Een korte geschiedenis van Holambra (I)

Mari Smits, Holambra. Geschiedenis van een Nederlandse toekomstdroom in de Braziliaanse werkelijkheid, 1948-1988 Uitgave: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen (1990)

Sinds enkele jaren ben ik naast mijn reguliere baan bezig met de voorbereiding van een nieuw boek over Holambra I. Sinds het verschijnen van mijn boek in 1990 zijn er veel nieuwe bronnen beschikbaar gekomen. Met name de archieven van Nederlandse ministeries, die nu berusten bij het Nationaal Archief in Den Haag bevat veel nieuwe informatie over de nauwe relatie tussen Holambra en Nederland in de beginjaren. Toen enkele jaren geleden duidelijk werd dat mijn oude boek ten lange leste was uitverkocht, besloot ik opnieuw de archieven in te duiken ten einde deze nieuwe informatie te verwerken in een nieuw boek. Nu dit boek bijna klaar presenteer ik bij deze als opwarmertje de passages uit mijn scriptie ‘Met kompas emigreren’ over Holambra, dat ik schreef voorafgaand aan mijn onderzoek ter plaatse. Hoewel het gezien de kennis van nu sterk verouderd is en onvolledig, geeft het wel een impressie van de belangrijkste ontwikkelingen rond Holambra gedurende de eerste 12 jaar van zijn bestaan. Voor wie mijn scriptie nog eens na wil lezen, die kan hier de [pdf] vinden. De inleiding van ‘Met kompas emigreren’ is ook te lezen op mijn website www.marismits.nl.

Deel 1 van ‘Een korte geschiedenis’ beschrijft het begin van Holambra tot in 1950, toen bleek dat de jonge kolonie over onvoldoende financiële middelen beschikte om te kunnen blijven voortbestaan.

Het meest tot de verbeelding sprekende emigratieproject van katholieke zijde was ongetwijfeld de stichting van de landbouwkolonie Holambra in Brazilië Hier werden niet slechts individuele emigranten overgeplaatst in een nieuwe omgeving, maar werd op een nog niet ontgonnen stuk land een ‘fazenda’ ter grootte van vijfduizend hectares een hele dorpsgemeenschap gesticht met een eigen infrastructuur. Omdat het om een geheel Nederlandse gemeenschap in den vreemde ging. kreeg bet project in Nederland veel aandacht. Hoewel bij het project maar een beperkt aantal emigranten betrokken was, werd het belang daarvan groot geacht. Van het succes of het falen van het project zouden ook de toekomstige emigratiemogelijkheden en het prestige van Nederland als emigratieland afhangen. Terwijl voor Nederland bij de vestiging van landbouwkolonies in Brazilië een nationaal belang in het geding was, was voor de KNBTB een specifiek katholiek belang in het geding: de stichting van Holambra betekende de realisering van zijn van vóór de oorlog daterende opvattingen over emigratie; lange tijd was men immers van oordeel geweest, dat emigratie slechts dan verantwoord was als men land- en geloofsgenoten bijeen kon brengen in kolonies onder een eigen geestelijke en technische leiding. Hiervóór is reeds uiteengezet, dat deze opvattingen al snel door de feitelijke ontwikkeling van de naoorlogse emigratie achterhaald werden. Wat echter wél interessant is, dat is het feit dat voor de KNBTB zich voor het eerst de mogelijkheid voordeed om dit streven naar kolonievorming in praktijk te brengen.

Hoewel pas na 1945 sprake was van een georganiseerde vestiging van Nederlandse kolonies in Brazilië waaruit de vestiging resulteerde van onder andere Holambra (1948), Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) waren vóór 1940 al Nederlandse gemeenschappen in Brazilië aanwezig. De oudste daarvan is de sedert enige tijd aan de vergetelheid onttrokken, rond 1860 gestichte Zeeuwse gemeenschap Holanda in de staat Espirito Santo. Verder kwamen in 1908 en 1909 veel Nederlanders onder wie ontslagen Rotterdamse dokwerkers na een havenstaking in 1908 naar Brazilië. De meesten kwamen terecht op de kolonie Iraty in de staat Paraná. Deze kolonie werd echter een mislukking. Velen keerden terug naar Nederland. Een aantal van hen vormden het begin van de kolonie Carambei (Paraná), die daarentegen wél uitgroeide tot een
levensvatbare kolonie.

