Over Brazilië (Ribeirão)

Op 4 augustus 1951 publiceerde het in Venray verschijnende weekblad Peel en Maas een ingezonden brief van een oud-dorpsgenoot. Hij reageerde op een artikel dat op 21 april in de krant had gestaan onder de titel “Emigratie avontuur;  700 Nederlanders hulpbehoevend in Brazilië.” De schrijver van het stuk wilde zijn zienswijze weergeven over hetgeen er sinds de stichting in de jonge kolonie Holambra was voorgevallen.

Toen de zaak hier voor 3 jaar terug werd aangepakt, is er begonnen met een kleine steun van de KNBTB ontvangen, voor de rest is de zaak gestart op ’t crediet van de Federatieve regering van Brazilië en van de Staat São Paulo. Dit crediet was op het eerste gezicht nogal een heel bedrag (f. 15.000 per gezin) maar er moest veel gebeuren en na een jaar wisten we hier al, dat dit niet voldoende was om alles op te bouwen. Dit kwam vooral doordat de staat São Paulo als voorwaarde voor het crediet had bedongen, dat het eerste jaar 100 gezinnen naar Brazilië zouden moeten komen. Door dit snelle tempo moest alles in verhouding ook groot zijn. De ontginning moest snel gaan, de huizenbouw moest vooruit, school en kerk, werkplaatsen, winkel en slagerij, alles moest tegelijk verrijzen.
Doordat de emigranten zo snel kwamen kon de verkaveling en de aanleg van wegen niet voorblijven op de woningen die er gebouwd moesten worden om de mensen onder dak te brengen. Ook de ontginning kon niet snel genoeg vooruit doordat niet voldoende en niet het juiste materiaal kon worden aangeschaft. Door dit alles konden de woningen niet direct op de plaats van de boerderijen, verspreid over de fazenda, worden gebouwd. Dit vergde te veel tijd, vooral doordat men met de bouwmaterialen niet overal kon komen waar de boerderijen moesten worden geplaatst, doordat er nog geen wegen waren.

Industriewijk
In 1949 zijn we begonnen met het bouwen van woningen op de plaats waar de boerderijen moesten komen, we zijn er echter mee op moeten houden, omdat het niet uit te voeren was om bovengenoemde redenen. Toen is men begonnen met het bouwen van woninggroepen zoals deze nu op de fazenda liggen. Hiermee kon in veel kortere tijd meer en voordeliger worden gebouwd. Zelfs toen kon men de komst van de emigranten nog niet vóór blijven en moesten dezen worden ondergebracht in de lemen hutten die er nog stonden.
Nu had men de emigranten wel langzamer kunnen laten komen, maar voor de gezinnen welke er minder dan het gestelde aantal kwamen, kreeg men ook geen crediet. Zonder dit crediet kon er helemaal niets gebeuren. Nu kwam er toch het noodzakelijkste aan gebouwen enz. klaar en kon er de grondslag goed worden gelegd.
Na een jaar wisten we al, dat er niet voldoende geld zou zijn om zo door te gaan, er is toen dan ook in 1949 nog nieuw crediet aangevraagd in Nederland. Inmiddels liep de investering hoger op dan de begroting was, doordat het vee tot tweemaal toe te kampen kreeg met mond- en klauwzeer en door de late inzaai van de verschillende gewassen konden deze ook geen directe opbrengsten meer geven. Met deze gewassen werd alleen een zekere grondverbetering bereikt, maar dit bracht het eerste jaar geen geld in het laatje. Het beschikbare geld werd steeds minder al werd dit dan ook wel aangevuld door de komst van nieuwe emigranten. Dit was niet voldoende om de zaak flink door te zetten.
In januari 1950 werd de toezegging verkregen van de Nederlandsche Bank tot plaatsing of medewerking tot plaatsing van een hypothecaire lening, onder voorbehoud van goedkeuring door de Nederlandse regering. Toen deze toestemming werd gevraagd, besloot het Departement van Sociale Zaken een commissie uit te zenden om ter plaatse een onderzoek in te stellen en een rapport uit te brengen. Dit was in maart 1950.
De commissie arriveerde in augustus op de fazenda en bracht rapport uit in october. De taak van deze commissie was zeker niet gemakkelijk. Om in enkele maanden te zeggen wat voor mogelijkheden er in een land als Brazilië zijn, is ondoenlijk. Zelfs voor ons die nu al meer dan twee jaar hier zijn is niet nog moeilijk. We hebben echter de vragen die door de commissie werden gesteld, naar vermogen beantwoord en het rapport is klaar gekomen.
Het resultaat van dit rapport was: besprekingen van de ministers van Sociale Zaken, Landbouw en Financiën en de katholieke boerenbond. De ministers hebben zich schriftelijk bereid verklaard om een wetsontwerp in te dienen bij de Staten Generaal om een lening te verstrekken, ofwel garantie te verlenen voor rente en aflossing van een lening door derde. In januari 1951 is met de regeringscommissaris die inmiddels was aangesteld het eerste geld, een overbruggingscrediet van de KNBTB, aangekomen.

