anderen zal aansporen om het na te volgen, tot grotere bloei van ons land.

Bron: Ontginning, augustus 1950


[1] Frigorífico Armour do Brasil S/A, Braziliaanse dochteronderneming van het Amerikaanse vleesconcern Armour & Company uit Chicago.
[2] Ir. J.G. Heymeijer.

[3] Dit getal was aan de hoge kant.
[4] Gedoeld werd op de kleine staf van deskundigen, die er al aanwezig was of binnenkort werd verwacht.
[5] In werkelijkheid waren het er 500.
[6] De bedoeling was om vooral 15 ha.-bedrijven te stichten; daarnaast was voorzien in enkele bedrijven met een grotere omvang.
[7] Commentaar van de vertaler in Ontginning: ‘De eerlijkheid gebiedt ons te erkennen, dat de schrijver zich wat al te complimenteus uitlaat. Wij zullen intussen ons best doen om aan zijn hoge verwachtingen zoveel mogelijk te beantwoorden.’