Een korte geschiedenis van Holambra (III)

In 1952 liepen de spanningen op Ribeirão nog verder op. De strijd tussen de vóór- en tegenstanders van Hogenboom beperkte zich niet meer tot de Fazenda. Ook de Nederlandse pers werd gebruikt om het gelijk te behalen. Met name artikelen in het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw zorgden voor de nodige beroering. In dat blad verscheen op 23 februari 1952 een artikel van J.J. van den Besselaar, voorheen werkzaam als leraar op Holambra, waarin hij het beleid van Hogenboom fel bekritiseerde. Volgens Van den Besselaar ging Hogenboom te werk met bruutheid en willekeur. Van iedereen werd conformisme verlangd. Kritiek werd uitgelegd als gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. “Nooit werden fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met ondoordachte brieven het bestaan van de Fazenda in gevaar zouden brengen.” Ook in de volgende artikelen schaarde het weekblad zich achter de tegenstanders van Hogenboom, omdat rechten aan hen zouden zijn ontnomen. Er werd aangedrongen op ingrijpen vanuit Nederland teneinde de leiding (in casu Hogenboom) uit haar functie te ontzetten en de boeren volledig in hun rechten te herstellen.

Drie jaren emigrantenleedDe tegenstellingen op Holambra spitsten zich nog verder toe, toen in september 1952 aan de kolonisten een in het Portugees opgestelde overeenkomst (dat het voor de Braziliaanse wet ongeldige, in het Nederlands opgestelde contract van november 1951 moest vervangen) ter tekening werd voorgelegd. Wist de leiding in november 1951 nog de meeste kolonisten te overreden om te tekenen; nu bleef een aanzienlijk deel (32 van de 87 boeren) weigeren hun handtekening te zetten. Volgens Heymeijer waren zij er enerzijds van overtuigd dat zij de lasten niet konden opbrengen en anderzijds hadden zij het vertrouwen in Hogenboom totaal verloren en konden zij niet geloven dat zij als het op betalen zou aankomen en zij dit niet konden op een soepele behandeling mochten rekenen. Omdat zij weigerden te tekenen, werden zij afgesneden van de credieten van de coöperatie voor hun levensonderhoud en voor hun bedrijf. Volgens Heymeijer werden zij wel gedwongen op niet-legale wijze in het levensonderhoud van henzelf en van hun vee te voorzien. Heymeijer drong, uit naam van de van credieten afgesneden boeren, aan op ingrijpen vanuit Nederland.

H. Bemelmans

De alarmerende berichten deden ook de KNBTB twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom. In overleg met mgr. Hanssen en de Nederlandse regering werd overwogen een onderzoekscommissie naar Brazilië te sturen. De regering liet echter weten hieraan niet te kunnen meewerken, aangezien dit het gezag van de regeringscommissaris zou ondermijnen. Uiteindelijk werd in december 1952 door de KNBTB in overleg met het episcopaat deken H. Bernelmans naar Brazilië gestuurd om de gemoederen te sussen en de weigeraars ertoe te bewegen het contract alsnog te tekenen. Het bezoek leverde echter geen resultaten op. Volgens Bemelmans zagen Hogenboom en het coöperatiebestuur de niet-ondertekenaars het liefste vertrekken. Hoewel Bemelmans het economisch beleid van Hogenboom voor het slagen van Holambra noodzakelijk achtte, vroeg hij zich af of de positie van Hogenboom niet te sterk was, in casu het verenigen van de functies van regeringscommissaris en voorzitter van de coöperatie, een mening die door de Nederlandse regering werd gedeeld. Naar zijn mening was ook het optreden van de leiding niet altijd even tactvol. De conclusies van deken Bemelmans werden door de KNBTB overgenomen. In een brief aan Hogenboom en het bestuur van de Cooperativa Holambra van 12 maart 1953 liet het bestuur van de bond weten “dat afdwinging van het grootste recht in sommige gevallen tot onrecht kan leiden”. Het KNBTB-bestuur vertrouwde erop dat het coöperatiebestuur “in sommige gevallen ook genade voor recht zal willen doen gelden”. Door de Cooperativa Holambra werd echter geen gehoor gegeven aan deze oproep. Werd het bezoek van deken Bemelmans al ervaren als een “dolksteek in de rug van de gehele leiding”, de brief van 12 maart was “de druppel die de beker deed overlopen”. Volgens Hogenboom was opnieuw “een dolkstoot toegebracht”. Het bestuur van de Cooperativa besloot niet op deze brief te reageren en gewoon verder te werken aan de gezondmaking van Holambra.

Begin 1953 begon de uittocht van de ontevredenen. Een deel trok naar Não Me Toque in de staat Rio Grande do Sul, waar zich reeds in 1951 een aantal voormalige Holambra-boeren had gevestigd. Não Me Toque werd een redelijk welvarende kolonie. Een coöperatie kwam echter maar moeizaam tot stand. Volgens Hack is dit te wijten aan de slechte ervaringen met de coöperatie van Holambra met haar sterke leiding. Een andere groep boeren trok naar de staat Paraná en stichtte daar in de buurt van de Nederlandse protestantse kolonies Carambeí en Castrolanda een kleine nederzetting die ‘Tronco’ heette. Hoewel Tronco kon profiteren van de voorzieningen van beide protestantse kolonies, voerde zij een kwijnend bestaan. De meeste boeren hadden hun land niet in eigendom, waardoor zij niet in aanmerking kwamen voor credieten. Volgens Hack had Tronco dan ook nauwelijks toekomstperspectieven.

Na het vertrek van de dissidenten keerde de rust terug op Holambra. Hoewel door deze uittocht de last van de leningen zwaarder was gaan drukken op de schouders van de overgebleven emigranten, slaagde Holambra erin een welvarende kolonie te worden. De vrijgekomen bedrijven werden overgenomen door nieuwe emigranten, veelal familie en kennissen van de overgebleven emigranten. Volgens Klein Gunnewiek begonnen het plezier en de humor “weer door te breken. Een teken dat men iets lichter in de toekomst keek. Een nieuw tijdperk was aangebroken.” Dit betekende echter nog niet dat alle problemen voorbij waren. In 1958, twee jaar nadat de coöperatie het jaar voor het eerst met een batig saldo afsloot, stak een nieuwe oppositiegroep de kop op. Een aantal boeren had verwacht dat nu de lasten werden verminderd. Dit bleek niet het geval te zijn. Aan de tweede ‘revolutie’ kwam echter vrij snel een einde, toen de opponenten hun bedrijven verkochten en vertrokken. Zij vormden begin 1959 een nederzetting in de staat Santa Catharina in de buurt van de hoofdstad Florianópolis.

