Een nieuwe kolonie in Castro (2)

Het drama van de getekenen en ongetekenden op Ribeirão

In het eerste deel van zijn brief deed pater Cornélio Strooband verslag van zijn aankomst in Castro en de aanwezigheid van twee Nederlandse protestantse kolonies in de nabijheid. Een goed land voor Hollandse emigranten was zijn conclusie, maar waarom niet voor katholieken? Strooband ging hierover praten in Rio de Janeiro en kreeg daar de suggestie om eens poolshoogte te gaan nemen in Ribeirão en verslag te doen van het conflict dat zich daar afspeelde tussen de boeren die het nieuwe contract met de coöperatie hadden getekend en zij die dat bleven weigeren.
more “Een nieuwe kolonie in Castro (2)”

Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië

Ribeirão begon waar Carambei na veertig jaar eindigde!

Emigrantenwoning in Ribeirão

In het najaar van 1952 verbleef de Utrechtse sociologiestudente M. Muntz in Brazilië voor het doen van onderzoek voor haar afstudeerscriptie. Zij bezocht Carambeí en Holambra en deed daarvan uitvoerig verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Een half jaar later deed zij dit op 21 maart 1953 nog eens dunnetjes over in De Nieuwe Eeuw. In haar uitvoerige artikel zette zij de opgedane ervaringen van Carambeí op een rij vergeleek die met de beginnersfouten van Holambra. Muntz, die sterk onder invloed stond van de oppositiegroep die in 1953 Holambra verliet, spaarde de nieuwe leiding van de kolonie niet. more “Twee Nederlandse nederzettingen in Brazilië”

Een drama dreigt op de Fazenda Ribeirão

Na de eerste publicaties in februari en maart 1952 ging het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw onverdroten verder met ‘onthullende’ artikelen over de misstanden op de Fazenda Ribeirão. De krant verwachtte aan het einde van dat jaar nieuwe moeilijkheden, bij de ondertekening van het nieuwe Portugeestalige contract. Om de in Nederland verantwoordelijke instanties te herinneren aan de kwestie-Ribeirão publiceerde De Nieuwe Eeuw op 30 augustus 1952 een fragment uit een brief, die het blad had ontvangen van een ‘hoogstaand, zeer betrouwbaar figuur die de toestand op de Fazenda door en door kent; hij kan bovendien niet geacht worden persoonlijke motieven na te jagen of rancunes te willen botvieren. Hetzelfde geldt voor de in de brief genoemde P.A.’ more “Een drama dreigt op de Fazenda Ribeirão”

F. 2.500.000 ging verloren in Brazilië

Nederlandse Staat springt in voor gedupeerden van kolonisatie-experiment. Onbekwame leiding

Terwijl de katholieke dag- en weekbladen – De Nieuwe Eeuw uitgezonderd – in de regel positief-kritisch stond ten opzichte de ontwikkelingen op de Fazenda Ribeirão hoefden andere kranten niet terughoudend te zijn om de problemen bij de naam te noemen. Op 3 mei 1952 verscheen op basis van brieven van gedupeerden een artikel in DE TELEGRAAF. Deze krant was niet alleen kritisch op het bewind-Heijmeijer, maar bekritiseerde evenzeer het nieuwe bewind van Hogenboom, die zich bediende van intimidatie en wiens dwangmaatregelen het psychologisch inzicht misten.De vertrekkers zagen evenwel elders in Brazilië voor zichzelf goede kansen.

“Não Me Toque (Brasil), 23 sept. – Beste vrienden. Wij zijn dat concentratiekamp van Sao Paulo ontvlucht en overgeplaatst naar hier. Hier is men tenminste zo vrij als een vogel in de lucht. Wij hebben echter een tractor op de fazenda moeten achterlaten…”

“Als wij nog maar zoveel geld hadden, dat wij in Paraná goed konden beginnen, dan waren wij gered. Maar thuis is alles gedeeld en ons eigen geld hebben wij gestort, terwijl wij nu nooit meer iets er van zullen zien, of het valt mee. Ik voor mij hoop dat wij hier niet lang meer hoeven te blijven, want het mes geraakt hier hoe langer hoe dieper in de keel.”

“Wij zitten me voldoende materiaal maar zonder geld en krijgen hier ook geen eigendom voor de schuld is afgelost. En dat loopt over een termijn van zestien jaar. Daar komt nog bij als ze het niet kunnen halen, mogen ze het materiaal van de boeren nog aanslaan.”

“Men kan aan de coöperatie alles leveren, maar geld ziet men nooit en het spreekwoord zegt toch: men moet een zekere welvaart genieten om gelukkig te zijn.”

“Er zijn hier 2 irs, 1 commissaris, daarbij nog veel kantoorpersoneel en er worden nog zes meisjes opgeleid voor kantoor en dat op zo’n handjevol mensen. Wij liggen hier aan handen en voeten gebonden te midden van de vrijheid. Alle in- en verkoop moet door de coöperatie geschieden. Men hoeft hier geen hoofd te hebben om te boeren, nog enkel om er een pet op te zetten. Als wij ons geld niet hadden gestort konen wij het rustig afkijken en stond het ons niet aan, dan ons geld en materiaal over laten komen en elders beginnen. Heijmeijer zegt wel: de enkeling mislukt hier, maar ik zeg op mijn beurt met ’n ir. in de rug, even vrolijk. Als men zijn ogen de kost geeft, mislukken die mensen die totaal geen verstand hebben van boeren en toch boeren. Ik zeg tegen mijn man, nog liever elders heel mijn leven rijst en bonen dan hier blijven in dit wespennest en ook niets dan rijst en bonen eten. Wil men het hoofd boven water houden, er liggen kansen genoeg voor een boer.”

De Telegraaf plaatste met als ondertitel 'Geslaagde  immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy' deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.
De Telegraaf plaatste met als ondertitel ‘Geslaagde immigranten in de Hollandse kolonie Carambehy’ deze uit 1939 daterende foto van de vrouw en dochter van Roeland Vermeulen.

Trieste geschiedenis
Dit zijn enkele brokstukken uit “brieven naar huis” van katholieke Brabantse boeren en boerinnen die indertijd – het is nog maar een paar jaar geleden – vertrokken naar de Fazenda Ribeirao in een gemeente in de Braziliaanse staat São Paulo, om daar in kolonieverband onder leiding van ir. J.G. Heijmeijer aan de slag te gaan. De kolonie ging werken op coöperatieve basis, de gezamenlijke onderneming, want dàt was de bedoeling, heette voluit de Cooperativa Agro Pecuaria Holambra.
En men kent haar trieste geschiedenis. De idealist Heijmeijer, die startte zoals nog zelden een stichter ener kolonie in het buitenland zal hebben kunnen starten, d.w.z. met steun van practisch alle zijden, van de deelnemers zelf (geld en idealisme), van de Staat der Nederlanden (deviezenfaciliteiten voor de uitvoer van vee en zaden of pootgoed, geld en bedrijfsbenodigdheden), van hun organisatie (R.K. Boeren- en Tuindersbond), van de geestelijkheid en last but not least van officiële Braziliaanse zijde (renteloze leningen van de fed. Regering en van de staat Sao Paulo en algehele gastvrijheid), kon het niet bolwerken. Goede bedoelingen, zelfs de allerbeste, zijn nu eenmaal niet voldoende in zulke gevallen.

Dwaas bewind
Daar kwam nog bij, dat de leiding overtuigd scheen te zijn van haar eigen voortreffelijkheid, dat zij goede raad van insiders uit het land zelf van de hand wees, als mede de verstandige adviezen van tot inkeer geraakte kolonisten, onder wie goed onderlegde boeren, en dat zij een dwaas dictatoriaal bewind bleef voeren, hetwelk des te vreemder was, omdat de coöperatie bewust was gebaseerd op een soort communistisch ideaal.
Men heeft in de krant ook kunnen lezen wat er nadien gebeurde. Toen de duiten waren opgesoupeerd, het vee goeddeels aan ziekte bezweken, de zaaizaden verteerd etc. etc., werd een beroep gedaan op de Ned. Staat en kwam bij het namens deze ingestelde onderzoek in loco aan de dag, welke grove fouten er waren gemaakt. Staatsgarantie voor een nieuwe lening van niet minder dan twee en een half millioen gulden werd verleend – het desbetreffend wetsontwerp werd na enkele vragen van Kamerleden, die er een gevaarlijk precedent inzagen en zuurzoete vermaningen voor de toekomst uitten, zonder meer aangenomen, en verder hebben de Nederlandse staatsburgers er niet veel van vernomen.

