‘Ir. Heymeyer komt voor onze aspirant-emigranten’

Na de publicaties van Heymeijer in het boerenbondsblad Boer en Tuinder en zijn radiovoordracht (zie de bijdragen ‘Wij zochten land in Brazilië’ op deze website) was de belangstelling voor emigratie naar Brazilië alleen maar toegenomen. Op 6 en 7 mei 1947 organiseerde de Noordbrabants Christelijke Boerenbond (NCB) in Breda en Boxtel twee voorlichtingsbijeenkomsten. Gezien de grote belangstelling moest men in het bezit zijn van een toegangsbewijs en een entreegeld van 5 gulden te betalen. De NCB-editie van Boer en Tuinder kondigde beide voorlichtingsbijeenkomsten op 3 mei 1947 als volgt aan.

Heymeijer
Geert Heymeijer

‘Het vraagstuk der emigratie heeft de laatste tijd zo in het teken van de belangstelling gestaan, dat misschien geen enkel van de vele problemen die onze boerenstand op ’t ogenblik raken zoveel werd besproken. Deze belangstelling werd zelfs opgevoerd tot spanning ja zelfs hoogspanning en hiertoe hebben zeker voor een deel bijgedragen ontelbare vergaderingen en lezingen waar over emigratie werd gesproken, naar diverse landen, waaronder vooral Brazilië. Ja het kwam zelfs zover, dat Brazilië bij de meesten in hun gedachten en fantasie hing als het land van belofte, zelfs haast als een Luilekkerland!

Waarom niet? Men vindt er immers edele metalen, steenkool, een prachtige natuur, en wat onze boeren vooral trok, prima grond, zware klei in uitgestrekte oppervlaktes, niet te overzien. Ja stel U eens voor, een land met al die rijkdom, een land in opkomst, bijna 200 maal zo groot als Nederland met slechts ongeveer 40 millioen inwoners, terwijl de grond daar bijna voor ’t grijpen ligt, en bijna niets kost. En dan nog wel grond, welke zonder bemesting de zwaarste opbrengsten oplevert! En de prijs der producten? O, dat was allemaal prima in orde. Brazilië moet immers al zijn landbouwproducten invoeren, en kent geen landbouw van betekenis. Dus daar behoefde men niet voor de vrezen. Dit was de verbeelding!!

Hoewel deze verbeelding zeker niet bij allen, die gedwongen door de omstandigheden, rondliepen met emigratie-aspiraties aanwezig was, velen hunner stelden zich Brazilië toch voor als bovenomschreven. Overgroot was dan ook de belangstelling voor de vergaderingen die werden belegd door onze organisatie, en waar ir. Horsmans en de heer Kampschoër [de directeur en de voorzitter van de Emigratiestichting van de KNBTB, MS] kwamen spreken over emigratie, waarbij tevens formulieren werden uitgedeeld waardoor men zich voor emigratie kan opgeven, en we telden zelfs vergaderingen met meer dan 1000 aanwezigen. Een stroom van opgaven kwam binnen en groeide aan tot een aantal van 700 stuks. Zij die zich meldden waren niet alleen jonge boeren doch ook gehuwde, met grote en kleine gezinnen met grote en kleine kinderen, en voor 90 pct. als pionier.

Wat is nu de werkelijkheid? Hoe is de grond, het klimaat, de prijs der producten, het levensniveau, kortom: wat zijn de mogelijkheden in Brazilië? Voor wie is er kans? Wie zullen in aanmerking komen als pionier bij de eerste groep? Dit, en vele andere, waren vragen waarop wij allen een antwoord wilden hebben. En alhoewel we een en ander konden lezen in Boer en Tuinder, vele vragen bleven voor ons onbeantwoord, terwijl we smachtend zaten te wachten, en alhoewel door de drukke voorjaarswerkzaamheden bij velen de spanning enigszins ontladen is, toch zou men graag iets meer weten. Welnu hiertoe zal ir. Heijmeijer omtrent zijn ervaringen in Brazilië vertellen, en ruime gelegenheid geven tot het stellen van vragen.’