In de tijd van de grote moeilijkheden (1950-1953) had de ontginning stilgelegen. Vanaf 1955 werd weer hard gewerkt aan het in cultuur brengen van het nog braak liggende deel van de fazenda (circa drieduizend hectares). Het ging nu zo voorspoedig dat vanaf 1958 gesproken werd over de aankoop van een nieuwe fazenda ten behoeve van de kinderen van de kolonisten en nieuwe Nederlandse emigranten. Vooral het grote aantal kinderen vormde een bron van zorgen. Onder de circa negenhonderd Nederlanders die zich begin 1961 op de fazenda bevonden, waren zeshonderd kinderen, van wie er vijfhonderd jonger waren dan veertien jaar. Voor hen zou vroeger of later nieuwe grond nodig zijn. KCES-directeur Jos van Campen schreef hierover in 1960: “Wanneer men nu of binnen afzienbare tijd niet in staat is nieuwe grond te kopen, dan is ( … ) het denkbaar, dat het latente gevaar een actueel gevaar wordt, nl. dat gezinnen met grote kinderen hun bedrijven proberen te verkopen om individueel in Brazilië een nieuw stuk van groter omvang te exploiteren”. Om die reden was de stichting van een tweede kolonie noodzakelijk
Voor de aankoop van grond voor een nieuwe kolonie, die de naam Holambra II kreeg, wist Hogenboom met steun van de Nederlandse commissaris voor emigratie in november 1960 een lening van 1,25 miljoen dollar van de Amerikaanse regering te verwerven. Medio 1961 slaagde men er in ‘Fazenda das Posses’ met een oppervlakte 12.000 hectares aan te kopen. Deze fazenda was evenals Ribeirão gelegen in de Staat São Paulo. De fazenda werd direct in gebruik genomen door enkele boeren van Ribeirão (voortaan Holambra I geheten). Holambra II werd echter niet het succes dat men er tevoren van verwachtte. Deze nieuwe kolonie kwam namelijk tot stand op een moment dat de Nederlandse emigratie haar dieptepunt bereikte. Van een gehoopte jaarlijkse toevoer van tachtig emigranten was dan ook geen sprake. Een groot deel van de grond van de fazenda bleef te lang onverkocht. Daarnaast werd Holambra II geen exclusief Nederlandse kolonie. Ook niet-Nederlanders werden in de gelegenheid gesteld zich in de kolonie te vestigen.

‘Holambra’ betekende voor de KNBTB de realisering van zijn ideeën over de meest wenselijke vorm van agrarische emigratie: door de stichting van kolonies waarin geloofs- en landgenoten samenwerkten kon het geestelijk en sociaal welzijn van de emigrant het best worden gegarandeerd. De stichting van Holambra was vooral gebaseerd op idealistische motieven. Heymeijer wilde een ‘gemeenschap’ opbouwen, maar ging voorbij aan een aantal voorwaarden waaraan voldaan moest worden wilde zo’n gemeenschap een succes worden. Onvoldoende aandacht was bijvoorbeeld besteed aan de selectie van emigranten en de financiering van de kolonie. Daarnaast was uitgegaan van de (verkeerde) veronderstelling dat boeren in staat waren om samen een levensvatbaar geheel op te bouwen. Tenslotte ontbrak het aan een goede leiding. In de loop van 1950 werd duidelijk dat Holambra financieel aan de grond zat.

Hogenboom slaagde er met behulp van een nieuwe lening in Holambra te reorganiseren en te laten uitgroeien tot een succesvolle onderneming. De wijze waarop Hogenboom deze reorganisatie uitvoerde, wekte weerstand op bij een groot aantal kolonisten. Deze verloren alle vertrouwen in het succes van de onderneming en vertrokken na scherpe conflicten naar elders. Opvallend was dat ook de KNBTB ging twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom en pogingen deed de beide partijen tot verzoening te bewegen. In deze periode van conflicten, waarover de Nederlandse pers uitvoerig berichtte, hield de KNBTB zich opvallend afzijdig van alle publiciteit. Slechts een enkele keer (op 15 maart 1952, midden in de publiciteitsgolf rond Holambra) verscheen in Boer en Tuinder een artikel over de kolonie. De moeilijkheden, die uiteengezet werden, zo werd er geschreven, waren overwonnen en men ging ‘met vertrouwen de toekomst tegemoet’. Pas vanaf het einde van 1954 verschenen weer regelmatig artikelen over Holambra in dit weekblad meestal geschreven door G. Duysens, de vertegenwoordiger van Holambra in Nederland met het doel nieuwe emigranten te werven.

Holambra bood voor emigrerende boeren het voordeel zich te vestigen in een vertrouwde gemeenschap van land- en geloofsgenoten. Daarnaast verminderde het emigreren binnen coöperatief verband de financiële risico’s die aan emigreren verbonden waren. Een groot bezwaar tegen deze vorm van emigreren is echter dat de integratie in het land van bestemming erdoor belemmerd werd. Men kon zich veilig terugtrekken in de eigen gemeenschap. Hierdoor werd niet zozeer de behoefte gevoeld de vreemde taal (in casu Portugees) te leren. Holambra vormde lange tijd een erg gesloten gemeenschap. Hack oordeelt hierover: ” Practically all contacts with the outside world are taken care of by the cooperative, which tends to make the colonists somewhat easy-going in some things”. Voormalige Holambra-boeren die zich op de open nederzetting Näo Me Toque vestigden, zeiden dan ook uit eigen ervaring: “At Holambra you’ll never get to know Brazil.”

Over Brazilië (Ribeirão)

Op 4 augustus 1951 publiceerde het in Venray verschijnende weekblad Peel en Maas een ingezonden brief van een oud-dorpsgenoot. Hij reageerde op een artikel dat op 21 april in de krant had gestaan onder de titel “Emigratie avontuur;  700 Nederlanders hulpbehoevend in Brazilië.” De schrijver van het stuk wilde zijn zienswijze weergeven over hetgeen er sinds de stichting in de jonge kolonie Holambra was voorgevallen.