De basis voor de naoorlogse, georganiseerde groepsmigraties in Brazilië werd gelegd door een commissie die de Nederlandse regering in Londen in 1943 had gevormd voor de bevordering van emigratie na de oorlog. Vlak na de bevrijding maakte mr. Ch.J.I.M. Welter een reis naar Zuid-Amerika en rapporteerde positief over de immigratiemogelijkheden voor Nederlanders. In juli 1946 werd mr. P.C. van Scherpenberg voormalig lid van bovengenoemde commissie benoemd tot emigratie-attaché in Brazilië. In deze hoedanigheid bezocht hij de zuidelijke staten van Brazilië en rapporteerde dat er goede mogelijkheden aanwezig waren voor groepsmigraties.

B&T120447De KNBTB toonde interesse in emigratie naar Brazilië en zond in november 1946 een delegatie bestaande uit ir. J.G. Heymeijer, ir. W. van Beers en ir. C. van Steen naar Brazilië om ter plaatse de mogelijkheden voor een kolonisatieproject te bestuderen. Zij bezochten de staten Minas Gerais, São Paulo, Paraná en Santa Catarina. Hun onderzoek leverde drie objecten op – gelegen in Minas Gerais en Säo Paulo die geschikt leken voor de vestiging van Nederlandse boeren. In maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug naar Nederland voor het voeren van nader overleg en voor het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen. Van Beers bleef achter in Brazilië voor het verrichten van bodemkundig onderzoek. De resultaten van de eerste reis waren bemoedigend. De KNBTB besloot dan ook verder te gaan met de voorbereiding van de emigratie naar Brazilië. Reeds in juni van dat jaar werd al begonnen met de selectie van emigranten.

Met name in de staat São Paulo bleken goede mogelijkheden voor de vestiging van een Nederlandse kolonie aanwezig te zijn. De gouverneur van deze staat stelde een gebied van vijfduizend hectares ter beschikking en was tevens bereid de nodige financiële en morele steun te verlenen. Hij nodigde Heymeijer uit om opnieuw naar Brazilië te komen voor het verrichten van nader onderzoek en voor het aankopen van een geschikte locatie.
Deze tweede reis van Heymeijer die duurde van 21 september 1947 tot 24 januari 1948 en betaald werd door de SLN en de staat São Paulo leverde twee objecten op die geschikt leken als locatie voor een Nederlandse katholieke landbouwkolonie: Fazenda Ribeirão en Fazenda Monte d’Este, beiden gelegen in de buurt van de stad Campinas. Heymeijers voorkeur ging uit naar het laatste object, omdat een deel van de fazenda beplant was met koffie. De Fazenda Ribeirão was daarentegen een grote grasvlakte die nog moest worden ontgonnen. Het kostte Heymeijer dan ook weinig moeite de KNBTB te overtuigen van de noodzaak dit object binnen te halen en bij de SLN die alle activiteiten op het gebied van de emigratie coördineerde te bepleiten. Men dient hierbij bedenken dat niet alleen de KNBTB bezig was met de voorbereiding van een emigratieproject in Brazilië. Ook van protestantse zijde was men druk bezig; inspanningen die resulteerden in de vestiging van de protestantse kolonies Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) in de staat Paraná.

Toen Heymeijer terugkeerde naar Nederland, bestonden er goede vooruitzichten op een spoedige aankoop van een fazenda voor de vestiging van Nederlandse katholieke boeren. Al vrij snel kwamen vanuit Brazilië berichten binnen die de kansen deden keren. Hieruit bleek dat de vertegenwoordigers van de SLN onder wie emigratie-attaché Van Scherpenberg slechts langzaam vorderden in hun onderhandelingen met de Braziliaanse autoriteiten. Na Heymeijers vertrek uit Brazilië manifesteerde zich aldaar een campagne die zich richtte tegen de Nederlandse aankoop van Monte d’Este. Dit leidde ertoe dat de Braziliaanse regering moest terugkomen op haar toezegging Monte d’Este beschikbaar te stellen voor Nederlandse emigranten. Daarnaast was het niet geheel duidelijk of de door de regering van Brazilië en de staat São Paulo in een eerder stadium toegezegde credieten, wel beschikbaar zouden komen. Deze teleurstellende berichten leidden ertoe dat een grote meerderheid van het SLN-bestuur het vertrouwen in de emigratiemogelijkheden naar Brazilië verloor en besloot het bureau van de emigratie-attaché per 1 juli te liquideren. Om de onderhandelingen echter niet al te abrupt af te breken, wilde men Heymeijer nog in de gelegenheid stellen om op kosten van de SLN een (derde) reis naar Brazilië te maken teneinde een beslissing te forceren.