Wij zochten land in Brazilië (IV – slot)

De commissie-Heymeijer verontschuldigde zich in haar rapport over het feit dat niet erg vleiend voor Brazilië en de Brazilianen. Zij meende in het belang van hen ‘voor wier toekomst wij ons verantwoordelijk achten’ er goed aan te doen de situatie met een kritisch oog te moeten bezien. ‘Indien (…) een gelegenheid gevonden wordt, waar inderdaad redelijke kansen voor Nederlanders bestaan (…), dan zullen degenen, die dan toch besluiten den stap te doen en de moeilijkheden het hoofd te bieden, voor het grootste deel wel blijken te zijn gesneden uit het hout, waaruit men pioniers snijdt. En deze lieden zullen slagen. Stelt men aan den anderen kant zaken te gunstig voor en wordt over de moeilijkheden maar luchtig heengegaan, (. ..) dan zullen velen verleid worden te emigreeren, voor wie de werkelijkheid een bittere teleurstelling zal beteekenen. Dit moet tot iederen prijs voorkomen worden, niet alleen in het belang van de slachtoffers, maar in het belang van de emigratie in het algemeen.’
                In 1973, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Holambra, blikte Heymeijer terug op het werk van zijn onderzoekscommissie. Hij gaf toe Brazilië in korte tijd te hebben gezien met Nederlandse ogen en te hebben aangehoord met Nederlandse oren. ‘Bij voorbaat kon gesteld worden, dat ons oordeel wat eenzijdig en zeker niet definitief kon zijn. Wij waren ons daar van bewust en daarmede ook van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van al te grage emigranten. Groepsemigratie zou de aangewezen wijze van emigratie zijn en dan waren er ook goede perspectieven. De candidaat-emigranten zouden goed voorbereid dienen te worden en er niet al te gemakkelijk over moeten denken om de stap te doen.’
                Het weekblad Boer en Tuinder publiceerde op 12 april 1948 de volgende conclusies van de commissie-Heymeijer:

  1. Waar voldoende arbeidskrachten zijn en redelijke transportmogelijkheden is de rentabiliteit van den landbouw in Brazilië op het ogenblik goed; in de koffie- en katoencultuur zelfs zeer goed. Dit laatste geldt ook voor den tuinbouw en de melkveehouderij in de omgeving van de groote steden. De economische toestand van Brazilië is op het moment zeer labiel; rekening moet worden gehouden met een daling van de prijzen der agrarische producten. Dit zal in mindere mate het geval zijn met sommige eerste levensbehoeften: melk, groenen, fruit, aardappelen.
  2. Voor emigratie naar Brazilië komen alleen jonge bij voorkeur gehuwde personen met een groot aanpassingsvermogen in aanmerking. De emigrant dient er rekening mede te houden, dat hij een periode van economische en sociale moeilijkheden zal moeten doormaken. De laatste moeilijkheid is in het algemeen voor de vrouwen het grootst. Vestiging als landarbeider is ten sterkste af te raden, gelet op den zeer lagen levensstandaard van den plattelandsarbeider in Brazilië. In bepaalde gevallen kunnen bekwame Nederlandsche boeren in een redelijke positie in loondienst worden geplaatst. In verband met de vrijwel in alle opzichten van de Nederlandsche sterk afwijkende toestanden en volksaard is individueele emigratie van landbouwers in het algemeen af te raden. In bijzondere gevallen of voor personen met speciale eigenschappen kan individueele emigratie succes opleveren. In alle gevallen moeten de emigranten in Nederland zoo volledig mogelijk worden ingericht en gewaarschuwd voor de moeilijkheden, die hun wachten, terwijl in Brazilië daadwerkelijke hulp en voorlichting noodzakelijk is. Emigratie op goed geluk levert de meest ernstige gevaren voor economische en maanschappelijken ondergang op. Het medenemen van vrouw en kinderen is in dergelijke gevallen misdadig te noemen.
  3. De aan individueele emigratie verbonden nadeelen kunnen grootendeels worden ondervangen door vestiging in groepsverband. Dit is mogelijk voor betrekkelijk kleine groepen als deelpachter op groote landgoederen. Grootere groepen zouden zich kunnen vestigen door aankoop of in sommige gevallen door pacht van gronden in een bepaalde streek. Aan de vestiging van grootere groepen als zelfstandige landbouwers in een streek, waar uitbreidingsmogelijkheden bestaan, is om economische en sociale motieven verre de voorkeur te geven. De groep dient dan uit zooveel mogelijk homogene elementen te bestaan en in organisatorisch verband te worden gebracht.
  4. In het algemeen is aan koop van grond de voorkeur te geven boven pacht. Onder de huidige omstandigheden kan het pachten van grond voordeelen bieden, gelet op de betrekkelijk hooge koopprijzen en de onzekerheid met betrekking tot de waarde van de nationale munt in Brazilië; bovendien zijn de moeilijkheden om de vestiging te financieren bij koop aanzienlijk grooter. Mogelijkheden om een belangrijk gedeelte van de voor de financiering benoodigde geldmiddelen in Brazilië te vinden zijn aanwezig. De rentestandaard is echter in het algemeen zeer hoog.
  5. De landbouwbedrijven zijn in Brazilië in het algemeen veel grooter en de opbrengsten per H.A. lager dan in Nederland. Gelet op de financieringsmoeilijkheden kunnen de bedrijven, die aan Nederlandsche emigranten ter beschikking worden gesteld – naar Braziliaanschen maatstaf gemeten – slechts zeer klein zijn. Om op deze bedrijven een redelijk bestaan te verdienen zal de exploitatie door vakbekwame boeren en op meer intensieve wijze dan in Brazilië in het algemeen gebruikelijk is, moeten plaats hebben. In de meeste gevallen zal de grond moeten worden verbeterd. Voor de vaststelling van de minimale bedrijfsgrootte het aangeven van de wijze van verbetering van den bodem en het inrichten van de bedrijven op de meest rationeele wijze zijn wetenschappelijke studie en practische ervaring gedurende eenige jaren noodzakelijk.
  6. Alvorens tot groepsvestiging kan worden overgegaan is een nauwkeurig en verantwoord onderzoek van de betrokken streek noodzakelijk ten aanzien van bodem en klimaat, afzetmogelijkheden en sociaal-culturele omstandigheden. Indien tot groepsvestiging wordt overgegaan is het gewenscht overeenkomstig de Braziliaansche wetgeving een “cooperativa” op te richten, die financiële en technische leiding geeft. Tegelijk dient een afzetorganisatie in het leven te worden geroepen.
  7. Aangezien de mogelijkheid bestaat, dat Brazilië een bestaan kan bieden voor duizenden Nederlanders als kleinere, maar zelfstandige land- en tuinbouwers, is een ernstige poging, om de zeer vele aan emigratie naar dit land verbonden moeilijkheden te overwinnen en het nemen van een proef op voldoend groote schaal, verantwoord. Deze proef dient een aantal van 200-300 gezinnen te omvatten; de vestiging daarvan moet worden voorafgegaan door een kleinere groep van 20-30 pioniersgezinnen. Voor het slagen van de proefonderneming is de aanstelling van een of meer landbouwkundigen voor onderzoek en voorlichting als bedoeld onder 5 en 6 noodzakelijk. De aan het nemen van een proefneming gepaard gaande kosten zijn aanzienlijk lager dan die, welke moeten worden besteed aan de stichting van bedrijven op nieuwe gronden in Nederland.

 

Bronnen: Rapport W. van Beers, J.G. Heymeijer en C. van Steen (Rio de Janeiro), 12 februari 1947, in: NA, Archief Voorlopers NED, inv.no. 121; J.G. Heymeijer, ‘Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie naar Brazilië. Holambra, 1948-1973’, mei 1973, p. 6, [0655] in: NA, Archief Heymeijer, inv.no. 7; Boer en Tuinder, 12 april 1947.