Toen de zaak hier voor 3 jaar terug werd aangepakt, is er begonnen met een kleine steun van de KNBTB ontvangen, voor de rest is de zaak gestart op ’t crediet van de Federatieve regering van Brazilië en van de Staat São Paulo. Dit crediet was op het eerste gezicht nogal een heel bedrag (f. 15.000 per gezin) maar er moest veel gebeuren en na een jaar wisten we hier al, dat dit niet voldoende was om alles op te bouwen. Dit kwam vooral doordat de staat São Paulo als voorwaarde voor het crediet had bedongen, dat het eerste jaar 100 gezinnen naar Brazilië zouden moeten komen. Door dit snelle tempo moest alles in verhouding ook groot zijn. De ontginning moest snel gaan, de huizenbouw moest vooruit, school en kerk, werkplaatsen, winkel en slagerij, alles moest tegelijk verrijzen.
Doordat de emigranten zo snel kwamen kon de verkaveling en de aanleg van wegen niet voorblijven op de woningen die er gebouwd moesten worden om de mensen onder dak te brengen. Ook de ontginning kon niet snel genoeg vooruit doordat niet voldoende en niet het juiste materiaal kon worden aangeschaft. Door dit alles konden de woningen niet direct op de plaats van de boerderijen, verspreid over de fazenda, worden gebouwd. Dit vergde te veel tijd, vooral doordat men met de bouwmaterialen niet overal kon komen waar de boerderijen moesten worden geplaatst, doordat er nog geen wegen waren.

Industriewijk
In 1949 zijn we begonnen met het bouwen van woningen op de plaats waar de boerderijen moesten komen, we zijn er echter mee op moeten houden, omdat het niet uit te voeren was om bovengenoemde redenen. Toen is men begonnen met het bouwen van woninggroepen zoals deze nu op de fazenda liggen. Hiermee kon in veel kortere tijd meer en voordeliger worden gebouwd. Zelfs toen kon men de komst van de emigranten nog niet vóór blijven en moesten dezen worden ondergebracht in de lemen hutten die er nog stonden.
Nu had men de emigranten wel langzamer kunnen laten komen, maar voor de gezinnen welke er minder dan het gestelde aantal kwamen, kreeg men ook geen crediet. Zonder dit crediet kon er helemaal niets gebeuren. Nu kwam er toch het noodzakelijkste aan gebouwen enz. klaar en kon er de grondslag goed worden gelegd.
Na een jaar wisten we al, dat er niet voldoende geld zou zijn om zo door te gaan, er is toen dan ook in 1949 nog nieuw crediet aangevraagd in Nederland. Inmiddels liep de investering hoger op dan de begroting was, doordat het vee tot tweemaal toe te kampen kreeg met mond- en klauwzeer en door de late inzaai van de verschillende gewassen konden deze ook geen directe opbrengsten meer geven. Met deze gewassen werd alleen een zekere grondverbetering bereikt, maar dit bracht het eerste jaar geen geld in het laatje. Het beschikbare geld werd steeds minder al werd dit dan ook wel aangevuld door de komst van nieuwe emigranten. Dit was niet voldoende om de zaak flink door te zetten.
In januari 1950 werd de toezegging verkregen van de Nederlandsche Bank tot plaatsing of medewerking tot plaatsing van een hypothecaire lening, onder voorbehoud van goedkeuring door de Nederlandse regering. Toen deze toestemming werd gevraagd, besloot het Departement van Sociale Zaken een commissie uit te zenden om ter plaatse een onderzoek in te stellen en een rapport uit te brengen. Dit was in maart 1950.
De commissie arriveerde in augustus op de fazenda en bracht rapport uit in october. De taak van deze commissie was zeker niet gemakkelijk. Om in enkele maanden te zeggen wat voor mogelijkheden er in een land als Brazilië zijn, is ondoenlijk. Zelfs voor ons die nu al meer dan twee jaar hier zijn is niet nog moeilijk. We hebben echter de vragen die door de commissie werden gesteld, naar vermogen beantwoord en het rapport is klaar gekomen.
Het resultaat van dit rapport was: besprekingen van de ministers van Sociale Zaken, Landbouw en Financiën en de katholieke boerenbond. De ministers hebben zich schriftelijk bereid verklaard om een wetsontwerp in te dienen bij de Staten Generaal om een lening te verstrekken, ofwel garantie te verlenen voor rente en aflossing van een lening door derde. In januari 1951 is met de regeringscommissaris die inmiddels was aangesteld het eerste geld, een overbruggingscrediet van de KNBTB, aangekomen.

