Mettertijd 3500 emigranten op de “Fazenda Ribeirao”

Nederlandse kolonie levert stof voor Braziliaanse kranten

In de beginjaren van Holambra waren Nederlandse katholieke kranten gretig om nieuws te publiceren over de nieuwe Nederlandse emigrantengemeenschap in Brazilië. En zeker als de intiatiefnemer, Geert Heymeijer weer even in Nederland was om besprekingen te voeren met autoriteiten. Zo ook De Tijd, die eind 1949 het onderstaande artikel publiceerde. Dat hij in Nederland was om te onderhandelen voor nieuwe financiële steun hield Heymeijer echter voor de betrokken journalist verborgen.

(Van onze Haagse redacteur)
Praten en schrijven hier in Nederland over de noodzaak en de mogelijkheden van emigratie is allemaal heel aardig, maar nu de andere zijde van deze zaak. Als de boot los is van de kade heeft de emigrant over de bestaansmogelijkheden in Nederland geen zorgen meer, maar hoe vergaat het hem in zijn nieuwe vaderland? Wij hadden een gesprek met iemand, die het klappen van de zweep kent in Brazilië. Ir. J. G. Heymeijer staat daar aan het hoofd van een, nu reeds vrij grote, Nederlandse kolonie: de “Fazenda Ribeirao”, waar al eens eerder over gesproken is in ons blad. Hij is enkele dagen voor zaken in ons land en bleek bereid iets ie vertellen van zijn ervaringen ‑ interessante, moeizame en hoopvolle. – more “Mettertijd 3500 emigranten op de “Fazenda Ribeirao””

Compleet dorp in aanbouw

Onder de titel “Nederlandse boeren bouwen huis en hofstede in Brazilië” publiceerde De Volkskrant op 4 augustus 1949 een artikel over de opbouw van de Nederlandse gemeenschap op de Fazenda Ribeirão, nu beter bekend onder de naam Holambra. Aanleiding is het bezoek van de Nederlandse vertegenwoordiger van Holambra, Gerard Duijsens, aan Brazilië. De sfeer is nog zeer optimistisch, maar legt ook de zwakte van het project bloot: de opbouw van de kolonie werd voor een groot deel gefinancierd uit de financiële inbreng van de emigranten. Ook laat het zien dat Holambra voor de Brazilianen een voorbeeldfunctie vervulde. Dit is ondanks de crisis die een jaar later begon niet veranderd.

more “Compleet dorp in aanbouw”

“Geen onbezonnen gooi naar het avontuur”

Mijn posts betreffende de geschiedenis van Holambra beslaan tot dusverre de periode 1946-1954. Daarin komen de voorbereiding, de eerste jaren en de crisis in de jaren 1951-1953 aan bod. Dankzij de digitalisering van kranten duiken steeds meer artikelen op over de beginjaren. In het navolgende keren we terug naar 1949. Het katholieke dagblad DE TIJD besteedde op 23 februari van dat jaar aandacht aan het vertrek van de tweede grote groep emigranten naar Holambra. Ze maakten de zeereis met de “Alphard”, dezelfde boot die later dat jaar ook de eerste emigranten van de gereformeerde kolonie Monte Alegre vervoerde. more ““Geen onbezonnen gooi naar het avontuur””

Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië

Ribeirão begon waar Carambei na veertig jaar eindigde!

Emigrantenwoning in Ribeirão

In het najaar van 1952 verbleef de Utrechtse sociologiestudente M. Muntz in Brazilië voor het doen van onderzoek voor haar afstudeerscriptie. Zij bezocht Carambeí en Holambra en deed daarvan uitvoerig verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Een half jaar later deed zij dit op 21 maart 1953 nog eens dunnetjes over in De Nieuwe Eeuw. In haar uitvoerige artikel zette zij de opgedane ervaringen van Carambeí op een rij vergeleek die met de beginnersfouten van Holambra. Muntz, die sterk onder invloed stond van de oppositiegroep die in 1953 Holambra verliet, spaarde de nieuwe leiding van de kolonie niet. more “Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië”

F. 2.500.000 ging verloren in Brazilië

Nederlandse Staat springt in voor gedupeerden van kolonisatie-experiment. Onbekwame leiding

Terwijl de katholieke dag- en weekbladen – De Nieuwe Eeuw uitgezonderd – in de regel positief-kritisch stond ten opzichte de ontwikkelingen op de Fazenda Ribeirão hoefden andere kranten niet terughoudend te zijn om de problemen bij de naam te noemen. Op 3 mei 1952 verscheen op basis van brieven van gedupeerden een artikel in DE TELEGRAAF. Deze krant was niet alleen kritisch op het bewind-Heijmeijer, maar bekritiseerde evenzeer het nieuwe bewind van Hogenboom, die zich bediende van intimidatie en wiens dwangmaatregelen het psychologisch inzicht misten.De vertrekkers zagen evenwel elders in Brazilië voor zichzelf goede kansen.

“Não Me Toque (Brasil), 23 sept. – Beste vrienden. Wij zijn dat concentratiekamp van Sao Paulo ontvlucht en overgeplaatst naar hier. Hier is men tenminste zo vrij als een vogel in de lucht. Wij hebben echter een tractor op de fazenda moeten achterlaten…”

“Als wij nog maar zoveel geld hadden, dat wij in Paraná goed konden beginnen, dan waren wij gered. Maar thuis is alles gedeeld en ons eigen geld hebben wij gestort, terwijl wij nu nooit meer iets er van zullen zien, of het valt mee. Ik voor mij hoop dat wij hier niet lang meer hoeven te blijven, want het mes geraakt hier hoe langer hoe dieper in de keel.”

“Wij zitten me voldoende materiaal maar zonder geld en krijgen hier ook geen eigendom voor de schuld is afgelost. En dat loopt over een termijn van zestien jaar. Daar komt nog bij als ze het niet kunnen halen, mogen ze het materiaal van de boeren nog aanslaan.”

“Men kan aan de coöperatie alles leveren, maar geld ziet men nooit en het spreekwoord zegt toch: men moet een zekere welvaart genieten om gelukkig te zijn.”

“Er zijn hier 2 irs, 1 commissaris, daarbij nog veel kantoorpersoneel en er worden nog zes meisjes opgeleid voor kantoor en dat op zo’n handjevol mensen. Wij liggen hier aan handen en voeten gebonden te midden van de vrijheid. Alle in- en verkoop moet door de coöperatie geschieden. Men hoeft hier geen hoofd te hebben om te boeren, nog enkel om er een pet op te zetten. Als wij ons geld niet hadden gestort konen wij het rustig afkijken en stond het ons niet aan, dan ons geld en materiaal over laten komen en elders beginnen. Heijmeijer zegt wel: de enkeling mislukt hier, maar ik zeg op mijn beurt met ’n ir. in de rug, even vrolijk. Als men zijn ogen de kost geeft, mislukken die mensen die totaal geen verstand hebben van boeren en toch boeren. Ik zeg tegen mijn man, nog liever elders heel mijn leven rijst en bonen dan hier blijven in dit wespennest en ook niets dan rijst en bonen eten. Wil men het hoofd boven water houden, er liggen kansen genoeg voor een boer.”

De Telegraaf plaatste met als ondertitel 'Geslaagde  immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy' deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.
De Telegraaf plaatste met als ondertitel ‘Geslaagde immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy’ deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.

Trieste geschiedenis
Dit zijn enkele brokstukken uit “brieven naar huis” van katholieke Brabantse boeren en boerinnen die indertijd – het is nog maar een paar jaar geleden – vertrokken naar de Fazenda Ribeirao in een gemeente in de Braziliaanse staat São Paulo, om daar in kolonieverband onder leiding van ir. J.G. Heijmeijer aan de slag te gaan. De kolonie ging werken op coöperatieve basis, de gezamenlijke onderneming, want dàt was de bedoeling, heette voluit de Cooperativa Agro Pecuaria Holambra.
En men kent haar trieste geschiedenis. De idealist Heijmeijer, die startte zoals nog zelden een stichter ener kolonie in het buitenland zal hebben kunnen starten, d.w.z. met steun van practisch alle zijden, van de deelnemers zelf (geld en idealisme), van de Staat der Nederlanden (deviezenfaciliteiten voor de uitvoer van vee en zaden of pootgoed, geld en bedrijfsbenodigdheden), van hun organisatie (R.K. Boeren- en Tuindersbond), van de geestelijkheid en last but not least van officiële Braziliaanse zijde (renteloze leningen van de fed. Regering en van de staat Sao Paulo en algehele gastvrijheid), kon het niet bolwerken. Goede bedoelingen, zelfs de allerbeste, zijn nu eenmaal niet voldoende in zulke gevallen.

