Emigranten zoeken de waarheid

Het artikel in De Nieuwe Eeuw van pater Cornelio Strooband over het drama van de getekenden en ongetekenden en zijn problemen bij de vestiging van een nieuwe kolonie in Paraná wekte opnieuw beroering in katholieke streken in Nederland. In juni 1953 kwam Strooband naar Nederland om nieuwe emigranten te werven voor zijn kolonie. De lokale pers hoopte dat hij toelichting zou geven op zijn onthutsende verhaal over de Fazenda Ribeirão. Strooband wilde hier niet op ingaan. Ook het Venrayse weekblad Peel en Maas, dat een voordracht van hem bijwoonde, werd teleurgesteld.

more “Emigranten zoeken de waarheid”

Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië

Ribeirão begon waar Carambei na veertig jaar eindigde!

Emigrantenwoning in Ribeirão

In het najaar van 1952 verbleef de Utrechtse sociologiestudente M. Muntz in Brazilië voor het doen van onderzoek voor haar afstudeerscriptie. Zij bezocht Carambeí en Holambra en deed daarvan uitvoerig verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Een half jaar later deed zij dit op 21 maart 1953 nog eens dunnetjes over in De Nieuwe Eeuw. In haar uitvoerige artikel zette zij de opgedane ervaringen van Carambeí op een rij vergeleek die met de beginnersfouten van Holambra. Muntz, die sterk onder invloed stond van de oppositiegroep die in 1953 Holambra verliet, spaarde de nieuwe leiding van de kolonie niet. more “Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië”

Een drama dreigt op de Fazenda Ribeirão

Na de eerste publicaties in februari en maart 1952 ging het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw onverdroten verder met ‘onthullende’ artikelen over de misstanden op de Fazenda Ribeirão. De krant verwachtte aan het einde van dat jaar nieuwe moeilijkheden, bij de ondertekening van het nieuwe Portugeestalige contract. Om de in Nederland verantwoordelijke instanties te herinneren aan de kwestie-Ribeirão publiceerde De Nieuwe Eeuw op 30 augustus 1952 een fragment uit een brief, die het blad had ontvangen van een ‘hoogstaand, zeer betrouwbaar figuur die de toestand op de Fazenda door en door kent; hij kan bovendien niet geacht worden persoonlijke motieven na te jagen of rancunes te willen botvieren. Hetzelfde geldt voor de in de brief genoemde P.A.’ more “Een drama dreigt op de Fazenda Ribeirão”

Op weg naar de ondergang?

Op 8 maart 1952 publiceerde het weekblad De Nieuwe Eeuw een vervolg op het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar, Drie jaar emigrantenleed. Het nieuwe artikel, dat als ondertitel Nederlandse boerenkolonie in Brazilië op weg naar de ondergang? had, was bedoeld om het optimistische geluid van De Linie te ontzenuwen. Volgens De Nieuwe Eeuw was ingrijpen gewenst, waarbij het vervangen van de huidige leiding o.l.v. Hogenboom het meest urgent was. Hieronder volgt het hele artikel.

In ons nummer van 23 februari publiceerden wij een uitvoerig ons toegezonden stuk betreffende de Fazenda Ribeirão, een nederzetting van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië. Uit dit artikel, dat geschreven was door iemand die het wel en vooral het wee van deze kolonie persoonlijk heeft meegemaakt, kon slechts geconcludeerd worden, dat de Fazenda, die drie jaar geleden onder gunstige omstandigheden en met uitstekende perspectieven werd opgericht, volop bezig is te mislukken; en dit niet ten gevolge van onoverkomelijke moeilijkheden van buitenaf, die men niet in de hand heeft, maar door de wijze van optreden van de elkaar opvolgende leiders.