Hogenboom
C.J.J. Hogenboom

In die tijd is er al weer heel wat gebeurd, men kon niet stil blijven zitten wachten en men kon niet doorwerken, dit is alles bij elkaar zeer schadelijk, want het is ook hier: stilstaan is achteruit gaan. Nu hebben we op de toezeggingen die er steeds gedaan zijn doorgezet voor zover dit mogelijk is geweest. Nu is er in januari en februari toen de regeringscommissaris hier was weer een rapport gemaakt. Daar wij nu al weer meer gegevens hadden, kon dit ook weer zuiverder en beter gebeuren. De regeringscommissaris, de heer Hogenboom, heeft dan ook na een grondig onderzoek verklaard, dat hier voldoende mogelijkheden zijn. Na dit onderzoek is de heer Hogenboom weer naar Nederland vertrokken om de zaken verder af te werken. In het rapport, dat door Hogenboom is mede genomen, was om met het gevraagde crediet te kunnen slagen als voorwaarde gesteld, dat het crediet onmiddellijk beschikbaar wordt gesteld.
Nu is er in mei wel wat geld gekomen, zodat we alle voorbereidingen hebben kunnen maken die nodig zijn, om, als het geld komt, snel te kunnen doorwerken, maar… als dit nu ook niet spoedig komt, lopen we zeker vast. Er moeten nu een 60-tal boerderijen worden gebouwd, er moet meer worden geploegd en gezaaid. Bedrijfsmateriaal en een bezetting van vee, kippen en varkens is er nodig voor deze nieuwe bedrijven. Alles staat startklaar en wacht op het crediet, dat iedere dat wordt verwacht. Komt dit niet, dan zal er wat anders moet worden bedacht, om aan het eten te blijven en om door te kunnen draaien.
Door al dit langzaam werken wat het crediet betreft, door het lange uitblijven van de steun uit het vaderland, dat tocht wel de steun heeft toegezegd, krijgt men hier allerhande narigheden met de mensen. Ieder heeft voor- en tegenstanders, zo is het met ons ook het geval. Wij kennen deze tegenstanders wal niet, maar, hierdoor zijn zij des te gevaarlijker. Door al de valse berichten wij hier uit het vaderland krijgen, door de manier waarop deze worden overgebracht is het zeker, dat dit gebeurt om hier de eenheid kapot te maken. Ook valse berichten welke in Nederland worden verspreid bewijzen dan ook, dat daar geprobeerd wordt, om een bepaalde stemming tegen de fazenda te wekken.
De praatjes, dat moet werk zijn van kwaadwilligen, hier is van dat alles tenminste niets bekend. Deze “sterke verhalen” zijn dan ook tot de laatste letter uit de duim gezogen! Onze mensen verdienen hier een veel hoger loon als de Brazilianen, de levensmiddelen zijn in onze winkel lager dan elders in Brazilië. Dit blijkt uit het feit, dat er zelfs veel Brazilianen van buiten de fazenda hier hun goederen kopen.
Met het vee gaat het ook zeer goed, buiten de preimmunisatie zijn er geen dieren meer dood gegaan. Er zijn koeien bij, die 25 tot 30 liter melk per dag geven, er zijn er bij, die nu in een half jaar tijds al meer dan 2000 liter melk hebben gegeven. Ook de gewassen op het land zijn voor zeker 90 pct. goed te noemen, de opbrengsten, welke nog niet heel zuiver bekend zijn, omdat nog niet alles is geoogst, staan ver boven het gemiddelde van het land. Hiermede blijkt wel, dat het met de droogte ook al niet zo erg is geweest. Het heeft dit jaar dan ook meer geregend dan in de voorgaande jaren dat wij hier zijn.
Met dit al wordt er in Nederland meer slecht dan goed over de fazenda verteld. Als men de berichten uit Nederland moest geloven, dan zouden wij hier zelfs gaan twijfelen aan alles wat we hier zien op de fazenda. Dan, ja dan zouden we ons zelf niet meer mogen geloven. Maar in Nederland, daar gaat men door dit alles toch wel twijfelen aan de gang van zaken hier.
De voorbereidingen voor ’t crediet duren hierdoor zeker langer, wij moeten maar wachten en horen ook hier vanuit Nederland over de voorbereiding van het crediet allerhande geruchten en worden ongerust, of men in het vaderland nog wel zal helpen, voordat het te laat is. Anderen maken hiervan misbruik. Zij praten de mensen hier voor, dat de fazenda over de kop gaat, dat ze moeten zien, dat ze ander werk krijgen enz. Jammer genoeg zijn er al verschillenden hier in gelopen, maar ieder heeft zijn goed recht en kan hier gaan als hij wil.
Nu zijn er al verschillenden, die ondervonden hebben, wat het is om alléén in Brazilië te staan. In deze enkele maanden hebben ze al verschillende plaatsen gehad. Er zijn er bij, die al een ander vak hebben moeten kiezen om werk te kunnen houden. Ze verdienen niet de helft van wat zij eertijds op de fazenda verdienden, toch zeggen ze, dat het hen nog goed gaat en proberen zo nog meer mensen mee in het ongeluk te trekken. Alles gaat hun goed, zoals wij het hier horen en toch weten wij zeker, dat er zelfs verschillenden bij zijn, die hun kost niet behoorlijk hebben. Hoe het zal aflopen, weten we natuurlijk nog niet, dit is echter wel zeker, dat als de Nederlandse regering ons de toezegging geeft, die ze heeft gedaan en het duurt niet te lang, dan zel er hier zeker een goede toekomst zijn voor velen.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Laat de kankeraars en dwarskijkers hier maar vertrekken, daar wordt het niet slechter van. In Peel en Maas van 2 juli 1951 staat een artikel over “de stichting van Ysselsteyn”. Hieruit zou ik een klein stukje willen aanhalen, nl.: ‘Het antwoord zal slechts zijn, dat een groot vertrouwen op God en een paar harde werkknuisten dit hebben mogelijk gemaakt en het nog mogelijk maken, dat ook nu nog jonge kerels de wijde (Wereld) intrekken om voor zichzelf en hun gezin de taaie grond te gaan ontginnen, te werken onder omstandigheden, waarvoor velen hun neus optrekken.’ Dit geldt ook voor de mensen die hier op de fazenda zijn.
Wat het crediet aangaat zou ik nog een stukje uit Peel en Maas van 3-3-’51 in herinnering willen brengen nl. van links en rechts. Deurne gaat 346 ha ontginnen. De kosten van dit ontginningsobject zijn begroot op f 1.386.238,25 voor arbeidslonen en f 391.100,- voor andere kosten. In dezelfde kolom staat een artikeltje over “Nederlandse boerenkolonie in Brazilië in zorgen”. Aan dit artikeltje zou ik willen toevoegen, dat het gevraagde crediet hiervoor is, in de eerste instantie f 2.500.000,-. Het betreft hier 700 Nederlanders op 2000 ha land. Hier zit al eenzelfde bedrag in, maar dan ik ook het gehele bedrijf klaar. Deurne heeft voor 346 hectare f 1.777.438,25 nodig, en dit zijn dan nog alleen de ontginningskosten.
Hiermede hoop ik de gemoederen van de diverse familieleden weer tot rust te hebben gebracht en ik ga eindigen met vele groeten aan vrienden en bekenden. Tot een volgende keer.

Een oud-dorpsgenoot.

‘Van eenig geld verdienen was geen sprake’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (6)

In het laatste deel van de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef vanuit Tucumán, vertelde hij over het werk in de bossen buiten de stad en het gebrek aan verdiensten. De groep emigranten had er snel genoeg van en besloot terug te keren naar het emigrantenhuis in Tucumán, in de hoop om elders een beter bestaan te vinden.

Zoo hadden wij dan verblijf in het groote emigrantenhuis. Na een dag toevens begon men elkander af te vragen, wat het straks wel zou geven, doch geen onzer kon anders antwoorden, dan slechts in raadsels. De eene dag verliep na den andere en wij kwamen maar niets te weten. Dit echter ondervonden wij maar al te spoedig, dat het verstrekte voedsel zeer sober was en vooral voor jeugdige kinderen zeer ongepast. Dan het gezamenlijk wonen met het ruwst denkbare element, wat een bevolking kan opleveren, behoef ik u wel niet nader te zeggen, dat het ons daar walgde en wij reikhalzend uitzagen, om aan ’t werk te komen. Eindelijk, nadat wij negen dagen daar werkeloos gelegen hadden, klonk het kommando: voorwaarts. Eenige oogenblikken daarna was ieder gereed en zouden wij den weg inslaan ter ontnuchtering. Spoedig zouden wij dat voor goed ervaren; want zooals later bleek, was ons lot al beslist, waarin wij niet het minste te zeggen hadden. Zoo werden dan een aantal karren opgeladen met gereedschappen en goederen, die ieder bij zich had. De karren, die na deze lading niet al te veel bevracht waren met schoppen, houweelen, bijlen, hefboomen en dergelijken mochten nog betrokken worden door de zwakste vrouwen en kleinste kinderen, terwijl de mannen in elk opzicht de rijdende karavaan te voet moesten volgen. Hoewel wij aan den eenen kant blijde waren, dat wij spoedig aan geregeld werk zouden komen en wel op landbouwgebied, was het ons in ’t algemeen toch niet aangenaam te moede, omdat wij zoo volstrekt werktuigelijk in massa werden voortgedreven, geheel de onzekerheid tegemoet. Het was eene lange, moeitevolle reis, die den geheelen dag duurde en kwamen wij tegen den avond bij een groot en ondoordringbaar bosch aan, waar wij halt moesten houden en de karren afladen.

Nu begon het ons al spoedig duidelijk te worden, dat wij vooralsnog geen rustige landbouwende kolonie zouden vormen, maar dat men ons in de eerste plaats trachtte te gebruiken, om eeuwenoude bosschen uit te roeien en daarna met landbouw te beginnen.
Wat moesten wij beginnen ? ’t Spreekt van zelf dat wij alles, hoe of het ook mocht zijn, moesten aannemen, zoo wij maar slechts aan den kost kwamen. Tot dusverre hadden wij nog in ’t geheel de eer niet gehad met eenig hooggeplaatst persoon of werkgever in aanraking te komen, dat echter, toen wij bij bet genoemde bosch waren, op eens veranderde.