Individuelen slaagden
Het waren merendeels prima emigranten, die de banier van de heer Heijmeijer hadden gevolgd en die toen zij eenmaal vrij hun wieken konden uitslaan, zich elders wisten te redden, en de goede naam van ons land en volk, welke zeer geleden had door het armzalige experiment van de Cooperativa Holambra, weer ’n beetje herstelden.
Ook had onze regering een commissaris benoemd en naar de fazenda gezonden, om te redden wat er te redden viel en te voorkomen dat er nieuwe brokken zouden worden gemaakt. Welnu, deze deed zijn best om de doodzieke patiënt nog in het leven te houden, maar hij deed het verkeerd. Zijn dwangmaatregelen, waarmee hij de zaak trachtte te redden, misten het psychologische inzicht, hij intimideerde de boeren, en zij, hoewel te weinig organisatieminded om collectief verzet te plegen, zij zochten een goed heenkomen, zij trachtten het althans. Intussen er op bedacht blijvende hun geld terug en hun schade vergoed te krijgen.

Proces van de boeren
De slachtoffers zijn namelijk een proces tegen de leiding begonnen, en hebben daartoe juridische bijstand gekregen van Braziliaanse zijde. Intussen is reeds de Ned. Schatkist aanmerkelijk lichter geworden door dit lichtvaardig opgezet en uitgevoerd idealistisch-communistisch kolonisatieplan, terwijl individuele pogingen om als boer ergens in het rijke Brazilië te slagen gelukten. De vruchtbare bodem wacht op verstandige exploitatie.
“De eerste twee jaren zullen zwaar zijn en hard,” schreef een der gedupeerden van de Cooperativa, die elders opnieuw een voor zichzelf kon beginnen, “maar hier liggen kansen van slagen en voor iemand met voldoende kapitaal zeer goede. Wij zijn bezig met de Braziliaanse regering een contract af te sluiten. Als dit lukt en die kans is groot, zitten hier grote perspectieven in.”
En een brief als deze, is niet de enige. Wij komen op de deplorabele zaak terug.

“Fazenda Ribeirao” werd in drie jaar een model-nederzetting

Braziliaanse regering waardeert en steunt

Behalve de katholieke weekbladen De Nieuwe Eeuw en De Linie publiceerden ook andere Nederlandse kranten over de moeilijkheden op de Fazenda Ribeirão. Ook die kranten zijn onder te verdelen in pro en contra de nieuwe leiding. Het toen nog katholieke dagblad De Volkskrant publiceerde op 22 maart 1952 een redelijk genuanceerd stuk waarin een poging werd gedaan de de moeilijkheden te verklaren. De krant ging daarbij ook niet voorbij aan het feit dat aan het zelfstandig boeren op de Fazenda scherpe voorwaarden werden gesteld, die voor verschillende boeren niet acceptabel waren.

o-cruzeiro-1952Het grootste Braziliaanse weekblad O Cruzeiro, met een oplage van 350.000 exemplaren, publiceerde enige tijd geleden een fotoreportage van de Nederlandse kolonie van katholieke boeren in de staat Sao Paulo: de “Fazenda Ribeirao”. Op een van de foto’s stond boer Fons Sleutjes uit Den Dungen. Zijn rechterarm lag om de hals van een rood-bont kalfje. Het onderschrift bij de foto zei: ‘Dit is een Nederlandse boer in Brazilië, zonder tulpen en zonder molens. Deze boer werkt op een model-kolonie aan de versterking van de inheemse agricultuur van Brazilië’. Op een andere bladzijde werden vier jonge boerinnen, vrolijke frisse meisjes van de Nederlandse boerengemeenschap, afgebeeld. ‘Jonge Nederlandse meisjes van de Fazenda Ribeirao’, stond erbij. ‘Zij gebruiken geen lippenstift en hebben geen gelakte nagels, maar zij werken aan hun toekomst. Meisjes van Brazilië, gaat daar eens kijken.’

Fouten van begin nu overwonnen.
Het is niet alleen de Braziliaanse pers, die belangstelling heeft voor deze grootscheeps opgezette kolonie in groepsverband. Ook de Braziliaanse regering heeft hoge waardering voor de prestaties van de boeren uit het Brabantse en Limburgse land. Op velerlei wijze steunt daarom de overheid het werk van de Fazendabewoners. Drie jaar geleden streken de eerste pioniers neer op deze 5000 hectaren grote lap vruchtbare grond. Terwijl de ene groep huizen en stallen bouwde, begon de andere aan de ontginning en het cultuurklaar maken van de grond. Nu, na deze drie jaren, zijn 2000 hectaren grond beteeld met mais en cassave, arrowroot, “sweet patatoes”, sinaasappelen, koffie, rijst, aardappels, ananas en citrus. In het weiland grazen 600 koeien, er zijn veertigduizend kippen en 1500 varkens.

In de hotels en lunchrooms van de steden Sao Paulo en Campinas serveert men de kaas, boter, chocomel en yoghurt van de Fazenda Ribeirao en de groothandel betaalt voor deze zuivelproducten meer cruzeiro’s dan de gemiddelde marktprijs noteert. Nu liggen weer 2000 maagdelijke hectaren prima bouwgrond voor de ploegmessen der tractoren. Een groot aantal bedrijven kan hier straks weer neergezet worden, want het standaardtype-bedrijf op de nederzetting heeft een oppervlakte van 20 hectaren.
Volgens de plannen van de commissaris van de Nederlandse kolonie, de heer Hogenboom, zullen de nieuwe emigranten pas in het voorjaar van 1953 kunnen oversteken naar Brazilië. Op het einde van dit jaar zal onder de gegadigden een uiterst scherpe selectie worden toegepast. Door schade en schande wijs geworden heeft men in het verleden de ervaring opgedaan, dat de selectie niet secuur genoeg kan zijn.

In opspraak
Uit dit dichtbije verleden is een en ander overgewaaid naar Nederland waardoor de Fazenda nogal in opspraak is gekomen. Sinds de oprichting hadden namelijk 22 gezinnen en vrijgezellen, samen een 150 personen, de kleine gemeenschap in de nabijheid van de stad Campinas verlaten. Buiten een flinke groep niet-agrariërs waren het meest de kapitaalkrachtigste boeren die hun koffers pakten. De weg naar rijkdom duurde hen blijkbaar te lang en ze zochten ander werk buiten de Fazenda.
Lag het zware pionierswerk hun niet of waren zij te materialistisch ingesteld? Het coöperatieve idee, de grondslag van deze emigranten-nederzetting, kwam niet overeen met hun individualistische instelling. Anderen werden ontevreden en pessimistisch onder de tegenslagen, die de jonge onderneming kreeg te incasseren. Ziekten teisterden de veestapel en een misoogst betekende voor de kolonisten een ramp. De inkomsten daalden en de uitgaven in dit relatief schrikbarend dure land lagen hoger dan de raming. Men teerde op de middelen in. Krachtvoer kon niet meer worden aangekocht, investeringen bleven achterwege en de productie kon niet op toeren komen. Van de Braziliaanse samenleving wist men niet veel en van de taal weinig.
En in die eerste uiterst moeilijke aanloop zijn er ook fouten gemaakt. Fouten van economische en technische aard, maar ook fouten van psychologische aard. Met reden had men het vertrouwen in de oude leiding verloren. Onder die leiding in de eerste periode zou het immers op een failliet zijn uitgelopen. De nieuwe commissaris, de heer Hogenboom, is een organisator van de bovenste plank en ook landbouwtechnisch weet hij van wanten. Op organisatorisch en administratief gebied voerde hij een grondige hervorming door.