Dwaas bewind
Daar kwam nog bij, dat de leiding overtuigd scheen te zijn van haar eigen voortreffelijkheid, dat zij goede raad van insiders uit het land zelf van de hand wees, als mede de verstandige adviezen van tot inkeer geraakte kolonisten, onder wie goed onderlegde boeren, en dat zij een dwaas dictatoriaal bewind bleef voeren, hetwelk des te vreemder was, omdat de coöperatie bewust was gebaseerd op een soort communistisch ideaal.
Men heeft in de krant ook kunnen lezen wat er nadien gebeurde. Toen de duiten waren opgesoupeerd, het vee goeddeels aan ziekte bezweken, de zaaizaden verteerd etc. etc., werd een beroep gedaan op de Ned. Staat en kwam bij het namens deze ingestelde onderzoek in loco aan de dag, welke grove fouten er waren gemaakt. Staatsgarantie voor een nieuwe lening van niet minder dan twee en een half millioen gulden werd verleend – het desbetreffend wetsontwerp werd na enkele vragen van Kamerleden, die er een gevaarlijk precedent inzagen en zuurzoete vermaningen voor de toekomst uitten, zonder meer aangenomen, en verder hebben de Nederlandse staatsburgers er niet veel van vernomen.

Individuelen slaagden
Het waren merendeels prima emigranten, die de banier van de heer Heijmeijer hadden gevolgd en die toen zij eenmaal vrij hun wieken konden uitslaan, zich elders wisten te redden, en de goede naam van ons land en volk, welke zeer geleden had door het armzalige experiment van de Cooperativa Holambra, weer ’n beetje herstelden.
Ook had onze regering een commissaris benoemd en naar de fazenda gezonden, om te redden wat er te redden viel en te voorkomen dat er nieuwe brokken zouden worden gemaakt. Welnu, deze deed zijn best om de doodzieke patiënt nog in het leven te houden, maar hij deed het verkeerd. Zijn dwangmaatregelen, waarmee hij de zaak trachtte te redden, misten het psychologische inzicht, hij intimideerde de boeren, en zij, hoewel te weinig organisatieminded om collectief verzet te plegen, zij zochten een goed heenkomen, zij trachtten het althans. Intussen er op bedacht blijvende hun geld terug en hun schade vergoed te krijgen.

Proces van de boeren
De slachtoffers zijn namelijk een proces tegen de leiding begonnen, en hebben daartoe juridische bijstand gekregen van Braziliaanse zijde. Intussen is reeds de Ned. Schatkist aanmerkelijk lichter geworden door dit lichtvaardig opgezet en uitgevoerd idealistisch-communistisch kolonisatieplan, terwijl individuele pogingen om als boer ergens in het rijke Brazilië te slagen gelukten. De vruchtbare bodem wacht op verstandige exploitatie.
“De eerste twee jaren zullen zwaar zijn en hard,” schreef een der gedupeerden van de Cooperativa, die elders opnieuw een voor zichzelf kon beginnen, “maar hier liggen kansen van slagen en voor iemand met voldoende kapitaal zeer goede. Wij zijn bezig met de Braziliaanse regering een contract af te sluiten. Als dit lukt en die kans is groot, zitten hier grote perspectieven in.”
En een brief als deze, is niet de enige. Wij komen op de deplorabele zaak terug.

Drie jaar emigrantenleed in Brazilië

Fazenda Ribeirão in opspraak!

Op 23 februari 1952, een week na het artikel in De Linie, waarin de opspraak van de Fazenda Ribeirão verscheen in een ander katholiek weekblad een artikel waarin de opspraak uitvoerig uit de doeken werd gedaan. Auteur was Sjef van den Besselaar, leraar klassieke talen, die in 1949 door Geert Heijmeijer was aangetrokken met als doel een Besselaargymnasium op de fazenda te stichten. Van dit ambiteuze plan kwam door de moeilijkheden op de fazenda niets terecht. Zelf had hij de indruk dat hij slechts was ingehuurd voor het opleiden van de kinderen van Heijmeijer. Vanaf eind 1951 maakte hij deel uit van de groep fazendabewoners die zich keerden tegen het nieuwe bewind van Charles Hogenboom. In 1952 ging hij oude geschiedenis doceren aan de Katholieke Universiteit van São Paulo. In 1961 keerde hij met zijn gezin terug naar Nederland waar hij lector en later hoogleraar Portugees werd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1967 publiceerde hij het boek Brazilië. Ontwakende reus in de tropen. Hieronder volgt integraal Van den Besselaars artikel in De Nieuwe Eeuw, dat op de Fazenda Ribeirão direct leidde tot grote beroering.

Het is, uit inlichtingen die ons van meer dan één zijde bereikten, wel duidelijk, dat er met de Nederlandse nederzetting “Fazenda Ribeirão” in Brazilië een en ander niet geheel in orde is. Men zou hierover gaarne een nader onderzoek willen instellen alvorens er over te publiceren. Het feit echter dat een ander weekblad de vorige week een artikel over deze aangelegenheid bracht dat een, naar tot oordelen bevoegdheden verzekeren, ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken gaf, noodzaakt ons thans bijgaand artikel te publiceren. Het wordt door derden als “volkomen waarheidsgetrouw” gekenmerkt. In elk geval is het, voor de goede orde van het hoor en wederhoor, noodzakelijk thans dit relaas te publiceren.

Ruim drie jaar geleden werd een begin gemaakt met de georganiseerde emigratie van katholieke boeren naar Brazilië. Het ontbrak de kolonisten noch aan de zegen der kerkelijke autoriteiten, noch aan de morele en financiële steun der regeringen van het oude en van het nieuwe vaderland. Brazilië gedroeg zich ook in een ander opzicht royaal: het stond immigratie in groepsverband toe. Juist deze omstandigheid oefende op vele boeren een grote aantrekkingskracht uit. Welbewust gaven zij aan deze vorm van emigreren de voorkeur, omdat zij in een kolonie de godsdienstige en zedelijke belangen van hun gezin beter beveiligd achtten dan wanneer zij individueel de grote sprong naar de overzijde van de oceaan zouden wagen. Het werk zou langdurig en zwaar zijn, hiervan was men overtuigd, maar door een gemeenschappelijke krachtsinspanning van allen zou men hier voor zijn kinderen de toekomst kunnen veroveren. Zelfs waren zij bereid tot het grootste offer dat men van een Nederlandse boer kan vragen: voorlopig wilden zij iets prijs geven van hun zelfstandigheid om het geheel betere kansen van slagen te geven. Een gezonde idealistische inslag mag het overgrote deel dezer boeren niet ontzegd worden.
Ondanks de gunstige voortekenen is de Fazenda Ribeirão bezig te mislukken. Het is de droevige werkelijkheid: de kolonie verkeert nu al ruim een jaar in staat van ontbinding en dit proces van ontbinding is niet het gevolg van onvermijdelijke tegenslagen, natuurrampen en dergelijke factoren, waartegen men zich moeilijk wapenen kan, maar is hoofdzakelijk te wijten aan de ondeskundigheid, de tactloosheid en de arrogantie van de leiding. In het kort zullen we trachten deze bewering te adstrueren.