Na deze publicatie in “De Nieuwe Eeuw” verscheen er in een ander weekblad een artikel, waarin het heette, dat de aanvankelijke moeilijkheden integendeel juist overwonnen zouden zijn; een aanzienlijk optimistischer geluid dus. Inmiddels ontvingen wij echter nadere informaties, wederom afkomstig van diverse personen die de gang van zaken in Brazilië van nabij en persoonlijk hebben meegemaakt en meemaakten. Deze informaties geven stuk voor stuk een stevige bevestiging van de conclusies die reeds getrokken moesten worden uit het ons toegezonden stuk over deze zaak dat wij twee weken geleden plaatsten. Het komst ons noodzakelijk voor, thans een gedeelte van deze nieuwe informaties te publiceren.
Een onzer informanten heeft in de maanden november en december 1951 en januari 1952 een bezoek gebracht aan Brazilië; zijn ervaringen zijn dus van recente datum. Tijdens een gesprek met de Nederlandse gezant in Brazilië, ontraadde deze hem met klem, een kijkje te gaan nemen op de Fazenda Ribeirão. Uiteraard wekte die zijn nieuwsgierigheid en argwaan. Beide werden nog versterkt, toen de Nederlandse emigratie-attaché te São Paulo hem uit eigen beweging meedeelde, dat de toestand op de Fazenda allesbehalve rooskleurig te noemen was ten gevolge van vele in het verleden gemaakte fouten. Volgens de emigratie-attaché bestond er echter hoop op beterschap.
Diverse Nederlanders in São Paulo die deel uitmaken van de Nederlandse kolonie aldaar, noemen tegenover onze informant de toestand op de Fazenda rondweg “hopeloos”. Zij baseerden dit oordeel op feiten als: wanbeheer, rechtsverkrachting ten aanzien van de boeren, volstrekte willekeur van de kant van de huidige leiding. De diverse woordvoerders, die hun inlichtingen rechtstreeks ontvingen van leden van de Fazenda, waren – aldus onze informant – geheel instemmig in hun oordeel en ook in de motivering daarvan.
Nog voordat hem concrete feiten bekend waren, bracht deze informant een bezoek aan de Fazenda Ribeirão. Daar werd hij rondgeleid door de pastoor der Fazenda, die in scherpe bewoordingen afgaf op de Brabanders en Limburgers die het overgrote deel van de kolonie uitmaken. Tijdens dit bezoek kreeg onze informant geen toestemming een kijkje te nemen op een van de boerderijen. Reeds de volgende morgen werd hij met zachte drang van de Fazenda verwijderd; hij was toen slechts aan enkele mensen voorgesteld en had, behalve enkele verlaten werkplaatsen, vrijwel niets kunnen bezichtigen.
In São Paulo kreeg onze informant contact met een veearts, een leraar en een landbouwkundig ingenieur, drie Nederlanders die gewerkt hebben op de Fazenda en die stuk voor stuk, de een op nog minder elegante wijze dan de ander, van hun functies zijn ontheven en van de Fazenda werden verwijderd. Volgens hun zeggen is dit geschied, omdat zij het opnamen voor de rechten van de boeren, iets wat de tegenwoordige dictatoriale leiding niet zou dulden. Een van hen heeft een rapport samengesteld en naar Nederland gezonden, eensdeels om te voorkomen dat eventuele nieuwe leden van de Fazenda gedupeerd worden, anderzijds om te bewerken dat er een onpartijdig onderzoek wordt ingesteld. Volgens deskundigen is dit rapport aan de voorzichtige kant gehouden en geheel in overeenstemming met de werkelijke toedracht, aldus onze informant.
Een eventueel in te stellen onderzoek zou echter wel zeer grondig moeten zijn. Er is namelijk al eens een Commissie van Onderzoek op de Fazenda geweest, voordat de Nederlandse regering aan deze kolonie een lening van twee en een half millioen gulden verstrekte. Volgens insiders is deze commissie om de tuin geleid. De boeren en beambten zouden door de leiding geprest zijn gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen die niet overeenkomstig de waarheid waren; een en ander uiteraard om er toch vooral voor te zorgen dat de gevraagde lening inderdaad verstrekt zou worden.