Inkuilen van groenvoer

Van enorme betekenis voor de bewoners, zowel psychologisch als economisch, was zijn eerste maatregel om zoveel mogelijk gezinnen een eigen bedrijf in beheer te geven. Een Nederlandse boer voelt er bijster weinig voor in collectief verband te werken. Pas als hij een eigen bedrijf onder de voeten heeft krijgt hij het ware hart voor de zaak. Bovendien is het bij collectief werk zeer moeilijk te beoordelen wat iedere emigrant afzonderlijk presteert. Deze maatregel werd met elk der boeren afzonderlijk door de commissaris bekrachtigd in een contract. Komen de boeren hun verplichtingen wat rente en aflossing betreft na, dan zijn ze binnen elf jaar eigenaar van hun grond, vee en inventaris, die ze nu op crediet hebben.
Dit nieuwe contract – een noodzakelijke economische ontwikkeling van de toestand waarin men verzeild was geraakt – zette de boeren het mes op de keel. De tegenstanders sloegen aan het kankeren en ageerden tegen de nieuwe, krachtige leiding, die, gesteund door een millioenencrediet van de Overheid, sanerend ingreep. Velen, boeren en niet-boeren, konden zich met deze maatregel niet verenigen en trokken weg. De blijvers en degenen die niet wisten waarheen, tekenden het contract en gingen met nieuwe moed aan de slag. De coöperatieve arbeidsgemeenschap behoorde hiermee tot het verleden. De “Cooperativa” is nu een coöperatieve aan- en verkooporganisatie, een credietinstelling en bestuurslichaam, dat de nodige maatregelen voor de gemeenschap “Ribeirao” uitvaardigt.

Model-nederzetting
Enkele weken geleden verklaarde de commissaris van de Fazenda Ribeirao, de heer Hogenboom, op een vergadering van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond in Den Haag, dat de zaken in Brazilië nu goed op poten staan. Op eigen kracht en met eigen middelen “boerden” de pioniers hier in drie jaren tijd – zoals de Brazilianen en andere deskundigen beweren – een model-nederzetting uit de grond. Als men van een Noordoostpolder en een Wieringermeerpolder weet, dat er de eerste jaren niet veel uitkomt, mag men dan van een piepjonge emigrantenkolonie in een vreemd land eisen, dat alles geolied naar een letterlijke en figuurlijke gouden toekomst loopt? Het zullen niet de laatste moeilijkheden, desillusies, zorgen en teleurstellingen zijn, die de ploeterende emigranten in het “Nederlandse Dorp” onder de Braziliaanse zon op hun moeizame tocht ontmoeten. Met het thuisfront steunend in de rug en op een nieuwe, gezonde en stevige basis, zal de Fazenda Ribeirao de ploeg veilig en met succes aan het einde van de vore brengen. Veilig en met succes, omdat tienduizenden Nederlanders hier een goede toekomst zullen vinden.

Op weg naar de ondergang?

Op 8 maart 1952 publiceerde het weekblad De Nieuwe Eeuw een vervolg op het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar, Drie jaar emigrantenleed. Het nieuwe artikel, dat als ondertitel Nederlandse boerenkolonie in Brazilië op weg naar de ondergang? had, was bedoeld om het optimistische geluid van De Linie te ontzenuwen. Volgens De Nieuwe Eeuw was ingrijpen gewenst, waarbij het vervangen van de huidige leiding o.l.v. Hogenboom het meest urgent was. Hieronder volgt het hele artikel.

In ons nummer van 23 februari publiceerden wij een uitvoerig ons toegezonden stuk betreffende de Fazenda Ribeirão, een nederzetting van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië. Uit dit artikel, dat geschreven was door iemand die het wel en vooral het wee van deze kolonie persoonlijk heeft meegemaakt, kon slechts geconcludeerd worden, dat de Fazenda, die drie jaar geleden onder gunstige omstandigheden en met uitstekende perspectieven werd opgericht, volop bezig is te mislukken; en dit niet ten gevolge van onoverkomelijke moeilijkheden van buitenaf, die men niet in de hand heeft, maar door de wijze van optreden van de elkaar opvolgende leiders.

Na deze publicatie in “De Nieuwe Eeuw” verscheen er in een ander weekblad een artikel, waarin het heette, dat de aanvankelijke moeilijkheden integendeel juist overwonnen zouden zijn; een aanzienlijk optimistischer geluid dus. Inmiddels ontvingen wij echter nadere informaties, wederom afkomstig van diverse personen die de gang van zaken in Brazilië van nabij en persoonlijk hebben meegemaakt en meemaakten. Deze informaties geven stuk voor stuk een stevige bevestiging van de conclusies die reeds getrokken moesten worden uit het ons toegezonden stuk over deze zaak dat wij twee weken geleden plaatsten. Het komst ons noodzakelijk voor, thans een gedeelte van deze nieuwe informaties te publiceren.
Een onzer informanten heeft in de maanden november en december 1951 en januari 1952 een bezoek gebracht aan Brazilië; zijn ervaringen zijn dus van recente datum. Tijdens een gesprek met de Nederlandse gezant in Brazilië, ontraadde deze hem met klem, een kijkje te gaan nemen op de Fazenda Ribeirão. Uiteraard wekte die zijn nieuwsgierigheid en argwaan. Beide werden nog versterkt, toen de Nederlandse emigratie-attaché te São Paulo hem uit eigen beweging meedeelde, dat de toestand op de Fazenda allesbehalve rooskleurig te noemen was ten gevolge van vele in het verleden gemaakte fouten. Volgens de emigratie-attaché bestond er echter hoop op beterschap.
Diverse Nederlanders in São Paulo die deel uitmaken van de Nederlandse kolonie aldaar, noemen tegenover onze informant de toestand op de Fazenda rondweg “hopeloos”. Zij baseerden dit oordeel op feiten als: wanbeheer, rechtsverkrachting ten aanzien van de boeren, volstrekte willekeur van de kant van de huidige leiding. De diverse woordvoerders, die hun inlichtingen rechtstreeks ontvingen van leden van de Fazenda, waren – aldus onze informant – geheel instemmig in hun oordeel en ook in de motivering daarvan.
Nog voordat hem concrete feiten bekend waren, bracht deze informant een bezoek aan de Fazenda Ribeirão. Daar werd hij rondgeleid door de pastoor der Fazenda, die in scherpe bewoordingen afgaf op de Brabanders en Limburgers die het overgrote deel van de kolonie uitmaken. Tijdens dit bezoek kreeg onze informant geen toestemming een kijkje te nemen op een van de boerderijen. Reeds de volgende morgen werd hij met zachte drang van de Fazenda verwijderd; hij was toen slechts aan enkele mensen voorgesteld en had, behalve enkele verlaten werkplaatsen, vrijwel niets kunnen bezichtigen.
In São Paulo kreeg onze informant contact met een veearts, een leraar en een landbouwkundig ingenieur, drie Nederlanders die gewerkt hebben op de Fazenda en die stuk voor stuk, de een op nog minder elegante wijze dan de ander, van hun functies zijn ontheven en van de Fazenda werden verwijderd. Volgens hun zeggen is dit geschied, omdat zij het opnamen voor de rechten van de boeren, iets wat de tegenwoordige dictatoriale leiding niet zou dulden. Een van hen heeft een rapport samengesteld en naar Nederland gezonden, eensdeels om te voorkomen dat eventuele nieuwe leden van de Fazenda gedupeerd worden, anderzijds om te bewerken dat er een onpartijdig onderzoek wordt ingesteld. Volgens deskundigen is dit rapport aan de voorzichtige kant gehouden en geheel in overeenstemming met de werkelijke toedracht, aldus onze informant.
Een eventueel in te stellen onderzoek zou echter wel zeer grondig moeten zijn. Er is namelijk al eens een Commissie van Onderzoek op de Fazenda geweest, voordat de Nederlandse regering aan deze kolonie een lening van twee en een half millioen gulden verstrekte. Volgens insiders is deze commissie om de tuin geleid. De boeren en beambten zouden door de leiding geprest zijn gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen die niet overeenkomstig de waarheid waren; een en ander uiteraard om er toch vooral voor te zorgen dat de gevraagde lening inderdaad verstrekt zou worden.