In juni 1948 deden zich een aantal gunstige ontwikkelingen voor. De in het vooruitzicht gestelde Braziliaanse credieten kwamen uiteindelijk beschikbaar. Vooruitlopend op de aankoop van Fazenda Ribeirão het object waarop na het niet doorgaan van Monte d’Este de Nederlandse aandacht zich richtte – hadden in Brazilië aanwezige Nederlanders o.a. baron J.A. von Schwartzenau, ambtenaar op de Nederlandse ambassade en W. Miltenburg, een van de eerste emigranten op 5 juni reeds de ‘Cooperativa Agro-Pecuária Holambra’ opgericht. Deze coöperatie zou niet alleen het eigendom verkrijgen van de vijfduizend hectares grote fazenda maar ook de exploitatie ter hand nemen. Op 24 juni arriveerde Heymeijer in Brazilië teneinde de laatste obstakels voor de aankoop van Fazenda Ribeirão op te ruimen. Op 3 augustus kon Heymeijer aan de Emigratie-Stichting van de KNBTB berichten dat de aankoop praktisch rond was. Drie weken daarvoor, op 14 juli 1948, had Heymeijer in gezelschap van onder andere Von Schwartzenau, Miltenburg en Henk Ruhe evenals Miltenburg een Nederlandse emigrant op ceremoniële wijze “en onder het uitspreken van de bede GOD ZEGENE ONS WERK” de eerste spade in de grond gezet en daarmee een begin gemaakt met de ontginning van de Fazenda Ribeirão.

HeymeijerVoor Heymeijer was emigratie een vorm van levensvervulling. Reeds tijdens zijn studie aan de Landbouwhogeschool in Wageningen gaf hij blijk van zijn interesse voor het emigratievraagstuk. Zijn studie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk (1926) werd met medewerking van de KNBTB uitgegeven. In 1939 volgde hij mr. H. van Haastert op als secretaris van de KNBTB. Na de bevrijding ging hij een functie vervullen binnen de Stichting voor de Landbouw, een samenwerkingsverband van de KNBTB, de protestants-christelijke CBTB en de neutrale KNLC. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de SLN. Nadat hij in het najaar overal in Nederland voorlichting had verzorgd over de landbouwkolonie ‘Holambra’, vertrok hij op 12 maart 1949 met het emigrantenschip “Alhena” uit Rotterdam naar Brazilië om als voorzitter van de Cooperativa Holambra mee te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap: “Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf, maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren, ging ir. Heymeijer heen,” zo werd in het blad van de KNBTB geschreven.

De gemeenschap stond bij Heymeijer voorop. De coöperatie die de grond in eigendom had, werd gevormd door de emigrerende boeren. Iedere emigrant moest bij toetreding zijn kapitaal inbrengen in de coöperatie, zodat kapitaalgoederen zoals vee en machines centraal konden worden aangeschaft. Bij aankomst op Holambra werd door de coöperatie voor onderdak gezorgd. De emigrant was verplicht, zolang hij nog niet over een eigen bedrijf kon beschikken, te werken in dienst van de coöperatie voor het ontginnen van de grond en voor het bouwen van woonhuizen. Voor deze (gezamenlijke) arbeid kreeg hij een bepaald loon, waarvan echter slechts zoveel werd uitgekeerd als nodig was voor zijn levensonderhoud. De rest van het loon kreeg hij uitbetaald op het moment dat hij een eigen bedrijf kon beginnen. Iedere kolonist had recht op het eigendom van een stuk land met huis en schuur. De grootte van het bedrijf zou komen te liggen tussen de tien en twintig hectares. Heymeijer wilde hiermee bereiken dat ook kleinere boeren een kans van slagen kregen, doordat zij via de de coöperatie crediet zouden krijgen van de grotere boeren. Het lag in de bedoeling dat Holambra zich zou gaan toeleggen op de veeteelt, teneinde de steden Campinas en São Paulo te voorzien van consumptiemelk. Hiervoor werd Nederlands stamboekvee naar Brazilië getransporteerd. Voor de behartiging van de belangen van de coöperatie in Nederland werd de Stichting Holambra opgericht. G. Duysens uit Roermond werd aangesteld als directeur van deze stichting. De stichting was onder andere betrokken bij de voorbereiding en selectie van emigranten en zorgde voor de aankoop en het vervoer van vee, machines en de noodzakelijke bouwmaterialen.

