Een korte geschiedenis van Holambra (II)

Voorafgaande aan mijn oude Holambra-boek, waarvan ik een nieuwe editie aan het voorbereiden ben, werd in 1989 mijn doctoraalscriptie ‘Met kompas emigreren’ gepubliceerd. Hierin beschreef ik reeds de belangrijkste ontwikkelingen rond Holambra gedurende de moeilijke beginjaren. Het tweede deel van deze korte geschiedenis beschrijft de moeilijkheden en het aantreden van regeringscommissaris Charles Hogenboom. Voor wie mijn scriptie nog eens na wil lezen, die kan hier de [pdf] vinden. De inleiding van ‘Met kompas emigreren’ is ook te lezen op mijn website www.marismits.nl.

De berichten over de financiële moeilijkheden waarin de Cooperativa Holambra verkeerde, vormden voor de Nederlandse regering de aanleiding om in augustus 1950 een commissie naar Brazilië te sturen om een onderzoek te doen naar de situatie op Holambra. Deze Commissie Van Roggen-Van Waveren concludeerde dat de Cooperativa Holambra niet in staat was haar schulden te betalen. Met de middelen waarover de kolonie beschikte, was het onmogelijk om de opzet en exploitatie te verwezenlijken. De leiding had nagelaten zich voldoende rekenschap te geven van de voor landbouw en veeteelt van de Nederlandse situatie afwijkende omstandigheden. Verder was er sprake van een gebrek aan administratie en aan ervaring in het beheer van de kolonie. De kolonie zou pas kunnen renderen in 1952-53 als aan bepaalde voorwaarden zou worden voldaan. Deze waren: (1) dat de coöperatie voor de jaren 1951-52 zou kunnen beschikken over 12 miljoen cruzeiros of 2,5 miljoen gulden, (2) dat de leiding vervangen zou worden door een bestuur met meer organisatorisch en commercieel inzicht, (3) dat er voorlopig geen nieuwe emigratie zou plaatsvinden en ( 4) dat er regelmatige controle zou komen over het door de leiding gevoerde beleid.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

De behandeling van het rapport in het parlement leidde tot de conclusie dat liquidatie van Holambra noch de belangen van de kolonisten noch de Nederlandse belangen in Brazilië zou dienen. De Nederlandse regering stelde daarom ook voor een lening groot 2,5 miljoen gulden ter beschikking gesteld door onder andere de Centrale Coöperatieve Boerenleenbank te verstrekken, die door de Nederlandse overheid voor 90% werd gegarandeerd. De KNBTB zou instaan voor de overige 10%. Daarnaast zou een regeringscommissaris worden aangesteld die ter plaatse de belangen van de Nederlandse regering zou behartigen. Deze diende. met als uitgangspunt bet rapport Van Roggen-Van Waveren, na te gaan welke juridische en economische reorganisatie diende te worden uitgevoerd teneinde een bedrijfsvoering te verkrijgen waardoor het mogelijk zou worden met een minimum aan verdere investeringen de kolonie zo snel mogelijk renderend te maken.