Crisis
In het artikel dat wij op 23 februari publiceerden, werd verteld hoe begin november vorig jaar een crisis ontstond in de gang van zaken op de Fazenda. Toen werden namelijk de ingezetenen gedwongen een verklaring te tekenen, waarbij zij voor de duur van tien tot twaalf jaar afstand deden van hun eigendomsrechten; een en ander ondanks het feit, dat de ingezetenen elk een flinke som gestort hebben om te mogen deelnemen. Aanvankelijk weigerde ruim een derde deel te tekenen, maar na enige dagen was dit ongeorganiseerde verzet gebroken.
Thans wordt ons, als vervolg hierop, van weer andere zijde het volgende meegedeeld: een boerengezin (waarvan ons naam en antecedenten bekend zijn) dat, evenals een ander gezin, bleef weigeren de verklaring te ondertekenen, kreeg in de loop van januari aanzegging de Fazenda te verlaten.
De boer had indertijd ruim ƒ 60.000 in de onderneming gestoken; daarvan zou hij bij zijn verdrijving geen cent terugkrijgen. Zelfs werd hem het geld voor de overtocht naar Nederland, waarom hij gevraagd heeft, geweigerd. In de week van 11 tot 16 februari was de hem gestelde termijn verstreken en kwam de politie hem voor de laatste keer aanmanen te vertrekken. Een kort persoonlijk onderhoud met politieman was echter voldoende om deze tot andere gedachten te brengen: hij vertrok met de mededeling dat de boer van hem niets meer te vrezen zou hebben. De twee gezinnen die weigerden te tekenen, zijn intussen uitgesloten van winkel en magazijn. Dientengevolge zijn zij uitsluitend aangewezen op de “weldadigheid” van de medebewoners der Fazenda. Deze toestand duurde op 21 februari j.l. nog voort.
Twee Nederlandse priesters die in São Paulo werken en geregeld contact gehad hebben met de Fazenda Ribeirão, noemen de toestanden daar – zo wordt ons gemeld – “ontstellend”. Een van hen heeft verschillende malen de pastoor van de Fazenda enige tijd vervangen. Volgens hem is er nog een vleugje hoop op uitkomst uit de onhoudbare toestand van het moment, mits er spoedig op drastische wijze vanuit Nederland wordt ingegrepen.

Ingrijpen gewenst
Dit ingrijpen zou o.m. moeten inhouden:
1. de huidige leiding van de Fazenda moet in haar geheel uit haar functie worden ontzet (de heer Hogenboom, die thans als voorzitter van het bestuur der Fazenda optreedt, is eigenlijk slechts regeringcommissaris, belast met het toezicht op de gelden die de Nederlandse regering aan de Fazenda heeft geleend; in hoeverre zijn benoeming tot voorzitter reglementair en wettig is, weet men niet).
2. het administratieve apparaat moet tot het uiterst noodzakelijke worden ingekrompen.
3. de leden van de Coöperatie moeten volledig in hun rechten worden hersteld.
4. de pastoor, die voor zijn functie ongeschikt lijkt en niet het vereiste vertrouwen geniet, moet vervangen worden.
5. de dierenarts en de landbouwingenieur, die ontslagen zijn omdat zij opkwamen voor de rechten van de boeren, moeten worden teruggeroepen.

Door deze maatregelen zou aan de boeren het bewijs geleverd worden, dat hun belangen en die van hun gezinnen weer op de voorgrond worden geplaatst. Met wijsheid en tact uitgevoerd, zouden deze maatregelen tot gevolg kunnen hebben, dat het geschokte vertrouwen van de boeren wordt hersteld en het diep gezonken moreel wordt verbeterd. Eerst dan bestaat de mogelijkheid, dat er – onder deskundige en tactvoller leiding – in de toekomst wordt voortgewerkt.
Dit zijn enkele aanvullende gegevens die wij nog over de situatie op de Fazenda Ribeirão ontvingen. Ze zijn afkomstig van mensen die de zaak van nabij en uit eigen ondervinding kennen, en die men tot het vormen van een oordeel in staat kan achten.
De Nederlandse regering is bij deze zaak betrokken, omdat zij de onderneming financieel en moreel royaal heeft gesteund. Zij is er bovendien ook nog bij betrokken, omdat – als de klachten gegrond zijn – een drama als dat van de Fazenda Ribeirão onze emigratiepolitiek ernstig in discrediet kan brengen, niet alleen bij de aspirant-emigranten, maar ook bij de regeringen van landen die emigranten opnemen, en op de eerste plaats natuurlijk bij die van Brazilië. Het lijkt derhalve noodzakelijk, dat de Nederlandse regering een zeer grondig, deskundig en onpartijdig onderzoek naar deze zaak laat instellen. Om te beginnen zouden officiële instanties zo spoedig mogelijk contact moeten opnemen met de Nederlanders in Brazilië die de geschiedenis van de Fazenda Ribeirão van nabij kennen. Wellicht zullen hun verklaringen aanleiding zijn, dat er doeltreffende maatregelen worden genomen, voordat het te laat is.

Ongemotiveerd optimisme?

Een week na het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar in De Nieuwe Eeuw van 23 februari 1952 publiceerde De Linie opnieuw een artikel over de “omstreden” Fazenda Ribeirão. Volgens het blad had De Nieuwe Eeuw er beter aan gedaan om vóór publicatie van een verstrekkend artikel als dat van Van den Besselaar een eigen onderzoek in te stellen, ‘gelijk wij dat ook gedaan hebben’. Op basis van dit onderzoek meent De Linie een meer optimistisch geluid te moeten laten horen: ‘Daar zullen wij dus onze redenen voor gehad hebben. Mocht De Nieuwe Eeuw dit nadere onderzoek alsnog willen instellen, dan kunnen wij namen en adressen geven van critische onderzoekers, die de laatste twee maanden de fazenda bezocht hebben.’

Zo bezocht in januari 1952 een delegatie van Carambeí de kolonie. Deze heren waren nogal te spreken over hun bevindingen. Plannen die men in Carambeí had (bv. inzake de handel met de Brazilianen en de wijze van groenbemesting) werden in Ribeirão al toegepast. Een andere informant die De Linie opvoerde was pater Theodulf van der Sterren ss.cc. uit de Fazenda Tres Poços (Pinheiral RJ). Hij schreef: ‘Mijn geloofsbrieven zijn de volgende: een persoonlijk bezoek gedurende de eerste 14 dagen van januari 1952 – gesprekken met de leiders en met tientallen boeren – gesprekken met tegenstanders en afkammers – een helemaal niet oppervlakkige studie van het nieuwe contract dat zoveel stof heeft opgeworpen – om niet te spreken van de lopende berichten in kranten en brieven die ik sinds de stichting verzameld heb.

In zijn brief zette Van der Sterren – aldus De Linie – uitvoerig uiteen, hoe hij gesproken had met vele boeren die in het begin tegen het nieuwe contract waren, dat zij moesten sluiten. ‘Zij beginnen nu echter in te zien, dat dit contract een juiste oplossing brengt van de gerezen economische moeilijkheden.’ Hij besloot zijn lange brief als volgt: ‘In Ribeirão hebben de mensen, zoals op de hele wereld, hun sociale deugden en ondeugden. Zij zijn en blijven gewone mensen. Daar wil ik mee zeggen (om niet te spreken over hun levenspeil en woning enz., wat allemaal ver uitsteekt boven de Braziliaan en zeker ook ver boven menige emigrant), dat ze samen een echt Hollands dorp vormen, waar naast de gezamenlijke leut ook de wrijvingen bestaan. Er wordt gepraat over vriendjespolitiek, hoge salarissen van de bazen, smokkelen van sommige leden enz. Van dit alles is wat waar – waar is het niet waar?! Maar als men zijn opinie ging bouwen op deze feiten en feitjes, dan moet men op zoek gaan naar een aards paradijs en na het gevonden te hebben, zou men Ribeirão kunnen veroordelen als niet helemaal overeenstemmend met dat model. Alles bij elkaar heb ik dus een gunstig idee over de veel besproken Fazenda Ribeirão… en ik neem het op tegen iedere buitenstaander of “weggelopene” van de fazenda, mijn opinie te verdedigen.’