Na twee jaren van voorbereiding was de Nederlandse katholieke landbouwkolonie een feit. Reeds in de zomer van 1947 was een begin gemaakt met de voorbereiding en selectie van emigranten. In de maand mei van dat jaar – ruim een maand na zijn terugkeer van zijn eerste reis naar Brazilië – verzorgde Heymeijer voorlichtingsbijeenkomsten waarin hij potentiële emigranten informeerde over de mogelijkheden die Brazilië te bieden had voor Nederlandse boeren. Kort daarna werd een circulaire en een vragenlijst rondgezonden ten behoeve van de selectie van emigranten. Van der Mast maakt melding van de aanwezigheid van een beweging onder katholieke boeren met name in het zuiden en midden van Noord-Brabant om te gaan emigreren. Onder invloed van enkele missionarissen in Brazilië richtte deze groep zich op dat land. Voor de realisering van hun plannen zochten zij contact met de KNBTB. Van de 32 emigranten die op 19 december 1948 met de ms “Algenib” uit de haven van Antwerpen richting Brazilië vertrokken, was dan ook de helft afkomstig uit Midden-Brabant. Eén van hen was Henk Klein Gunnewiek, Achterhoeker van geboorte, toen 19 jaar oud en nog vrijgezel. Dertig jaar geleden heeft hij zijn herinneringen op papier gezet. Van zijn persoonlijke ervaringen zal in het navolgende dankbaar gebruik worden gemaakt.

Heymeijer en kardinaalNa de beëindiging van de voorbereidingscursussen op het KNBTB-vormingscentrum ‘Ons Erf’ in De Steeg, vertrok op 12 maart 1949 een volgende groep naar Holambra. Onder hen bevonden zich Heymeijer, een aantal zusters kanunnikessen van het H. Graf die het onderwijs en het huishoudelijk werk zouden gaan verzorgen en de norbertijn dr. P.J.A. Sijen, die zou gaan fungeren als aalmoezenier van de kolonie. Terwijl in 1948 zich 41 personen vestigden in Holambra, volgden er in 1949 en 1950 nog eens 344 resp. 268. Voor de buitenwereld was Holambra het voorbeeld van grote bedrijvigheid waar hard werd gewerkt aan de ontginning van de verwaarloosde grond (“de tractoren ronken dag en nacht”) en aan de bouw van nieuwe woningen voor de volgende zendingen emigranten. Klein Gunnewiek schrijft daarover: “Zo had ieder zijn werk, en er werd in de begintijd erg hard gewerkt. Dit kwam vooral, door de goede verstandhouding onderling” en door het ideaal om samen “een toekomst op te bouwen”. Het ideaal om samen te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap werd herhaaldelijk benadrukt. G. Duysens, directeur van de Stichting Holambra: “Allen voor één en één voor allen is hier een noodzakelijke voorwaarde om te slagen. Hiermede gelukt of mislukt deze vestiging.” Voor de pastoor van Holambra, pater Sijen, betekende dit vertrouwen hebben in hen die leiding geven, “ook wanneer ge niet alles begrijpt van hun beleid”.

Het aanvankelijke enthousiasme om samen in coöperatief verband een nieuwe gemeenschap op te bouwen verflauwde echter geleidelijk. Daarnaast kreeg de coöperatie grote tegenslagen te verwelken. Het Nederlandse stamboekvee dat per schip naar Brazilië was getransporteerd ten behoeve van de melkproductie, had sterk te leiden onder ziektes. In totaal stierven 98 van de 718 dieren door ziekte. De Nederlandse regering zond daarop een Nederlandse veearts dr. R.E. de Maar naar Holambra om de onder het vee heersende ziektes te bestrijden. Bij zijn rapportage noemde hij als een van de oorzaken van de gerezen moeilijkheden de onbekendheid van de leiding met het houden van Nederlands vee onder tropische omstandigheden. Volgens hem hoefde het houden van Nederlands vee geen problemen op te leveren, mits goede verzorging en voorlichting aanwezig was. Naast de problemen met het vee kampten de kolonisten met een gebrek aan liquide middelen. Om over geld te kunnen beschikken voor het voorzien in het levensonderhoud van de kolonisten, was men genoodzaakt voortdurend vee te verkopen, waarvoor echter steeds lagere prijzen werden gemaakt. Braziliaanse opkopers bleven gewoon wachten tot de prijzen verder daalden.