Wij zochten land in Brazilië (III)

Na de muzikale break ging Heymeijer in zijn radiopraatje in op de vraag of Brazilië een geschikt emigratieland was voor de Nederlandse boeren. Hij was kritisch, maar zag wel mogelijkheden, mits er aan een aantal voorwaarden zou worden voldaan. Hij citeerde de Zuid-Amerikakenner Willem Julius van Balen (1890-1984) die kort daarvoor had geschreven dat de bodem van het continent gedrenkt was met het zweet, de tranen en het bloed van tienduizenden.

Na dit muzikale uitstapje, luisteraars, keeren wij terug naar ons uitgangspunt: wij zochten land in Brazilië: boerenland. Men zou zoo zeggen (…) dat dit niet zoo moeilijk geweest zal zijn en wel overal te vinden en dat het verder zeer aantrekkelijk moet zijn in dit land te leven en gemakkelijk om er geld te verdienen. Zoo eenvoudig is het echter niet, luisteraars, want iedere medaille heeft een keerzijde en zoo zijn er omstandigheden, die ik in het begin noemde en die zoo gunstig leken – en het inderdaad ook zijn – evenzoo vele factoren, die de vestiging als landbouwer kunnen bemoeilijken. Ik wil een paar voorbeelden noemen.

De geweldige uitgestrektheid van het land en de dunne bevolking, die eenerzijds de ruimte voor onze boeren waarborgen, zijn anderzijds weer oorzaak van een zeer moeilijk en zeer kostbaar verkeer. De afzet van de producten naar de consumptiegebieden levert in vele gevallen zulke ernstige moeilijkheden op, dat het niet de moeite loont om die producten te gaan verbouwen. Die geweldige ruimte is ook aanleiding geweest tot die groote bedrijven (…) maar ook door het beoefenen van roofbouw. En dat heeft weer tot gevolg, dat de bodem in vele streken uitgeput en verarmd is. Men heeft toch grond genoeg! Maar het gevolg daarvan is, dat de goede grond steeds verderaf gezocht moet worden.

Het prachtige klimaat, dat het leven daar zeer veraangenaamt, kan echter den boer in sommige gevallen leelijk parten spelen, omdat de regenval niet zoo goed verdeeld is als hier, maar maandenlang geheel kan ophouden. In die periode groeit er dus geen gras voor het vee en soms kan de periode zoo lang aanhouden, dat ook andere gewassen verdrogen. Daarbij zijn er ook uitgestrekte gebieden, waar het zóó warm is, dat het voor den Nederlandschen boer niet mogelijk is om te werken.

Allen bij elkaar moesten wij dus zeer goed uitzien om geschikten grond te vinden voor onze boeren en tuinders, want ook in den tuinbouw zitten wel mogelijkheden. Wij zochten dus naar terreinen, die in een goed klimaat waren gelegen, die behoorlijke verbindingen hebben en dus goede afzetgebieden bieden en waar de grond goed was. Wij hebben nu enkele gebieden op het oog en daarvan wordt de grond door een van ons [ir. W.F. van Beers, MS] nader onderzocht. Definitieve resultaten moeten we dus nog afwachten. Ook andere moeilijkheden moeten nog worden opgelost, maar daarover kan ik U in de 10 minuten, die mij zijn toegemeten, niet praten. Slechts een wil ik er noemen en dat is, dat wij niet vergeten mogen, dat wij ons geld niet naar Brazilië mogen meenemen en dat wij dus voor onze bedrijfscredieten geheel op Brazilië zijn aangewezen. En verder wil ik U wel zeggen, wat onze conclusie is. In het kort komt dit erop neer, dat wij niemand durven aanraden op zijn eentje naar Brazilië te emigreeren. Daarvoor zijn de moeilijkheden te groot en te velerlei. Practisch gesproken is het voor onze boeren alleen mogelijk in Brazilië te slagen, indien dit geschiedt in groepsverband onder goede leiding en met een staf van lieden, die de moeilijkheden op het gebied van den landbouw, van het vervoer en van den verkoop en de verwerking van het Nederland en de ABC-statenproduct mede helpen oplossen. Voor hen, die meenen op eigen beenen te kunnen staan en in een geheel vreemde omgeving succes te hebben met werkmethoden, waaraan men in eigen land gewend is, wil ik de harde woorden herhalen die, Mr. Van Balen in zijn boek Nederland en de A.B.C.-staten, woorden, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten. Van Balen schrijft dan: ‘Om het nu maar eens heel kras uit te drukken: de bodem van Zuid-Amerika is gedrenkt met het zweet, de tranen en bloed van tienduizenden, die aldus gemeend hebben, zich wel op den duur omhoog te kunnen werken. Enkelen zijn geslaagd en hun schitterend voorbeeld heeft vele anderen verblind, doch het overgroote meerendeel is op den Zuid-Amerikaanschen akker ondergeploegd als mest, waarvan op zijn gunstigst volgende generaties het voordeel zullen trekken.’