Een groot heer kwam ons naderen, waarin wij al spoedig en niet ten onrechte onzen chef opmerkten. Hij gaf ons te kennen, dat wij voor hem zouden werken in de aan te wijzen bosschen tegen voorloopige vergoeding van voeding, kleeding, woning ja alles, wat wij noodig hadden voor ons dagelijks onderhoud. Van eenig geld verdienen was geen sprake. Dit accoord werd niet gesloten na een gemeenschappelijk overleg van werkgever en werknemers, maar had meer het wezen van een kort en onherroepelijk bevel, zoodat wij, als ’t ware aan handen en voeten gebonden, geen andere keuze hadden dan slechts aan te nemen, wat ons werd aangeboden. – Daar stonden wij dan zonder onderdak, zonder eenig geld. Slechts eenig karig voedsel werd ons verstrekt en moesten wij ons tot nader order maar zien te redden. – Eigenaardig en tevens leerzaam voor hen is het, die veel moeten ontberen en die dikwijls voor schijnbaar onoplosbare raadsels staan en voor schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden, dat er nog altijd een sprankje hoop tot redding overblijft en een weg tot uitkomst. Zoo ook hier: het zachte klimaat, dat hier heerscht werd ons tot hulp, ofschoon het juist in de maand Augustus was, dat zooveel wil zeggen als een maand in het winterseizoen. Het barre winterweder, dat gewoonlijk in ’t noorden van Europa en elders heerscht, is hier niet heerschende: van hagelslag en sneeuwstormen heeft men hier geen last; ’t is slechts zelden, dat men ’s morgens een lichte rijp ontwaart, waarna het overdag weder erg warm kan zijn. Zoo troostten wij ons dan, dat het zeer zacht weder was, wijl de eerste nacht onherroepelijk onder den blooten hemel moest worden doorgebracht. Toch sloegen we nog in aller haast eenige boomstaken in den grond, waarop een soort dak van takken, boombladeren en mos. In dien toestand dan woonden wij in de wildernis en trachtten den eersten nacht slapende door te brengen, den volgenden morgen afwachtende naar nieuwe orders.

De volgende dag werd ons in de eerste plaats toch gegund, om tenten op te slaan, doch zoo, dat iedere tent eenige families kon bergen. Het noodige materieel moest uit het bosch worden gekapt. Het is mij niet mogelijk u nu de omstandigheden en gebeurtenissen, die dag op dag plaats hadden: in ’t breede te omschrijven en zal mij dan maar in hoofdzaak bepalen, hoe het ons ging in de negen weken die wij daar hebben doorgebracht. Negen weken, die ons even zooveel jaren toeschenen, hebben wij in genoemde bosschen zwaar – nog eens: zwaar gewerkt tegen een karig loon en wel slechts tegen eenig slecht voedsel. ’t Was dus een onhoudbare toestand en moesten wij wel opbreken. Doch wat dan? dat vroeg men elkander angstig af, maar hoe het dan ook uitliep, het moest en er was dan ook niemand onder het geheele gezelschap, die den moed had te blijven.

Intusschen had er nog eene gebeurtenis plaats, die echter alleen ons huisgezin betrof: er werd ons een zoon geboren, die wij Christiaan hebben genoemd. Gelukkig, dat deze ernstige omstandigheid boven aller verwachting gunstig afliep. Als ik zoo spreek van boven aller verwachting zal u dat wel niet verwonderen als gij bedenkt, dat wij letterlijk van alle hulpmiddelen verstoken waren en gemeenschappelijk woonden in eene ruw gebouwde tent.

Toen wij dan op zekeren morgen allen aanstalten maakten, om te vertrekken, ging dat nog niet zoo heel gemakkelijk. Bij bet vernemen hiervan vloog onze opzichter op en ontstak in vuur tegen de volgens hem door ons gepleegde ontrouw. Het oogenblik was ernstig. Maar wij hadden immers het volste recht. Wij waren immers geen willekeurige werkstakers en oproerkraaiers, die meer verlangden te hebben dan het billijke! Neen, wij verlangden alléén wat beter voedsel en een zeer weinig handgeld, opdat ons zwaar beproefd dagelijksch leven toch eenigszins dragelijker mocht worden. De opzichter begon ons toen. zekere beloften te doen voor de toekomst, doch kon en wilde voor het oogenblik niets tot beterschap aan ons beloven, zoodat wij op staanden voet wilden vertrekken. Hij, de opzichter, bleek toen in bijzonder een echte zuidelijke type te zijn, die zeker nog eenig slaven-jagers-bloed in zijn aderen had, daar hij onder de woedenste drift naar de revolver greep en ons dreigde met den dood. Even snel echter als zijn dollemans drift ten top steeg, even snel trad er betrekkelijke kalmte bij hem op den voorgrond, wellicht tengevolge door de wetenschap, dat er ook mannen in onzen ploeg waren van stavast en bij het opwekken hunner driften hij wel eens het onderspit kon delven. Alzoo: de vrede werd in zooverre gesloten, dat de revolver niet zoude spreken en wij dan maar zelf moesten weten, wat ons te doen stond.

Het besluit van het geheele gezelschap was onherroepelijk gemaakt: wij braken op en begaven ons in een grooten drom te voet in de richting van Tucumán. Dat dit eene moeielijke reis was kunt gij begrijpen als ge bedenkt, dat wij toen niet in ’t bezit waren van die karren, waarop de meeste vrouwen en kinderen waren heen gereden, zoodat het o.a. voor mijne vrouw met het voor eenige dagen geboren kind op den arm een ware martelreis was en ons in groote zorg wikkelde. God de Heer schonk ons echter kracht naar kruis: wij kwamen bij het emigrantenhuis te Tucumán behouden aan. Niets was natuurlijker dan dat wij verzochten in het groote huis opnieuw te worden geherbergd, dat dan ook gebeurde. Nu scheen het ons toe, dat er al een wrok bestond van de zijde onzer meerderen, daar men ons wel onderdak, maar geen spijs gaf. Hadden wij moeielijke dagen achter den rug, het begon er hier al niet beter op te worden. Er ontbrak ons letterlijk alles; want wij hadden immers geen cent verdiend en konden het geringste niet koopen.

En ziet, alsof hij uit den hemel kwam nederdalen, verscheen daar plotseling een Hollander voor ons, die begon met goeden raad te geven en troost in te spreken. – Het was blijkbaar een edel mensch, daar hij bij het vernemen van onzen nood onmiddellijk eenen grooten zak met brood liet komen, zoodat wij voor dien avond gered waren. Nadat wij onzen innigen dank aan hem hadden betuigd, dien hij echter niet als een verdienste wilde aannemen, maar te kennen gaf, dat hij slechts een menschelijken plicht had vervuld, “waaraan” zeide hij “ook wij in zijn plaats zouden hebben voldaan,” vertrok hij, onzen zegenwensch medenemende, want hij had niet alleen ons lichaam , maar ook onzen geest versterkt. Hij schonk weer nieuwe hoop en wakkerde het vertrouwen in de toekomst zoodanig aan, dat wij met zeker dichter uit den grond onzer harten konden uitroepen:

De Heer kastijdt dien Hij bemint,
En leidt ons vaak langs donk’re wegen;
Maar d’ uitkomst voert altoos ten zegen
Van Zijn geliefd, gelouterd Kind!

‘Het weer is alle dagen even mooi’

Een belangrijke bron om na te gaan hoe emigranten hun eerste jaren op Holambra hebben ervaren en hoe zij aankeken tegen de interne problemen tijdens de eerste jaren, waren de brieven die zij naar het thuisfront schreven. Deze brieven zijn voor de historicus die pobeert zich een beeld te vormen wat er gedurende die jaren in de jonge emigrantengemeenschap heeft plaatsgevonden een waardevolle aanvulling op de verslagen van de leiding van Holambra en de reactie hierop vanuit officiële instanties in Brazilië en Nederland. In de brieven die emigranten uit het Brabantse Diessen naar huis stuurden, kwam de teleurstelling over de gang van zaken wel heel duidelijk naar voren. Deze brieven kwamen ook onder ogen bij lokale vertrouwenspersonen die zich zorgen maakten over het lot van de Diessense emigranten. In een anonieme brief, gedateerd 14 december 1950, vertelt de schrijver over zijn indrukken van het leven op de Fazenda Ribeirão, maar geeft hij ook voorzichtig uiting aan zijn kritiek op de gang van zaken. Deze keer het eerste deel van deze brief.