Optreden Ir. Heymeyer
Aan de goede bedoelingen van de voormalige leider Ir. G. Heymeyer behoeft niet getwijfeld te worden. Maar de geschiedenis heeft bewezen, dat men met goede bedoelingen alléén een kolonie niet opbouwt. Het tijdperk van zijn bewind kan men het best kenschetsen als het tijdperk van improvisatie en van de fantastische constructies. Reeds dadelijk bleek, dat aan de meest elementaire problemen nauwelijks of geen aandacht was besteed. Drie jaren emigrantenleedBetrouwbare voorstudies ontbraken, evenals een vast omschreven bouwplan en een reële begroting. Er werd hard gewerkt in die dagen, maar op de manier van dilettanten, die in een roes van optimisme verkeren. Toen de kolonie zich begon uit te breiden, ging men de behoefte aan een betere organisatievorm duidelijker inzien. Maatregelen werden uren lang overwogen, maar ofwel niet uitgevoerd ofwel daags daarna met de grootste lichtzinnigheid herroepen. In een overmaat van verkeerd begrepen verantwoordelijkheidsgevoel, was Ir. Heymeyer op geen enkele manier ertoe te bewegen, anderen in de verantwoording, die hij voor het geheel droeg te laten delen. Zelfs in de kleinste nietigheden eiste hij zich de beslissende stem op, wat zijn gezag na enige tijd ondermijnde en lichtelijk belachelijk maakte. Toen hij hierop van bevriende zijde attent werd gemaakt, legde hij dit uit als een greep naar de macht.
In plaats van zich eerst en vooral om de onmiddellijke productie te bekommeren ging men over tot dure experimenten, alsof men jaren tijd had om de boterham te verdienen. Naar goed bedoelde raad van deskundige zijde, hetzij van Nederlanders hetzij van Brazilianen, werd niet geluisterd. In het algemeen legde men een volkomen misplaatst meerderwaardigheidsgevoel aan de dag tegenover de Braziliaanse buitenwereld. Een positieve waardering voor het volk, dat enige honderden Nederlanders zo gastvrij ontvangen had, konden de leiders van Ribeirão niet opbrengen. Het behoorde – en behoort nog – tot de bon ton af te geven op Brazilië, waarvan men overigens niets weet, en nog minder begrijpt. Geen van hen spreekt ook maar draaglijk Portugees, wat ook in economisch opzicht een grote handicap is.
Aan de grote problemen van de dag werd niet voldoende aandacht geschonken, men verloor zich liever in toekomstdromen, fantaseerde over een middelbare school en een cultureel centrum, waarbij men zich gedroeg alsof Brazilië volkomen een vacuüm was. Tot grote ontsteltenis van de boeren drong een leger ambtenaren de fazenda binnen, niet alleen lieden wier aanwezigheid men op een boerendorp mag veronderstellen, zoals een dierenarts, een landbouwkundig ingenieur en een zuiveldirecteur, maar nog vele andere intellectuelen en semi-intellectuelen zwermden over de fazenda heen. Deed men echter een beroep op dit organisatorisch apparaat, dan bleef het telkens weer in gebreke. Iedereen projecteerde en organiseerde, en niemand kende zijn plaats in het ingewikkelde bestel.
De meest uitgeslapen boeren begonnen toen al te vermoeden, dat het met de cooperativa niet bijster goed ging. Het eerst ontevreden werden natuurlijk die boeren, die financieel bij de onderneming het meest geïnteresseerd waren, m.a.w. zij die er een behoorlijke duit in hadden zitten. Eenmaal in Brazilië aangekomen, konden zij geen enkele invloed meer doen gelden op de algemene gang van zaken, hoe groot het bedrag ook was geweest dat zij kort geleden aan zulke gretige handen geofferd hadden. Want het “gele boekje” met de statuten zag er wel veelbelovend uit, maar in de praktijk bleek het slechts een vodje papier. Vrije opinie- of besluitvorming was voor de leden van het begin af aan een onmogelijkheid. Er werd in die periode druk vergaderd, maar alleen door officiële instanties, die in geen enkel opzicht als de vertegenwoordigende organen van de bevolking konden gelden. Algemene vergaderingen werden maar zelden belegd; ze waren trouwens meer een “Proklamationsstelle” dan een werkelijk delibererend lichaam. Op zakelijke bezwaren werd gereageerd met een stichtelijk verhaaltje, en wat aan de argumenten van de voorzitter ontbrak, werd ’s zondags door de preek van de pater aangevuld.
Intussen waren de financiën hopeloos in de war geraakt. Een nieuwe lening zou worden aangegaan met de Nederlandse regering. Na maandenlange besprekingen en onderhandelingen kwam het midden 1951 dan zo ver: de lening was er door, zij het dan ook veel te laat. Aan het verstrekken van deze lening werd van Nederlandse zijde als voorwaarde verbonden de aanwezigheid van een commissaris, die de hoogst financiële en economische autoriteit op de fazenda zou zijn. Daarmee trad de cooperativa in een nieuwe fase.

Optreden Hr. Hogenboom
De eerste indruk die de commissaris, dhr. Ch. Hogenboom maakte, was niet ongunstig. Aan enige organisatorische wantoestanden werd inderdaad energiek een eind gemaakt. Met vreugde vernamen de boeren zijn besluit, dat ze spoedig allemaal zelfstandig zouden worden. Het tijdperk der fantasie was definitief afgesloten, een nieuw tijdperk van zakelijkheid brak aan.
Maar de zakelijkheid, die de commissaris nastreefde en nog nastreeft, is die van de Senembang-maatschappij, als wier employé hij jarenlang in Indonesië heeft gewerkt. Gewend als hij is met koelies om te gaan, volgt hij dezelfde methode met de boeren, van wier mentaliteit hij te enen male niets begrijpt. Het dient erkend: de nood van de omstandigheden vraagt een energiek beleid. Maar hiermee worden bruutheid en willekeur niet gerechtvaardigd. Dhr. Hogenboom is vastbesloten de fazenda te redden, kost wat kost: de operatie zál slagen, ook al moet de patiënt bezwijken. – En de patiënt is aan het bezwijken.

Van iedereen werd onder het nieuwe bewind een verregaand conformisme verlangd. Elke vorm van kritiek zowel op het oude als op het nieuwe regime werd botweg uitgelegd als een gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. Personen die ernstige en gerechtvaardigde grieven hadden, die de dupe waren geworden van het vroegere wanbeheer en om rechtsherstel vroegen, werden nauwelijks aangehoord en, bleven ze aandringen, zonder meer van de fazenda verwijderd. Het eigenlijke bestuursapparaat, wel te onderscheiden van het bestuur, werd practisch ongewijzigd overgenomen; de vertrouwensmannen van de boeren, die in het nieuwe “officiële” bestuur zitting kregen, hadden geen enkele reële invloed. Nooit werden de fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel, de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken, en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met hun ondoordachte brieven het bestaan der fazenda in gevaar zouden brengen. Soms beriep men zich op de omstandigheden, en enkele malen dreef men de onbeschaamdheid zo ver om de oorzaak van de moeilijkheden toe te schrijven aan Nederlandse paters buiten de fazenda, die meer dan iemand hebben bijgedragen om de jeugdige onderneming op allerlei gebied service te verlenen. Zo werd het rechtvaardigheidsgevoel van de gehele bevolking gekwetst. Met contracten en met eerder gedane toezeggingen werd op de meest willekeurige manier omgesprongen.
Vooral de intellectuelen, die prijs stelden op een onafhankelijk oordeel, moesten het ontgelden. Ze werden er uitgewerkt, de een op een nog minder elegante manier dan de andere. Na deze zuivering beschikt de leiding thans over een stelletje “employé’s”, op wier meegaandheid zij in alle omstandigheden kan rekenen.

Crisis
De crisis, die men al maanden te voren had kunnen zien aankomen, viel eind october – begin november 1951. Toen werden de leden van de coöperatie gedwongen – nota bene: degenen die er hun centen in hadden zitten – een verklaring te tekenen, waarbij ze voor de duur van 10 à 12 jaar afstand deden van hun eigendomsrechten. De term “gedwongen” is hier niet overdreven, want de ondertekenaars, financieel berooid, zonder kennis van dit land, volk en taal, verkeerden in een dergelijke noodpositie, dat van een eigenlijke vrije beslissing geen sprake kon zijn. Aanvankelijk weigerde ruim het derde deel te tekenen, maar na enige dagen was het ongeorganiseerde verzet gebroken. Zulk een capitulatie zou onder havenarbeiders niet mogelijk zijn geweest, onder Brabantse en Limburgse boeren echter wel. Dezen immers zijn sterk individualistisch, bijna wantrouwig van aard, hebben een minderwaardigheidscomplex tegenover de intellectuele leiding, zijn afkerig van blinde avonturen en verstaan niet de kunst om georganiseerde oppositie te voeren. Zo kon de machtspolitiek van de leiding hen overrompelen. Onder het vroegere bewind werden ze gepatroniseerd, onder het huidige worden ze geïntimideerd. Een paar wapenen zijn hun echter niet uit de handen te slaan: het wapen der kritiek, vaak met veel gezond verstand en met groot gevoel voor humor gehanteerd, en een zekere slimheid, die in alle omstandigheden superieur blijkt aan welke maatregelen van overheidswege dan ook.