Crisis
In het artikel dat wij op 23 februari publiceerden, werd verteld hoe begin november vorig jaar een crisis ontstond in de gang van zaken op de Fazenda. Toen werden namelijk de ingezetenen gedwongen een verklaring te tekenen, waarbij zij voor de duur van tien tot twaalf jaar afstand deden van hun eigendomsrechten; een en ander ondanks het feit, dat de ingezetenen elk een flinke som gestort hebben om te mogen deelnemen. Aanvankelijk weigerde ruim een derde deel te tekenen, maar na enige dagen was dit ongeorganiseerde verzet gebroken.
Thans wordt ons, als vervolg hierop, van weer andere zijde het volgende meegedeeld: een boerengezin (waarvan ons naam en antecedenten bekend zijn) dat, evenals een ander gezin, bleef weigeren de verklaring te ondertekenen, kreeg in de loop van januari aanzegging de Fazenda te verlaten.
De boer had indertijd ruim ƒ 60.000 in de onderneming gestoken; daarvan zou hij bij zijn verdrijving geen cent terugkrijgen. Zelfs werd hem het geld voor de overtocht naar Nederland, waarom hij gevraagd heeft, geweigerd. In de week van 11 tot 16 februari was de hem gestelde termijn verstreken en kwam de politie hem voor de laatste keer aanmanen te vertrekken. Een kort persoonlijk onderhoud met politieman was echter voldoende om deze tot andere gedachten te brengen: hij vertrok met de mededeling dat de boer van hem niets meer te vrezen zou hebben. De twee gezinnen die weigerden te tekenen, zijn intussen uitgesloten van winkel en magazijn. Dientengevolge zijn zij uitsluitend aangewezen op de “weldadigheid” van de medebewoners der Fazenda. Deze toestand duurde op 21 februari j.l. nog voort.
Twee Nederlandse priesters die in São Paulo werken en geregeld contact gehad hebben met de Fazenda Ribeirão, noemen de toestanden daar – zo wordt ons gemeld – “ontstellend”. Een van hen heeft verschillende malen de pastoor van de Fazenda enige tijd vervangen. Volgens hem is er nog een vleugje hoop op uitkomst uit de onhoudbare toestand van het moment, mits er spoedig op drastische wijze vanuit Nederland wordt ingegrepen.

Ingrijpen gewenst
Dit ingrijpen zou o.m. moeten inhouden:
1. de huidige leiding van de Fazenda moet in haar geheel uit haar functie worden ontzet (de heer Hogenboom, die thans als voorzitter van het bestuur der Fazenda optreedt, is eigenlijk slechts regeringcommissaris, belast met het toezicht op de gelden die de Nederlandse regering aan de Fazenda heeft geleend; in hoeverre zijn benoeming tot voorzitter reglementair en wettig is, weet men niet).
2. het administratieve apparaat moet tot het uiterst noodzakelijke worden ingekrompen.
3. de leden van de Coöperatie moeten volledig in hun rechten worden hersteld.
4. de pastoor, die voor zijn functie ongeschikt lijkt en niet het vereiste vertrouwen geniet, moet vervangen worden.
5. de dierenarts en de landbouwingenieur, die ontslagen zijn omdat zij opkwamen voor de rechten van de boeren, moeten worden teruggeroepen.

Door deze maatregelen zou aan de boeren het bewijs geleverd worden, dat hun belangen en die van hun gezinnen weer op de voorgrond worden geplaatst. Met wijsheid en tact uitgevoerd, zouden deze maatregelen tot gevolg kunnen hebben, dat het geschokte vertrouwen van de boeren wordt hersteld en het diep gezonken moreel wordt verbeterd. Eerst dan bestaat de mogelijkheid, dat er – onder deskundige en tactvoller leiding – in de toekomst wordt voortgewerkt.
Dit zijn enkele aanvullende gegevens die wij nog over de situatie op de Fazenda Ribeirão ontvingen. Ze zijn afkomstig van mensen die de zaak van nabij en uit eigen ondervinding kennen, en die men tot het vormen van een oordeel in staat kan achten.
De Nederlandse regering is bij deze zaak betrokken, omdat zij de onderneming financieel en moreel royaal heeft gesteund. Zij is er bovendien ook nog bij betrokken, omdat – als de klachten gegrond zijn – een drama als dat van de Fazenda Ribeirão onze emigratiepolitiek ernstig in discrediet kan brengen, niet alleen bij de aspirant-emigranten, maar ook bij de regeringen van landen die emigranten opnemen, en op de eerste plaats natuurlijk bij die van Brazilië. Het lijkt derhalve noodzakelijk, dat de Nederlandse regering een zeer grondig, deskundig en onpartijdig onderzoek naar deze zaak laat instellen. Om te beginnen zouden officiële instanties zo spoedig mogelijk contact moeten opnemen met de Nederlanders in Brazilië die de geschiedenis van de Fazenda Ribeirão van nabij kennen. Wellicht zullen hun verklaringen aanleiding zijn, dat er doeltreffende maatregelen worden genomen, voordat het te laat is.