Als regeringscommissaris werd voorgesteld C.J.J. Hogenboom. Deze was eerder werkzaam geweest bij de Senembang-maatschappij, waarvoor hij jarenlang in Nederlands-Indië verbleef. Hij was een totaal ander persoon dan Heymeijer. Heymeijer was een idealist die serieus getracht heeft zijn ideaal van een nieuwe gemeenschap te realiseren, maar hij maakte daarbij één grote fout: zo’n gemeenschap bestaat uit mensen met ieder een eigen karakter. Het bleek onmogelijk boeren, gewend als zij waren om zelfstandig te werken, te laten samenwerken binnen coöperatief verband, waarbij de resultaten niet direct zichtbaar werden. Toen de samenwerking steeds stroever bleek te verlopen, kwam ook Heymeijer tot de conclusie dat het tijdperk van idealistisch coöpereren (Van der Mast vergeleek dit systeem met dat van een Russische kolchoz) zo spoedig mogelijk moest worden beëindigd. Heymeijer was geen organisator. Door de zwakte van zijn leiding ging vaak onnodig kapitaal verloren. Hogenboom daarentegen was een uitstekend organisator die in de gestelde omstandigheden de vereiste maatregelen wist te nemen. De aan hem opgedragen taak Holambra te reorganiseren zodat het geheel rendement zou gaan opleveren wist hij dan ook volledig waar te maken. Zijn beleid was echter hard en niet altijd even tactvol. Talloze emigranten voelden zich in de eerste jaren van Hogenbooms bewind, omdat zij geen vertrouwen hadden in zijn saneringsbeleid, genoodzaakt met achterlating van een groot deel van hun kapitaal, Holambra te verlaten.
Alvorens verder te spreken over het bewind-Hogenboom is het noodzakelijk nog even stil te staan bij de gemaakte fouten, voor zover ze in het voorafgaande nog niet zijn besproken. Reeds bij de selectie van de emigranten werden fouten gemaakt. Zo emigreerden er teveel grote gezinnen met kleine kinderen, waardoor het produktieve element in de kolonie erg smal was. Daarnaast bestonden er grote verschillen in ingebracht kapitaal. Naast rijke boeren konden ook boeren emigreren met geringe kapitaalinbreng, alsmede mensen met beperkte kennis van de landbouw. Het kostte veel moeite, wegens het gekozen coöperatieve systeem, voldoende grote boeren te interesseren voor Holambra. Volgens Hack had dit tot gevolg dat ook boeren werden toegelaten die zich verrijkt hadden tijdens de bezetting, die echter gezien hun mentaliteit, niet geschikt waren voor het coöperatief werken.

HogenboomHogenboom werd naar Holambra gezonden met uitgebreide bevoegdheden. Hij zou de hoogste autoriteit worden, waarbij de coöperatie alle steun en medewerking zou verlenen voor het uitvoeren van de aan hem opgedragen taak. Verder zou er geen enkel besluit worden genomen of uitgevoerd, voordat Hogenboom daartoe machtiging had verleend. Naar de mening van Hogenboom was er bij aankomst sprake van een gezagscrisis. Volgens hem lieten velen, toen hij zich in juni 1951 definitief vestigde op Holambra, blijken blij te zijn met zijn terugkeer (reeds in het begin van dat jaar was hij op Holambra om een inventarisatie te maken van de toestand op de kolonie). Hogenboom voerde de noodzakelijke reorganisatie met straffe hand door. Aan de heersende wantoestanden werd een einde gemaakt. Niet alle emigranten konden zich evenwel verenigen met de wijze waarop Hogenboom Zijn reorganisatie doorzette. Enkele van hen verklaarden in geen geval “met die koeliedrijver” in zee te willen gaan en zegden hun lidmaatschap van de coöperatie op. Volgens Hogenboom maakten enkelen zich schuldig aan het clandestien verhandelen van goederen die toebehoorden aan de coöperatie. In juli 1951 vertrokken vier families naar Não Me Toque, gelegen in de zuidelijke staat Rio Grande do Sul en vormden daar, tezamen met een drietal Gelderse emigranten die zich daar reeds bevonden, het begin van een nieuwe kolonie die voornamelijk gevormd zou worden door voormalige Holambra-emigranten. In augustus vertrokken nog eens twee families naar Não Me Toque.

Toen Hogenboom in juni 1951 aankwam bleek de financiële situatie uiterst zorgelijk te zijn geworden. Er was nauwelijks geld meer aanwezig voor het dagelijkse levensonderhoud. Hogenboom zond dan ook een telegram waarin dringend gevraagd werd om de eerste f 550.000,- over te maken “aangezien géén, herhaal, geen middelen meer aanwezig zijn”. Door het aangaan van de nieuwe lening was het noodzakelijk geworden dat de kolonisten een nieuwe overeenkomst met de coöperatie tekenden. Dit nieuwe contract, opgesteld in het Nederlands, werd in november 1951 aan de leden van de coöperatie voorgelegd. Hoewel aanvankelijk een aanzienlijk deel van de leden weigerde te tekenen, wist de leiding uiteindelijk de meeste boeren ertoe te bewegen dit nieuwe contract, waarin het eigendomsrecht van het eigen bedrijf na een periode van elf jaar in het vooruitzicht werd gesteld, te ondertekenen. Boeren die weigerden te tekenen, konden niet meer rekenen op crediet van de coöperatie. Door deze maatregel werd de ‘zwarte’ handel buiten de coöperatie om nog verder aangewakkerd.