Sapienti sat…
In brede kringen bestaat momenteel echter een diepe verslagenheid of een grote verbittering; de werklust is bedenkelijk gedaald; velen vragen zich ernstig af hoe ze zichzelf en hun gezin nog kunnen redden. Er zijn er niet weinigen, die gemeend hebben deze vraag te moeten beantwoorden door de benen te nemen, desnoods met achterlating van hun kapitaal en hun bedrijfsinventaris. Er hebben zich al kleine kolonietjes gevormd in Rio Grande do Sul en in het noorden van de staat São Paulo, die door achterblijvers beschouwd worden als mogelijke steunpunten, wanneer het ook hun te warm mocht worden onder de voeten. Dit jaar zijn reeds ruim 150 personen (20 à 25%) naar elders vertrokken, en een zeker even groot aantal personen speculeert nog op een gunstige gelegenheid om de plaat te poetsen. Dit wordt hun echter steeds moeilijker gemaakt, want de laatste handtekening die ze geplaatst hebben, verplicht de deserteurs om voor een opvolger te zorgen. En er zullen nog maar weinig boeren in het lieve vaderland te vinden zijn, bereid om zulk een hoge prijs te betalen voor de post van rechteloos zetboer op de Fazenda Ribeirão. Andere kolonisten en ex-kolonisten, die op de fazenda geen recht konden vinden, hebben een Braziliaans advocaat in de arm genomen. Niemand weet wat het eind van dit liedje zal zijn.

Oplossing?
Het probleem van Ribeirão is niet in de eerste plaats van financiële of economische aard. Als onberekenbare rampen uitblijven, zou het inderdaad mogelijk zijn de enorme lasten te boven te komen, mits een eind wordt gemaakt aan de vertrouwenscrisis van thans. De tegenwoordige leiding doet niets om het geschokte vertrouwen te herstellen, integendeel, met haar ontactische maatregelen prikkelt ze tot daden van sabotage en verzet. Wie een maand geleden op dit stukje kibbelend Nederland rondwandelde, kon de indruk krijgen, dat hij zich in bezet gebied bevond. “Regeringspartij” en “oppositie” waren er gangbare termen, en aan deze terminologie beantwoordden van weerszijden acties en campagnes, die tot de ondergang van de kolonie moet leiden. Uit meerdere bronnen blijkt duidelijk, dat de algemene stemming de laatste maand wezenlijk niet verbeterd is.
Het gemis aan een boven de partijen staande geestelijke leiding doet zich sterk gevoelen. Want de rector van de kolonie is helaas niet geschikt voor zijn ambt van geestelijk herder van de boeren. Dezen zien in hem het verlengstuk van het bestuur, niet de pastoor van de parochie. In hun behoefte om hun hart uit te storten aan een geestelijke, nemen velen hun toevlucht tot de Nederlandse paters in Campinas of São Paulo. Ook dit leidt tot allerlei ongewenste spanningen.
Nog steeds leven 500 Nederlanders op Ribeirão in verdeeldheid en onrust. De naam van ons land heeft in Brazilië reeds veel geleden ten gevolge van het avontuur dat “Cooperativa Holambra” heet. Wij zouden ons crediet helemaal kunnen verspelen, als op deze weg werd voortgegaan. Dit verhindere het gezond verstand van de autoriteiten in het vaderland.

Dr. J.J. van den Besselaar

Een korte geschiedenis van Holambra (II)

Voorafgaande aan mijn oude Holambra-boek, waarvan ik een nieuwe editie aan het voorbereiden ben, werd in 1989 mijn doctoraalscriptie ‘Met kompas emigreren’ gepubliceerd. Hierin beschreef ik reeds de belangrijkste ontwikkelingen rond Holambra gedurende de moeilijke beginjaren. Het tweede deel van deze korte geschiedenis beschrijft de moeilijkheden en het aantreden van regeringscommissaris Charles Hogenboom. Voor wie mijn scriptie nog eens na wil lezen, die kan hier de [pdf] vinden. De inleiding van ‘Met kompas emigreren’ is ook te lezen op mijn website www.marismits.nl.

De berichten over de financiële moeilijkheden waarin de Cooperativa Holambra verkeerde, vormden voor de Nederlandse regering de aanleiding om in augustus 1950 een commissie naar Brazilië te sturen om een onderzoek te doen naar de situatie op Holambra. Deze Commissie Van Roggen-Van Waveren concludeerde dat de Cooperativa Holambra niet in staat was haar schulden te betalen. Met de middelen waarover de kolonie beschikte, was het onmogelijk om de opzet en exploitatie te verwezenlijken. De leiding had nagelaten zich voldoende rekenschap te geven van de voor landbouw en veeteelt van de Nederlandse situatie afwijkende omstandigheden. Verder was er sprake van een gebrek aan administratie en aan ervaring in het beheer van de kolonie. De kolonie zou pas kunnen renderen in 1952-53 als aan bepaalde voorwaarden zou worden voldaan. Deze waren: (1) dat de coöperatie voor de jaren 1951-52 zou kunnen beschikken over 12 miljoen cruzeiros of 2,5 miljoen gulden, (2) dat de leiding vervangen zou worden door een bestuur met meer organisatorisch en commercieel inzicht, (3) dat er voorlopig geen nieuwe emigratie zou plaatsvinden en ( 4) dat er regelmatige controle zou komen over het door de leiding gevoerde beleid.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

De behandeling van het rapport in het parlement leidde tot de conclusie dat liquidatie van Holambra noch de belangen van de kolonisten noch de Nederlandse belangen in Brazilië zou dienen. De Nederlandse regering stelde daarom ook voor een lening groot 2,5 miljoen gulden ter beschikking gesteld door onder andere de Centrale Coöperatieve Boerenleenbank te verstrekken, die door de Nederlandse overheid voor 90% werd gegarandeerd. De KNBTB zou instaan voor de overige 10%. Daarnaast zou een regeringscommissaris worden aangesteld die ter plaatse de belangen van de Nederlandse regering zou behartigen. Deze diende. met als uitgangspunt bet rapport Van Roggen-Van Waveren, na te gaan welke juridische en economische reorganisatie diende te worden uitgevoerd teneinde een bedrijfsvoering te verkrijgen waardoor het mogelijk zou worden met een minimum aan verdere investeringen de kolonie zo snel mogelijk renderend te maken.

Als regeringscommissaris werd voorgesteld C.J.J. Hogenboom. Deze was eerder werkzaam geweest bij de Senembang-maatschappij, waarvoor hij jarenlang in Nederlands-Indië verbleef. Hij was een totaal ander persoon dan Heymeijer. Heymeijer was een idealist die serieus getracht heeft zijn ideaal van een nieuwe gemeenschap te realiseren, maar hij maakte daarbij één grote fout: zo’n gemeenschap bestaat uit mensen met ieder een eigen karakter. Het bleek onmogelijk boeren, gewend als zij waren om zelfstandig te werken, te laten samenwerken binnen coöperatief verband, waarbij de resultaten niet direct zichtbaar werden. Toen de samenwerking steeds stroever bleek te verlopen, kwam ook Heymeijer tot de conclusie dat het tijdperk van idealistisch coöpereren (Van der Mast vergeleek dit systeem met dat van een Russische kolchoz) zo spoedig mogelijk moest worden beëindigd. Heymeijer was geen organisator. Door de zwakte van zijn leiding ging vaak onnodig kapitaal verloren. Hogenboom daarentegen was een uitstekend organisator die in de gestelde omstandigheden de vereiste maatregelen wist te nemen. De aan hem opgedragen taak Holambra te reorganiseren zodat het geheel rendement zou gaan opleveren wist hij dan ook volledig waar te maken. Zijn beleid was echter hard en niet altijd even tactvol. Talloze emigranten voelden zich in de eerste jaren van Hogenbooms bewind, omdat zij geen vertrouwen hadden in zijn saneringsbeleid, genoodzaakt met achterlating van een groot deel van hun kapitaal, Holambra te verlaten.
Alvorens verder te spreken over het bewind-Hogenboom is het noodzakelijk nog even stil te staan bij de gemaakte fouten, voor zover ze in het voorafgaande nog niet zijn besproken. Reeds bij de selectie van de emigranten werden fouten gemaakt. Zo emigreerden er teveel grote gezinnen met kleine kinderen, waardoor het produktieve element in de kolonie erg smal was. Daarnaast bestonden er grote verschillen in ingebracht kapitaal. Naast rijke boeren konden ook boeren emigreren met geringe kapitaalinbreng, alsmede mensen met beperkte kennis van de landbouw. Het kostte veel moeite, wegens het gekozen coöperatieve systeem, voldoende grote boeren te interesseren voor Holambra. Volgens Hack had dit tot gevolg dat ook boeren werden toegelaten die zich verrijkt hadden tijdens de bezetting, die echter gezien hun mentaliteit, niet geschikt waren voor het coöperatief werken.