Ongemotiveerd optimisme?

Een week na het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar in De Nieuwe Eeuw van 23 februari 1952 publiceerde De Linie opnieuw een artikel over de “omstreden” Fazenda Ribeirão. Volgens het blad had De Nieuwe Eeuw er beter aan gedaan om vóór publicatie van een verstrekkend artikel als dat van Van den Besselaar een eigen onderzoek in te stellen, ‘gelijk wij dat ook gedaan hebben’. Op basis van dit onderzoek meent De Linie een meer optimistisch geluid te moeten laten horen: ‘Daar zullen wij dus onze redenen voor gehad hebben. Mocht De Nieuwe Eeuw dit nadere onderzoek alsnog willen instellen, dan kunnen wij namen en adressen geven van critische onderzoekers, die de laatste twee maanden de fazenda bezocht hebben.’

Zo bezocht in januari 1952 een delegatie van Carambeí de kolonie. Deze heren waren nogal te spreken over hun bevindingen. Plannen die men in Carambeí had (bv. inzake de handel met de Brazilianen en de wijze van groenbemesting) werden in Ribeirão al toegepast. Een andere informant die De Linie opvoerde was pater Theodulf van der Sterren ss.cc. uit de Fazenda Tres Poços (Pinheiral RJ). Hij schreef: ‘Mijn geloofsbrieven zijn de volgende: een persoonlijk bezoek gedurende de eerste 14 dagen van januari 1952 – gesprekken met de leiders en met tientallen boeren – gesprekken met tegenstanders en afkammers – een helemaal niet oppervlakkige studie van het nieuwe contract dat zoveel stof heeft opgeworpen – om niet te spreken van de lopende berichten in kranten en brieven die ik sinds de stichting verzameld heb.

In zijn brief zette Van der Sterren – aldus De Linie – uitvoerig uiteen, hoe hij gesproken had met vele boeren die in het begin tegen het nieuwe contract waren, dat zij moesten sluiten. ‘Zij beginnen nu echter in te zien, dat dit contract een juiste oplossing brengt van de gerezen economische moeilijkheden.’ Hij besloot zijn lange brief als volgt: ‘In Ribeirão hebben de mensen, zoals op de hele wereld, hun sociale deugden en ondeugden. Zij zijn en blijven gewone mensen. Daar wil ik mee zeggen (om niet te spreken over hun levenspeil en woning enz., wat allemaal ver uitsteekt boven de Braziliaan en zeker ook ver boven menige emigrant), dat ze samen een echt Hollands dorp vormen, waar naast de gezamenlijke leut ook de wrijvingen bestaan. Er wordt gepraat over vriendjespolitiek, hoge salarissen van de bazen, smokkelen van sommige leden enz. Van dit alles is wat waar – waar is het niet waar?! Maar als men zijn opinie ging bouwen op deze feiten en feitjes, dan moet men op zoek gaan naar een aards paradijs en na het gevonden te hebben, zou men Ribeirão kunnen veroordelen als niet helemaal overeenstemmend met dat model. Alles bij elkaar heb ik dus een gunstig idee over de veel besproken Fazenda Ribeirão… en ik neem het op tegen iedere buitenstaander of “weggelopene” van de fazenda, mijn opinie te verdedigen.’