Hogenboom was naar Holambra gekomen als regeringscommissaris en gemachtigde van de KNBTB om de zakelijke belangen van de Nederlandse staat en van de bond waar te nemen door het uitvoeren van de noodzakelijke reorganisatie. Heymeijer werkte aanvankelijk als voorzitter van de coöperatie mee aan het reorganisatiebeleid van Hogenboom. In januari 1952 droeg hij het voorzitterschap over aan Hogenboom, maar bleef nog aan als bestuurslid. In het midden van 1952 kwamen Heymeijer en Hogenboom steeds meer tegenover elkaar te staan, hetgeen ertoe leidde dat Heymeijer vanaf 8 oktober 1952 geheel buiten de leiding kwam te staan en zich schaarde onder de critici van Hogenbooms bikkelharde reorganisatiebeleid, die aandrongen op interventie vanuit Nederland. Heymeijer verbleef nog enige tijd op Ribeirão, maar moest het stellen zonder de vergoeding die hij voorheen als bestuurslid van de coöperatie mocht ontvangen. Volgens mgr. Hanssen, die in die tijd talloze brieven ontving vanuit Brazilië, had hij een aanbod om naar Canada te gaan afgeslagen. Heymeijer keerde in 1953 gedesillusioneerd terug naar Nederland. Het KNBTB-bestuur toonde zich bereid, omdat men zich wegens het verleden niet kon distantiëren van Heymeijer, hem tijdelijk op te vangen maar wilde hem onder geen beding meer in dienst nemen. Heymeijer was uitgerangeerd.

Lees verder in deel III.

‘Zeker 25 personen hadden nimmer mogen komen’

HogenboomIn november 1951 was Charles Hogenboom, die begin dat jaar bij Holambra als regeringscommissaris was aangesteld om de financiële belangen van de Nederlandse regering en de andere Nederlandse geldschieters te bewaken en om de reorganisatie van de Fazenda Ribeirão door te voeren, eindelijk eens in de gelegenheid minister Dolf Joekes van Sociale Zaken te informeren over de ontwikkelingen op de fazenda. In zijn correspondentie met Nederland schuwde hij niet om man en paard te noemen en personen die in zijn ogen een dubieuze rol speelden zwart te maken. Deze brieven zijn dan ook niet geschikt om in extenso te publiceren. Ik beperk me daarom tot enkele passages die kenmerkend zijn voor het denken en doen van Charles Hogenboom.

“Als oorzaak dat ik zo een lange tijd niets meer liet horen omtrent de vorderingen met betrekking tot de ontwikkeling van de Fazenda Ribeirão moet ik de snelle veranderingen in de diverse situaties die zich hier hebben voorgedaan, aanwijzen. Het was voor mij onmogelijk mij op een rapportering in te stellen, waarbij de ene dag zus en de andere weer zo geschreven zou moeten worden. Hoewel door zeer koppig vol te houden de technische uitvoering der gemaakte plannen, waarbij telkens opnieuw de allergrootste moeilijkheden voorkomen, voor een zeer voornaam deel gereed zullen komen en wij daarom zeker niet ontevreden mogen zijn, zijn het de psychisch morele problemen, die nog immer de moeilijkste obstakels vormen. Men kan stellen dat een 25 personen zeker nimmer hier had mogen komen. Men kan met recht zeggen dat onder deze groep er verschillenden zitten die telkens opnieuw de gelegenheid te baat nemen om de goede geest te ondermijnen.

Dit alles neemt niet weg dat wij met deze mensen zitten in een gemeenschap, waarin het sentiment de boventoon voert, waar men niet geheel langs de normale weg van het zakelijk handelen kan te werk gaan om geen al te grote brokken te maken. Men kan nu eenmaal niet en dat kan niemand op deze gemeenschap aan. Wel moet volledig erkend worden, dat van de gemeenschap in totaal en van elk hierin levend individu veel gevergd is en nog gevergd wordt. Dit sluit echter niet uit dat wij er doorheen moeten en door vast te houden er ook doorheen komen en wij binnen een jaar door de allergrootste moeilijkheden heen zullen zijn. Ik bedoel hier vooral mede dat de mensen dan ook zelf zullen zien, dat zij, trots de zware lasten die op hen drukken, er doorheen komen.