HogenboomHogenboom werd naar Holambra gezonden met uitgebreide bevoegdheden. Hij zou de hoogste autoriteit worden, waarbij de coöperatie alle steun en medewerking zou verlenen voor het uitvoeren van de aan hem opgedragen taak. Verder zou er geen enkel besluit worden genomen of uitgevoerd, voordat Hogenboom daartoe machtiging had verleend. Naar de mening van Hogenboom was er bij aankomst sprake van een gezagscrisis. Volgens hem lieten velen, toen hij zich in juni 1951 definitief vestigde op Holambra, blijken blij te zijn met zijn terugkeer (reeds in het begin van dat jaar was hij op Holambra om een inventarisatie te maken van de toestand op de kolonie). Hogenboom voerde de noodzakelijke reorganisatie met straffe hand door. Aan de heersende wantoestanden werd een einde gemaakt. Niet alle emigranten konden zich evenwel verenigen met de wijze waarop Hogenboom Zijn reorganisatie doorzette. Enkele van hen verklaarden in geen geval “met die koeliedrijver” in zee te willen gaan en zegden hun lidmaatschap van de coöperatie op. Volgens Hogenboom maakten enkelen zich schuldig aan het clandestien verhandelen van goederen die toebehoorden aan de coöperatie. In juli 1951 vertrokken vier families naar Não Me Toque, gelegen in de zuidelijke staat Rio Grande do Sul en vormden daar, tezamen met een drietal Gelderse emigranten die zich daar reeds bevonden, het begin van een nieuwe kolonie die voornamelijk gevormd zou worden door voormalige Holambra-emigranten. In augustus vertrokken nog eens twee families naar Não Me Toque.

Toen Hogenboom in juni 1951 aankwam bleek de financiële situatie uiterst zorgelijk te zijn geworden. Er was nauwelijks geld meer aanwezig voor het dagelijkse levensonderhoud. Hogenboom zond dan ook een telegram waarin dringend gevraagd werd om de eerste f 550.000,- over te maken “aangezien géén, herhaal, geen middelen meer aanwezig zijn”. Door het aangaan van de nieuwe lening was het noodzakelijk geworden dat de kolonisten een nieuwe overeenkomst met de coöperatie tekenden. Dit nieuwe contract, opgesteld in het Nederlands, werd in november 1951 aan de leden van de coöperatie voorgelegd. Hoewel aanvankelijk een aanzienlijk deel van de leden weigerde te tekenen, wist de leiding uiteindelijk de meeste boeren ertoe te bewegen dit nieuwe contract, waarin het eigendomsrecht van het eigen bedrijf na een periode van elf jaar in het vooruitzicht werd gesteld, te ondertekenen. Boeren die weigerden te tekenen, konden niet meer rekenen op crediet van de coöperatie. Door deze maatregel werd de ‘zwarte’ handel buiten de coöperatie om nog verder aangewakkerd.

Hogenboom was naar Holambra gekomen als regeringscommissaris en gemachtigde van de KNBTB om de zakelijke belangen van de Nederlandse staat en van de bond waar te nemen door het uitvoeren van de noodzakelijke reorganisatie. Heymeijer werkte aanvankelijk als voorzitter van de coöperatie mee aan het reorganisatiebeleid van Hogenboom. In januari 1952 droeg hij het voorzitterschap over aan Hogenboom, maar bleef nog aan als bestuurslid. In het midden van 1952 kwamen Heymeijer en Hogenboom steeds meer tegenover elkaar te staan, hetgeen ertoe leidde dat Heymeijer vanaf 8 oktober 1952 geheel buiten de leiding kwam te staan en zich schaarde onder de critici van Hogenbooms bikkelharde reorganisatiebeleid, die aandrongen op interventie vanuit Nederland. Heymeijer verbleef nog enige tijd op Ribeirão, maar moest het stellen zonder de vergoeding die hij voorheen als bestuurslid van de coöperatie mocht ontvangen. Volgens mgr. Hanssen, die in die tijd talloze brieven ontving vanuit Brazilië, had hij een aanbod om naar Canada te gaan afgeslagen. Heymeijer keerde in 1953 gedesillusioneerd terug naar Nederland. Het KNBTB-bestuur toonde zich bereid, omdat men zich wegens het verleden niet kon distantiëren van Heymeijer, hem tijdelijk op te vangen maar wilde hem onder geen beding meer in dienst nemen. Heymeijer was uitgerangeerd.

Lees verder in deel III.

Een korte geschiedenis van Holambra (I)

Mari Smits, Holambra. Geschiedenis van een Nederlandse toekomstdroom in de Braziliaanse werkelijkheid, 1948-1988 Uitgave: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen (1990)

Sinds enkele jaren ben ik naast mijn reguliere baan bezig met de voorbereiding van een nieuw boek over Holambra I. Sinds het verschijnen van mijn boek in 1990 zijn er veel nieuwe bronnen beschikbaar gekomen. Met name de archieven van Nederlandse ministeries, die nu berusten bij het Nationaal Archief in Den Haag bevat veel nieuwe informatie over de nauwe relatie tussen Holambra en Nederland in de beginjaren. Toen enkele jaren geleden duidelijk werd dat mijn oude boek ten lange leste was uitverkocht, besloot ik opnieuw de archieven in te duiken ten einde deze nieuwe informatie te verwerken in een nieuw boek. Nu dit boek bijna klaar presenteer ik bij deze als opwarmertje de passages uit mijn scriptie ‘Met kompas emigreren’ over Holambra, dat ik schreef voorafgaand aan mijn onderzoek ter plaatse. Hoewel het gezien de kennis van nu sterk verouderd is en onvolledig, geeft het wel een impressie van de belangrijkste ontwikkelingen rond Holambra gedurende de eerste 12 jaar van zijn bestaan. Voor wie mijn scriptie nog eens na wil lezen, die kan hier de [pdf] vinden. De inleiding van ‘Met kompas emigreren’ is ook te lezen op mijn website www.marismits.nl.

Deel 1 van ‘Een korte geschiedenis’ beschrijft het begin van Holambra tot in 1950, toen bleek dat de jonge kolonie over onvoldoende financiële middelen beschikte om te kunnen blijven voortbestaan.

Het meest tot de verbeelding sprekende emigratieproject van katholieke zijde was ongetwijfeld de stichting van de landbouwkolonie Holambra in Brazilië Hier werden niet slechts individuele emigranten overgeplaatst in een nieuwe omgeving, maar werd op een nog niet ontgonnen stuk land een ‘fazenda’ ter grootte van vijfduizend hectares een hele dorpsgemeenschap gesticht met een eigen infrastructuur. Omdat het om een geheel Nederlandse gemeenschap in den vreemde ging. kreeg bet project in Nederland veel aandacht. Hoewel bij het project maar een beperkt aantal emigranten betrokken was, werd het belang daarvan groot geacht. Van het succes of het falen van het project zouden ook de toekomstige emigratiemogelijkheden en het prestige van Nederland als emigratieland afhangen. Terwijl voor Nederland bij de vestiging van landbouwkolonies in Brazilië een nationaal belang in het geding was, was voor de KNBTB een specifiek katholiek belang in het geding: de stichting van Holambra betekende de realisering van zijn van vóór de oorlog daterende opvattingen over emigratie; lange tijd was men immers van oordeel geweest, dat emigratie slechts dan verantwoord was als men land- en geloofsgenoten bijeen kon brengen in kolonies onder een eigen geestelijke en technische leiding. Hiervóór is reeds uiteengezet, dat deze opvattingen al snel door de feitelijke ontwikkeling van de naoorlogse emigratie achterhaald werden. Wat echter wél interessant is, dat is het feit dat voor de KNBTB zich voor het eerst de mogelijkheid voordeed om dit streven naar kolonievorming in praktijk te brengen.