De Linie besloot zijn vervolgartikel aldus: ‘Dit zijn enige grepen uit ons dossier, die de weg naar een onderzoek voldoende aangeven. Wij menen dan ook te kunnen blijven bij de conclusie, die wij in ons vorig artikel trokken: ‘Men moge er van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten terecht stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is. Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

 

Drie jaar emigrantenleed in Brazilië

Fazenda Ribeirão in opspraak!

Op 23 februari 1952, een week na het artikel in De Linie, waarin de opspraak van de Fazenda Ribeirão verscheen in een ander katholiek weekblad een artikel waarin de opspraak uitvoerig uit de doeken werd gedaan. Auteur was Sjef van den Besselaar, leraar klassieke talen, die in 1949 door Geert Heijmeijer was aangetrokken met als doel een Besselaargymnasium op de fazenda te stichten. Van dit ambiteuze plan kwam door de moeilijkheden op de fazenda niets terecht. Zelf had hij de indruk dat hij slechts was ingehuurd voor het opleiden van de kinderen van Heijmeijer. Vanaf eind 1951 maakte hij deel uit van de groep fazendabewoners die zich keerden tegen het nieuwe bewind van Charles Hogenboom. In 1952 ging hij oude geschiedenis doceren aan de Katholieke Universiteit van São Paulo. In 1961 keerde hij met zijn gezin terug naar Nederland waar hij lector en later hoogleraar Portugees werd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1967 publiceerde hij het boek Brazilië. Ontwakende reus in de tropen. Hieronder volgt integraal Van den Besselaars artikel in De Nieuwe Eeuw, dat op de Fazenda Ribeirão direct leidde tot grote beroering.

Het is, uit inlichtingen die ons van meer dan één zijde bereikten, wel duidelijk, dat er met de Nederlandse nederzetting “Fazenda Ribeirão” in Brazilië een en ander niet geheel in orde is. Men zou hierover gaarne een nader onderzoek willen instellen alvorens er over te publiceren. Het feit echter dat een ander weekblad de vorige week een artikel over deze aangelegenheid bracht dat een, naar tot oordelen bevoegdheden verzekeren, ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken gaf, noodzaakt ons thans bijgaand artikel te publiceren. Het wordt door derden als “volkomen waarheidsgetrouw” gekenmerkt. In elk geval is het, voor de goede orde van het hoor en wederhoor, noodzakelijk thans dit relaas te publiceren.

Ruim drie jaar geleden werd een begin gemaakt met de georganiseerde emigratie van katholieke boeren naar Brazilië. Het ontbrak de kolonisten noch aan de zegen der kerkelijke autoriteiten, noch aan de morele en financiële steun der regeringen van het oude en van het nieuwe vaderland. Brazilië gedroeg zich ook in een ander opzicht royaal: het stond immigratie in groepsverband toe. Juist deze omstandigheid oefende op vele boeren een grote aantrekkingskracht uit. Welbewust gaven zij aan deze vorm van emigreren de voorkeur, omdat zij in een kolonie de godsdienstige en zedelijke belangen van hun gezin beter beveiligd achtten dan wanneer zij individueel de grote sprong naar de overzijde van de oceaan zouden wagen. Het werk zou langdurig en zwaar zijn, hiervan was men overtuigd, maar door een gemeenschappelijke krachtsinspanning van allen zou men hier voor zijn kinderen de toekomst kunnen veroveren. Zelfs waren zij bereid tot het grootste offer dat men van een Nederlandse boer kan vragen: voorlopig wilden zij iets prijs geven van hun zelfstandigheid om het geheel betere kansen van slagen te geven. Een gezonde idealistische inslag mag het overgrote deel dezer boeren niet ontzegd worden.
Ondanks de gunstige voortekenen is de Fazenda Ribeirão bezig te mislukken. Het is de droevige werkelijkheid: de kolonie verkeert nu al ruim een jaar in staat van ontbinding en dit proces van ontbinding is niet het gevolg van onvermijdelijke tegenslagen, natuurrampen en dergelijke factoren, waartegen men zich moeilijk wapenen kan, maar is hoofdzakelijk te wijten aan de ondeskundigheid, de tactloosheid en de arrogantie van de leiding. In het kort zullen we trachten deze bewering te adstrueren.

Optreden Ir. Heymeyer
Aan de goede bedoelingen van de voormalige leider Ir. G. Heymeyer behoeft niet getwijfeld te worden. Maar de geschiedenis heeft bewezen, dat men met goede bedoelingen alléén een kolonie niet opbouwt. Het tijdperk van zijn bewind kan men het best kenschetsen als het tijdperk van improvisatie en van de fantastische constructies. Reeds dadelijk bleek, dat aan de meest elementaire problemen nauwelijks of geen aandacht was besteed. Drie jaren emigrantenleedBetrouwbare voorstudies ontbraken, evenals een vast omschreven bouwplan en een reële begroting. Er werd hard gewerkt in die dagen, maar op de manier van dilettanten, die in een roes van optimisme verkeren. Toen de kolonie zich begon uit te breiden, ging men de behoefte aan een betere organisatievorm duidelijker inzien. Maatregelen werden uren lang overwogen, maar ofwel niet uitgevoerd ofwel daags daarna met de grootste lichtzinnigheid herroepen. In een overmaat van verkeerd begrepen verantwoordelijkheidsgevoel, was Ir. Heymeyer op geen enkele manier ertoe te bewegen, anderen in de verantwoording, die hij voor het geheel droeg te laten delen. Zelfs in de kleinste nietigheden eiste hij zich de beslissende stem op, wat zijn gezag na enige tijd ondermijnde en lichtelijk belachelijk maakte. Toen hij hierop van bevriende zijde attent werd gemaakt, legde hij dit uit als een greep naar de macht.
In plaats van zich eerst en vooral om de onmiddellijke productie te bekommeren ging men over tot dure experimenten, alsof men jaren tijd had om de boterham te verdienen. Naar goed bedoelde raad van deskundige zijde, hetzij van Nederlanders hetzij van Brazilianen, werd niet geluisterd. In het algemeen legde men een volkomen misplaatst meerderwaardigheidsgevoel aan de dag tegenover de Braziliaanse buitenwereld. Een positieve waardering voor het volk, dat enige honderden Nederlanders zo gastvrij ontvangen had, konden de leiders van Ribeirão niet opbrengen. Het behoorde – en behoort nog – tot de bon ton af te geven op Brazilië, waarvan men overigens niets weet, en nog minder begrijpt. Geen van hen spreekt ook maar draaglijk Portugees, wat ook in economisch opzicht een grote handicap is.
Aan de grote problemen van de dag werd niet voldoende aandacht geschonken, men verloor zich liever in toekomstdromen, fantaseerde over een middelbare school en een cultureel centrum, waarbij men zich gedroeg alsof Brazilië volkomen een vacuüm was. Tot grote ontsteltenis van de boeren drong een leger ambtenaren de fazenda binnen, niet alleen lieden wier aanwezigheid men op een boerendorp mag veronderstellen, zoals een dierenarts, een landbouwkundig ingenieur en een zuiveldirecteur, maar nog vele andere intellectuelen en semi-intellectuelen zwermden over de fazenda heen. Deed men echter een beroep op dit organisatorisch apparaat, dan bleef het telkens weer in gebreke. Iedereen projecteerde en organiseerde, en niemand kende zijn plaats in het ingewikkelde bestel.
De meest uitgeslapen boeren begonnen toen al te vermoeden, dat het met de cooperativa niet bijster goed ging. Het eerst ontevreden werden natuurlijk die boeren, die financieel bij de onderneming het meest geïnteresseerd waren, m.a.w. zij die er een behoorlijke duit in hadden zitten. Eenmaal in Brazilië aangekomen, konden zij geen enkele invloed meer doen gelden op de algemene gang van zaken, hoe groot het bedrag ook was geweest dat zij kort geleden aan zulke gretige handen geofferd hadden. Want het “gele boekje” met de statuten zag er wel veelbelovend uit, maar in de praktijk bleek het slechts een vodje papier. Vrije opinie- of besluitvorming was voor de leden van het begin af aan een onmogelijkheid. Er werd in die periode druk vergaderd, maar alleen door officiële instanties, die in geen enkel opzicht als de vertegenwoordigende organen van de bevolking konden gelden. Algemene vergaderingen werden maar zelden belegd; ze waren trouwens meer een “Proklamationsstelle” dan een werkelijk delibererend lichaam. Op zakelijke bezwaren werd gereageerd met een stichtelijk verhaaltje, en wat aan de argumenten van de voorzitter ontbrak, werd ’s zondags door de preek van de pater aangevuld.
Intussen waren de financiën hopeloos in de war geraakt. Een nieuwe lening zou worden aangegaan met de Nederlandse regering. Na maandenlange besprekingen en onderhandelingen kwam het midden 1951 dan zo ver: de lening was er door, zij het dan ook veel te laat. Aan het verstrekken van deze lening werd van Nederlandse zijde als voorwaarde verbonden de aanwezigheid van een commissaris, die de hoogst financiële en economische autoriteit op de fazenda zou zijn. Daarmee trad de cooperativa in een nieuwe fase.