Een en ander leidde ertoe dat de onderlinge verhoudingen verslechterden en het vertrouwen in de zaak een flinke deuk opliep. De samenwerking die de basis vormde voor de coöperatie, verliep steeds stroever, waardoor het werktempo sterk daalde. Hoewel de leiding via talloze vergaderingen en de vorming van een adviescommissie probeerde oplossingen voor de gerezen moeilijkheden aan te dragen, groeide de ontevredenheid onder de kolonisten. Er ontstond tweespalt onder hen. Degenen die nog vertrouwen in de zaak hadden, werden al snel voor ‘kontenlikkers’ uitgemaakt, terwijl de ontevredenen betiteld werden als ‘de oppositie’ of ‘de rooien’.

Zie verder deel 2

Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-??)

Aan de stichting van Holambra in 1948 en de aankoop van de Fazenda Ribeirão gingen twee jaren van onderhandelingen met Braziliaanse overheidsinstanties en ook moeizame contacten met de Nederlandse overheid vooraf. Een sleutelrol daarbij speelde Pieter Cornelis van Scherpenberg, die van 1946 tot 1950 aan het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro was verbonden als emigratie-attaché.

Pieter Cornelis van Scherpenberg werd op 22 januari 1903 geboren in München. Zijn ouders, Pieter Adolf van Scherpenberg (1860-1934) en Hermina Antonia Waller (1871-1941), hadden zich na hun huwelijk op 16 augustus 1898 in Heemstede in de Beierse hoofdstad gevestigd. Beide ouders waren afkomstig uit rijke koopmansfamilies. Pieters grootvader August van Scherpenberg kocht in 1855 de buitenplaats De Horst in Driebergen. Vader Pieter Adolf studeerde chemie en promoveerde in 1884 in Erlangen op het proefschrift van ‘Kritische Beitrage zur Kenntnis der Wismuthverbindungen’. Pieter Adolf van Scherpenberg en Hermina Antonia Waller kregen in München drie kinderen: Albert Hilger (1899), Pieter Cornelis (1903) en Jacoba Cornelia (1906). Pieters oudere broer Albert Hilger van Scherpenberg werd Duits diplomaat en was van 1958 tot 1961 staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken van de BRD.

Voordat ook Pieter Cornelis van Scherpenberg een diplomatieke loopbaan begon – maar dan voor Nederland – was hij vooral actief in de landbouw. Na zijn middelbare school in Duitsland ging hij studeren aan de landbouwuniversiteit van Reading in Engeland. In 1923 verwierf hij daar zijn graad als landbouwkundig ingenieur. Na zijn afstuderen trok hij naar Frankrijk en daarna naar Noord-Afrika als toezichthouder op landbouwbedrijven. In 1926 vestigde hij zich in Irak, waar hij de leiding gaf aan een landbouwbedrijf in Balad Ruz (ten oosten van Bagdad) ter grootte van 80.000 hectares. Van 1930 tot 1934 was bij bovendien voor Nederland actief als vice-consul in Bagdad. In 1934 vertrok hij uit Irak.

Na een kort verblijf in Nederland werd hij door de Nederlandse Gist- en Spirtitusfabriek te Delft – waar zijn neef Herman François Waller directeur was – uitgezonden naar Portugal om daar de mogelijkheden daar een gist- en spiritusfabriek op te zetten. Kort daarop werd hij door de Centrale Suikermaatschappij (CSM) naar Brazilië gestuurd om de mogelijkheden voor investeringen in de landbouw te onderzoeken. In 1937 had Van Scherpenberg het oog laten vallen op een landbouwproject nabij Pirassununga SP. Hij legde het plan om op de Fazenda São Joaquim een groepsvestiging van Nederlandse boeren te vestigen voor aan de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN) en de R.K. Emigratievereeniging. Beide emigratieorganisaties hadden belangstelling voor het project, maar door het gebrek aan financiële middelen kwam het er niet van om op São Joaquim Nederlandse emigranten te huisvesten.