Hogenboom
C.J.J. Hogenboom

In die tijd is er al weer heel wat gebeurd, men kon niet stil blijven zitten wachten en men kon niet doorwerken, dit is alles bij elkaar zeer schadelijk, want het is ook hier: stilstaan is achteruit gaan. Nu hebben we op de toezeggingen die er steeds gedaan zijn doorgezet voor zover dit mogelijk is geweest. Nu is er in januari en februari toen de regeringscommissaris hier was weer een rapport gemaakt. Daar wij nu al weer meer gegevens hadden, kon dit ook weer zuiverder en beter gebeuren. De regeringscommissaris, de heer Hogenboom, heeft dan ook na een grondig onderzoek verklaard, dat hier voldoende mogelijkheden zijn. Na dit onderzoek is de heer Hogenboom weer naar Nederland vertrokken om de zaken verder af te werken. In het rapport, dat door Hogenboom is mede genomen, was om met het gevraagde crediet te kunnen slagen als voorwaarde gesteld, dat het crediet onmiddellijk beschikbaar wordt gesteld.
Nu is er in mei wel wat geld gekomen, zodat we alle voorbereidingen hebben kunnen maken die nodig zijn, om, als het geld komt, snel te kunnen doorwerken, maar… als dit nu ook niet spoedig komt, lopen we zeker vast. Er moeten nu een 60-tal boerderijen worden gebouwd, er moet meer worden geploegd en gezaaid. Bedrijfsmateriaal en een bezetting van vee, kippen en varkens is er nodig voor deze nieuwe bedrijven. Alles staat startklaar en wacht op het crediet, dat iedere dat wordt verwacht. Komt dit niet, dan zal er wat anders moet worden bedacht, om aan het eten te blijven en om door te kunnen draaien.
Door al dit langzaam werken wat het crediet betreft, door het lange uitblijven van de steun uit het vaderland, dat tocht wel de steun heeft toegezegd, krijgt men hier allerhande narigheden met de mensen. Ieder heeft voor- en tegenstanders, zo is het met ons ook het geval. Wij kennen deze tegenstanders wal niet, maar, hierdoor zijn zij des te gevaarlijker. Door al de valse berichten wij hier uit het vaderland krijgen, door de manier waarop deze worden overgebracht is het zeker, dat dit gebeurt om hier de eenheid kapot te maken. Ook valse berichten welke in Nederland worden verspreid bewijzen dan ook, dat daar geprobeerd wordt, om een bepaalde stemming tegen de fazenda te wekken.
De praatjes, dat moet werk zijn van kwaadwilligen, hier is van dat alles tenminste niets bekend. Deze “sterke verhalen” zijn dan ook tot de laatste letter uit de duim gezogen! Onze mensen verdienen hier een veel hoger loon als de Brazilianen, de levensmiddelen zijn in onze winkel lager dan elders in Brazilië. Dit blijkt uit het feit, dat er zelfs veel Brazilianen van buiten de fazenda hier hun goederen kopen.
Met het vee gaat het ook zeer goed, buiten de preimmunisatie zijn er geen dieren meer dood gegaan. Er zijn koeien bij, die 25 tot 30 liter melk per dag geven, er zijn er bij, die nu in een half jaar tijds al meer dan 2000 liter melk hebben gegeven. Ook de gewassen op het land zijn voor zeker 90 pct. goed te noemen, de opbrengsten, welke nog niet heel zuiver bekend zijn, omdat nog niet alles is geoogst, staan ver boven het gemiddelde van het land. Hiermede blijkt wel, dat het met de droogte ook al niet zo erg is geweest. Het heeft dit jaar dan ook meer geregend dan in de voorgaande jaren dat wij hier zijn.
Met dit al wordt er in Nederland meer slecht dan goed over de fazenda verteld. Als men de berichten uit Nederland moest geloven, dan zouden wij hier zelfs gaan twijfelen aan alles wat we hier zien op de fazenda. Dan, ja dan zouden we ons zelf niet meer mogen geloven. Maar in Nederland, daar gaat men door dit alles toch wel twijfelen aan de gang van zaken hier.
De voorbereidingen voor ’t crediet duren hierdoor zeker langer, wij moeten maar wachten en horen ook hier vanuit Nederland over de voorbereiding van het crediet allerhande geruchten en worden ongerust, of men in het vaderland nog wel zal helpen, voordat het te laat is. Anderen maken hiervan misbruik. Zij praten de mensen hier voor, dat de fazenda over de kop gaat, dat ze moeten zien, dat ze ander werk krijgen enz. Jammer genoeg zijn er al verschillenden hier in gelopen, maar ieder heeft zijn goed recht en kan hier gaan als hij wil.
Nu zijn er al verschillenden, die ondervonden hebben, wat het is om alléén in Brazilië te staan. In deze enkele maanden hebben ze al verschillende plaatsen gehad. Er zijn er bij, die al een ander vak hebben moeten kiezen om werk te kunnen houden. Ze verdienen niet de helft van wat zij eertijds op de fazenda verdienden, toch zeggen ze, dat het hen nog goed gaat en proberen zo nog meer mensen mee in het ongeluk te trekken. Alles gaat hun goed, zoals wij het hier horen en toch weten wij zeker, dat er zelfs verschillenden bij zijn, die hun kost niet behoorlijk hebben. Hoe het zal aflopen, weten we natuurlijk nog niet, dit is echter wel zeker, dat als de Nederlandse regering ons de toezegging geeft, die ze heeft gedaan en het duurt niet te lang, dan zel er hier zeker een goede toekomst zijn voor velen.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Laat de kankeraars en dwarskijkers hier maar vertrekken, daar wordt het niet slechter van. In Peel en Maas van 2 juli 1951 staat een artikel over “de stichting van Ysselsteyn”. Hieruit zou ik een klein stukje willen aanhalen, nl.: ‘Het antwoord zal slechts zijn, dat een groot vertrouwen op God en een paar harde werkknuisten dit hebben mogelijk gemaakt en het nog mogelijk maken, dat ook nu nog jonge kerels de wijde (Wereld) intrekken om voor zichzelf en hun gezin de taaie grond te gaan ontginnen, te werken onder omstandigheden, waarvoor velen hun neus optrekken.’ Dit geldt ook voor de mensen die hier op de fazenda zijn.
Wat het crediet aangaat zou ik nog een stukje uit Peel en Maas van 3-3-’51 in herinnering willen brengen nl. van links en rechts. Deurne gaat 346 ha ontginnen. De kosten van dit ontginningsobject zijn begroot op f 1.386.238,25 voor arbeidslonen en f 391.100,- voor andere kosten. In dezelfde kolom staat een artikeltje over “Nederlandse boerenkolonie in Brazilië in zorgen”. Aan dit artikeltje zou ik willen toevoegen, dat het gevraagde crediet hiervoor is, in de eerste instantie f 2.500.000,-. Het betreft hier 700 Nederlanders op 2000 ha land. Hier zit al eenzelfde bedrag in, maar dan ik ook het gehele bedrijf klaar. Deurne heeft voor 346 hectare f 1.777.438,25 nodig, en dit zijn dan nog alleen de ontginningskosten.
Hiermede hoop ik de gemoederen van de diverse familieleden weer tot rust te hebben gebracht en ik ga eindigen met vele groeten aan vrienden en bekenden. Tot een volgende keer.

Een oud-dorpsgenoot.

Wegbereiders: Geert Heijmeijer (1903-1973)

In de reeks ‘Wegbereiders’ wil ik wat dieper ingaan op personen die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en opbouw van de Holambra’s. De keuze van personen zal het eerste oog wat willekeurig lijken. Behalve de rol die iemand heeft gespeeld in de (voor-)geschiedenis van Holambra I en II moet ik over meer gegevens beschikken dan enkel over de periode dat iemand bij de groepsemigratie naar Brazilië betrokken is geweest. We beginnen de reeks met de stichter van Holambra: Geert Heijmeijer.