Dit is inderdaad kras uitgedrukt en naar mijn meening gelden deze woorden niet uitsluitend voor Zuid-Amerika. Ook in Frankrijk en andere emigratielanden zijn er vele, zeer vele mislukkelingen ten onder gegaan, omdat zij niet voldoende waren voorbereid. Maar die woorden mogen een waarschuwing zijn voor onverantwoordelijke optimisten – wij hebben er ontmoet in Brazilië – die meenen, dat emigreeren een plezierreis is. En aan den anderen kant houdt het een les in voor ons om goed uit te zien en niet over ijs van één nacht te gaan. Laat ons hopen en ook bidden, luisteraars, dat wij erin slagen zullen door goed onderzoek, door een goede organisatie en door taaie volharding in Brazilië een gelukkige toekomst te scheppen voor een groot aantal Nederlandsche boeren en tuinders.

Bronnen: KDC, Archief KNBTB, inv.no. 3390; J.W. van Balen, Nederland en de ABC-staten (Amsterdam 1945), pp. 247-248.

Wij zochten land in Brazilië (II)

Naast artikelen in het bondsblad ‘Boer en Tuinder’ deelde Geert Heymeijer de indrukken opgedaan tijdens zijn eerste reis naar Brazilië ook in een radiopraatje (causerie) die hij kort na zijn terugkeer verzorgde voor de KRO-radio. In het eerste deel van dit praatje typeert hij het onmetelijk grote land dat hij had bezocht en eindigde hij met het draaien de carnavalshit van Silvo Caldas.

Bijna vier maanden luisteraars, zijn wij met zijn drieën op reis geweest in Brazilië, op zoek naar boerenland. Dat is een heele tijd en toch hebben wij nog maar betrekkelijk weinig van dat land kunnen zien, want het is een verschrikkelijk groot land, dat Brazilië. 280 Maal zoo groot als Nederland en daar wonen maar 5 maal zooveel menschen als hier. Daar moet dus wel de ruimte zijn en die is daar inderdaad; zelfs in vergelijking met de z.g. dichtbevolkte streken wonen er in Nederland gemiddeld 10 maal zooveel menschen op dezelfde oppervlakte als in Brazilië. Ruimte is er dus en zon en warmte eveneens! Ja het kan er ook wel eens erg warm worden en drukkend hier en daar, maar in de bergen op 600 meters hoogte is het best om uit te houden en al kan de zon overdag flink steken, tegen den avond koelt het af en heeft men het heerlijkste weer, dat men zich denken kan. En dan daarbij niet van die vreselijke hinderlijke muggen, die bij ons steeds de zeldzame mooie zomeravonden zoo kunnen bederven.

Brazilië is een land van ruimte, zon en warmte, van prachtig blauwe luchten en schoone, zeer schoone landschappen. Daar groeien de koffie en de katoen, de voornaamste producten van den landbouw, daar groeit rijst, suikerriet en mais, daar plukt men de bananen in de tuinen of langs den weg, daar zijn de sinaasappelen, grapefruit, en andere vruchten in groote verscheidenheid en vele soorten. Daar zijn landbouwbedrijven van 1000 en 10.000 hectaren en meer, waar groote kudden vee gehouden worden.