Hoewel pas na 1945 sprake was van een georganiseerde vestiging van Nederlandse kolonies in Brazilië waaruit de vestiging resulteerde van onder andere Holambra (1948), Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) waren vóór 1940 al Nederlandse gemeenschappen in Brazilië aanwezig. De oudste daarvan is de sedert enige tijd aan de vergetelheid onttrokken, rond 1860 gestichte Zeeuwse gemeenschap Holanda in de staat Espirito Santo. Verder kwamen in 1908 en 1909 veel Nederlanders onder wie ontslagen Rotterdamse dokwerkers na een havenstaking in 1908 naar Brazilië. De meesten kwamen terecht op de kolonie Iraty in de staat Paraná. Deze kolonie werd echter een mislukking. Velen keerden terug naar Nederland. Een aantal van hen vormden het begin van de kolonie Carambei (Paraná), die daarentegen wél uitgroeide tot een
levensvatbare kolonie.

De basis voor de naoorlogse, georganiseerde groepsmigraties in Brazilië werd gelegd door een commissie die de Nederlandse regering in Londen in 1943 had gevormd voor de bevordering van emigratie na de oorlog. Vlak na de bevrijding maakte mr. Ch.J.I.M. Welter een reis naar Zuid-Amerika en rapporteerde positief over de immigratiemogelijkheden voor Nederlanders. In juli 1946 werd mr. P.C. van Scherpenberg voormalig lid van bovengenoemde commissie benoemd tot emigratie-attaché in Brazilië. In deze hoedanigheid bezocht hij de zuidelijke staten van Brazilië en rapporteerde dat er goede mogelijkheden aanwezig waren voor groepsmigraties.

B&T120447De KNBTB toonde interesse in emigratie naar Brazilië en zond in november 1946 een delegatie bestaande uit ir. J.G. Heymeijer, ir. W. van Beers en ir. C. van Steen naar Brazilië om ter plaatse de mogelijkheden voor een kolonisatieproject te bestuderen. Zij bezochten de staten Minas Gerais, São Paulo, Paraná en Santa Catarina. Hun onderzoek leverde drie objecten op – gelegen in Minas Gerais en Säo Paulo die geschikt leken voor de vestiging van Nederlandse boeren. In maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug naar Nederland voor het voeren van nader overleg en voor het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen. Van Beers bleef achter in Brazilië voor het verrichten van bodemkundig onderzoek. De resultaten van de eerste reis waren bemoedigend. De KNBTB besloot dan ook verder te gaan met de voorbereiding van de emigratie naar Brazilië. Reeds in juni van dat jaar werd al begonnen met de selectie van emigranten.

Met name in de staat São Paulo bleken goede mogelijkheden voor de vestiging van een Nederlandse kolonie aanwezig te zijn. De gouverneur van deze staat stelde een gebied van vijfduizend hectares ter beschikking en was tevens bereid de nodige financiële en morele steun te verlenen. Hij nodigde Heymeijer uit om opnieuw naar Brazilië te komen voor het verrichten van nader onderzoek en voor het aankopen van een geschikte locatie.
Deze tweede reis van Heymeijer die duurde van 21 september 1947 tot 24 januari 1948 en betaald werd door de SLN en de staat São Paulo leverde twee objecten op die geschikt leken als locatie voor een Nederlandse katholieke landbouwkolonie: Fazenda Ribeirão en Fazenda Monte d’Este, beiden gelegen in de buurt van de stad Campinas. Heymeijers voorkeur ging uit naar het laatste object, omdat een deel van de fazenda beplant was met koffie. De Fazenda Ribeirão was daarentegen een grote grasvlakte die nog moest worden ontgonnen. Het kostte Heymeijer dan ook weinig moeite de KNBTB te overtuigen van de noodzaak dit object binnen te halen en bij de SLN die alle activiteiten op het gebied van de emigratie coördineerde te bepleiten. Men dient hierbij bedenken dat niet alleen de KNBTB bezig was met de voorbereiding van een emigratieproject in Brazilië. Ook van protestantse zijde was men druk bezig; inspanningen die resulteerden in de vestiging van de protestantse kolonies Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) in de staat Paraná.

Toen Heymeijer terugkeerde naar Nederland, bestonden er goede vooruitzichten op een spoedige aankoop van een fazenda voor de vestiging van Nederlandse katholieke boeren. Al vrij snel kwamen vanuit Brazilië berichten binnen die de kansen deden keren. Hieruit bleek dat de vertegenwoordigers van de SLN onder wie emigratie-attaché Van Scherpenberg slechts langzaam vorderden in hun onderhandelingen met de Braziliaanse autoriteiten. Na Heymeijers vertrek uit Brazilië manifesteerde zich aldaar een campagne die zich richtte tegen de Nederlandse aankoop van Monte d’Este. Dit leidde ertoe dat de Braziliaanse regering moest terugkomen op haar toezegging Monte d’Este beschikbaar te stellen voor Nederlandse emigranten. Daarnaast was het niet geheel duidelijk of de door de regering van Brazilië en de staat São Paulo in een eerder stadium toegezegde credieten, wel beschikbaar zouden komen. Deze teleurstellende berichten leidden ertoe dat een grote meerderheid van het SLN-bestuur het vertrouwen in de emigratiemogelijkheden naar Brazilië verloor en besloot het bureau van de emigratie-attaché per 1 juli te liquideren. Om de onderhandelingen echter niet al te abrupt af te breken, wilde men Heymeijer nog in de gelegenheid stellen om op kosten van de SLN een (derde) reis naar Brazilië te maken teneinde een beslissing te forceren.

In juni 1948 deden zich een aantal gunstige ontwikkelingen voor. De in het vooruitzicht gestelde Braziliaanse credieten kwamen uiteindelijk beschikbaar. Vooruitlopend op de aankoop van Fazenda Ribeirão het object waarop na het niet doorgaan van Monte d’Este de Nederlandse aandacht zich richtte – hadden in Brazilië aanwezige Nederlanders o.a. baron J.A. von Schwartzenau, ambtenaar op de Nederlandse ambassade en W. Miltenburg, een van de eerste emigranten op 5 juni reeds de ‘Cooperativa Agro-Pecuária Holambra’ opgericht. Deze coöperatie zou niet alleen het eigendom verkrijgen van de vijfduizend hectares grote fazenda maar ook de exploitatie ter hand nemen. Op 24 juni arriveerde Heymeijer in Brazilië teneinde de laatste obstakels voor de aankoop van Fazenda Ribeirão op te ruimen. Op 3 augustus kon Heymeijer aan de Emigratie-Stichting van de KNBTB berichten dat de aankoop praktisch rond was. Drie weken daarvoor, op 14 juli 1948, had Heymeijer in gezelschap van onder andere Von Schwartzenau, Miltenburg en Henk Ruhe evenals Miltenburg een Nederlandse emigrant op ceremoniële wijze “en onder het uitspreken van de bede GOD ZEGENE ONS WERK” de eerste spade in de grond gezet en daarmee een begin gemaakt met de ontginning van de Fazenda Ribeirão.

HeymeijerVoor Heymeijer was emigratie een vorm van levensvervulling. Reeds tijdens zijn studie aan de Landbouwhogeschool in Wageningen gaf hij blijk van zijn interesse voor het emigratievraagstuk. Zijn studie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk (1926) werd met medewerking van de KNBTB uitgegeven. In 1939 volgde hij mr. H. van Haastert op als secretaris van de KNBTB. Na de bevrijding ging hij een functie vervullen binnen de Stichting voor de Landbouw, een samenwerkingsverband van de KNBTB, de protestants-christelijke CBTB en de neutrale KNLC. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de SLN. Nadat hij in het najaar overal in Nederland voorlichting had verzorgd over de landbouwkolonie ‘Holambra’, vertrok hij op 12 maart 1949 met het emigrantenschip “Alhena” uit Rotterdam naar Brazilië om als voorzitter van de Cooperativa Holambra mee te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap: “Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf, maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren, ging ir. Heymeijer heen,” zo werd in het blad van de KNBTB geschreven.