Johannes Gerardus (Geert) Heijmeijer werd op 21 april 1903 geboren in Amsterdam als de jongste zoon van Bastiaan Heijmeijer (1859-1938) en Maria Margaretha Johanna Schermer (1865-1936). Zijn vader was als graanhandelaar firmant van C.P. Heijmeijer en zoon, een door Geerts opa Cornelius Pieter Heijmeijer opgerichte groothandel in granen en levensmiddelen te Amsterdam. De familie kwam oorspronkelijk uit Westfalen totdat een voorvader zich in 1764 in Kampen vestigde.
                Na zijn middelbare school ging Geert Heijmeijer in 1921 Landbouwkunde studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. In 1926 studeerde hij af op de scriptie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk, die vanwege het belang van het onderwerp door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) werd uitgegeven. Nog datzelfde jaar trad hij in dienst van de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB) – een regionale bond van de KNBTB – om de oprichting van de R.K. landbouwwinterschool te Voorhout voor te bereiden. Van 1927 tot 1935 was hij directeur van deze school.
                Op 12 september 1928 trad Geert Heymeijer in het huwelijk met Julia Oswaldina Maria (Lia) Hencke (1903-1974). Lia Hencke’s vader, Johannes Maria Hencke (1864-1928) was afkomstig uit Lüdighausen in Westfalen en was boekhouder (en later rentmeester) op Huis Bergh. Daar werd Lia in 1903 geboren. Geert en Lia kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters
                In 1935 vertrok Geert Heijmeijer naar Brabant, waar hij rentmeester was van het Staatsdomein Niervaart te Klundert. In 1939 redigeerde hij samen met F.F.X Cerutti hierover het boek Niervaart. Een beschrijving van de ontwikkeling der heerlijkheid Niervaart en van den huidigen toestand der Staatsdomeinen.
                Op 1 september 1939 trad Heijmeijer aan als algemeen secretaris van KNBTB. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 stond hij voor de ondankbare taak om de bond en zijn economische instellingen uit handen van de Duitse bezetter te houden. Toen in augustus 1941 de NSB-er O.F.J. Damave tot commissaris bij de KNBTB werd benoemd onderhandelde hij met deze over de verzelfstandiging van de instellingen. Na de opheffing van de KNBTB en zijn gewestelijke boerenbonden begon Heijmeijer een eigen landbouwkundig ingenieursbureau. Onder deze vlag publiceerde hij in 1941 het boek Wij boeren met artikelen van uiteenlopende auteurs, waarin getracht werd de boerenbevolking bewust te maken van haar tradities en haar eigen karakter. Met de vertegenwoordigers van de andere opgeheven landbouw- en landarbeidersorganisaties werkte hij gedurende de bezettingsjaren aan de oprichting van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in de landbouw. Als opmaat tot deze organisatie, die in 1954 onder de naam Landbouwschap van start ging, werd op 2 juli 1945 de Stichting voor de Landbouw opgericht. Omdat hij echter bij het KNBTB-bestuur onvoldoende gehoor vond voor zijn opvattingen over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, nam Heijmeijer in 1946 ontslag als algemeen secretaris en concentreerde zich op het voorzitterschap van de afdeling Sociale Zaken van de Stichting voor de Landbouw. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), een semi-overheidsorgaan dat initiatieven op het gebied van de emigratie coördineerde.
                De groeiende belangstelling voor emigratie in het naoorlogse Nederland en het overschot aan jonge boeren voor wie geen boerderij beschikbaar was, waren voor Heijmeijer de aanleiding om in november 1946 in opdracht van de KNBTB samen met Wim van Beers en Chris van Steen naar Brazilië te vertrekken om de mogelijkheden van een kolonisatieproject te onderzoeken. De moeilijkheden in Nederland en in Brazilië werden ondervonden om dit project te realiseren beschreef Heijmeijer in 1973 in Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie. Holambra, 1946-1973[1]. De zoektocht naar ‘land in Brazilië’ resulteerden in 1948 in de aankoop van de Fazenda Ribeirão. Voorafgaand aan de aankoop, die mogelijk gemaakt was door een lening van de Braziliaanse overheid, was op 5 juni 1948 door in Brazilië aanwezige Nederlanders (waaronder enkele emigranten) de Cooperativa Agro-Pecuária do Nucleo Holandês Riberão opgericht, twee maanden later omgedoopt tot Coõperativa Agro-Pecuaria Holambra. Heijmeijer was op dat moment in Nederland voor het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten.
                Met het vertrek van het schip de ms ‘Algenib’ op 18 december 1948 vanuit de haven van Antwerpen begon de feitelijke emigratie. De boeren die zich op de Fazenda Ribeirão vestigden, traden in dienst van de coöperatie. Heijmeijer achtte dit noodzakelijk om de opbouw van de jonge nederzetting op gang te brengen. Hiermee wilde hij ook bereiken dat kleinere boeren een kans van slagen konden krijgen, doordat zij via de coöperatie krediet zouden krijgen van de grote boeren. Dit coöperatief systeem was nodig voor de ontginning van de grond en de bouw van huizen. Zodra het mogelijk was zouden de boeren een eigen bedrijf kunnen beginnen. Heymeijer vertrok met zijn gezin op 12 maart 1949 met de ss ‘Alhena’. Het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder gaf hoog op van Heymeijers missie: ‘Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren ging ir. Heymeijer heen.’[2] Na de aankomst nam hij het voorzitterschap van de coöperatie op zich.
                De jonge nederzetting kreeg de nodig tegenslagen te verduren. Zo werd het uit Nederland meegenomen stamboekvee getroffen door veeziekten, zoals mond- en klauwzeer en kampte de kolonie met een tekort aan liquide middelen. Onverantwoorde aankopen door Heijmeijer en diens weinig standvastige beleid verergerden de zaak. Hierdoor kwam de samenwerking binnen de coöperatie steeds meer onder druk te staan en zakte het werktempo. Eind 1949 zag Heijmeijer zich reeds genoodzaakt om in Nederland aan te kloppen voor een nieuwe lening. Een Nederlandse onderzoekscommissie kraakte in oktober 1950 harde noten over zijn beleid. Zij stelde vast dat ‘voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, ‘de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.’[3] Redding was wel mogelijk, maar dan was een lening nodig van 2,5 miljoen gulden en moest de leiding vervangen worden door een leiding met meer organisatorisch en commercieel inzicht. Zonder Heijmeijer in de besluitvorming te betrekken, besloot de Nederlands regering eind 1950 deze lening mogelijk te maken. In overleg met de KNBTB werd C.J.J.(Charles) Hogenboom aangesteld als regeringscommissaris om toezicht te houden op de besteding van het crediet.
                Hogenboom zette zich op Holambra aan een saneringsbeleid waaraan Heijmeijer aanvankelijk loyaal meewerkte. Een aantal grote boeren weigerden met “die koeliedrijver” – Hogenboom had eerder in Nederlands-Indië gewerkt – in zee te gaan. Ze zegden in juni 1951 hun lidmaatschap van de coöperatie op en vertrokken daarna naar Não Me Toque in de deelstaat Rio Grande do Sul. Op 28 januari 1952 trad Heijmeijer terug als coöperatievoorzitter ten gunste van Hogenboom. Hij bleef Hogenbooms saneringsbeleid saneringsbeleid steunen, maar merkte in de loop van 1952 dat hij niet meer betrokken werd bij coöperatiezaken. Voorts voelde hij zich persoonlijk en financieel in zijn bestaan bedreigd. Hij sloot zich in oktober van dat jaar aan bij emigranten die weigerden een nieuw, in het Portugees opgesteld contract te ondertekenen. Het coöperatiebestuur gaf te kennen dat Heijmeijer er met zijn gezin beter aan deed Holambra te verlaten en terug te keren naar Nederland. Nadat pogingen om in Brazilië een andere functie te verwerven op niets waren uitgelopen, sloot hij in maart 1953 een overeenkomst met de coöperatie die zijn terugkeer naar Nederland mogelijk moest maken. Op 19 maart 1953 verliet Heijmeijer Brazilië, om op 13 april in Nederland te arriveren. Zijn oudste zoon Geert Jan bleef achter en werd later in Brazilië financieel directeur van het geneesmiddelenconcern MSD.
                Eind juni slaagde hij erin een nieuwe betrekking te vinden: consulent Grond- en Pachtzaken. Deze functie, aanvankelijk te Zwolle en later in Arnhem, zou hij tot zijn pensionering in 1968 blijven vervullen. Na zijn vertrek van Holambra in 1953 bezocht hij nog twee keer Brazilië: in 1966 om onderzoek te doen naar ervaringen met ontginning van gronden en in 1973 bij de viering van het 25-jarig bestaan van Holambra. Bij die laatste gelegenheid werd hij geëerd als de stichter van de kolonie. Tijdens dit laatste verblijf in Holambra kreeg hij te horen dat zijn dochter Eveline was verongelukt in Denemarken. Enkele maanden later, op 30 oktober 1973 overleed hij zelf  in Vught. Vijf maanden na Geert Heijmeijer overleed ook zijn vrouw Lia. Beiden liggen begraven op de R.K. begraafplaats te Doorwerth.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Heijmeijer
www.berghapedia.nl/index.php/Hencke,_Johannes_Maria
www.online-begraafplaatsen.nl
Mijn boeken over Holambra en de KNBTB
Nederlands Patriciaat, no. 79.
Het Archief Heijmeijer (toegangsnummer 2.21.364) in het Nationaal Archief.