“Zo zal mijn schrijfinstrument het wel eens zwaar hebben te verduren. Ja, zeg maar niks hoor, ik schrijf van eens. Jullie hebben mij onderhand al wel heel machtig veel toegewenst hebben, zo samen bij de tafel of ’s avonds met de orden nog onder de dekens heen, maar ik hoor er lekker niks van en heb je meer te vertellen, dan zeg ik op mijn beurt, kom maar op jochie, ik lust je wel al is het op de nuchtere maag.
Fazendaplein met kantorenDe nieuwe emigranten beginnen goed te wennen, enkele lopen nog met de lip op de derde vestjesknoop, maar ook dat gevalletje zal met de tijd wel optrekken. Het weer is alle dagen even mooi, hoewel er geen dag zonder regen voorbijgaat en dan komt er regen zoals je het in Holland nooit meemaakt. Een angstig gevolg hiervan is de spoelingen door de akkers en de gewassen die hier voorheen op stonden verdwijnen even snel als het water de helling af. Dit is weer te verhelpen door tussenplanting van suikerriet en hiermede wat beworteling betreft overeenkomende gewassen. In de toekomst en ook nu zal iedere particuliere boer hieraan graag zijn zorgen besteden. Ook de trekkers en auto’s schuiven met gevaarlijke variaties na dergelijke regens de helling af. De grote verkeerswegen die niet gemaakt zijn van asfalt zijn soms dagen niet berijdbaar. Zo kan het gebeuren dat er in verschillende dagen geen post komt of gaat en zo vele dingen meer.
De gewassen van de coöperatie en de boeren groeien met verbazend tempo, daar sta je paf van. Zo waren er streken waar ik in verband met mijn werk in geen maanden geweest was, ik zag het een dezer dagen terug bij een zondagswandeling. Ik was er nog verbaasd over, wat ik toen zag. Ik kende er niet maar dan ook helemaal niets van terug. Waar nu de boerderijen staan heb ik toen met de vrachtauto de stenen nog gebracht. Dat was ongeveer 15 m. van de zogenaamde weg af en wanneer je op de weg stond kun je de auto niet zien, zo’n wilde begroeiing en nu is het precies een stuk Holland, en misschien nog mooier. Grote kippenhokken, stamvol kippen, het vee in een prachtweide, die zeer eiwitrijk is en waarin zich het zwartbont vee als iets edels in aftekent.
De maïs, rijst, bonen, kwandoe etc. etc. wat op tijd gezaaid is, staan er prachtig voor, zonder bemesting of wat dan ook. Neen, hoe het is, is met geen pen te beschrijven. De grond is in doorsnee zeer moeilijk te bewerken, geen ploegrister kun je blank krijgen en veel grond wordt alleen maar met zware schijven bewerkt, door het vele hout dat de bodem nog bevat. Hier staat tegenover, dat wanneer de grond op de eerste plaats beter in structuur is, het hout er uit is ook de bewerking in de kortst mogelijke tijd beter gaat. Dit is een ondervonden feit.
Het Hollandse vee doet het goed, maar best is anders. Het is voor hier haast te edel, te ver doorgefokt in de melkrichting. Wanneer het een paar dagen donker weer is, klimt direct de melkproductie omhoog. De zon is hier een moordtuig voor veel dingen. Toch zijn hier dagproducties van 20-25 liter per dag geen zeldzaamheid. Het Hollandse vee stelt ten onzent hoge eisen aan verzorging. Wanneer het dier maar ook het geringste mankeert, is direct de melk weg. Zeer goede resultaten worden ook verkregen door de kruising van de Hollandse met de Argentijnse koe, en wanneer men zo telkens doorgaat met kruisen krijgt men automatisch weer een Hollands stuk vee met Argentijns bloed wat beter is dan het Hollandse. Hiermede is in de toekomst misschien iets goed te bereiken. Zo moet men hier op alle gebied leren en de zaak uitkienen. Het vee is hier gauw verwond en ben je bij dergelijke wonen niet gauw bij, dan zitten ze stikvol maden binnen de kortst mogelijke tijd en het vlees wordt gewoon weggevreten en hoe het met de genezing dan gaat kan een kind begrijpen. Alle dergelijke dingen worden als particulier eigenaar stukken beter behartigd dan op het ogenblik coöperatief.”

Bron: KDC, Archief Van Beers, inv.no. 10.

‘Men ziet er weer gat in’

Eind 1950 besloot de Nederlandse regering in samenspraak met de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) financiële steun aan de in nood verkerende kolonie Fazenda Ribeirão (Holambra) mogelijk te maken. Voorwaarde voor het verlenen van die steun was het aanstellen van een nieuwe leider, die de aanbevelingen van de regeringscommissie Van Roggen-Van Waveren moest gaan uitvoeren. Voor deze functie werd Charles Hogenboom aangezocht, een man met een grote ervaring in het voormalige Nederlands-Indië. Op 6 januari 1951 arriveerde Hogenboom op de fazenda met de opdracht een inventarisatie te maken van de toestand op de kolonie en om de vraag te beantwoorden of de voorgestelde lening van 2,5 miljoen gulden verantwoord was. Een maand na zijn aankomst schreef  regeringscommissaris Hogenboom de volgende brief aan zijn opdrachtgever, minister van Sociale Zaken Dolf Joekes:

Hogenboom‘(…) In het kort genomen mag gezegd worden, dat de situatie op de Fazenda zich zeer snel in gunstige zin blijft ontwikkelen. De getroffen saneringsmaatregelen worden in begrijpende zin aanvaard. Er wordt door vrijwel alle mensen wederom hard en met plezier gewerkt. (…)
Wat mij het meest verontrust met het oog op de verdere opbouw van deze kolonie en de eis om door snelle productie tot rentabiliteit te komen, is de liquide positie, waarin de kolonie verkeert. Reeds zeer spoedig na mijn komst op de fazenda was het mij duidelijk, dat, wil men tot een goed resultaat komen, er bliksemsnel ingegrepen moet worden wat het zelfstandig maken van alle boeren betreft, die nu nog collectieve arbeid verrichten.
De meesten onder de aanwezige boeren hebben in Nederland jarenlang een zelfstandig bestaan geleid. Hoewel hun leven in het moederland dikwijls hard was, werd door hen het koffie-uurtje, het gaan naar de markt, enz. toch zelf bepaald. Zij waren, dit in juiste zin bedoeld, vrij in handel en wandel. Collectieve arbeid wordt door hen niet met de juiste instelling verricht. Wordt in Nederland het levensonderhoud op de boerderij door het gezin gezamenlijk verdiend, waarbij ieder gezinslid zijn taak krijgt toegewezen, hier verdient de boer/huisvader allen zijn loon en ontvangt kinderbijslag, terwijl de kinderen met meer vrije tijd dan in Nederland over de Fazenda zwerven en degenen die de geestelijke verantwoording dragen het hoofd doen breken om de eerste tekenen van verwildering tegen te gaan.
Hoewel het loon van de nog collectief werkende boeren een sober bestaan inhoudt, is dit tesamen met de bijslag voor de grote kinderrijkdom op de Fazenda voor de economische gang van zaken fnuikend te noemen. De tegenzin in collectief te verrichten arbeid, die door velen zeer zeker op te respecteren wijze overwonnen wordt, leidt echter, gemiddeld genomen, tot niet voldoende productiviteit. Alle boeren moeten daarom zo snel mogelijk met hulp van hun gehele gezin zelfstandig produceren. Uit deze constatering is het 70-boerderijenplan, hetwelk voor 31 december van dit jaar uitgevoerd dient te zijn, geboren. (…)
Intussen wordt gewerkt aan de definitieve opstelling van het 20-ha.-plan der heren Van Waveren-Ir. Rogge, hetwelk aan de veranderde omstandigheden wordt aangepast, begonnen zal worden, zodat (…) aan het einde van dit jaar de 70 boerderijen met de 5 ha.-ontginning gereed zijn. Reeds thans wordt op dit plan vooruit gewerkt. De langzame liquiditeitsbegroting houdt de bouw in van 3 nieuwe boerderijen met de daarbij behorende 5 ha.-ontginning in. Het ontginningswerk wordt geheel volgens het door mij aangegeven systeem uitgevoerd. De boerderijen worden volgens een grondtype gebouwd, waaraan geen enkele verandering, die een snelle seriebouw tegenhoudt, aangebracht mag worden, komen meteen op niveau te staan. In het land wordt den wegen reeds op niveau uitgezet en aangelegd, terwijl de 5 ha. volgens de niveaulijn worden geploegd. In geen enkel opzicht mag ergens worden afgeweken.
Voor mij staat en valt echter alles met de toevloeiing der geldmiddelen vanuit Nederland. Mijn medewerkers hier werken vrijwel allen vol enthousiasme en op top-capaciteit. Men ziet er weer gat in, voelt dat op de snelst mogelijke wijze tot de grootste productie te komen de enigste redding betekent. Dit enthousiasme, waarmede dit jaar de moeilijkste periode van de te weinig en te duur product overbrugd moet worden, mag geen enkel moment verstoord of verslapt worden.
Enkele regeringsautoriteiten van Brazilië die op zeer tactische wijze door ons Gezantschap van mijn plannen mededeling is gedaan, hebben de veranderde situatie op de Fazenda Ribeirao goed aangevoeld. Zij hebben blijken van waardering gegeven m.b.t. de door de Nederlandse regering aan de kolonie Ribeirao toegestoken hand. Dit zal het juridisch-technisch regelen van mijn positie als Nederlands regeringsfunctionaris, hetgeen door de in dit land heersende nationale tendens anders moeilijkheden zou medebrengen, vergemakkelijken. Des te meer moet ik er daarom van verzekerd kunnen zijn, dat mijn programma ongestoord uitgevoerd kan worden. Zou het zijn, dat ik hieraan zou moeten twijfelen, dan zal het mij onmogelijk zijn mijn taak voort te zetten. (…)
Deze zaak dient zo gesteld te worden, omdat ik enerzijds om te kunnen slagen het vertrouwen van alle goedwillenden op de Fazenda Ribeirão moet behouden en anderzijds omdat het hier niet enkel gaat om de belangen van een aantal gedupeerde boeren, doch om een zaak van zeer groot Nederlands belang. De Brazilianen hebben het vertrouwen in de hier werkende Nederlanders, die zij door hun houding niet als indringers beschouwen, niet verloren. Uit het oogpunt van een gezond Nederlands eigenbelang hebben wij dit vertrouwen geheel te herstellen, hetwelk niet beter kan geschieden dan door de Fazenda Ribeirão cultuur-technisch zowel als sociaal-cultureel in de kortst mogelijke tijd tot een modelkolonie te maken. Daarna zijn een aantal andere voor Nederland van even zo groot belang zijnde aspecten hier gemakkelijker te verwezenlijken. De grote en vele voor ons in Brazilië liggende mogelijkheden mogen in geen enkel opzicht verwaarloosd worden. (…)’