De gemeenschap stond bij Heymeijer voorop. De coöperatie die de grond in eigendom had, werd gevormd door de emigrerende boeren. Iedere emigrant moest bij toetreding zijn kapitaal inbrengen in de coöperatie, zodat kapitaalgoederen zoals vee en machines centraal konden worden aangeschaft. Bij aankomst op Holambra werd door de coöperatie voor onderdak gezorgd. De emigrant was verplicht, zolang hij nog niet over een eigen bedrijf kon beschikken, te werken in dienst van de coöperatie voor het ontginnen van de grond en voor het bouwen van woonhuizen. Voor deze (gezamenlijke) arbeid kreeg hij een bepaald loon, waarvan echter slechts zoveel werd uitgekeerd als nodig was voor zijn levensonderhoud. De rest van het loon kreeg hij uitbetaald op het moment dat hij een eigen bedrijf kon beginnen. Iedere kolonist had recht op het eigendom van een stuk land met huis en schuur. De grootte van het bedrijf zou komen te liggen tussen de tien en twintig hectares. Heymeijer wilde hiermee bereiken dat ook kleinere boeren een kans van slagen kregen, doordat zij via de de coöperatie crediet zouden krijgen van de grotere boeren. Het lag in de bedoeling dat Holambra zich zou gaan toeleggen op de veeteelt, teneinde de steden Campinas en São Paulo te voorzien van consumptiemelk. Hiervoor werd Nederlands stamboekvee naar Brazilië getransporteerd. Voor de behartiging van de belangen van de coöperatie in Nederland werd de Stichting Holambra opgericht. G. Duysens uit Roermond werd aangesteld als directeur van deze stichting. De stichting was onder andere betrokken bij de voorbereiding en selectie van emigranten en zorgde voor de aankoop en het vervoer van vee, machines en de noodzakelijke bouwmaterialen.

Na twee jaren van voorbereiding was de Nederlandse katholieke landbouwkolonie een feit. Reeds in de zomer van 1947 was een begin gemaakt met de voorbereiding en selectie van emigranten. In de maand mei van dat jaar – ruim een maand na zijn terugkeer van zijn eerste reis naar Brazilië – verzorgde Heymeijer voorlichtingsbijeenkomsten waarin hij potentiële emigranten informeerde over de mogelijkheden die Brazilië te bieden had voor Nederlandse boeren. Kort daarna werd een circulaire en een vragenlijst rondgezonden ten behoeve van de selectie van emigranten. Van der Mast maakt melding van de aanwezigheid van een beweging onder katholieke boeren met name in het zuiden en midden van Noord-Brabant om te gaan emigreren. Onder invloed van enkele missionarissen in Brazilië richtte deze groep zich op dat land. Voor de realisering van hun plannen zochten zij contact met de KNBTB. Van de 32 emigranten die op 19 december 1948 met de ms “Algenib” uit de haven van Antwerpen richting Brazilië vertrokken, was dan ook de helft afkomstig uit Midden-Brabant. Eén van hen was Henk Klein Gunnewiek, Achterhoeker van geboorte, toen 19 jaar oud en nog vrijgezel. Dertig jaar geleden heeft hij zijn herinneringen op papier gezet. Van zijn persoonlijke ervaringen zal in het navolgende dankbaar gebruik worden gemaakt.

Heymeijer en kardinaalNa de beëindiging van de voorbereidingscursussen op het KNBTB-vormingscentrum ‘Ons Erf’ in De Steeg, vertrok op 12 maart 1949 een volgende groep naar Holambra. Onder hen bevonden zich Heymeijer, een aantal zusters kanunnikessen van het H. Graf die het onderwijs en het huishoudelijk werk zouden gaan verzorgen en de norbertijn dr. P.J.A. Sijen, die zou gaan fungeren als aalmoezenier van de kolonie. Terwijl in 1948 zich 41 personen vestigden in Holambra, volgden er in 1949 en 1950 nog eens 344 resp. 268. Voor de buitenwereld was Holambra het voorbeeld van grote bedrijvigheid waar hard werd gewerkt aan de ontginning van de verwaarloosde grond (“de tractoren ronken dag en nacht”) en aan de bouw van nieuwe woningen voor de volgende zendingen emigranten. Klein Gunnewiek schrijft daarover: “Zo had ieder zijn werk, en er werd in de begintijd erg hard gewerkt. Dit kwam vooral, door de goede verstandhouding onderling” en door het ideaal om samen “een toekomst op te bouwen”. Het ideaal om samen te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap werd herhaaldelijk benadrukt. G. Duysens, directeur van de Stichting Holambra: “Allen voor één en één voor allen is hier een noodzakelijke voorwaarde om te slagen. Hiermede gelukt of mislukt deze vestiging.” Voor de pastoor van Holambra, pater Sijen, betekende dit vertrouwen hebben in hen die leiding geven, “ook wanneer ge niet alles begrijpt van hun beleid”.

Het aanvankelijke enthousiasme om samen in coöperatief verband een nieuwe gemeenschap op te bouwen verflauwde echter geleidelijk. Daarnaast kreeg de coöperatie grote tegenslagen te verwelken. Het Nederlandse stamboekvee dat per schip naar Brazilië was getransporteerd ten behoeve van de melkproductie, had sterk te leiden onder ziektes. In totaal stierven 98 van de 718 dieren door ziekte. De Nederlandse regering zond daarop een Nederlandse veearts dr. R.E. de Maar naar Holambra om de onder het vee heersende ziektes te bestrijden. Bij zijn rapportage noemde hij als een van de oorzaken van de gerezen moeilijkheden de onbekendheid van de leiding met het houden van Nederlands vee onder tropische omstandigheden. Volgens hem hoefde het houden van Nederlands vee geen problemen op te leveren, mits goede verzorging en voorlichting aanwezig was. Naast de problemen met het vee kampten de kolonisten met een gebrek aan liquide middelen. Om over geld te kunnen beschikken voor het voorzien in het levensonderhoud van de kolonisten, was men genoodzaakt voortdurend vee te verkopen, waarvoor echter steeds lagere prijzen werden gemaakt. Braziliaanse opkopers bleven gewoon wachten tot de prijzen verder daalden.

Een en ander leidde ertoe dat de onderlinge verhoudingen verslechterden en het vertrouwen in de zaak een flinke deuk opliep. De samenwerking die de basis vormde voor de coöperatie, verliep steeds stroever, waardoor het werktempo sterk daalde. Hoewel de leiding via talloze vergaderingen en de vorming van een adviescommissie probeerde oplossingen voor de gerezen moeilijkheden aan te dragen, groeide de ontevredenheid onder de kolonisten. Er ontstond tweespalt onder hen. Degenen die nog vertrouwen in de zaak hadden, werden al snel voor ‘kontenlikkers’ uitgemaakt, terwijl de ontevredenen betiteld werden als ‘de oppositie’ of ‘de rooien’.

Zie verder deel 2

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (6)

Naast hun rapport stuurden M.A. van Roggen en G.C. van Waveren in oktober 1950 ook een afzonderlijke brief aan het Ministerie van Sociale Zaken. Daarin gingen zij uitvoerig in op het optreden van Geert Heijmeijer, het appèl dat hij deed op het katholieke sentiment in Nederland en de door hen geconstateerde misstanden, waarvoor in het rapport geen plaats was. Hieronder de hoofdpunten van de harde kritiek die beiden hierin in naar voren brachten tegen het beleid van Heijmeijer.