[1] Manuscript in: Archief-Heijmeijer.
[2] Boer en Tuinder, 19 maart 1949.
[3] Rapport Van Roggen/Van Waveren (oktober 1950), in: Archief-Heijmeijer.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.

 

“Wij zullen slagen”

Op vrijdag 4 maart 1949 werd op het boerencentrum ‘Ons Erf’ van de KNBTB afscheid genomen van emigranten die op het punt stonden om te vertrekken naar Brazilië en Canada. Hoofdgast op de bijeenkomst was kardinaal Johannes de Jong, die bij die gelegenheid aan hen missiekruizen uitreikte. ‘Emigreer onder Gods zegen voor Kruis en Ploeg’ stond op de achterzijde van deze kruizen geschreven. ‘Een staal van onze beste mensen, die ’n prachtig boerenideaal aan een vlammend missieideaal paren, maakte op De Steeg ’n onvergetelijke dag mee,’aldus het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder van 12 maart 1949.

Toespraak van de kardinaal
In zijn toespraak stond mgr. De Jong allereerst stil bij het waarom van de emigratie. ‘Iedere tijd heeft zijn eigen problemen. Enige jaren vóór de oorlog heerste er een verschrikkelijke werkloosheid bij de jonge werkman, en hier in De Steeg werd het eerste jeugdwerklozenkamp gesticht om deze nood te lenigen.
Kardinaal de Jong                Thans na de oorlog doet zich in ons land een soortgelijke moeilijkheid voor bij jonge boeren en tuinders, die weliswaar nog wel werk hebben, maar zo uiterst moeilijk kunnen komen tot datgene waarvoor zij zich jaren lang bekwaamd hebben en waarnaar zij steeds weer zijn gaan verlangen: een gezin te stichten op eigen erf. Voor zover menselijke berekening van de toekomst mogelijk is, is het te verwachten dat dit probleem nog jaren lang zal blijven bestaan. Zodoende dat ook gevestigde boeren en tuinders met vooruitziende blik zich bezorgd maken over de toekomstmogelijkheden van hun kinderen. De overgang naar de industrie en andere beroepen is een der oplossingen van dit vraagstuk. Behalve dat dit echter voor sommige jonge boeren bijna onoverkomelijke moeilijkheden oplevert, is het een grote vraag of deze beroepen en industrieën zich in de toekomst zo sterk kunnen blijven uitbreiden, dat ze voor een plaats kunnen blijven bieden.