Bron: Nationaal Archief, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1459

De vrouw op de Fazenda

Vorig jaar overleed in Nijmegen op 96-jarige leeftijd Ans van den Besselaar-Van der Kallen. Ans was in Nijmegen vooral bekend als oud-wethouder. Zij was de weduwe van Jef van den Besselaar, voormalig hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vóór hun politieke, respectievelijk wetenschappelijke loopbaan in Nijmegen verbleven zij tien jaar lang in Brazilië. Begin 1950 werd Jef van den Besselaar door Geert Heijmeijer naar de Fazenda Ribeirão gehaald om er een gymnasium van de grond te tillen. Toen een jaar later bleek dat er voor hem geen werk meer was op de Fazenda, ging hij werken aan Braziliaanse universiteiten. In het themanummer van Ontginning van augustus 1950 schreef Ans van den Besselaar een bijdrage over de vrouw als emigrant. Zij schetst hierin de klassieke rol van een boerin die haar echtgenoot volgt bij het realiseren van zijn emigratieplannen en de gevolgen voor haar van de veranderingen die zich in 1950 op de nog jonge emigrantennederzetting voltrokken.

 

Zelden gaat het plan om met een boerengezin te emigreren, uit van de vrouw. Dat is niet alleen omdat het meer tot de man behoort om toekomstplannen te maken. De vrouw is ook meer dan de man gehecht aan haar eigen vertrouwde omgeving. Haar familie, haar bekenden vormen voor haar een hechtere band. En zijn de kinderen nog klein, och dan is zij tevreden als ze goed zijn verzorgd en met blozende gezichtjes rond de tafel zitten. Wel gaan haar gedachten uit naar later, als ze groot zijn, maar zorgen maakt zij zich er nog niet over. Ze geniet van het geluk van nu. En dan komt de man, de sterke werklustige boer ineens voor de dag met emigratieplannen en nog wel naar Brazilië. Dat geeft haar een schok, want het leven waarmee zij zo vertrouwd is, komt in gevaar.

Vrouw Fazenda

En wil die vrouw dan emigreren? Soms kan ze de vreemde plannen niet geloven. Ze neemt ze niet au sérieux. En blijkt het dan toch ernst te zijn, dan heeft zij dikwijls moeite om haar wil met die van haar man in overeenstemming te brengen. Niet omdat zij niet in staat is te emigreren, maar omdat zij zich zo veilig en gelukkig voelt in het leven van nu en niet verlangt naar het onbekende. De vrouw moet die gedachte in zich laten rijpen. Dan gaat ze beseffen, voordat ze naar Brazilië vertrekt, dat daar een mooie toekomst ligt voor haar kinderen en dat het geluk van een eigen bedrijf hun daar ten deel zal vallen. Heeft zij dat ingezien, dan zou het geen echte vrouw zijn als ze·niet met ’n opgewekt humeur en vol frisse moed haar jonge krachten zou willen geven. En dan is dezelfde jonge vrouw in staat om zich vrijwillig los te maken uit haar milieu en haar familie zo ver achter te laten. En dit enthousiasme heeft zij ook nodig, want zij zal hier allerlei moeilijkheden aantreffen, die zelfs voor iemand, die vol goede moed vertrekt, niet altijd gemakkelijk zijn op te lossen.

Waar liggen dan die moeilijkheden? Natuurlijk zijn deze ook niet voor ieder hetzelfde, maar sommige ervaringen zijn wel algemeen. Voor hen, die in Holland een gerieflijke, degelijke boerderij achterlaten, vormt de overgang naar de pionierswoning op de Fazenda wel een groot contrast. Misschien is het contrast nog niet groot genoeg. Soms heeft men de indruk, dat het gemakkelijker is van het ene uiterste naar het andere over te gaan, als te wennen aan het betrekkelijke comfort, waarin men zich toch in veel dingen moet aanpassen. Want zijn onze woningen nog wel pionierswoningen in de strikte zin van het woord? Kwam de aanpassing in het begin, toen de emigranten in de “pau-a-piches” terecht kwamen, misschien niet vlugger tot stand dan nu? Want een vergelijking van deze hutten met een, volgens Nederlandse begrippen, bewoonbaar huis, was eenvoudig onmogelijk. Maar ook de tegenwoordige pionierswoning heeft nog zijn ongemakken, want de huizen hebben hier geen plafonds, wat in de warme tijd heerlijk koel is, maar in de wintertijd dikwijls koud. Bovendien waait het stof door de pannen binnen, zodat het kraakheldere en stofvrije Hollandse huis hier een onbereikbaar ideaal is. Ook is het in de natte tijd als de modder; hier “barro” genoemd, de wegen vervangt, een bijna onmogelijke taak het huis schoon te houden. Dan maar eens een keer meer schrobben en je er voor de rest niet druk over maken.

De natuur is hier prachtig en voor opgroeiende kinderen is het hier een paradijs. Ze kunnen er op uittrekken te paard. Ze rijden mee op trucks en leven op jongensachtige manier mee met de opbouw van de Fazenda. Maar het is weer aan de vrouw om de juiste maat van die vrijheid te bepalen en de huishoudelijke discipline te handhaven. Want de vrijheid mag geen verwildering betekenen. Daarom moet de emigrantenmoeder bij het opvoeden van haar kinderen de ;,sterke vrouwvan het evangelie zijn en haar huis besturen en de tucht bewaren.

Het eten kan niet geheel Hollands blijven en de eerste weken wordt de vrouwelijke vindingrijkheid zwaar op de proef gesteld. De emigrante, die hier aankomt, zal eerst niet weten, wat klaar te maken en hoe. De rijst ,b.v. die veel goedkoper is dan de aardappelen, zal eerst als dagelijks gerecht niet smaken. Van de vrouw hangt het af, hoe zij dit probleem aanpakt, want een goed gevoed gezin is de basis·voor een goed humeur.