Een boertje uit Brabant of waar dan ook kan dit geheel niet omvatten. Hij rekent met zijn koetjes en een paar kalfjes en een paar honderd kippen en is niet in staat het geheel als een grootbedrijf te zien en te omvatten wat hiermede aan financieringskunst gepaard gaat. Het vertrouwen verloor hij toen de zaak door tekort aan financiën vastgelopen was. Het gehele verwijt komt neer op de vroegere leiding, doch hij vraagt zich niet af wat hijzelf gedaan heeft om van deze gehele beweging een luxe immigratie te maken, door zo weinig mogelijk te werken en zoveel mogelijk te trekken van de coöperatie. Enkelen zijn hun centen, verkregen door de valorisatie van hun bezit in Holland, hier kwijt geraakt; de meesten brachten niets in en worden hier voor een compleet bedrijf gezet. De jongste boer van amper 20 jaar had net zoveel te vertellen als een gedegen huisvader van 50 jaar. De jonge boer van 25 tot 35 bracht over het algemeen en brengt het nu nog steeds met een verbeten wil en een onverwoestbaar humeur, enkele uitzonderingen daargelaten, op.

De meeste der gemaakte fouten zijn niet meer te herstellen. Men kan de mensen die feitelijk moesten verdwijnen, doch lid zijn van de Cooperativa, niet hier de hei op sturen. Slechts langzaam maar zeker komt men tot een langs een natuurlijke weg gaande selectie doordat blijkt dat juist zij, die niet voldoende werken of minderwaardige praktijken aan de kost trachten te komen, het economisch niet kunnen volhouden.”

Bron: NA, 2.15.68, inv.no. 1459

Over Brazilië (Ribeirão)

Op 4 augustus 1951 publiceerde het in Venray verschijnende weekblad Peel en Maas een ingezonden brief van een oud-dorpsgenoot. Hij reageerde op een artikel dat op 21 april in de krant had gestaan onder de titel “Emigratie avontuur;  700 Nederlanders hulpbehoevend in Brazilië.” De schrijver van het stuk wilde zijn zienswijze weergeven over hetgeen er sinds de stichting in de jonge kolonie Holambra was voorgevallen.

Toen de zaak hier voor 3 jaar terug werd aangepakt, is er begonnen met een kleine steun van de KNBTB ontvangen, voor de rest is de zaak gestart op ’t crediet van de Federatieve regering van Brazilië en van de Staat São Paulo. Dit crediet was op het eerste gezicht nogal een heel bedrag (f. 15.000 per gezin) maar er moest veel gebeuren en na een jaar wisten we hier al, dat dit niet voldoende was om alles op te bouwen. Dit kwam vooral doordat de staat São Paulo als voorwaarde voor het crediet had bedongen, dat het eerste jaar 100 gezinnen naar Brazilië zouden moeten komen. Door dit snelle tempo moest alles in verhouding ook groot zijn. De ontginning moest snel gaan, de huizenbouw moest vooruit, school en kerk, werkplaatsen, winkel en slagerij, alles moest tegelijk verrijzen.
Doordat de emigranten zo snel kwamen kon de verkaveling en de aanleg van wegen niet voorblijven op de woningen die er gebouwd moesten worden om de mensen onder dak te brengen. Ook de ontginning kon niet snel genoeg vooruit doordat niet voldoende en niet het juiste materiaal kon worden aangeschaft. Door dit alles konden de woningen niet direct op de plaats van de boerderijen, verspreid over de fazenda, worden gebouwd. Dit vergde te veel tijd, vooral doordat men met de bouwmaterialen niet overal kon komen waar de boerderijen moesten worden geplaatst, doordat er nog geen wegen waren.