De Linie besloot zijn vervolgartikel aldus: ‘Dit zijn enige grepen uit ons dossier, die de weg naar een onderzoek voldoende aangeven. Wij menen dan ook te kunnen blijven bij de conclusie, die wij in ons vorig artikel trokken: ‘Men moge er van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten terecht stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is. Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

 

Fazenda Ribeirão in opspraak?

In het voorjaar van 1952 werd de crisis waarin Holambra sinds 1950 verkeerde breed uitgemeten in de Nederlandse pers. De spits werd op 15 februari afgebeten door het katholieke weekblad De Linie met een artikel met als titel “Fazenda Ribeirão in opspraak?” De ondertitels van het stuk maken echter duidelijk dat het blad de opspraak in twijfel trok. Het artikel beschreef de reorganisatie die Charles Hogenboom (‘Een man die op economisch en sociaal gebied zijn sporen verdiend had bij grote ondernemingen in Oost-Indië’) het voorgaande jaar op de fazenda had doorgevoerd en de gevolgen voor de boeren die een eigen bedrijf waren begonnen. Volgens een in het artikel geciteerde boer hadden de kolonisten ‘totaal, maar dan ook totaal moeten omschakelen, en (…) snel moeten aanpassen aan de Braziliaanse werkwijzen.’ Volgens De Linie school hierin ‘een der grootste psychologische en morele moeilijkheden voor de argeloos uit Nederland overgekomen landbouwer. Want economisch zijn de zorgen en problemen thans niet zo groot meer.’

De aanpassing was volgens het weekblad een kardinale kwestie. ‘In het begin zijn diverse gezinnen naar de fazenda getrokken zonder voldoende besef van wat hun daar wachtte, zelfs zonder de noodzakelijke voorlichting van geestelijke en wereldlijke autoriteiten. Dit heeft de moeiten en desillusies van de beginperiode niet weinig verzwaard, en “desertie” tengevolge gehad – zoals trouwens in dergelijke pionier-milieux niet te verbazen valt. Er arriveerden reeds grote gezinnen vóórdat naar verhouding van enige productiviteit sprake kon zijn. Dit werkte des te nadeliger nu men in een relatief schrikbarend duur land terecht kwam. Bovendien wist men van Braziliaanse levenswijze, omstandigheden en vooral taal weinig of niets – en, zoals een der briefschrijvers het uitdrukt, “taal is hier kapitaal, in verband met snelle aanpassing en omgang met inheems personeel.” Men kan zich voorstellen dat zulke tekorten op sommige beginnelingen deprimerend, om niet te zeggen vernietigend gewerkt hebben, en soms oorzaak waren van negatieve stemmingmakerij. Het is dan ook voor een niet gering deel aan het uitstekende gehalte der meeste Brazilië-emigranten te danken, dat zulke ernstige teleurstellingen overwonnen zijn.
Men is (…) door deze schade en schande wijzer geworden, en streeft thans naar volwaardige aanpassing aan de Braziliaanse levenswijs zonder de kostbare en aangename elementen van eigen vaderlandse aard te verloochenen. Op deze taak legt ook de technische en religieuze leiding thans meer het accent.

Men moge er dan ook van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten (terecht) stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

Deze positieve voorstelling van zaken werd echter niet algemeen gedeeld. Een week later publiceerde het eveneens katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw een artikel met een totaal andere strekking. Volgens dit blad had De Linie een ‘ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken’ gegeven, die niet strookte met de waarheid. Daarop het besloot De Nieuwe Eeuw het artikel van de hand van Dr. J.J. van den Besselaar, ooit de beoogd leider van een op te richten gymnasium op de Fazenda Ribeirão, te publiceren. In de volgende blog zal dit artikel van Van den Besselaar integraal worden gepubliceerd.