Op 19 november 1938 trouwde Pieter Cornelis van Scherpenberg met de uit Noorwegen afkomstige Mildrid Klingenberg, geboren op 3 september 1917 te Trondheim. Pieter en Mildrid kregen twee dochters Mildrid Catharina (Katie), geboren in São Paulo in 1940 en Hermina Victoria, geboren in Vancouver (Canada) in 1941. In 1941 vertrok het gezin Van Scherpenberg via de Verenigde Staten en Canada naar Engeland. Daar trad hij toe tot het Prinses Irene Brigade, een in Engeland gevormd Nederlands legeronderdeel dat vooral bestond uit Engelandvaarders. Als lid van de brigade was hij in 1944 betrokken bij de geallieerde invasie in Frankrijk en daarna de bevrijding van Nederland. Binnen de brigade wist hij op te klimmen tot de rang van majoor. In Londen was hij ook lid van een studiecommissie die de Nederlandse regering adviseerde over het naoorlogse emigratiebeleid.

Op 1 augustus 1946 keerde Van Scherpenberg terug naar Brazilië om bij het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro namens de Stichting Landverhuizing Nederland – het Nederlandse regeringsorgaan dat belast was met emigratiezaken – als emigratie-attaché de mogelijkheden voor de vestiging van Nederlandse emigranten in Brazilië te onderzoeken en om een emigratieverdrag tot stand te brengen. Naast contacten met Braziliaanse regeringsinstanties was hij vooral actief met reizen door de zuidelijke Braziliaanse deelstaten om geschikte kolonisatieobjecten op te sporen. Hij ondersteunde ook de commissie-Heijmeijer, die eind 1946 naar Brazilië kwam om de mogelijkheden voor de emigratie van katholieke boeren te onderzoeken. Het eerste jaar als emigratie-attaché had genoot hij veel vertrouwen bij de SLN, maar in 1948 was daar weinig meer van over. Hem werden vooral aangerekend dat zijn reizen geen concreet resultaat opleverden en dat hij geld van de SLN gebruikte voor de oprichting van een kolonisatiemaatschappij zonder dat er uitzicht was op de daadwerkelijke realisering van emigratieprojecten. Op 5 juni 1948 behoorde hij tot de oprichters van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra, de coöperatie die later dat jaar eigenaar werd van de Fazenda Ribeirão en daarmee de stichting van Holambra mogelijk maakte.

In november 1949 besloot de stichting over te gaan tot het ontslag van Van Scherpenberg per 1 juni 1950. Volgens een voormalig gezantschapssecretaris was hij weliswaar een harde werker, maar geen groot organisator. Daarbij speelde ook mee dat de SLN drastisch wilde bezuinigingen het bureau van de emigratie-attaché. Na zijn ontslag vestigde het gezin Van Scherpenberg zich in het noorden van Brazilië, namelijk op Santana, een eiland in de monding van de Amazonerivier, nabij Macapá, de hoofdstad van de huidige deelstaat Amapá. Ook hier hield Van Scherpenberg zich bezig met de ontwikkeling van landbouwondernemingen. In 1953 presenteerde hij samen met de Amerikaans Donald Daniels, president van de Agro Industrial Ltd., maatschappij voor de oprichting van tropische cultures in Brazilië, plannen voor een nieuwe cultuurmaatschappij. Agro Industrial had daartoe in Maracá (Amapá) een gebied van maar liefst 600.000 hectares aangekocht. Om dit gebied in cultuur te brengen was de onderneming in 1953 op zoek naar voormalige planters uit Nederlands-Indië. Daniels en Van Scherpenberg wilden in het gebied 500 Nederlandse families vestigen die als kolonist 20 à 30 hectares grond zouden ontvangen, welke in 10 jaar tijd door de levering van 10% van de productie hun eigendom kon worden. Van de plannen om er op grote schaal Nederlandse planters te vestigen, is echter niets terecht gekomen.

Bronnen, o.a. :

http://www.driebergsdorpsfeest.nl/publicaties/06-koffierijkdom-op-de-horst
Nieuwsblad voor Sumatra, 18 maart 1953.
NA, Archief Directie voor de Emigratie, inv.no. 1418.
www.delpher.nl en www.familysearch.org

De niet gerealiseerde kolonie te Pirassununga

Iedere Braziliaan, maar ook veel Nederlanders zullen de naam van de stad Pirassununga vooral associëren met het getal 51. Deze stad, die 200 kilometer ten noorden van São Paulo ligt en 120 kilometer van Campinas, is vooral bekend als producent van cachaça. Als het aan Pieter Cornelis van Scherpenberg – later één van de wegbereiders van Holambra – had gelegen, was hier reeds aan het einde van de jaren dertig een kleine groepsvestiging van katholieke emigranten gesticht.