Industriewijk
In 1949 zijn we begonnen met het bouwen van woningen op de plaats waar de boerderijen moesten komen, we zijn er echter mee op moeten houden, omdat het niet uit te voeren was om bovengenoemde redenen. Toen is men begonnen met het bouwen van woninggroepen zoals deze nu op de fazenda liggen. Hiermee kon in veel kortere tijd meer en voordeliger worden gebouwd. Zelfs toen kon men de komst van de emigranten nog niet vóór blijven en moesten dezen worden ondergebracht in de lemen hutten die er nog stonden.
Nu had men de emigranten wel langzamer kunnen laten komen, maar voor de gezinnen welke er minder dan het gestelde aantal kwamen, kreeg men ook geen crediet. Zonder dit crediet kon er helemaal niets gebeuren. Nu kwam er toch het noodzakelijkste aan gebouwen enz. klaar en kon er de grondslag goed worden gelegd.
Na een jaar wisten we al, dat er niet voldoende geld zou zijn om zo door te gaan, er is toen dan ook in 1949 nog nieuw crediet aangevraagd in Nederland. Inmiddels liep de investering hoger op dan de begroting was, doordat het vee tot tweemaal toe te kampen kreeg met mond- en klauwzeer en door de late inzaai van de verschillende gewassen konden deze ook geen directe opbrengsten meer geven. Met deze gewassen werd alleen een zekere grondverbetering bereikt, maar dit bracht het eerste jaar geen geld in het laatje. Het beschikbare geld werd steeds minder al werd dit dan ook wel aangevuld door de komst van nieuwe emigranten. Dit was niet voldoende om de zaak flink door te zetten.
In januari 1950 werd de toezegging verkregen van de Nederlandsche Bank tot plaatsing of medewerking tot plaatsing van een hypothecaire lening, onder voorbehoud van goedkeuring door de Nederlandse regering. Toen deze toestemming werd gevraagd, besloot het Departement van Sociale Zaken een commissie uit te zenden om ter plaatse een onderzoek in te stellen en een rapport uit te brengen. Dit was in maart 1950.
De commissie arriveerde in augustus op de fazenda en bracht rapport uit in october. De taak van deze commissie was zeker niet gemakkelijk. Om in enkele maanden te zeggen wat voor mogelijkheden er in een land als Brazilië zijn, is ondoenlijk. Zelfs voor ons die nu al meer dan twee jaar hier zijn is niet nog moeilijk. We hebben echter de vragen die door de commissie werden gesteld, naar vermogen beantwoord en het rapport is klaar gekomen.
Het resultaat van dit rapport was: besprekingen van de ministers van Sociale Zaken, Landbouw en Financiën en de katholieke boerenbond. De ministers hebben zich schriftelijk bereid verklaard om een wetsontwerp in te dienen bij de Staten Generaal om een lening te verstrekken, ofwel garantie te verlenen voor rente en aflossing van een lening door derde. In januari 1951 is met de regeringscommissaris die inmiddels was aangesteld het eerste geld, een overbruggingscrediet van de KNBTB, aangekomen.