Optreden Hr. Hogenboom
De eerste indruk die de commissaris, dhr. Ch. Hogenboom maakte, was niet ongunstig. Aan enige organisatorische wantoestanden werd inderdaad energiek een eind gemaakt. Met vreugde vernamen de boeren zijn besluit, dat ze spoedig allemaal zelfstandig zouden worden. Het tijdperk der fantasie was definitief afgesloten, een nieuw tijdperk van zakelijkheid brak aan.
Maar de zakelijkheid, die de commissaris nastreefde en nog nastreeft, is die van de Senembang-maatschappij, als wier employé hij jarenlang in Indonesië heeft gewerkt. Gewend als hij is met koelies om te gaan, volgt hij dezelfde methode met de boeren, van wier mentaliteit hij te enen male niets begrijpt. Het dient erkend: de nood van de omstandigheden vraagt een energiek beleid. Maar hiermee worden bruutheid en willekeur niet gerechtvaardigd. Dhr. Hogenboom is vastbesloten de fazenda te redden, kost wat kost: de operatie zál slagen, ook al moet de patiënt bezwijken. – En de patiënt is aan het bezwijken.

Van iedereen werd onder het nieuwe bewind een verregaand conformisme verlangd. Elke vorm van kritiek zowel op het oude als op het nieuwe regime werd botweg uitgelegd als een gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. Personen die ernstige en gerechtvaardigde grieven hadden, die de dupe waren geworden van het vroegere wanbeheer en om rechtsherstel vroegen, werden nauwelijks aangehoord en, bleven ze aandringen, zonder meer van de fazenda verwijderd. Het eigenlijke bestuursapparaat, wel te onderscheiden van het bestuur, werd practisch ongewijzigd overgenomen; de vertrouwensmannen van de boeren, die in het nieuwe “officiële” bestuur zitting kregen, hadden geen enkele reële invloed. Nooit werden de fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel, de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken, en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met hun ondoordachte brieven het bestaan der fazenda in gevaar zouden brengen. Soms beriep men zich op de omstandigheden, en enkele malen dreef men de onbeschaamdheid zo ver om de oorzaak van de moeilijkheden toe te schrijven aan Nederlandse paters buiten de fazenda, die meer dan iemand hebben bijgedragen om de jeugdige onderneming op allerlei gebied service te verlenen. Zo werd het rechtvaardigheidsgevoel van de gehele bevolking gekwetst. Met contracten en met eerder gedane toezeggingen werd op de meest willekeurige manier omgesprongen.
Vooral de intellectuelen, die prijs stelden op een onafhankelijk oordeel, moesten het ontgelden. Ze werden er uitgewerkt, de een op een nog minder elegante manier dan de andere. Na deze zuivering beschikt de leiding thans over een stelletje “employé’s”, op wier meegaandheid zij in alle omstandigheden kan rekenen.

Crisis
De crisis, die men al maanden te voren had kunnen zien aankomen, viel eind october – begin november 1951. Toen werden de leden van de coöperatie gedwongen – nota bene: degenen die er hun centen in hadden zitten – een verklaring te tekenen, waarbij ze voor de duur van 10 à 12 jaar afstand deden van hun eigendomsrechten. De term “gedwongen” is hier niet overdreven, want de ondertekenaars, financieel berooid, zonder kennis van dit land, volk en taal, verkeerden in een dergelijke noodpositie, dat van een eigenlijke vrije beslissing geen sprake kon zijn. Aanvankelijk weigerde ruim het derde deel te tekenen, maar na enige dagen was het ongeorganiseerde verzet gebroken. Zulk een capitulatie zou onder havenarbeiders niet mogelijk zijn geweest, onder Brabantse en Limburgse boeren echter wel. Dezen immers zijn sterk individualistisch, bijna wantrouwig van aard, hebben een minderwaardigheidscomplex tegenover de intellectuele leiding, zijn afkerig van blinde avonturen en verstaan niet de kunst om georganiseerde oppositie te voeren. Zo kon de machtspolitiek van de leiding hen overrompelen. Onder het vroegere bewind werden ze gepatroniseerd, onder het huidige worden ze geïntimideerd. Een paar wapenen zijn hun echter niet uit de handen te slaan: het wapen der kritiek, vaak met veel gezond verstand en met groot gevoel voor humor gehanteerd, en een zekere slimheid, die in alle omstandigheden superieur blijkt aan welke maatregelen van overheidswege dan ook.

Sapienti sat…
In brede kringen bestaat momenteel echter een diepe verslagenheid of een grote verbittering; de werklust is bedenkelijk gedaald; velen vragen zich ernstig af hoe ze zichzelf en hun gezin nog kunnen redden. Er zijn er niet weinigen, die gemeend hebben deze vraag te moeten beantwoorden door de benen te nemen, desnoods met achterlating van hun kapitaal en hun bedrijfsinventaris. Er hebben zich al kleine kolonietjes gevormd in Rio Grande do Sul en in het noorden van de staat São Paulo, die door achterblijvers beschouwd worden als mogelijke steunpunten, wanneer het ook hun te warm mocht worden onder de voeten. Dit jaar zijn reeds ruim 150 personen (20 à 25%) naar elders vertrokken, en een zeker even groot aantal personen speculeert nog op een gunstige gelegenheid om de plaat te poetsen. Dit wordt hun echter steeds moeilijker gemaakt, want de laatste handtekening die ze geplaatst hebben, verplicht de deserteurs om voor een opvolger te zorgen. En er zullen nog maar weinig boeren in het lieve vaderland te vinden zijn, bereid om zulk een hoge prijs te betalen voor de post van rechteloos zetboer op de Fazenda Ribeirão. Andere kolonisten en ex-kolonisten, die op de fazenda geen recht konden vinden, hebben een Braziliaans advocaat in de arm genomen. Niemand weet wat het eind van dit liedje zal zijn.

Oplossing?
Het probleem van Ribeirão is niet in de eerste plaats van financiële of economische aard. Als onberekenbare rampen uitblijven, zou het inderdaad mogelijk zijn de enorme lasten te boven te komen, mits een eind wordt gemaakt aan de vertrouwenscrisis van thans. De tegenwoordige leiding doet niets om het geschokte vertrouwen te herstellen, integendeel, met haar ontactische maatregelen prikkelt ze tot daden van sabotage en verzet. Wie een maand geleden op dit stukje kibbelend Nederland rondwandelde, kon de indruk krijgen, dat hij zich in bezet gebied bevond. “Regeringspartij” en “oppositie” waren er gangbare termen, en aan deze terminologie beantwoordden van weerszijden acties en campagnes, die tot de ondergang van de kolonie moet leiden. Uit meerdere bronnen blijkt duidelijk, dat de algemene stemming de laatste maand wezenlijk niet verbeterd is.
Het gemis aan een boven de partijen staande geestelijke leiding doet zich sterk gevoelen. Want de rector van de kolonie is helaas niet geschikt voor zijn ambt van geestelijk herder van de boeren. Dezen zien in hem het verlengstuk van het bestuur, niet de pastoor van de parochie. In hun behoefte om hun hart uit te storten aan een geestelijke, nemen velen hun toevlucht tot de Nederlandse paters in Campinas of São Paulo. Ook dit leidt tot allerlei ongewenste spanningen.
Nog steeds leven 500 Nederlanders op Ribeirão in verdeeldheid en onrust. De naam van ons land heeft in Brazilië reeds veel geleden ten gevolge van het avontuur dat “Cooperativa Holambra” heet. Wij zouden ons crediet helemaal kunnen verspelen, als op deze weg werd voortgegaan. Dit verhindere het gezond verstand van de autoriteiten in het vaderland.