De boeren werken nu nog in een straf georganiseerd coöperatief verband en voor de meesten staan de huizen nog in het centrum van de Fazenda. De boerin is niet gewend in het centrum van het dorp te wonen. Liefst woont ze in het centrum van haar bedrijf. De vrouw, die het meest thuis is, heeft hier weinig gelegenheid om kennis te maken met het grote bedrijf, en de buren wonen vlakbij. Zij zien alles van·elkaar en soms zal het ook nog een heel ander soort mensen zijn dan die waaraan zij gewend zijn. Treft zij het zo, dan is het moeilijk elkaar te waarderen; maar pakt het wel, dan zal het niet moeilijk zijn elkaar door de eerste moeilijkheden heen te helpen.

Sommige vrouwen zeggen, dat je het hier lang niet zo druk hebt als op de boerderij in Nederland. Dan moeten zij oppassen dat het praatduiveltje haar geen parten speelt, want daarmee maken zij zichzelf niet gelukkiger en de geest, die door de vrouw gemaakt moet worden, zouden zij hierdoor bederven. Want de vrouw moet verzachten ook de tegenslagen, die zijzelf en haar man zullen ondervinden van mensen en dingen.

Maar het samenwonen in het centrum van de Fazenda zal niet blijvend zijn. In september beginnen vele boeren een eigen bedrijf en de boerderijen, die nu gebouwd worden liggen soms al ver uit elkaar. In Holland zijn de afstanden zo klein, dat een kwartier gaans al een afgelegen boerderij betekent. Maar in dit grote land met zijn uitgestrekte gronden is er nog plaats genoeg en de boeren zullen dus steeds verder van het dorp aftrekken. De vrouw, die houdt van de stilte der natuur, de schone vergezichten en het vee om haar huis, zal dit niet zwaar vallen. Maar hoeveel vrouwen houden niet van wat gezellige kout met hun buurvrouw? Voor haar zullen er misschien wel eenzame ogenblikken komen.

Paarden Fazenda

Iedere vrouw moet deze dingen beseffen, maar zij moeten ook weten, dat je hier God voelt in de natuur, dat er een kerk is waar je echt devoot kunt bidden en dat je hier als vrouw een werkzaam en gelukkig leven kunt hebben. Want dan wacht haar de grote voldoening van een zichtbaar resultaat. Niet door boerderijen, machines of bebouwd land wordt een nieuwe maatschappij opgebouwd, maar door mensen en kinderen, die mensen moeten worden. En die kinderen zijn haar kinderen en die moet zij opvoeden, aangepast aan de nieuwe levensomstandigheden.

Er wordt hier van iedere vrouw gevraagd een sfeer te scheppen, die de geest van de jonge gemeenschap zal bepalen en zij moet dus alle kleinzieligheid, jaloezie en kortzinnigheid van te voren uit haar hart bannen om te genieten van “het scone ende het goede”.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

In de Braziliaanse pers

Op 10 mei 1950 publiceerde het dagblad O Estado de São Paulo artikel over de Nederlandse boeren op de Fazenda Ribeirão. Auteur van deze bijdrage was Edgar Fernandez Teixeira, in het dagelijks leven hoofd van de Divisão de Fomento Agrícola van de deelstaat São Paulo,  een functie die te vergelijken was met die van Directeur van de Landbouw in Nederland.
Teixeira was vol waardering over hetgeen er op de fazenda gepresteerd werd. Het maandblad van de katholieke jonge boeren Ontginning publiceerde een eigen vertaling van dit artikel.

Replica van de oude bushalte van de Fazenda Ribeirão

Van meet af aan hebben wij met belangstelling het experiment gevolgd, dat in de gemeente Mogi Mirim ondernomen wordt. Dit experiment beoogt de vestiging van kerngroepen Nederlandse landbouwers in Brazilië, specialisten in het fokken van melkvee en in de zuivelindustrie en bovendien van tuinders en deskundigen op het gebied van de landbouw. Eind 1947 maakten Nederlandse experts een rondreis door Brazilië en kwamen daarbij tot de bevinding, dat zowel in Minas Gerais als in São Paulo en de overige zuidelijke staten de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijk project alsmede voor de vestiging van coöperatieve bedrijven. Hier zouden de emigranten in groepsverband geleidelijk kunnen wennen aan onze methoden, onze gronden en onze cultures en een eigen zuivelindustrie kunnen beginnen, gebaseerd op de hier bestaande omstandigheden en tegelijk even modern als in Nederland.

De uitslag van hun onderzoek was tenslotte, dat de Fazenda Ribeirão thans de “Granjas Holandezas Reunidas” ‑ aan de minimum eisen voldeed om enige duizenden Nederlanders onder te brengen. Voornoemde fazenda werd door de Federale regering van “Amour”[1] gekocht en daarna weer van de hand gedaan aan de Nederlanders, tegen afbetaling op lange termijn. Vervolgens organiseerde men, met de steun en onder toezicht van de Nederlandse regering, een coöperatie, die de gronden verdeelde en de eerste maatregelen begon te treffen om tot een rationele exploitatie te komen. De “Granjas Holandezas Reunidas” liggen op ongeveer 42 km van de stad Campinas, aan de weg van Mogi-Mirim, en behoren tot het grondgebied van die gemeente.

De eerste maal, dat wij daar een bezoek hebben gebracht, was in 1948, niet lang nadat de nieuwe eigenaren hun goed in bezit hadden genomen. Later zijn we er nog twee of drie keer terug geweest en nog heel onlangs, j.l. Zondag, hebben we een tocht gemaakt over de velden en langs de bedrijven. Indertijd het was toen eind 1948 ‑ schreef O Estado het volgende: “Sinds de fazenda in Nederlandse handen is overgegaan, zijn er al twee families aangekomen en bovendien een econoom, die tevens landbouwkundig-ingenieur[2] is. Deze maakte een begin met de verdeling van het land in percelen. Het plan beoogt de productie van ongeveer 20.000 liter melk per dag, die op de fazenda gepasteuriseerd zal worden en zal worden afgeleverd aan São Paulo, Campinas en andere steden in de omgeving.
Behalve melk zal men natuurlijk
ook boter, kaas en verschillende bijproducten gaan fabriceren. Ook de tuinderij en de aanleg van weiden hebben een belangrijke taak te vervullen bij het verwezenlijken van dit plan. In dit verband moet ons een opmerking van het hart! Vele kenners van de streek hebben er hun bevreemding over uitgesproken, dat juist deze fazenda voor immigratiedoeleinden door de Nederlanders is uitgekozen, want de grond ervan zou betrekkelijk arm zijn. Het schijnt echter, dat de Nederlanders zich niet vergist hebben in de landbouwkundige waarde van de aangekochte gronden en men mag verwachten, dat de toekomst de mogelijkheid zal bevestigen om die “slechte” gronden te herscheppen in akkers, die economisch rendabel zijn.”

Inkuilen van groenvoer
Inkuilen van groenvoer

Wij zijn dus bevoegd om een oordeel uit te spreken over hetgeen er te zien was eind 1948 en over wat op dit ogenblik bereikt is, vooral in het laatste jaar. Naar onze mening is het verrassend te zien wat hier door noeste arbeid tot stand is gebracht en met een gerust hart durft men nu reeds de uitslag van dit experiment optimistisch beoordelen. Een landbouwbedrijf van een dergelijke structuur is wellicht een unicum op ons grondgebied. De eerste kolonisten zijn nu al een groep van meer dan 500 personen[3]: mannen, vrouwen en kinderen. De “Granjas Holandesas Reunidas” vormen een klein, maar vooruitstrevend boerendorp, waar alle arbeid steunt op het coöperatieve principe. Men vindt er een kerk, scholen, magazijnen, ruime en goed ingerichte · werkplaatsen, zoals een timmermanswinkel, een smederij, een garage voor de reparatie der landbouwmachines; bovendien een modern machinepark voor alle soorten werkzaamheden, vanaf tien grote tractoren tot z.g. “combines”, om tarwe te oogsten en andere graansoorten, alsmede een “combineom maïs te oogsten. De coöperatie beschikt ook over machtige sproeiers, die in een paar uren tijds tientallen hectaren aardappelland kunnen besproeien.Bij ons bezoek was men juist bezig 75 ha tarweland, in maart bezaaid, te besproeien om een hevige rupsenplaag te bestrijden, die in een paar dagen was opgekomen en het gewas van dat bouwland in ernstig gevaar bracht.