Hogenboom
C.J.J. Hogenboom

In die tijd is er al weer heel wat gebeurd, men kon niet stil blijven zitten wachten en men kon niet doorwerken, dit is alles bij elkaar zeer schadelijk, want het is ook hier: stilstaan is achteruit gaan. Nu hebben we op de toezeggingen die er steeds gedaan zijn doorgezet voor zover dit mogelijk is geweest. Nu is er in januari en februari toen de regeringscommissaris hier was weer een rapport gemaakt. Daar wij nu al weer meer gegevens hadden, kon dit ook weer zuiverder en beter gebeuren. De regeringscommissaris, de heer Hogenboom, heeft dan ook na een grondig onderzoek verklaard, dat hier voldoende mogelijkheden zijn. Na dit onderzoek is de heer Hogenboom weer naar Nederland vertrokken om de zaken verder af te werken. In het rapport, dat door Hogenboom is mede genomen, was om met het gevraagde crediet te kunnen slagen als voorwaarde gesteld, dat het crediet onmiddellijk beschikbaar wordt gesteld.
Nu is er in mei wel wat geld gekomen, zodat we alle voorbereidingen hebben kunnen maken die nodig zijn, om, als het geld komt, snel te kunnen doorwerken, maar… als dit nu ook niet spoedig komt, lopen we zeker vast. Er moeten nu een 60-tal boerderijen worden gebouwd, er moet meer worden geploegd en gezaaid. Bedrijfsmateriaal en een bezetting van vee, kippen en varkens is er nodig voor deze nieuwe bedrijven. Alles staat startklaar en wacht op het crediet, dat iedere dat wordt verwacht. Komt dit niet, dan zal er wat anders moet worden bedacht, om aan het eten te blijven en om door te kunnen draaien.
Door al dit langzaam werken wat het crediet betreft, door het lange uitblijven van de steun uit het vaderland, dat tocht wel de steun heeft toegezegd, krijgt men hier allerhande narigheden met de mensen. Ieder heeft voor- en tegenstanders, zo is het met ons ook het geval. Wij kennen deze tegenstanders wal niet, maar, hierdoor zijn zij des te gevaarlijker. Door al de valse berichten wij hier uit het vaderland krijgen, door de manier waarop deze worden overgebracht is het zeker, dat dit gebeurt om hier de eenheid kapot te maken. Ook valse berichten welke in Nederland worden verspreid bewijzen dan ook, dat daar geprobeerd wordt, om een bepaalde stemming tegen de fazenda te wekken.
De praatjes, dat moet werk zijn van kwaadwilligen, hier is van dat alles tenminste niets bekend. Deze “sterke verhalen” zijn dan ook tot de laatste letter uit de duim gezogen! Onze mensen verdienen hier een veel hoger loon als de Brazilianen, de levensmiddelen zijn in onze winkel lager dan elders in Brazilië. Dit blijkt uit het feit, dat er zelfs veel Brazilianen van buiten de fazenda hier hun goederen kopen.
Met het vee gaat het ook zeer goed, buiten de preimmunisatie zijn er geen dieren meer dood gegaan. Er zijn koeien bij, die 25 tot 30 liter melk per dag geven, er zijn er bij, die nu in een half jaar tijds al meer dan 2000 liter melk hebben gegeven. Ook de gewassen op het land zijn voor zeker 90 pct. goed te noemen, de opbrengsten, welke nog niet heel zuiver bekend zijn, omdat nog niet alles is geoogst, staan ver boven het gemiddelde van het land. Hiermede blijkt wel, dat het met de droogte ook al niet zo erg is geweest. Het heeft dit jaar dan ook meer geregend dan in de voorgaande jaren dat wij hier zijn.