Dr. J.J. van den Besselaar

Fazenda Ribeirão in opspraak?

In het voorjaar van 1952 werd de crisis waarin Holambra sinds 1950 verkeerde breed uitgemeten in de Nederlandse pers. De spits werd op 15 februari afgebeten door het katholieke weekblad De Linie met een artikel met als titel “Fazenda Ribeirão in opspraak?” De ondertitels van het stuk maken echter duidelijk dat het blad de opspraak in twijfel trok. Het artikel beschreef de reorganisatie die Charles Hogenboom (‘Een man die op economisch en sociaal gebied zijn sporen verdiend had bij grote ondernemingen in Oost-Indië’) het voorgaande jaar op de fazenda had doorgevoerd en de gevolgen voor de boeren die een eigen bedrijf waren begonnen. Volgens een in het artikel geciteerde boer hadden de kolonisten ‘totaal, maar dan ook totaal moeten omschakelen, en (…) snel moeten aanpassen aan de Braziliaanse werkwijzen.’ Volgens De Linie school hierin ‘een der grootste psychologische en morele moeilijkheden voor de argeloos uit Nederland overgekomen landbouwer. Want economisch zijn de zorgen en problemen thans niet zo groot meer.’

De aanpassing was volgens het weekblad een kardinale kwestie. ‘In het begin zijn diverse gezinnen naar de fazenda getrokken zonder voldoende besef van wat hun daar wachtte, zelfs zonder de noodzakelijke voorlichting van geestelijke en wereldlijke autoriteiten. Dit heeft de moeiten en desillusies van de beginperiode niet weinig verzwaard, en “desertie” tengevolge gehad – zoals trouwens in dergelijke pionier-milieux niet te verbazen valt. Er arriveerden reeds grote gezinnen vóórdat naar verhouding van enige productiviteit sprake kon zijn. Dit werkte des te nadeliger nu men in een relatief schrikbarend duur land terecht kwam. Bovendien wist men van Braziliaanse levenswijze, omstandigheden en vooral taal weinig of niets – en, zoals een der briefschrijvers het uitdrukt, “taal is hier kapitaal, in verband met snelle aanpassing en omgang met inheems personeel.” Men kan zich voorstellen dat zulke tekorten op sommige beginnelingen deprimerend, om niet te zeggen vernietigend gewerkt hebben, en soms oorzaak waren van negatieve stemmingmakerij. Het is dan ook voor een niet gering deel aan het uitstekende gehalte der meeste Brazilië-emigranten te danken, dat zulke ernstige teleurstellingen overwonnen zijn.
Men is (…) door deze schade en schande wijzer geworden, en streeft thans naar volwaardige aanpassing aan de Braziliaanse levenswijs zonder de kostbare en aangename elementen van eigen vaderlandse aard te verloochenen. Op deze taak legt ook de technische en religieuze leiding thans meer het accent.

Men moge er dan ook van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten (terecht) stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

Deze positieve voorstelling van zaken werd echter niet algemeen gedeeld. Een week later publiceerde het eveneens katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw een artikel met een totaal andere strekking. Volgens dit blad had De Linie een ‘ongemotiveerd optimistisch geachte beoordeling van de stand van zaken’ gegeven, die niet strookte met de waarheid. Daarop het besloot De Nieuwe Eeuw het artikel van de hand van Dr. J.J. van den Besselaar, ooit de beoogd leider van een op te richten gymnasium op de Fazenda Ribeirão, te publiceren. In de volgende blog zal dit artikel van Van den Besselaar integraal worden gepubliceerd.

Een korte geschiedenis van Holambra (III)

In 1952 liepen de spanningen op Ribeirão nog verder op. De strijd tussen de vóór- en tegenstanders van Hogenboom beperkte zich niet meer tot de Fazenda. Ook de Nederlandse pers werd gebruikt om het gelijk te behalen. Met name artikelen in het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw zorgden voor de nodige beroering. In dat blad verscheen op 23 februari 1952 een artikel van J.J. van den Besselaar, voorheen werkzaam als leraar op Holambra, waarin hij het beleid van Hogenboom fel bekritiseerde. Volgens Van den Besselaar ging Hogenboom te werk met bruutheid en willekeur. Van iedereen werd conformisme verlangd. Kritiek werd uitgelegd als gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken. “Nooit werden fouten van het heden of van het verleden ruiterlijk erkend. Integendeel de schuld van alle ellende werd steeds geschoven op de rug van de boeren, die onchristelijk-hebzuchtig zouden zijn, niet zouden werken en met hun roddelen de goede geest in eigen kring zouden ondermijnen, en met ondoordachte brieven het bestaan van de Fazenda in gevaar zouden brengen.” Ook in de volgende artikelen schaarde het weekblad zich achter de tegenstanders van Hogenboom, omdat rechten aan hen zouden zijn ontnomen. Er werd aangedrongen op ingrijpen vanuit Nederland teneinde de leiding (in casu Hogenboom) uit haar functie te ontzetten en de boeren volledig in hun rechten te herstellen.

Drie jaren emigrantenleedDe tegenstellingen op Holambra spitsten zich nog verder toe, toen in september 1952 aan de kolonisten een in het Portugees opgestelde overeenkomst (dat het voor de Braziliaanse wet ongeldige, in het Nederlands opgestelde contract van november 1951 moest vervangen) ter tekening werd voorgelegd. Wist de leiding in november 1951 nog de meeste kolonisten te overreden om te tekenen; nu bleef een aanzienlijk deel (32 van de 87 boeren) weigeren hun handtekening te zetten. Volgens Heymeijer waren zij er enerzijds van overtuigd dat zij de lasten niet konden opbrengen en anderzijds hadden zij het vertrouwen in Hogenboom totaal verloren en konden zij niet geloven dat zij als het op betalen zou aankomen en zij dit niet konden op een soepele behandeling mochten rekenen. Omdat zij weigerden te tekenen, werden zij afgesneden van de credieten van de coöperatie voor hun levensonderhoud en voor hun bedrijf. Volgens Heymeijer werden zij wel gedwongen op niet-legale wijze in het levensonderhoud van henzelf en van hun vee te voorzien. Heymeijer drong, uit naam van de van credieten afgesneden boeren, aan op ingrijpen vanuit Nederland.

H. Bemelmans

De alarmerende berichten deden ook de KNBTB twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom. In overleg met mgr. Hanssen en de Nederlandse regering werd overwogen een onderzoekscommissie naar Brazilië te sturen. De regering liet echter weten hieraan niet te kunnen meewerken, aangezien dit het gezag van de regeringscommissaris zou ondermijnen. Uiteindelijk werd in december 1952 door de KNBTB in overleg met het episcopaat deken H. Bernelmans naar Brazilië gestuurd om de gemoederen te sussen en de weigeraars ertoe te bewegen het contract alsnog te tekenen. Het bezoek leverde echter geen resultaten op. Volgens Bemelmans zagen Hogenboom en het coöperatiebestuur de niet-ondertekenaars het liefste vertrekken. Hoewel Bemelmans het economisch beleid van Hogenboom voor het slagen van Holambra noodzakelijk achtte, vroeg hij zich af of de positie van Hogenboom niet te sterk was, in casu het verenigen van de functies van regeringscommissaris en voorzitter van de coöperatie, een mening die door de Nederlandse regering werd gedeeld. Naar zijn mening was ook het optreden van de leiding niet altijd even tactvol. De conclusies van deken Bemelmans werden door de KNBTB overgenomen. In een brief aan Hogenboom en het bestuur van de Cooperativa Holambra van 12 maart 1953 liet het bestuur van de bond weten “dat afdwinging van het grootste recht in sommige gevallen tot onrecht kan leiden”. Het KNBTB-bestuur vertrouwde erop dat het coöperatiebestuur “in sommige gevallen ook genade voor recht zal willen doen gelden”. Door de Cooperativa Holambra werd echter geen gehoor gegeven aan deze oproep. Werd het bezoek van deken Bemelmans al ervaren als een “dolksteek in de rug van de gehele leiding”, de brief van 12 maart was “de druppel die de beker deed overlopen”. Volgens Hogenboom was opnieuw “een dolkstoot toegebracht”. Het bestuur van de Cooperativa besloot niet op deze brief te reageren en gewoon verder te werken aan de gezondmaking van Holambra.