1. Bij zijn financiële beschouwingen voor de toekomst, heeft de heer Heijmeijer kennelijk gespeculeerd op sentiments- dan wel humaniteitsoverwegingen bij de Nederlandse regering. Wanneer het kapitaal van de opgenomen leningen verbruikt was, zou men die arme boerengezinnen toch niet zonder meer laten verhongeren? (Dat een eventuele liquidatie dit bij de bestaande toestanden in de Braziliaanse landbouw inderdaad voor vele kolonisten ten gevolge zou hebben, is helaas met vrij grote zekerheid te verwachten).
Fazendaplein met kantoren2. Zijn voorstelling van het eigenlijke karakter dezer kolonie tegenover de Braziliaanse regering is een geheel andere dan die in vaderlandse kringen naar voren wordt gebracht. In Nederland, onder andere bij de KNBTB, wordt uiteraard vooral het zuiver katholieke element van deze emigratie als propaganda gebruikt mede ten gevolge waarvan de Nederlandse regering dit ten rechte beschouwd heeft als een particuliere onderneming, waarvoor zij geen verantwoordelijkheid kon dragen.
Tegenover de autoriteiten in Brazilië – een praktisch geheel katholiek land, waar dus het katholieke element vanzelfsprekend is – wordt dit karakter evenwel nooit naar voren gebracht (Het zou deze autoriteiten waarschijnlijk ook slechts weinig interesseren). In Brazilië wordt doel en opzet uitdrukkelijk voorgesteld als Nederlandse emigratie. De heer Heijmeijer heeft ten volle geprofiteerd van alle faciliteiten en voorrechten, waarover de officiële Nederlandse Emigratiedienst aldaar beschikt. Hierdoor is min of meer opzettelijk de schijn gewekt, dat de Nederlandse regering volkomen achter dit streven staat en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat deze legalistische voorstelling van zaken niet heeft nagelaten de Nederlandse legatie en haar emigratiedienst in Brazilië in een enigszins scheve positie te brengen, is ook bij geringe kennis van de verhoudingen in dat land, geheel duidelijk.
3. Het (…) algemeen Nederlandse karakter van de kolonie (met welke gedachte de heer Heijmeijer zich in Brazilië heeft vereenzelvigd), is voor hem aanleiding, deze kolonie ook nog te beschouwen in een ander licht, nl. als de eerste nucleus voor alle verdere emigratie van landbouwers (en ook voor andere vaklieden) uit Nederland. Afgezien van het feit, dat dit praktisch – mits goed georganiseerd – zeer wel mogelijk zou zijn, worden in de gedachtegang van de heer Heijmeijer zijn kansen op verdere geldelijke steun van Nederlandse zijde belangrijk versterkt.
4. De heer Heijmeijer mist blijkbaar de eigenschappen en/of de neiging om bij de Braziliaanse regeringsinstanties voor Ribeirão op te treden en met succes te onderhandelen. Deze – inderdaad hoogst belangrijke en essentiële – werkzaamheden werden tot dusverre gaarne, maar principieel minder juist, overgelaten aan de goeden diensten van de Nederlandse Emigratie-attaché. Uit eigen inzicht, zowel op grond van uit goede bronnen verkregen informatie, kwam de Commissie tot de mening, dat de persoon van de president inderdaad voor representatieve doeleinden minder geschikt is. (…)
6. In het rapport is al gewezen op de – gezien het feit, dat nog geen enkele bestaanszekerheid verkregen was – enigszins luxueuze woningbouw. Toch is, juist in de laatste maanden, waarin de bodem van de geldkist angstig zichtbaar werd, voor het gezin Heijmeijer een nieuw huis van ca. 10 kamers gebouwd. Hoewel de heer Heijmeijer dit verklaart door te zeggen, dat de kolonisten hem dit als leider min of meer hebben “opgedrongen”, neemt dit niet weg, dat dit een belangrijke uitgave betekent, die wellicht beter uitgesteld had kunnen worden tot het bedrijf in productie zou zijn gekomen.
7. Ieder lid van de Coöperatie is verplicht bij toetreding in Nederland alle hem ter beschikking staande gelden ter leen te verstrekken aan de Coöperatie (Stichting Holambra). De heer Heijmeijer, die ook lid is, heeft daar evenwel niets in gestoken, niettegenstaande hij bij genoemde stichting per ultimo 1949 een saldo had van bijna ƒ 9000,-.
8. Op de fazenda lopen diverse lieden rond, waarvan men zich afvraagt, welke functie zij eigenlijk hebben en met welk doel zij zijn aangetrokken (…)
9. Een aantal “wilde” plannen, dat de Commissie tijdens haar verblijf te Ribeirão van de leiding mocht vernemen, is groot. Zo waren er behalve de chemische fabriek, de textielfabriek en het gymnasium, ook nog een hotelplan, een bioscoopplan, een meubelfabriek, een constructiewerkplaats, voorts het stuwmeerplan met annex een plan voor buitenverblijven van Brazilianen, een plan om het Nederlandse vee alsnog te vervangen door Argentijns vee, een plan voor een milkbar in São Paulo enz. Zo heeft men het hoofd vol van toekomstbeelden, maar de realiteit van het heden ontvangt te weinig aandacht.
10. De disciplinaire verhoudingen laten veel te wensen over. Men was het er algemeen over eens – en dit was ook duidelijk zichtbaar – dat de arbeidsproductiviteit in de laatste maanden gestadig was teruggelopen en bij het vertrek der Commissie ontstellend gering was. De geruchten (in een zo kleine gemeente natuurlijk tot de vreemdste vormen opgeblazen) over een aanstaande financiële debacle, zullen hieraan veel hebben bijgedragen. Men heeft de mensen niet in de hand. Zo lijkt de gedachte te bestaan: “alle voertuigen zijn van alle leden”. Iedereen rijdt maat met was zo voor de hand komt, of dit nu een jeep is of een tractor of een truck. Hierop is blijkbaar geen controle. Als symptoom zij hier vermeld, hoe de Commissie bij de woning van één der stafleden een tractor aantrof, die daar met een cirkelzaag en overbrenging was geïnstalleerd voor… het klein zagen van wat privé brandhout.
11. Het gebrek aan activiteit op financieel gebied, juist in deze tijd, is verbazend. De Coöperatie heeft sinds vele maanden een belangrijke vordering wegens geleverde tarwe op de staat São Paulo. Pogingen om deze vordering betaald te krijgen, zijn door de leiding zelf nauwelijks gedaan.
12. Kort voor het vertrek der Commissie werd door de Veehouderijleiding een goed gefundeerd voorstel gedaan, nl. om enkele boerderijen met goede stallen, waarin juist het meest belangrijke vee was ondergebracht, toe te wijzen aan boeren met grote ervaring en verstand van stamboekvee. Hierop werd door de heer Heijmeijer afwijzend beschikt; deze boerderijen moesten aan bepaalde vriendjes toegewezen worden. De Veehouderijcommissie, onder leiding van de veearts, heeft daarop en bloc haar ontslag ingediend.

Bron: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945-1954, inv.no. 11944.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (5)

Vorige keer publiceerde ik een brief van Roeland Vermeulen uit Carambeí waarin hij zijn steun uitsprak aan Geert Heijmeijer. Op dezelfde dag, 10 oktober 1950, stuurde hij met als toevoeging ‘Vriendschappelijk en vertrouwelijk’ nog een brief waarin hij die steun nogmaals onderstreepte. Hieronder de letterlijke weergave van die brief.

Beste vriend Heijmeijer,

Bijgaand stuur ik je het antwoord op je schrijven van 5 October j.l. en ik hoop, dat je hiermee geholpen zult zijn. Als bijlage voeg ik je deze aparte regels bij. Bah, wat eene intriges en vunze politiek overal!! Je kunt echter op mij vertrouwen en sta ik met volle overtuiging achter je, dat weet je wel. Het spijt me echter alleen, dat ik niet geheel op de hoogte ben van alle resultaten van jullie tot op heden verrichte arbeid. Daardoor moet ik vaak zwijgen, waar ik zou willen spreken, doch ik sta te veel buiten jullie interne aangelegenheden om een uitgesproken meening te ‘kunnen’ en te ‘mogen’ uiten. Inderdaad weet ik, dat er buitenaf zeer veel kritiek in afbrekende zin op jou persoonlijk wordt uitgeoefend, meestal door onbevoegden uit zucht tot kletsen, doch vooral naar mijn meening uit: ‘jaloezie’. Laat je niet ontmoedigen, want zonder kritiek zou je geen persoonlijkheid zijn. Dit zij je een troost. Doch vooral ook daarom had ik je gaarne terzijde gestaan, daar ik de overtuiging heb, dat dit een groote steun voor je geweest zou zijn en menig foutief oordeel in den oorsprong zou hebben gedood. Je bent tenslotte ook maar een mensch, beste kerel, en de zaak is dermate uitgegroeid en je taak wordt dermate zwaar, dat een beetje oprechte vriendschap zeker niet misplaatst zou zijn, noch iets behoeft af te doen aan jouw prestige en eergevoel.

Vergeef mijne oprechtheid, maar ik acht het eerlijk en noodig je dit in het huidige stadium te zeggen, zoodat je er voordeel mee kunt doen. Het is nooit te laat en mogelijk zul je eene beslissing nemen bij je terugkeer. Ik laat het hierbij en hoop je heel gauw persoonlijk te ontmoeten.

Met oprechte gevoelens van vriendschap,
steeds je toegenegen,

R.A.M. Vermeulen

Bron: Nationaal Archief, Archief Heijmeijer, inv.no. 6.