Met dit al wordt er in Nederland meer slecht dan goed over de fazenda verteld. Als men de berichten uit Nederland moest geloven, dan zouden wij hier zelfs gaan twijfelen aan alles wat we hier zien op de fazenda. Dan, ja dan zouden we ons zelf niet meer mogen geloven. Maar in Nederland, daar gaat men door dit alles toch wel twijfelen aan de gang van zaken hier.
De voorbereidingen voor ’t crediet duren hierdoor zeker langer, wij moeten maar wachten en horen ook hier vanuit Nederland over de voorbereiding van het crediet allerhande geruchten en worden ongerust, of men in het vaderland nog wel zal helpen, voordat het te laat is. Anderen maken hiervan misbruik. Zij praten de mensen hier voor, dat de fazenda over de kop gaat, dat ze moeten zien, dat ze ander werk krijgen enz. Jammer genoeg zijn er al verschillenden hier in gelopen, maar ieder heeft zijn goed recht en kan hier gaan als hij wil.
Nu zijn er al verschillenden, die ondervonden hebben, wat het is om alléén in Brazilië te staan. In deze enkele maanden hebben ze al verschillende plaatsen gehad. Er zijn er bij, die al een ander vak hebben moeten kiezen om werk te kunnen houden. Ze verdienen niet de helft van wat zij eertijds op de fazenda verdienden, toch zeggen ze, dat het hen nog goed gaat en proberen zo nog meer mensen mee in het ongeluk te trekken. Alles gaat hun goed, zoals wij het hier horen en toch weten wij zeker, dat er zelfs verschillenden bij zijn, die hun kost niet behoorlijk hebben. Hoe het zal aflopen, weten we natuurlijk nog niet, dit is echter wel zeker, dat als de Nederlandse regering ons de toezegging geeft, die ze heeft gedaan en het duurt niet te lang, dan zel er hier zeker een goede toekomst zijn voor velen.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Laat de kankeraars en dwarskijkers hier maar vertrekken, daar wordt het niet slechter van. In Peel en Maas van 2 juli 1951 staat een artikel over “de stichting van Ysselsteyn”. Hieruit zou ik een klein stukje willen aanhalen, nl.: ‘Het antwoord zal slechts zijn, dat een groot vertrouwen op God en een paar harde werkknuisten dit hebben mogelijk gemaakt en het nog mogelijk maken, dat ook nu nog jonge kerels de wijde (Wereld) intrekken om voor zichzelf en hun gezin de taaie grond te gaan ontginnen, te werken onder omstandigheden, waarvoor velen hun neus optrekken.’ Dit geldt ook voor de mensen die hier op de fazenda zijn.
Wat het crediet aangaat zou ik nog een stukje uit Peel en Maas van 3-3-’51 in herinnering willen brengen nl. van links en rechts. Deurne gaat 346 ha ontginnen. De kosten van dit ontginningsobject zijn begroot op f 1.386.238,25 voor arbeidslonen en f 391.100,- voor andere kosten. In dezelfde kolom staat een artikeltje over “Nederlandse boerenkolonie in Brazilië in zorgen”. Aan dit artikeltje zou ik willen toevoegen, dat het gevraagde crediet hiervoor is, in de eerste instantie f 2.500.000,-. Het betreft hier 700 Nederlanders op 2000 ha land. Hier zit al eenzelfde bedrag in, maar dan ik ook het gehele bedrijf klaar. Deurne heeft voor 346 hectare f 1.777.438,25 nodig, en dit zijn dan nog alleen de ontginningskosten.
Hiermede hoop ik de gemoederen van de diverse familieleden weer tot rust te hebben gebracht en ik ga eindigen met vele groeten aan vrienden en bekenden. Tot een volgende keer.

