Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-??)

Aan de stichting van Holambra in 1948 en de aankoop van de Fazenda Ribeirão gingen twee jaren van onderhandelingen met Braziliaanse overheidsinstanties en ook moeizame contacten met de Nederlandse overheid vooraf. Een sleutelrol daarbij speelde Pieter Cornelis van Scherpenberg, die van 1946 tot 1950 aan het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro was verbonden als emigratie-attaché.

Pieter Cornelis van Scherpenberg werd op 22 januari 1903 geboren in München. Zijn ouders, Pieter Adolf van Scherpenberg (1860-1934) en Hermina Antonia Waller (1871-1941), hadden zich na hun huwelijk op 16 augustus 1898 in Heemstede in de Beierse hoofdstad gevestigd. Beide ouders waren afkomstig uit rijke koopmansfamilies. Pieters grootvader August van Scherpenberg kocht in 1855 de buitenplaats De Horst in Driebergen. Vader Pieter Adolf studeerde chemie en promoveerde in 1884 in Erlangen op het proefschrift van ‘Kritische Beitrage zur Kenntnis der Wismuthverbindungen’. Pieter Adolf van Scherpenberg en Hermina Antonia Waller kregen in München drie kinderen: Albert Hilger (1899), Pieter Cornelis (1903) en Jacoba Cornelia (1906). Pieters oudere broer Albert Hilger van Scherpenberg werd Duits diplomaat en was van 1958 tot 1961 staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken van de BRD.

Voordat ook Pieter Cornelis van Scherpenberg een diplomatieke loopbaan begon – maar dan voor Nederland – was hij vooral actief in de landbouw. Na zijn middelbare school in Duitsland ging hij studeren aan de landbouwuniversiteit van Reading in Engeland. In 1923 verwierf hij daar zijn graad als landbouwkundig ingenieur. Na zijn afstuderen trok hij naar Frankrijk en daarna naar Noord-Afrika als toezichthouder op landbouwbedrijven. In 1926 vestigde hij zich in Irak, waar hij de leiding gaf aan een landbouwbedrijf in Balad Ruz (ten oosten van Bagdad) ter grootte van 80.000 hectares. Van 1930 tot 1934 was bij bovendien voor Nederland actief als vice-consul in Bagdad. In 1934 vertrok hij uit Irak.

Na een kort verblijf in Nederland werd hij door de Nederlandse Gist- en Spirtitusfabriek te Delft – waar zijn neef Herman François Waller directeur was – uitgezonden naar Portugal om daar de mogelijkheden daar een gist- en spiritusfabriek op te zetten. Kort daarop werd hij door de Centrale Suikermaatschappij (CSM) naar Brazilië gestuurd om de mogelijkheden voor investeringen in de landbouw te onderzoeken. In 1937 had Van Scherpenberg het oog laten vallen op een landbouwproject nabij Pirassununga SP. Hij legde het plan om op de Fazenda São Joaquim een groepsvestiging van Nederlandse boeren te vestigen voor aan de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN) en de R.K. Emigratievereeniging. Beide emigratieorganisaties hadden belangstelling voor het project, maar door het gebrek aan financiële middelen kwam het er niet van om op São Joaquim Nederlandse emigranten te huisvesten.

Op 19 november 1938 trouwde Pieter Cornelis van Scherpenberg met de uit Noorwegen afkomstige Mildrid Klingenberg, geboren op 3 september 1917 te Trondheim. Pieter en Mildrid kregen twee dochters Mildrid Catharina (Katie), geboren in São Paulo in 1940 en Hermina Victoria, geboren in Vancouver (Canada) in 1941. In 1941 vertrok het gezin Van Scherpenberg via de Verenigde Staten en Canada naar Engeland. Daar trad hij toe tot het Prinses Irene Brigade, een in Engeland gevormd Nederlands legeronderdeel dat vooral bestond uit Engelandvaarders. Als lid van de brigade was hij in 1944 betrokken bij de geallieerde invasie in Frankrijk en daarna de bevrijding van Nederland. Binnen de brigade wist hij op te klimmen tot de rang van majoor. In Londen was hij ook lid van een studiecommissie die de Nederlandse regering adviseerde over het naoorlogse emigratiebeleid.

Op 1 augustus 1946 keerde Van Scherpenberg terug naar Brazilië om bij het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro namens de Stichting Landverhuizing Nederland – het Nederlandse regeringsorgaan dat belast was met emigratiezaken – als emigratie-attaché de mogelijkheden voor de vestiging van Nederlandse emigranten in Brazilië te onderzoeken en om een emigratieverdrag tot stand te brengen. Naast contacten met Braziliaanse regeringsinstanties was hij vooral actief met reizen door de zuidelijke Braziliaanse deelstaten om geschikte kolonisatieobjecten op te sporen. Hij ondersteunde ook de commissie-Heijmeijer, die eind 1946 naar Brazilië kwam om de mogelijkheden voor de emigratie van katholieke boeren te onderzoeken. Het eerste jaar als emigratie-attaché had genoot hij veel vertrouwen bij de SLN, maar in 1948 was daar weinig meer van over. Hem werden vooral aangerekend dat zijn reizen geen concreet resultaat opleverden en dat hij geld van de SLN gebruikte voor de oprichting van een kolonisatiemaatschappij zonder dat er uitzicht was op de daadwerkelijke realisering van emigratieprojecten. Op 5 juni 1948 behoorde hij tot de oprichters van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra, de coöperatie die later dat jaar eigenaar werd van de Fazenda Ribeirão en daarmee de stichting van Holambra mogelijk maakte.

In november 1949 besloot de stichting over te gaan tot het ontslag van Van Scherpenberg per 1 juni 1950. Volgens een voormalig gezantschapssecretaris was hij weliswaar een harde werker, maar geen groot organisator. Daarbij speelde ook mee dat de SLN drastisch wilde bezuinigingen het bureau van de emigratie-attaché. Na zijn ontslag vestigde het gezin Van Scherpenberg zich in het noorden van Brazilië, namelijk op Santana, een eiland in de monding van de Amazonerivier, nabij Macapá, de hoofdstad van de huidige deelstaat Amapá. Ook hier hield Van Scherpenberg zich bezig met de ontwikkeling van landbouwondernemingen. In 1953 presenteerde hij samen met de Amerikaans Donald Daniels, president van de Agro Industrial Ltd., maatschappij voor de oprichting van tropische cultures in Brazilië, plannen voor een nieuwe cultuurmaatschappij. Agro Industrial had daartoe in Maracá (Amapá) een gebied van maar liefst 600.000 hectares aangekocht. Om dit gebied in cultuur te brengen was de onderneming in 1953 op zoek naar voormalige planters uit Nederlands-Indië. Daniels en Van Scherpenberg wilden in het gebied 500 Nederlandse families vestigen die als kolonist 20 à 30 hectares grond zouden ontvangen, welke in 10 jaar tijd door de levering van 10% van de productie hun eigendom kon worden. Van de plannen om er op grote schaal Nederlandse planters te vestigen, is echter niets terecht gekomen.

Bronnen, o.a. :

http://www.driebergsdorpsfeest.nl/publicaties/06-koffierijkdom-op-de-horst
Nieuwsblad voor Sumatra, 18 maart 1953.
NA, Archief Directie voor de Emigratie, inv.no. 1418.
www.delpher.nl en www.familysearch.org