In het koetshuis van Rhederoord was van 1948 t/m 1951 de Volkshogeschool ‘Ons Erf’ van de KNBTB gevestigd. Veel aspirant-emigranten werden hier voorbereid op hun vertrek. Foto: Wikimedia

Alle mogelijkheden uitbuiten
Wijs beleid is het ook naar andere mogelijkheden o.a. de agrarisatie uit te zien. Al degenen in Nederland die dit enigszins kunnen, dienen te bevorderen dat door ontginning, inpoldering, juiste indeling en verdeling der gewonnen gronden de mogelijkheden die er liggen voor onze jonge boeren en tuinders binnen de grenzen van ons vaderland ook werkelijk worden uitgebuit. Een exploitatie van onze Nederlandse bodem die niet voldoende rekening houden met dit sociale probleem, zou te kort schieten t.a.v. de eisen die de sociale rechtvaardigheid en liefde stellen.
                De oplossing door emigratie is een feit geworden waarvan de realiteit het best tot ons doordringt, wanneer we ons bevinden te midden van een groep durvende mensen die hun vaderland vaarwel zeggen om voor een kroostrijk nageslacht tot in lengte van jaren ruimte te vinden. Ondanks alle moeilijkheden en gevaren aan deze stap verbonden, willen wij toch onze zegen daarover geven, mits de nodige maatregelen worden genomen om de gevaren te ondervangen. Evenals voor de jongens en meisjes uit onze boerenstand die zich als missionaris en missiezuster naar vreemde landen begeven, is ook voor emigranten voorbereiding op allerlei terrein, heel bijzonder ook op godsdienstig gebied, een eerste vereiste. (…)
                Betekent emigratie dan geen ontrouw aan het oude moederland, ons dierbaar Nederland? Neen, geliefde emigranten, ook heengaan kan goed zijn voor de achterblijvers. Daarbij denk ik niet uitsluitend aan het feit dat uw heengaan een bijdrage betekent aan de oplossing van het jonge boerenprobleem. Juist wanneer uw komst in het nieuwe land ook een zegen betekent voor dit land is het mogelijk, dat emigratie gaat uitgroeien tot een beter begrip tussen de volkeren der wereldgemeenschap.’

Wij zullen slagen
Tijdens de emigratiedag op ‘Ons Erf’ richtte kardinaal zich speciaal tot ir. J.G. Heymeijer: ‘Zeer groot respect en bewondering heb ik voor uw initiatief, ir. Heymeijer, en ik waardeer het bijzonder dat U nu zelf op 11 maart vanuit Rotterdam naar de kolonie in Brazilië vertrekt. Ik hoop dat God U, uw familie en de emigranten rijkelijk zal zegenen’.
                Heymeijer antwoordde hierop: ‘Ik dank U eminentie voor deze woorden, die me niet alleen ’n extra steun geven maar nog meer moet om ’t werk in Brazilië aan te pakken. Deze onderneming heeft als basis en krachtbron het gezegende kruis. Om dit kruis te vinden moet de emigrant over ’n kleine Calvarieberg.
Heymeijer en kardinaal                Wij jachten niet naar goud en roem, ons enig doel is de toekomst van onze kinderen niet materieel maar godsdienstig te verzekeren. De fabriek blijft ’n gevaarlijk terrein en wij willen onze kinderen in een geest opvoeden zoals wij zelf opgevoed zijn. Soms is onze vrees voor deze emigratie groter dan nodig. Wij kunnen er niets aan doen dat wij weg moeten, Nederland is te klein en wij worden eruit geperst. Maar wij namen voor deze zo belangrijke stap de uiterste voorzorgen en is ’t dan niet doodeenvoudig, dat Onze Lieve Heer voor de rest zorgt? De Brazilië-emigratie stellen wij op een volkomen religieus plan. Wij zullen werken, gelukkig zijn en onze kinderen degelijk opvoeden. Daarom werd ondanks alle moeilijkheden, gevaren en risico’s, steeds doorgezet. Daarbij bleef de overtuiging dat wij Gods hulp hebben herhaaldelijk mochten wij dit in concrete en sprekende voorvallen ondervinden. Mits allen overtuigd zijn, dat de basis waarop wij gaan ’n godsdienstige basis is, zullen we slagen en in Brazilië iets groots en moois bouwen.’

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (I)

Nadat enkele pioniers al vooruit waren gegaan, kwam op zondag 19 december 1948 de emigratie naar Holambra echt op gang. Op die dag vertrok vanuit Antwerpen de ms. Algenib. Volgens Boer en Tuinder begonnen de machines van het schip in het eerste uur van die morgen aan de Statiekade aan hun ritmisch gestamp. ‘De schroeven bruisten door het Scheldewater en langzaam schoof de boot in de duisternis de haven uit. In de ruimen sliep ’n kostbare lading. De eerste groep emigranten voor de Fazenda Ribeirão in Brazilië. Ruim drie weken zijn deze 32 emigranten, manen en vrouwen, vrijgezellen en kinderen onderweg naar de haven Santos. In het heetst van de Braziliaanse zomer zullen zij op de eerste kolonie van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië aankomen en direct met de arbeid beginnen.’

Afscheid emigranten Den BoschHet vertrek begon een dag eerder met een door de toekomstige pastoor van de kolonie, Godfried Sijen OPraem opgedragen H. Mis in de Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch, ten einde Gods zegen af te smeken over de onderneming. Bij het afscheid waren ook aanwezig de voorzitter en de secretaris van de Emigratiestichting van de KNBTB Gerard Kampschoër en Ruud Roborgh, alsmede Geert Heymeijer en zijn echtgenote.

De groep voortrekkers bestond uit Herman Theunissen, landbouwer uit Diessen, met echtgenote en vier kinderen, Jan van de Ven, automonteur uit Tilburg, Henk Klein Gunnewiek, landbouwer uit Hilvarenbeek, Wim Stapelbroek, landbouwer uit Diessen, Theo Borst, timmerman uit Zevenaar, W.J.J. Mulder, bosbouwkundig ingenieur uit ’s-Gravenhage, J.M.H. Hendriks, timmerman uit Nunhem met echtgenote en 4 kinderen, Jan Nabuurs, landbouwer uit Venray met echtgenote, Thomas Sanders, landbouwer uit Reusel met echtgenote en 4 kinderen, Piet Wagemaker, veehouder uit Haarlem, met echtgenote en 4 kinderen en tenslotte Frans van Riel, landbouwer uit Diessen.

Aan het vertrek van deze eerste grote groep emigranten naar Brazilië werd in de katholieke pers de nodige aandacht besteed. Op maandag 20 december 1948 publiceerde de het dagblad De Maasbode een uitgebreide reportage over deze gebeurtenis. Hierover een volgende keer meer.