Dit jaar hebben de “Granjas Holandesas Reunidas” reeds meer dan 700 ha beplant, waarvan 200 met maïs, 100 met tarwe, 30 met aardappelen van zes verschillende uit Holland geïmporteerde soorten, vooral die, welke geschikt zijn voor ons land, 80 ha guando, 35 mucuna en kleinere percelen met andere gewassen, zoals erwten, waarmee men hier proeven neemt en die een van de belangrijkste teelten zal gaan uitmaken. De “slechte” gronden ontsluiten zich langzamerhand voor de kennis van de Nederlandse boeren (van wie velen in het bezit van een diploma zijn op het gebied van de landbouwkunde, de veefokkerij, de veeartsenij, economie)[4], enz. Daar men een intensieve bemesting toepast en de modernste. methoden op landbouwkundig gebied toepast, en de arbeid vanaf het gereedmaken van de bodem tot aan de oogst zoveel mogelijk met behulp van machines verricht wordt, slaagt men erin een bevredigende opbrengst te verkrijgen. Naar men ons inlichtte, is men ook voornemens de inrichting van stallen te bevorderen, waar men compost zal kunnen verkrijgen, omdat de organische meststoffen een ideale oplossing zullen betekenen voor deze gronden, zodat ze n.l. weer geschikt zullen worden gemaakt voor iedere soort gewas.

Het program van deze uitgebreide werkzaamheden wordt uitgestippeld door de coöperatie, die het toezicht houdt over alle takken van dienst en hoofdzakelijk beoogt grassoorten, maïs en andere granen te winnen om er het melkvee mee te voeren. Tot nu toe zijn er al ongeveer 1.000 stuks vee[5]door de boeren zelf meegebracht hij hun overtocht naar Brazilië. Er is zowel zwart-bont als rood-bont vee. Voor groenvoer en groenbemesting is de keus voornamelijk op guando en mucuna gevallen, omdat deze gewassen het voordeel bieden, dat ze de grond vruchtbaar maken en tegelijk uitstekend dienst kunnen doen als veevoer en als hooi.

Maar de grondslag van deze Nederlandse kolonie berust op de melkbedrijven. Deze hebben een uniforme omvang van 15 ha.[6] Naar de aard van de grond heeft men hiervoor overwogen decultuur van maïs, rijst en aardappelen, de aanleg van kleine tuinen en van een tamelijk groot oppervlak weiland. Dit oppervlak van 15 ha laat bij een gunstige ontwikkeling een veestapel van 30 melkkoeien toe. De stal bevindt zich vlak bij het woonhuis van de kolonist en sommige van die woonhuizen zijn hoogst comfortabel ingericht. Vele boeren zullen zelf boter en kaas produceren, maar men gaat ook een modelzuivelfabriek bouwen om bepaalde standaardtypen kaas en boter te kunnen vervaardigen. Men vindt hier velenieuwigheden, die men in het binnenland, zelfs in de steden, nog niet kent, o.a. een wasserij (reeds in uitvoering), die alle personen van de Nederlandse kolonie zal bedienen.

De vooruitgang, die hier practisch in anderhalf jaar geboekt is, laat ons voorzien, dat over nog één jaar op zijn hoogst[7] de “Granjas Holandesas Reunidas” een modelcentrum zullen vormen, dank zij hun hoog organisatiepeil en dank zij de methoden, die hier op het gebied van de landbouw en de veeteelt worden toegepast. Men zal er een leerzaam voorbeeld kunnen vinden, dat hopelijk anderen zal aansporen om het na te volgen, tot grotere bloei van ons land.

Bron: Ontginning, augustus 1950


[1] Frigorífico Armour do Brasil S/A, Braziliaanse dochteronderneming van het Amerikaanse vleesconcern Armour & Company uit Chicago.
[2] Ir. J.G. Heymeijer.

[3] Dit getal was aan de hoge kant.
[4] Gedoeld werd op de kleine staf van deskundigen, die er al aanwezig was of binnenkort werd verwacht.
[5] In werkelijkheid waren het er 500.
[6] De bedoeling was om vooral 15 ha.-bedrijven te stichten; daarnaast was voorzien in enkele bedrijven met een grotere omvang.
[7] Commentaar van de vertaler in Ontginning: ‘De eerlijkheid gebiedt ons te erkennen, dat de schrijver zich wat al te complimenteus uitlaat. Wij zullen intussen ons best doen om aan zijn hoge verwachtingen zoveel mogelijk te beantwoorden.’

Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ’s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.

Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ’t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Overschat Uzelf niet!

In augustus 1950, net op het moment dat op de Fazenda Ribeirão in opdracht van de Nederlandse regering een onderzoeksteam bezig was om de economische situatie van de jonge emigrantengemeenschap in kaart te brengen – hetgeen leidde tot een vernietigend rapport over de leiderscapaciteiten van Geert Heymeijer – verscheen in Nederland een themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren. De bedoeling was duidelijk: in Brazilië werd iets groots verricht en daarbij kon men gerust nog wat jonge kerels die konden aanpakken gebruikten. Daarnaast was het blad bedoeld om negatieve sentimenten, waaraan de emigranten in hun brieven naar het thuisfront uiting gaven, te weerspreken.

Ontginning 1950Illustratief voor het van bovenaf opgelegde positivisme om onderhuidse onlustgevoelens te neutraliseren is het artikel ‘Overschat Uzelf niet!’ van de geestelijk leider van de Fazenda Ribeirão, pater Godfried Sijen OPraem. Volgens Sijen hing de kans van slagen van emigranten vooral af van de sterke en gezonde geest. Hij herhaalde daarbij de woorden die Heymeijer tijdens de voorbereiding had gebruikt: ‘als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt.’ Ook hield hij de lezers voor om vertrouwen te houden in de leiding, ook al begreep men niet alles van het gevoerde beleid. Ook hield hij de emigranten voor doof te zijn voor stokerij en roddelpraatjes, die vriendschap verstoorde en die in een vreemde omgeving een nog betere voedingsbodem zou vinden. ‘Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren?’ Gezien de grote vertrouwenscrisis, die de jonge kolonie van 1951 tot en met 1953 totaal verscheurde, hadden deze wijze woorden een grote voorspellende kracht. Ook Sijen slaagde er niet in om de geest goed te houden. Op zondag 21 december 1952 kwam hij niet opdagen voor de H. Mis. Hij werd dood aangetroffen op zijn bed.

De man, die in Nederland rondloopt met het plan om te emigreren, heeft enige gelijkenis met de bestuurder op een legerwagen in de dagen der bevrijding. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor een kostbare vracht naar een onbekend land. In die dagen dan, toen de autocolonnes van de geallieerde bevrijders door ons land raasden, werden niet zonder reden langs de wegen speciale borden geplaatst, die waarschuwden tegen het gebruik van sterke drank. Een dronken chauffeur ziet niet goed de weg, die yóór hem ligt en is daarbij de beheersing kwijt over eigen hoofd en hand. Het gevaar bestaat, dat vele van onze boeren en tuinders, op zoek naar nieuw land in een nieuwe wereld, te werk gaan als in .een roes, gelijk aan die dronken chauffeurs. In één punt komen ze er in ieder geval mee overeen: ze zien de weg niet goed,.die voor hen ligt en ze kunnen die ook niet overzien .. Niemand in Nederland, die het niet heeft ondervonden, beseft ten volle wat dit is: emigreren. En ook kan iemand, die het zelf heeft meegemaakt, dit niet precies vertellen aan een ander. Dagelijks ontvangen wij en onze mensen brieven uit het vaderland met vragen om inlichtingen en raad. De beantwoording van die vragen kan de doorslag geven voor de levenskwestie:zal ook ik emigreren met mijn gezin of niet? Maar niemand onzer, die nu werkelijkheid ondervindt, durft het aan: te vertellen wat het is. De weg die de emigrant voor zich heeft, is niet duidelijk te beschrijven. En raad geven is zeer moeilijk en gevaarlijk. Het zal, als ge in het nieuwe land zijt, telkens anders zijn dan anderen U vertellen kunnen.