Een oud-dorpsgenoot.

‘Men ziet er weer gat in’

Eind 1950 besloot de Nederlandse regering in samenspraak met de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) financiële steun aan de in nood verkerende kolonie Fazenda Ribeirão (Holambra) mogelijk te maken. Voorwaarde voor het verlenen van die steun was het aanstellen van een nieuwe leider, die de aanbevelingen van de regeringscommissie Van Roggen-Van Waveren moest gaan uitvoeren. Voor deze functie werd Charles Hogenboom aangezocht, een man met een grote ervaring in het voormalige Nederlands-Indië. Op 6 januari 1951 arriveerde Hogenboom op de fazenda met de opdracht een inventarisatie te maken van de toestand op de kolonie en om de vraag te beantwoorden of de voorgestelde lening van 2,5 miljoen gulden verantwoord was. Een maand na zijn aankomst schreef  regeringscommissaris Hogenboom de volgende brief aan zijn opdrachtgever, minister van Sociale Zaken Dolf Joekes:

Hogenboom‘(…) In het kort genomen mag gezegd worden, dat de situatie op de Fazenda zich zeer snel in gunstige zin blijft ontwikkelen. De getroffen saneringsmaatregelen worden in begrijpende zin aanvaard. Er wordt door vrijwel alle mensen wederom hard en met plezier gewerkt. (…)
Wat mij het meest verontrust met het oog op de verdere opbouw van deze kolonie en de eis om door snelle productie tot rentabiliteit te komen, is de liquide positie, waarin de kolonie verkeert. Reeds zeer spoedig na mijn komst op de fazenda was het mij duidelijk, dat, wil men tot een goed resultaat komen, er bliksemsnel ingegrepen moet worden wat het zelfstandig maken van alle boeren betreft, die nu nog collectieve arbeid verrichten.
De meesten onder de aanwezige boeren hebben in Nederland jarenlang een zelfstandig bestaan geleid. Hoewel hun leven in het moederland dikwijls hard was, werd door hen het koffie-uurtje, het gaan naar de markt, enz. toch zelf bepaald. Zij waren, dit in juiste zin bedoeld, vrij in handel en wandel. Collectieve arbeid wordt door hen niet met de juiste instelling verricht. Wordt in Nederland het levensonderhoud op de boerderij door het gezin gezamenlijk verdiend, waarbij ieder gezinslid zijn taak krijgt toegewezen, hier verdient de boer/huisvader allen zijn loon en ontvangt kinderbijslag, terwijl de kinderen met meer vrije tijd dan in Nederland over de Fazenda zwerven en degenen die de geestelijke verantwoording dragen het hoofd doen breken om de eerste tekenen van verwildering tegen te gaan.
Hoewel het loon van de nog collectief werkende boeren een sober bestaan inhoudt, is dit tesamen met de bijslag voor de grote kinderrijkdom op de Fazenda voor de economische gang van zaken fnuikend te noemen. De tegenzin in collectief te verrichten arbeid, die door velen zeer zeker op te respecteren wijze overwonnen wordt, leidt echter, gemiddeld genomen, tot niet voldoende productiviteit. Alle boeren moeten daarom zo snel mogelijk met hulp van hun gehele gezin zelfstandig produceren. Uit deze constatering is het 70-boerderijenplan, hetwelk voor 31 december van dit jaar uitgevoerd dient te zijn, geboren. (…)
Intussen wordt gewerkt aan de definitieve opstelling van het 20-ha.-plan der heren Van Waveren-Ir. Rogge, hetwelk aan de veranderde omstandigheden wordt aangepast, begonnen zal worden, zodat (…) aan het einde van dit jaar de 70 boerderijen met de 5 ha.-ontginning gereed zijn. Reeds thans wordt op dit plan vooruit gewerkt. De langzame liquiditeitsbegroting houdt de bouw in van 3 nieuwe boerderijen met de daarbij behorende 5 ha.-ontginning in. Het ontginningswerk wordt geheel volgens het door mij aangegeven systeem uitgevoerd. De boerderijen worden volgens een grondtype gebouwd, waaraan geen enkele verandering, die een snelle seriebouw tegenhoudt, aangebracht mag worden, komen meteen op niveau te staan. In het land wordt den wegen reeds op niveau uitgezet en aangelegd, terwijl de 5 ha. volgens de niveaulijn worden geploegd. In geen enkel opzicht mag ergens worden afgeweken.
Voor mij staat en valt echter alles met de toevloeiing der geldmiddelen vanuit Nederland. Mijn medewerkers hier werken vrijwel allen vol enthousiasme en op top-capaciteit. Men ziet er weer gat in, voelt dat op de snelst mogelijke wijze tot de grootste productie te komen de enigste redding betekent. Dit enthousiasme, waarmede dit jaar de moeilijkste periode van de te weinig en te duur product overbrugd moet worden, mag geen enkel moment verstoord of verslapt worden.
Enkele regeringsautoriteiten van Brazilië die op zeer tactische wijze door ons Gezantschap van mijn plannen mededeling is gedaan, hebben de veranderde situatie op de Fazenda Ribeirao goed aangevoeld. Zij hebben blijken van waardering gegeven m.b.t. de door de Nederlandse regering aan de kolonie Ribeirao toegestoken hand. Dit zal het juridisch-technisch regelen van mijn positie als Nederlands regeringsfunctionaris, hetgeen door de in dit land heersende nationale tendens anders moeilijkheden zou medebrengen, vergemakkelijken. Des te meer moet ik er daarom van verzekerd kunnen zijn, dat mijn programma ongestoord uitgevoerd kan worden. Zou het zijn, dat ik hieraan zou moeten twijfelen, dan zal het mij onmogelijk zijn mijn taak voort te zetten. (…)
Deze zaak dient zo gesteld te worden, omdat ik enerzijds om te kunnen slagen het vertrouwen van alle goedwillenden op de Fazenda Ribeirão moet behouden en anderzijds omdat het hier niet enkel gaat om de belangen van een aantal gedupeerde boeren, doch om een zaak van zeer groot Nederlands belang. De Brazilianen hebben het vertrouwen in de hier werkende Nederlanders, die zij door hun houding niet als indringers beschouwen, niet verloren. Uit het oogpunt van een gezond Nederlands eigenbelang hebben wij dit vertrouwen geheel te herstellen, hetwelk niet beter kan geschieden dan door de Fazenda Ribeirão cultuur-technisch zowel als sociaal-cultureel in de kortst mogelijke tijd tot een modelkolonie te maken. Daarna zijn een aantal andere voor Nederland van even zo groot belang zijnde aspecten hier gemakkelijker te verwezenlijken. De grote en vele voor ons in Brazilië liggende mogelijkheden mogen in geen enkel opzicht verwaarloosd worden. (…)’

Bron: Nationaal Archief, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1459