Een korte geschiedenis van Holambra (III)

In 1952 liepen de spanningen op Ribeirão nog verder op. De strijd tussen de vóór- en tegenstanders van Hogenboom beperkte zich niet meer tot de Fazenda. Ook de Nederlandse pers werd gebruikt om het gelijk te behalen. Met name artikelen in het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw zorgden voor de nodige beroering. In dat blad verscheen op 23 februari 1952 een artikel van J.J. van den Besselaar, voorheen werkzaam als leraar op Holambra, waarin hij het beleid van Hogenboom fel bekritiseerde. Volgens Van den Besselaar ging Hogenboom te werk met bruutheid en willekeur. Van iedereen werd conformisme verlangd. Kritiek werd uitgelegd als gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. “Nooit werden fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met ondoordachte brieven het bestaan van de Fazenda in gevaar zouden brengen.” Ook in de volgende artikelen schaarde het weekblad zich achter de tegenstanders van Hogenboom, omdat rechten aan hen zouden zijn ontnomen. Er werd aangedrongen op ingrijpen vanuit Nederland teneinde de leiding (in casu Hogenboom) uit haar functie te ontzetten en de boeren volledig in hun rechten te herstellen.

Drie jaren emigrantenleedDe tegenstellingen op Holambra spitsten zich nog verder toe, toen in september 1952 aan de kolonisten een in het Portugees opgestelde overeenkomst (dat het voor de Braziliaanse wet ongeldige, in het Nederlands opgestelde contract van november 1951 moest vervangen) ter tekening werd voorgelegd. Wist de leiding in november 1951 nog de meeste kolonisten te overreden om te tekenen; nu bleef een aanzienlijk deel (32 van de 87 boeren) weigeren hun handtekening te zetten. Volgens Heymeijer waren zij er enerzijds van overtuigd dat zij de lasten niet konden opbrengen en anderzijds hadden zij het vertrouwen in Hogenboom totaal verloren en konden zij niet geloven dat zij als het op betalen zou aankomen en zij dit niet konden op een soepele behandeling mochten rekenen. Omdat zij weigerden te tekenen, werden zij afgesneden van de credieten van de coöperatie voor hun levensonderhoud en voor hun bedrijf. Volgens Heymeijer werden zij wel gedwongen op niet-legale wijze in het levensonderhoud van henzelf en van hun vee te voorzien. Heymeijer drong, uit naam van de van credieten afgesneden boeren, aan op ingrijpen vanuit Nederland.

H. Bemelmans

De alarmerende berichten deden ook de KNBTB twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom. In overleg met mgr. Hanssen en de Nederlandse regering werd overwogen een onderzoekscommissie naar Brazilië te sturen. De regering liet echter weten hieraan niet te kunnen meewerken, aangezien dit het gezag van de regeringscommissaris zou ondermijnen. Uiteindelijk werd in december 1952 door de KNBTB in overleg met het episcopaat deken H. Bernelmans naar Brazilië gestuurd om de gemoederen te sussen en de weigeraars ertoe te bewegen het contract alsnog te tekenen. Het bezoek leverde echter geen resultaten op. Volgens Bemelmans zagen Hogenboom en het coöperatiebestuur de niet-ondertekenaars het liefste vertrekken. Hoewel Bemelmans het economisch beleid van Hogenboom voor het slagen van Holambra noodzakelijk achtte, vroeg hij zich af of de positie van Hogenboom niet te sterk was, in casu het verenigen van de functies van regeringscommissaris en voorzitter van de coöperatie, een mening die door de Nederlandse regering werd gedeeld. Naar zijn mening was ook het optreden van de leiding niet altijd even tactvol. De conclusies van deken Bemelmans werden door de KNBTB overgenomen. In een brief aan Hogenboom en het bestuur van de Cooperativa Holambra van 12 maart 1953 liet het bestuur van de bond weten “dat afdwinging van het grootste recht in sommige gevallen tot onrecht kan leiden”. Het KNBTB-bestuur vertrouwde erop dat het coöperatiebestuur “in sommige gevallen ook genade voor recht zal willen doen gelden”. Door de Cooperativa Holambra werd echter geen gehoor gegeven aan deze oproep. Werd het bezoek van deken Bemelmans al ervaren als een “dolksteek in de rug van de gehele leiding”, de brief van 12 maart was “de druppel die de beker deed overlopen”. Volgens Hogenboom was opnieuw “een dolkstoot toegebracht”. Het bestuur van de Cooperativa besloot niet op deze brief te reageren en gewoon verder te werken aan de gezondmaking van Holambra.