Zonder een goed beeld te krijgen van zijn toekomst, moet de emigrant zich toch een oordeel vormen; waarop een verstandig besluit kan volgen. En uit eigen ervaringen van nu en vroeger is het vanuit Nederland even onmogelijk om goed te oordelen. Ge kunt de weg niet overzien, die ge af zult moeten leggen. In dit punt lijkt ge dus op een chauffeur, die door het grote bord moet worden gewaarschuwd.

Maar de omstandigheden in Nederland brengen ook nog gevaar mee de beheersing te verliezen over eigen hoofd en hand, zoals de roes doet bij de dronkeman. De nood benevelt het verstandig oordeel en doet eigen krachten overschatten. Dit laatste misschien nog wel het meest. En als het zo is, wordt emigreren een uiterst gevaarlijke onderneming. Want de kans tot slagen bij emigratie hangt op de eerste en voornaamste plaats af van een gezonde en sterke geest. Wantrouw gerust de macht van uw handen, de degelijkheid van uw vakmanschap, de kracht van uw machines, wantrouw vooral ook de macht van uw kapitaal! Maar overtuig u van de adel en de sterkte van uw geest. Ir. Heymeyer heeft het destijds telkens weer herhaald op de bijeenkomsten in De Steeg: als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt. We beseften toen ook niet geheel wat dat betekende. Nu weten wij het en kunnen wij zijn woorden slechts herhalen voor degenen, die na ons komen willen.

Als ik nu trachten zal dit even nader voor u uit te werken, denk ik verder slechts aan emigratie naar dit onmetelijke land, Brazilië, met zijn ‑ zoals wij hier zeggen ‑ grote mogelijkheden en even grote onmogelijkheden. Elk land vraagt van de vreemdeling een eigen geesteskracht: de eenzaamheid van Canada, de jeugd van Australië, de tradities van Z. Afrika, Ribeirão in Brazilië vraagt van ieder onzer en van ieder die komen zal, een eigen geesteskracht en een eigen geestesadel.

Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)
Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)

Aan niemand zal ‑ dat vertrouwen we ‑ die geest van Geloof en trouw aan God en Kerk ontbreken, die allen juist deze vorm van emigratie in groepsverband kiezen doet. Voor henzelf en voor hun kinderen achten zij die geestelijke waarden zo het best gewaarborgd, die ons dierbaar zijn vóór alle andere belangen. Voordat men dan het grote besluit neemt, is vóór alles wijs en voorzichtig beraad noodzakelijk. Daarbij moet ge goed bedenken, dat alle inlichtingen voor uzelf van zeer betrekkelijke waarde zijn, dat de toekomst anders zijn zal dan ge u in verbeelding voorstelt, anders het leven in de nieuwe gemeenschap, anders de kerk waarin ge bidden zult, de school ,waarin uw kinderen worden opgevoed, het kleine huis, waarin ge wonen zult, het voedsel dat ge eet, anders de gewoonten op het werk, met het vee en met het land, dat ge bebouwen zult. Vooral van de ouderen zal een aanpassingsvermogen worden gevraagd, dat op hun leeftijd meer dan normaal is. Onderzoek, wat de motieven zijn, die U uiteindelijk bewegen. Is het vooral de zorg voor uw geld, dat ge met zoveel vlijt gespaard hebt, blijf dan thuis. Zijn het vooral uw kinderen, waarvoor gij alles over hebt, bedenkt dan, dat dit offers vraagt, niet gedurende enkele dagen, maar gedurende enkele jaren, misschien heel uw verder leven: offers, die ge niet zelf kiest, maar die U worden opgedrongen en waarvan ge de zin niet altijd begrijpen zult. Overschat uzelf niet!Onderzoek, of ge bereid zijt mee te bouwen aan iets groots, dat verder reikt dan uw eigen belangen en die van uw gezin, want ook deze zijn uiteindelijk alleen gediend, wanneer ge standvastig mee wilt werken ‑ let op “werken” ‑ aan de opbouw van deze gemeenschap. Die gemeenschap moet sterk zijn, voordat ge eraan denken moogt zelf sterk te kunnen worden. Zult ge daarvoor afstand kunnen doen van uw zelfstandigheid, die aan uw boerenhart zo dierbaar is en die ge hier nooit zo verlangen kunt zoals. voorheen? Zult ge vertrouwen kunnen hebben in hen, die leiding geven, ook wanneer ge niet alles begrijpt in hun beleid? Zult ge geen smaad werpen op de goede naam van mensen, die niet denken en niet leven zoals gij? Zult gij hen niet verdenken verkeerd te zijn, terwijl ze slechts anders zijn dan gij ? Zult gij dan doof zijn voor stokerij, die vriendschap verstoort, voor de kleine roddelpraatjes, die ook onze dorpen in het vaderland zo ontsieren, maar die in een nieuwe vreemde omgeving nog een betere voedingsbodem vinden? Zult ge tien keer kunnen zwijgen, wanneer ge spreken wilt en als ge éénmaal spreekt, zal het dan altijd een wijs woord zijn, altijd verhelderend en verheffend? Hoe staat uw vrouw met deze eis. Zij heeft een grote rol te spelen en moet hier vooral de steun zijn voor uw geest. Maar zij zal zich eenzamer voelen dan gij en behoefte hebben om zich uit te praten. Zal ze het gebrek aan werkelijk nieuws niet vervangen door opgeblazen nieuwtjes of nieuws in haar verbeelding, waarvan andere mensen het slachtoffer worden ? Dan zoudt gij schuldig zijn aan wanbegrip en twist en afbreuk aan de liefde, die ook hier de band is onzer gemeenschap. Als ge werkelijk kritiek meent te hebben, zult ge die uiten op de juiste plaats en op de juiste toon? Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren? Zullen dit ook de beproevingen niet doen, die langdurig zullen zijn ? Jarenlang zult ge u ook behelpen moeten metprimitieve middelen, terwijl ge in Nederland met vele dingen zo verwend zijt. Hebt ge aanleg tot droefheid en neerslachtigheid, waaraan ge te gronde kunt gaan, tot tobberij waarmee ge uw geestkracht verliezen kunt?

Als ge, na dit alles met zorg te hebben onderzocht, meent toch temoeten emigreren, laat dan uw besluitstandvastig zijn. Durf dan de konsekwenties aan van uw besluit, de konsekwenties, die ge kent en .die ge niet kent, maar die U hier verrassen zullen. Wees dan grootmoedig, begeesterd voor de grote taak, waaraan ge mee wilt werken, gewapend met vertrouwen en met geduld, sterk door verdraagzaamheid en door volharding.

Wanneer ik nu tenslotte nog uw begrijpelijke nieuwsgierigheid voldoen moet naar het antwoord op de vraag: hoe staat het in werkelijkheid met dit alles op Ribeirão, dan kan ik U geruststellen. En met u allen, die in Nederland wellicht verward zijn in geruchten en halve berichten. Een emigrant ‑ en zeker een boerenemigrant ‑ is nu eenmaal geen briefschrijver. En als hij behoefte heeft om zich te uiten, is hij als ieder mens geneigd om langer bij zijn moeilijkheden stil te staan dan bij zijn geluk. Hij drukt de bedoeling niet uit, waarmee hij schrijft, evenmin als hij de fantasieën zal beseffen, die hij kan oproepen bij de grage lezers. De geest op Ribeirão is goed! Maar die goede geest is bescheiden en niet spraakzaam; hij spreekt zich uit in het werk en in de prestaties, die hier in één jaar tijds verricht zijn. Hij spreekt vooral tot degenen, die ons jonge dorp hier persoonlijk bezoeken kunnen en vol bewondering weer vertrekken. Hij spreekt zich weinig ‑ te weinig ‑ uit in brieven naar Nederland. Al wat ge anders hebt gehoord, verdenk dat van eenzijdigheid of ondoordachte geruchtmakerij.