Wij hebben daar gereisd veel en lang op allerlei manieren: met eigen vliegtuigen – de meest comfortabele en snelle wijze om groote afstanden te overbruggen ‑ , met de trein, zelfs eenmaal met de exprestrein, bestaande uit een locomotief, een salonrijtuig en een slaapwagen, ons welwillend ter beschikking gesteld door een der vele spoorwegmaatschappijen, die daar zijn, met sportvliegtuigjes, met auto’s van de Regeering en ook met autobussen, vrachtauto’s, lorrie’s met een span muilezels ervoor, motor- en roeibooten en te paard; dus nogal variatie. Het paard, luisteraars, vervult in Brazilië op het platteland dezelfde functie als de fiets in ons eigen land. De fiets is daar nl. onbruikbaar vanwege het sterke heuvelland en de – vooral in de natte periode – slechte wegen, terwijl de kleine paardjes, die men daar heeft, op ongelooflijke wijze smalle steile bergweggetjes kunnen beklimmen, door modderpoelen en beekjes waden en je overal brengen, waar je met geen ander vervoermiddel of te voet ooit zou kunnen komen.

Wij waren ook in de steden; daar zijn enkele zeer groote steden als Rio de Janeiro en São Paulo, ieder met meer dan 2 millioen inwoners, een gering aantal kleinere steden met enkele honderdduizenden inwoners en verder een groot aantal kleine plaatsen en ontelbare gehuchten en nederzettingen. Die groote steden zijn lang niet mis! Integendeel! Rio de Janeiro wordt de mooiste stad van de geheele wereld genoemd en ik wil het graat geloven, zoo fraai is deze stad gebouwd aan een schitterende baai, omzoomd door uit zee opduikende bergen.

São Paulo is een moderne stad met groote wolkenkrabbers, druk verkeer en gezellige en zeer fraaie winkels, waar een overvloed van alle mogelijke artikelen in groote keuzen den Nederlander, die niets gewend is op dat gebied, doet watertanden. Helaas is alles verschrikkelijk duur, duurder dan in Noord-Amerika, waar ook alles in overvloed te krijgen is en naar wij vernemen tegen geleidelijk dalende prijzen. De hooge prijzen, luisteraars, zijn naar mijn meening het gevolg eenerzijds van een teveel aan geld – de koffieprijzen zijn thans bijna het tienvoudige van 1939 en de katoenprijzen zijn ongeveer 6 maal zoo hoog als toen ‑, anderzijds van de betrekkelijke schaarste, die er is.

Brazilië heeft groote tegoeden in het buitenland in het bijzonder in Engeland en Amerika. Maar Engeland levert thans zeer weinig en Amerika ook mondjesmaat, omdat dit land vrijwel de heele wereld moet bedienen. En zoo komt het, dat ondanks de groote geldvoorraad en het ruime deviezenbezit, de import nog betrekkelijk beperkt is en de prijzen van de ingevoerde artikelen zeer hoog zijn. Zoo kosten de Nederlandsche aardappelen, die een zeer goeden naam hebben, in de winkels te Rio ƒ 0,70 per k.g. en wij zagen daar Nederlandsche kaas geprijsd voor ƒ 6,- per k.g. De melk kost er 40 tot 80 ct. per liter en het brood ƒ 1,40 per k.g. Zoo komt het ook, dat degene, die een automobiel wil koopen, in Brazilië dezelfde hooge prijs betaalt als hier op de zwarte markt gevraagd wordt. In de kleine plaatsen zijn de prijzen veel en veel lager, tenminste van de meeste levensmiddelen; fabrieksgoederen en importartikelen – voorzoover die al te krijgen zijn – zijn daar even duur als in de groote steden. Wij zijn uiteraard in vele kleine plaatsen geweest; daar leeft men uiteraard tamelijk geïsoleerd, omdat zij zoo van elkander gelegen zijn en het verkeer zeer primitief is.