Begin 1953 begon de uittocht van de ontevredenen. Een deel trok naar Não Me Toque in de staat Rio Grande do Sul, waar zich reeds in 1951 een aantal voormalige Holambra-boeren had gevestigd. Não Me Toque werd een redelijk welvarende kolonie. Een coöperatie kwam echter maar moeizaam tot stand. Volgens Hack is dit te wijten aan de slechte ervaringen met de coöperatie van Holambra met haar sterke leiding. Een andere groep boeren trok naar de staat Paraná en stichtte daar in de buurt van de Nederlandse protestantse kolonies Carambeí en Castrolanda een kleine nederzetting die ‘Tronco’ heette. Hoewel Tronco kon profiteren van de voorzieningen van beide protestantse kolonies, voerde zij een kwijnend bestaan. De meeste boeren hadden hun land niet in eigendom, waardoor zij niet in aanmerking kwamen voor credieten. Volgens Hack had Tronco dan ook nauwelijks toekomstperspectieven.

Na het vertrek van de dissidenten keerde de rust terug op Holambra. Hoewel door deze uittocht de last van de leningen zwaarder was gaan drukken op de schouders van de overgebleven emigranten, slaagde Holambra erin een welvarende kolonie te worden. De vrijgekomen bedrijven werden overgenomen door nieuwe emigranten, veelal familie en kennissen van de overgebleven emigranten. Volgens Klein Gunnewiek begonnen het plezier en de humor “weer door te breken. Een teken dat men iets lichter in de toekomst keek. Een nieuw tijdperk was aangebroken.” Dit betekende echter nog niet dat alle problemen voorbij waren. In 1958, twee jaar nadat de coöperatie het jaar voor het eerst met een batig saldo afsloot, stak een nieuwe oppositiegroep de kop op. Een aantal boeren had verwacht dat nu de lasten werden verminderd. Dit bleek niet het geval te zijn. Aan de tweede ‘revolutie’ kwam echter vrij snel een einde, toen de opponenten hun bedrijven verkochten en vertrokken. Zij vormden begin 1959 een nederzetting in de staat Santa Catharina in de buurt van de hoofdstad Florianópolis.

In de tijd van de grote moeilijkheden (1950-1953) had de ontginning stilgelegen. Vanaf 1955 werd weer hard gewerkt aan het in cultuur brengen van het nog braak liggende deel van de fazenda (circa drieduizend hectares). Het ging nu zo voorspoedig dat vanaf 1958 gesproken werd over de aankoop van een nieuwe fazenda ten behoeve van de kinderen van de kolonisten en nieuwe Nederlandse emigranten. Vooral het grote aantal kinderen vormde een bron van zorgen. Onder de circa negenhonderd Nederlanders die zich begin 1961 op de fazenda bevonden, waren zeshonderd kinderen, van wie er vijfhonderd jonger waren dan veertien jaar. Voor hen zou vroeger of later nieuwe grond nodig zijn. KCES-directeur Jos van Campen schreef hierover in 1960: “Wanneer men nu of binnen afzienbare tijd niet in staat is nieuwe grond te kopen, dan is ( … ) het denkbaar, dat het latente gevaar een actueel gevaar wordt, nl. dat gezinnen met grote kinderen hun bedrijven proberen te verkopen om individueel in Brazilië een nieuw stuk van groter omvang te exploiteren”. Om die reden was de stichting van een tweede kolonie noodzakelijk
Voor de aankoop van grond voor een nieuwe kolonie, die de naam Holambra II kreeg, wist Hogenboom met steun van de Nederlandse commissaris voor emigratie in november 1960 een lening van 1,25 miljoen dollar van de Amerikaanse regering te verwerven. Medio 1961 slaagde men er in ‘Fazenda das Posses’ met een oppervlakte 12.000 hectares aan te kopen. Deze fazenda was evenals Ribeirão gelegen in de Staat São Paulo. De fazenda werd direct in gebruik genomen door enkele boeren van Ribeirão (voortaan Holambra I geheten). Holambra II werd echter niet het succes dat men er tevoren van verwachtte. Deze nieuwe kolonie kwam namelijk tot stand op een moment dat de Nederlandse emigratie haar dieptepunt bereikte. Van een gehoopte jaarlijkse toevoer van tachtig emigranten was dan ook geen sprake. Een groot deel van de grond van de fazenda bleef te lang onverkocht. Daarnaast werd Holambra II geen exclusief Nederlandse kolonie. Ook niet-Nederlanders werden in de gelegenheid gesteld zich in de kolonie te vestigen.