Bron: Boer en Tuinder, 24 december 1948. Foto: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen

Wij zochten land in Brazilië (I)

In november 1946 vertrok in opdracht van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) een commissie bestaande uit oud-secretaris Geert Heymeijer, het hoofd van de landbouwkundige afdeling van de Wieringermeerdirectie Chris van Steen en bodemkundige Wim van Beers naar Brazilië met als opdracht de mogelijkheden voor vestiging van Nederlandse katholieke jonge boeren te onderzoeken. Op 19 maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug in Nederland. In zijn rapport sprak Heymeijer over moeilijkheden, maar ook over mogelijkheden. In het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder deed hij verslag van zijn bevindingen. In de eerste aflevering van 12 april 1947 zette hij uiteen waarom het noodzakelijk was om alleen goed voorbereid en in groepsverband naar Brazilië te trekken. Hij wees daarbij op de teleurstellende ervaringen die een Nederlandse emigrant eerder in Brazilië had opgedaan.

‘Gisteren kreeg ik een brief van een Gelderschen boer. Een goede brief, een verstandige brief. Die boer is een oude pionier die 13 jaar in Brazilië geweest is. Hij vertrok in 1909 met een groep. “Wij werden met een 50-tal gezinnen in een stuk oerwoud neergezet en met 20 gezinnen in een barak gestopt,”schrijft hij. “Ieder moest maar zien hoe hij op het land (oerwoud) dat hem werd toegewezen een hut bouwde. Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak daar zeker geslaagd zijn en dan zou er niet zooveel ellende en honger geleden zijn.. En dan vraagt men mij waarom ik zelf zoo enthousiast ben om te emigreeren. En dan is mijn antwoord: omdat ik heimwee heb naar Brasil…”

Ik kan mij dat voorstellen, heimwee naar Brasil, ondanks de geleden ellende. Daar is iets in dat land, dat je vast houdt als je het verlaten gaat. Wat dat is, wie kan het precies zeggen? Maar het zal de zon zijn, de prachtige lucht, het eewige groen, de ruimte, de vrijheid… Het is een goed land, Brazilië maar er wordt veel ellende geleden, heel veel en toch… het schijnt wel, dat de ellende daar beter te dragen is dan elders, of dat de Brazilianen het beter verdragen kunnen dan wij verwende Hollanders kunnen begrijpen!

“Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak zeker geslaagd zijn,” zegt mijn briefschrijver. Daarmee slaat hij den spijker op zijn kop. Emigreeren naar Brazilië zonder uiterst degelijke voorbereiding en zonder voorlichting en organisatie loopt bijna steeds op een mislukking uit. De kolonie van onzen Gelderschen boer bestaat niet meer, verschillende pogingen van Nederlandsche kolonisaties in deze eeuw zijn mislukt. Slechts één groep heeft zich weten te handhaven en leeft thans in zekeren welstand. Maar tal van andere emigratiepogingen van buitenlanders leden jammerlijk schipbreuk. De fouten, die vroeger gemaakt zijn, dienen te worden voorkomen en dan zal Brazilië inderdaad kansen bieden op een redelijk bestaan en een gelukkig leven voor den Nederlandschen boer.

B&T120447Ik heb in de bijna 4 maanden, die wij in Brazilië doorbrachten, verschillende mislukkingen gezien van kersversche emigranten, die meenden op eigen beenen te kunnen staan en met hun Nederlandse werkwijze in een geheel andere omgeving gemakkelijk succes te zullen betalen. Het moge een waarschuwing inhouden voor al-te-grage en ongeduldige candidaat-emigranten. Dat ongeduld kan ik mij voorstellen, maar het is beter een jaar te wachten en goed terecht te komen in dit verre en vreemde land, dan de onmiddellijke wenschen vervuld te zien en spoedig op de boot te zitten om straks in ellende onder te gaan.

Daarbij hebben heel veel candidaat-emigranten geen flauwe notie wat emigreeren beteekent en een totaal onjuiste voorstelling van het land, waar zij hun toekomst hopen op te bouwen. Aan de hand van de zeer schaarsche gegevens, die in ons land over Brazilië te krijgen zijn, bouwen zij in hun phantasie een droomenland op, dat waarschijnlijk wel aan hun wenschen, maar heelemaal niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Voor hen die zóó vertrekken zal de ontgoocheling bitter zijn.
Emigreeren naar welk land dan ook doet men niet voor zijn plezier, maar het is voor velen een harde noodzaak. Maar het is in het belang van den emigrant en tenslotte ook in het belang van ons land, dat de emigrant zoo goed mogelijk voorbereid vertrekt. Voorbereid op een hard leven gedurende eenige jaren, voorbereid op tegenslag, voorbereid op moeilijkheden, bereid en in staat om dit alles te dragen en te weerstaan.

Laat dit genoeg zijn voor degenen, die meenen in Brazilië gemakkelijk en snel rijk te worden; zij kunnen die illusie gerust uit hun hoofd zetten. Maar voor den vakbekwamen boer, die liefst van vele markten op het agrarisch terrein thuis is, die zich aan vreemde toestanden en gewoonten weet aan te passen, ligt er in Brazilië een goede kans, die echter naar mijn meening in het algemeen alleen gegrepen kan worden, indien in groepsverband geëmigreerd wordt. Slechts aan weinigen met een speciaal karakter zal het lukken, als enkeling te slagen. De voorbereiding van een groepsemigratie kost echter veel tijd, zorg, geld en geduld. Hoe dringend de emigratie van onze boeren ook is, wie verantwoordelijkheid moet dragen voor de toekomst van velen, die hun heil in het buitenland zullen moeten zoeken, moet eischen, dat deze dingen zorgvuldig worden voorbereid en goed georganiseerd. Er staan te groote belangen op het spel.

Wij zochten land in Brazilië! Het is niet zoo eenvoudig om de ervaringen en indrukken, die wij ginds opdeden, in enkele woorden te vertellen en nog moeilijker om een antwoord te geven op de vraag, die velen op de lippen brandt: Is Brazilië een emigratieland voor onze boeren? Er zijn vele moeilijkheden en het “neen” zou eenvoudig zijn, ware het niet, dat onze verantwoordelijkheid ons er van weerhield om door dat “neen” een groot land met naar onze meening op den langen duur nog zeer groote mogelijkheden voor onze boeren af te sluiten. Anderzijds verbiedt onze verantwoordelijkheid ons ook om op deze vraag een onbevangen “ja” te antwoorden. Dat zou den ondergang van velen kunnen beteekenen.’