Wij hebben enkele aardige kleine stadjes bezichtigd en merkwaardig is, dat die alle op elkaar gelijken. Overal valt op het groote aantal textielwinkeltjes, waar een groote vooraad en groote keuze aan stoffen en lapjes te koop is. En verder bezit iedere plaats een meestal langwerpig plein, waar aan het eind de kerk staat in Portugeesche barokstijl en waar, alnaargelang de welvarendheid van de plaat ‑- meer of minder rijke bloemperken het geheel een fleurigen indruk geven.

Wij hebben ons vaak vergenoegd op zaterdag- en zondagavond, als daar de rijpere jeugd paradeerde op het trottoir rond de groene gazons, soms in een zee van licht – de stroom is goedkoop in Brazilië! De meisjes  wandelen drie aan drie in de eene richting en de tegenstroom wordt gevormd door de jonge mannen. En het duurt zoo de heele avond tot een uur of half tien, terwijl een of andere welwillende caféhouder een groote luidspreker heeft opgesteld, die zonder oponthoud en met oorverdoovend lawaai de samba’s en andere dansmuziek over het plein uitschalt. Die muziek is heel typisch en om U daar een idee van te geven laat ik even een plaatje draaien van ‘Anda Luzia’ die door een cavalier wordt genoodigd carnaval te vieren, een lied dat gedurende de carnavalsdagen in Rio tot dol wordens toe in café’s en op straat en in de trams wordt afgedreind. Hier komt het …

Wij zochten land in Brazilië (I)

In november 1946 vertrok in opdracht van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) een commissie bestaande uit oud-secretaris Geert Heymeijer, het hoofd van de landbouwkundige afdeling van de Wieringermeerdirectie Chris van Steen en bodemkundige Wim van Beers naar Brazilië met als opdracht de mogelijkheden voor vestiging van Nederlandse katholieke jonge boeren te onderzoeken. Op 19 maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug in Nederland. In zijn rapport sprak Heymeijer over moeilijkheden, maar ook over mogelijkheden. In het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder deed hij verslag van zijn bevindingen. In de eerste aflevering van 12 april 1947 zette hij uiteen waarom het noodzakelijk was om alleen goed voorbereid en in groepsverband naar Brazilië te trekken. Hij wees daarbij op de teleurstellende ervaringen die een Nederlandse emigrant eerder in Brazilië had opgedaan.

‘Gisteren kreeg ik een brief van een Gelderschen boer. Een goede brief, een verstandige brief. Die boer is een oude pionier die 13 jaar in Brazilië geweest is. Hij vertrok in 1909 met een groep. “Wij werden met een 50-tal gezinnen in een stuk oerwoud neergezet en met 20 gezinnen in een barak gestopt,”schrijft hij. “Ieder moest maar zien hoe hij op het land (oerwoud) dat hem werd toegewezen een hut bouwde. Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak daar zeker geslaagd zijn en dan zou er niet zooveel ellende en honger geleden zijn.. En dan vraagt men mij waarom ik zelf zoo enthousiast ben om te emigreeren. En dan is mijn antwoord: omdat ik heimwee heb naar Brasil…”

Ik kan mij dat voorstellen, heimwee naar Brasil, ondanks de geleden ellende. Daar is iets in dat land, dat je vast houdt als je het verlaten gaat. Wat dat is, wie kan het precies zeggen? Maar het zal de zon zijn, de prachtige lucht, het eewige groen, de ruimte, de vrijheid… Het is een goed land, Brazilië maar er wordt veel ellende geleden, heel veel en toch… het schijnt wel, dat de ellende daar beter te dragen is dan elders, of dat de Brazilianen het beter verdragen kunnen dan wij verwende Hollanders kunnen begrijpen!

“Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak zeker geslaagd zijn,” zegt mijn briefschrijver. Daarmee slaat hij den spijker op zijn kop. Emigreeren naar Brazilië zonder uiterst degelijke voorbereiding en zonder voorlichting en organisatie loopt bijna steeds op een mislukking uit. De kolonie van onzen Gelderschen boer bestaat niet meer, verschillende pogingen van Nederlandsche kolonisaties in deze eeuw zijn mislukt. Slechts één groep heeft zich weten te handhaven en leeft thans in zekeren welstand. Maar tal van andere emigratiepogingen van buitenlanders leden jammerlijk schipbreuk. De fouten, die vroeger gemaakt zijn, dienen te worden voorkomen en dan zal Brazilië inderdaad kansen bieden op een redelijk bestaan en een gelukkig leven voor den Nederlandschen boer.

B&T120447Ik heb in de bijna 4 maanden, die wij in Brazilië doorbrachten, verschillende mislukkingen gezien van kersversche emigranten, die meenden op eigen beenen te kunnen staan en met hun Nederlandse werkwijze in een geheel andere omgeving gemakkelijk succes te zullen betalen. Het moge een waarschuwing inhouden voor al-te-grage en ongeduldige candidaat-emigranten. Dat ongeduld kan ik mij voorstellen, maar het is beter een jaar te wachten en goed terecht te komen in dit verre en vreemde land, dan de onmiddellijke wenschen vervuld te zien en spoedig op de boot te zitten om straks in ellende onder te gaan.

Daarbij hebben heel veel candidaat-emigranten geen flauwe notie wat emigreeren beteekent en een totaal onjuiste voorstelling van het land, waar zij hun toekomst hopen op te bouwen. Aan de hand van de zeer schaarsche gegevens, die in ons land over Brazilië te krijgen zijn, bouwen zij in hun phantasie een droomenland op, dat waarschijnlijk wel aan hun wenschen, maar heelemaal niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Voor hen die zóó vertrekken zal de ontgoocheling bitter zijn.
Emigreeren naar welk land dan ook doet men niet voor zijn plezier, maar het is voor velen een harde noodzaak. Maar het is in het belang van den emigrant en tenslotte ook in het belang van ons land, dat de emigrant zoo goed mogelijk voorbereid vertrekt. Voorbereid op een hard leven gedurende eenige jaren, voorbereid op tegenslag, voorbereid op moeilijkheden, bereid en in staat om dit alles te dragen en te weerstaan.

Laat dit genoeg zijn voor degenen, die meenen in Brazilië gemakkelijk en snel rijk te worden; zij kunnen die illusie gerust uit hun hoofd zetten. Maar voor den vakbekwamen boer, die liefst van vele markten op het agrarisch terrein thuis is, die zich aan vreemde toestanden en gewoonten weet aan te passen, ligt er in Brazilië een goede kans, die echter naar mijn meening in het algemeen alleen gegrepen kan worden, indien in groepsverband geëmigreerd wordt. Slechts aan weinigen met een speciaal karakter zal het lukken, als enkeling te slagen. De voorbereiding van een groepsemigratie kost echter veel tijd, zorg, geld en geduld. Hoe dringend de emigratie van onze boeren ook is, wie verantwoordelijkheid moet dragen voor de toekomst van velen, die hun heil in het buitenland zullen moeten zoeken, moet eischen, dat deze dingen zorgvuldig worden voorbereid en goed georganiseerd. Er staan te groote belangen op het spel.

Wij zochten land in Brazilië! Het is niet zoo eenvoudig om de ervaringen en indrukken, die wij ginds opdeden, in enkele woorden te vertellen en nog moeilijker om een antwoord te geven op de vraag, die velen op de lippen brandt: Is Brazilië een emigratieland voor onze boeren? Er zijn vele moeilijkheden en het “neen” zou eenvoudig zijn, ware het niet, dat onze verantwoordelijkheid ons er van weerhield om door dat “neen” een groot land met naar onze meening op den langen duur nog zeer groote mogelijkheden voor onze boeren af te sluiten. Anderzijds verbiedt onze verantwoordelijkheid ons ook om op deze vraag een onbevangen “ja” te antwoorden. Dat zou den ondergang van velen kunnen beteekenen.’