Begin 1953 begon de uittocht van de ontevredenen. Een deel trok naar Não Me Toque in de staat Rio Grande do Sul, waar zich reeds in 1951 een aantal voormalige Holambra-boeren had gevestigd. Não Me Toque werd een redelijk welvarende kolonie. Een coöperatie kwam echter maar moeizaam tot stand. Volgens Hack is dit te wijten aan de slechte ervaringen met de coöperatie van Holambra met haar sterke leiding. Een andere groep boeren trok naar de staat Paraná en stichtte daar in de buurt van de Nederlandse protestantse kolonies Carambeí en Castrolanda een kleine nederzetting die ‘Tronco’ heette. Hoewel Tronco kon profiteren van de voorzieningen van beide protestantse kolonies, voerde zij een kwijnend bestaan. De meeste boeren hadden hun land niet in eigendom, waardoor zij niet in aanmerking kwamen voor credieten. Volgens Hack had Tronco dan ook nauwelijks toekomstperspectieven.

Na het vertrek van de dissidenten keerde de rust terug op Holambra. Hoewel door deze uittocht de last van de leningen zwaarder was gaan drukken op de schouders van de overgebleven emigranten, slaagde Holambra erin een welvarende kolonie te worden. De vrijgekomen bedrijven werden overgenomen door nieuwe emigranten, veelal familie en kennissen van de overgebleven emigranten. Volgens Klein Gunnewiek begonnen het plezier en de humor “weer door te breken. Een teken dat men iets lichter in de toekomst keek. Een nieuw tijdperk was aangebroken.” Dit betekende echter nog niet dat alle problemen voorbij waren. In 1958, twee jaar nadat de coöperatie het jaar voor het eerst met een batig saldo afsloot, stak een nieuwe oppositiegroep de kop op. Een aantal boeren had verwacht dat nu de lasten werden verminderd. Dit bleek niet het geval te zijn. Aan de tweede ‘revolutie’ kwam echter vrij snel een einde, toen de opponenten hun bedrijven verkochten en vertrokken. Zij vormden begin 1959 een nederzetting in de staat Santa Catharina in de buurt van de hoofdstad Florianópolis.

In de tijd van de grote moeilijkheden (1950-1953) had de ontginning stilgelegen. Vanaf 1955 werd weer hard gewerkt aan het in cultuur brengen van het nog braak liggende deel van de fazenda (circa drieduizend hectares). Het ging nu zo voorspoedig dat vanaf 1958 gesproken werd over de aankoop van een nieuwe fazenda ten behoeve van de kinderen van de kolonisten en nieuwe Nederlandse emigranten. Vooral het grote aantal kinderen vormde een bron van zorgen. Onder de circa negenhonderd Nederlanders die zich begin 1961 op de fazenda bevonden, waren zeshonderd kinderen, van wie er vijfhonderd jonger waren dan veertien jaar. Voor hen zou vroeger of later nieuwe grond nodig zijn. KCES-directeur Jos van Campen schreef hierover in 1960: “Wanneer men nu of binnen afzienbare tijd niet in staat is nieuwe grond te kopen, dan is ( … ) het denkbaar, dat het latente gevaar een actueel gevaar wordt, nl. dat gezinnen met grote kinderen hun bedrijven proberen te verkopen om individueel in Brazilië een nieuw stuk van groter omvang te exploiteren”. Om die reden was de stichting van een tweede kolonie noodzakelijk
Voor de aankoop van grond voor een nieuwe kolonie, die de naam Holambra II kreeg, wist Hogenboom met steun van de Nederlandse commissaris voor emigratie in november 1960 een lening van 1,25 miljoen dollar van de Amerikaanse regering te verwerven. Medio 1961 slaagde men er in ‘Fazenda das Posses’ met een oppervlakte 12.000 hectares aan te kopen. Deze fazenda was evenals Ribeirão gelegen in de Staat São Paulo. De fazenda werd direct in gebruik genomen door enkele boeren van Ribeirão (voortaan Holambra I geheten). Holambra II werd echter niet het succes dat men er tevoren van verwachtte. Deze nieuwe kolonie kwam namelijk tot stand op een moment dat de Nederlandse emigratie haar dieptepunt bereikte. Van een gehoopte jaarlijkse toevoer van tachtig emigranten was dan ook geen sprake. Een groot deel van de grond van de fazenda bleef te lang onverkocht. Daarnaast werd Holambra II geen exclusief Nederlandse kolonie. Ook niet-Nederlanders werden in de gelegenheid gesteld zich in de kolonie te vestigen.

‘Holambra’ betekende voor de KNBTB de realisering van zijn ideeën over de meest wenselijke vorm van agrarische emigratie: door de stichting van kolonies waarin geloofs- en landgenoten samenwerkten kon het geestelijk en sociaal welzijn van de emigrant het best worden gegarandeerd. De stichting van Holambra was vooral gebaseerd op idealistische motieven. Heymeijer wilde een ‘gemeenschap’ opbouwen, maar ging voorbij aan een aantal voorwaarden waaraan voldaan moest worden wilde zo’n gemeenschap een succes worden. Onvoldoende aandacht was bijvoorbeeld besteed aan de selectie van emigranten en de financiering van de kolonie. Daarnaast was uitgegaan van de (verkeerde) veronderstelling dat boeren in staat waren om samen een levensvatbaar geheel op te bouwen. Tenslotte ontbrak het aan een goede leiding. In de loop van 1950 werd duidelijk dat Holambra financieel aan de grond zat.

Hogenboom slaagde er met behulp van een nieuwe lening in Holambra te reorganiseren en te laten uitgroeien tot een succesvolle onderneming. De wijze waarop Hogenboom deze reorganisatie uitvoerde, wekte weerstand op bij een groot aantal kolonisten. Deze verloren alle vertrouwen in het succes van de onderneming en vertrokken na scherpe conflicten naar elders. Opvallend was dat ook de KNBTB ging twijfelen aan de juistheid van het optreden van Hogenboom en pogingen deed de beide partijen tot verzoening te bewegen. In deze periode van conflicten, waarover de Nederlandse pers uitvoerig berichtte, hield de KNBTB zich opvallend afzijdig van alle publiciteit. Slechts een enkele keer (op 15 maart 1952, midden in de publiciteitsgolf rond Holambra) verscheen in Boer en Tuinder een artikel over de kolonie. De moeilijkheden, die uiteengezet werden, zo werd er geschreven, waren overwonnen en men ging ‘met vertrouwen de toekomst tegemoet’. Pas vanaf het einde van 1954 verschenen weer regelmatig artikelen over Holambra in dit weekblad meestal geschreven door G. Duysens, de vertegenwoordiger van Holambra in Nederland met het doel nieuwe emigranten te werven.

Holambra bood voor emigrerende boeren het voordeel zich te vestigen in een vertrouwde gemeenschap van land- en geloofsgenoten. Daarnaast verminderde het emigreren binnen coöperatief verband de financiële risico’s die aan emigreren verbonden waren. Een groot bezwaar tegen deze vorm van emigreren is echter dat de integratie in het land van bestemming erdoor belemmerd werd. Men kon zich veilig terugtrekken in de eigen gemeenschap. Hierdoor werd niet zozeer de behoefte gevoeld de vreemde taal (in casu Portugees) te leren. Holambra vormde lange tijd een erg gesloten gemeenschap. Hack oordeelt hierover: ” Practically all contacts with the outside world are taken care of by the cooperative, which tends to make the colonists somewhat easy-going in some things”. Voormalige Holambra-boeren die zich op de open nederzetting Näo Me Toque vestigden, zeiden dan ook uit eigen ervaring: “At Holambra you’ll never get to know Brazil.”