‘Holambra’ betekende voor de KNBTB de realisering van zijn ideeën over de meest wenselijke vorm van agrarische emigratie: door de stichting van kolonies waarin geloofs- en landgenoten samenwerkten kon het geestelijk en sociaal welzijn van de emigrant het best worden gegarandeerd. De stichting van Holambra was vooral gebaseerd op idealistische motieven. Heymeijer wilde een ‘gemeenschap’ opbouwen, maar ging voorbij aan een aantal voorwaarden waaraan voldaan moest worden wilde zo’n gemeenschap een succes worden. Onvoldoende aandacht was bijvoorbeeld besteed aan de selectie van emigranten en de financiering van de kolonie. Daarnaast was uitgegaan van de (verkeerde) veronderstelling dat boeren in staat waren om samen een levensvatbaar geheel op te bouwen. Tenslotte ontbrak het aan een goede leiding. In de loop van 1950 werd duidelijk dat Holambra financieel aan de grond zat.

Hogenboom slaagde er met behulp van een nieuwe lening in Holambra te reorganiseren en te laten uitgroeien tot een succesvolle onderneming. De wijze waarop Hogenboom deze reorganisatie uitvoerde, wekte weerstand op bij een groot aantal kolonisten. Deze verloren alle vertrouwen in het succes van de onderneming en vertrokken na scherpe conflicten naar elders. Opvallend was dat ook de KNBTB ging twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom en pogingen deed de beide partijen tot verzoening te bewegen. In deze periode van conflicten, waarover de Nederlandse pers uitvoerig berichtte, hield de KNBTB zich opvallend afzijdig van alle publiciteit. Slechts een enkele keer (op 15 maart 1952, midden in de publiciteitsgolf rond Holambra) verscheen in Boer en Tuinder een artikel over de kolonie. De moeilijkheden, die uiteengezet werden, zo werd er geschreven, waren overwonnen en men ging ‘met vertrouwen de toekomst tegemoet’. Pas vanaf het einde van 1954 verschenen weer regelmatig artikelen over Holambra in dit weekblad meestal geschreven door G. Duysens, de vertegenwoordiger van Holambra in Nederland met het doel nieuwe emigranten te werven.

Holambra bood voor emigrerende boeren het voordeel zich te vestigen in een vertrouwde gemeenschap van land- en geloofsgenoten. Daarnaast verminderde het emigreren binnen coöperatief verband de financiële risico’s die aan emigreren verbonden waren. Een groot bezwaar tegen deze vorm van emigreren is echter dat de integratie in het land van bestemming erdoor belemmerd werd. Men kon zich veilig terugtrekken in de eigen gemeenschap. Hierdoor werd niet zozeer de behoefte gevoeld de vreemde taal (in casu Portugees) te leren. Holambra vormde lange tijd een erg gesloten gemeenschap. Hack oordeelt hierover: ” Practically all contacts with the outside world are taken care of by the cooperative, which tends to make the colonists somewhat easy-going in some things”. Voormalige Holambra-boeren die zich op de open nederzetting Näo Me Toque vestigden, zeiden dan ook uit eigen ervaring: “At Holambra you’ll never get to know Brazil.”