Begin 1937 presenteerde Van Scherpenberg tezamen met zijn neef Herman François Waller, directeur van de Gist- en Spiritusfabriek te Delft, aan de Nederlandse emigratieorganisaties een plan voor de vestiging van een kolonisatiecentrum nabij Pirassununga. Waller verklaarde dat hij als groot-werkgever de werkloosheid in Nederland met lede ogen had zien toenemen en tot de overtuiging was gekomen, dat een goed geleide emigratiepolitiek enige uitkomst zou kunnen brengen. Op voorstel van zijn neef Van Scherpenberg, die Brazilië had bezocht, had hij de hand weten te leggen op de Fazenda São Joaquim, groot ± 1285 hectares. Met name de voorzitter van de R.K. Emigratievereeniging, mr. Henri van Haastert, was zeer geïnteresseerd. Uit navraag was hem gebleken dat het met de geestelijke verzorging wel goed zat. In het stadje Pirassununga was een post gevestigd van de Nederlandse Missionarissen van het Heilig Hart (MSc), met een eigen kerk en school. Verder lag er in de nabijheid van de fazenda een station met een goede treinverbinding met São Paulo.

Het land was weliswaar heuvelachtig, maar alle hellingen waren geschikt voor bewerking met paard en ploeg. De grond en de watervoorziening was goed. Een deel van het land was met koffiestruiken beplant, maar deze struiken leverden door de crisis en de ouderdom van de struiken geen winst meer op en dienden te worden vervangen door andere gewassen. Er waren goede afzetmogelijkheden. Verder had een melkveebedrijf met een kleine zuivelfabriek alle kans van slagen. De melk kon in de omliggende steden, of gepasteuriseerd in de stad São Paulo worden verkocht. Ook de productie van boter en kaas bood goede winstmogelijkheden. Verder was het een goede streek voor het vetmesten van varkens met maïs. Aan Nederlandse emigranten, ook zij die minder kapitaalkrachtig waren, zou de mogelijkheid worden geboden om in betrekkelijk korte tijd een eigen bedrijf te verwerven. Om vertrouwd te raken met de Braziliaanse landbouw en om van het begin af aan verzekerd te zijn van een bestaan, zouden net gearriveerde emigranten te werk worden gesteld op het centrale bedrijf. Verder zou de kolonist de beschikking krijgen over een vrije overtocht vanuit Rotterdam via Santos naar de Fazenda en een vrije woning voor de tijd dat hij werkzaam was als arbeider. Ook zou hij van meet af aan de beschikking krijgen over een stuk land voor het verbouwen van rijst, mais en aardappelen en een weiland voor het houden van enkele stuks vee.

Van Haastert noemde het kolonisatieplan ‘in het algemeen zeer goed en aantrekkelijk’. Hij was dan ook voornemens het bestuur van de R.K. Emigratievereeniging bijeen te roepen om een beslissing te nemen en eventueel te beginnen met de selectie van emigrantenfamilies. Zover kwam het niet. De R.K. Emigratievereeniging moest in eigen kring opboksen tegen negatieve opvattingen over emigratie. Bovendien had de vereniging geen geld. Tijdens een partijvergadering van de R.K. Staatspartij op 10 december 1938 verklaarde de missionaris pater Charles Donker , dat de vereniging voor 150.000 gulden een ‘prachtkans’ laten lopen. ‘Maar ’t geld was niet te krijgen!’ Volgens pater Donker had het de eerste vaste voet kunnen zijn voor een kolonisatie op grote schaal. ‘Het geïnvesteerde kapitaal kon hier langzamerhand terugvloeien en dienen voor aankoop van nieuwen grond voor uitzending van nieuwe kolonisten. Blijvende werkverschaffing, met een heerlijken achtergrond van eigen bezit en eigen gezin.’

Bronnen:
– H. van Haastert, Nota betreffende een plan tot het stichten van een kolonisatie-centrum in Brazilië in Gemeente Pirassununga in de staat São Paulo, 6 maart 1937. KDC, Archief KNBTB, inv.no. 7553.
– Inleiding ter gelegenheid van de Kringvergadering Kring Limburg der RKSP, 10 december 1938, KDC, Losse archivalia (LARC), inv.no. 7198.
Nieuwe Venloosche Courant, 12 december 1938.