‘Het is hier een naar land’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (13)

Op 3 juni 1892 schreef Rijna Dijk een dramatische brief naar het thuisfront, die werd voltooid door haar dochter Gezina. Antko Drenth was na een lang ziekbed overleden en de rest van het gezin was vanuit Itapira onderweg naar Santos, om naar Nederland terug te kunnen keren. Uit de brief blijkt ook dat de overgebleven gezinsleden met de gedachte speelden om door te reizen naar Noord-Amerika, alwaar zich reeds enkele familieleden hadden gevestigd en die ook bezig waren om geld bijeen te brengen om de ongelukkige familie Drenth naar Amerika te laten overkomen. Moeder Rijna wilde echter maar één ding: terug naar huis. Weg uit dat nare land, dat haar alleen maar ellende had bezorgd.

Station ULATRElA S.P., 3 Juni 1892.

Lieve ouders, broeders, zusters, vrienden en bekenden!

Ik neem de pen op, om u den voor ons zoo noodlottigen slag te melden, dat mijn echtgenoot na een langdurig lijden is bezweken. Onbeschrijfelijk zwaar treft ons deze slag. Hebben wij al langen tijd bitter moeten lijden op onze zwerftochten, waar•over mijn man u al eenige malen geschreven heeft, nu wij man en vader missen, wordt het ons aan alle kanten te benauwd. Wij staan hier als roependen in een woestijn; en deze woestijn schijnt ons onmetelijk toe. Wij bidden u, dat gij ons toch uit dit vreeselijk land wilt komen verlossen en beloven u daarvoor onzen hoogsten dank.

Nadat wij in langen tijd geen vaste woonplaats meer hadden en dus een zwervend leven leidden, kwam onze gezindheid in gevaar. Ach, gij kunt wel begrijpen, dat dit wel moest volgen, als ik u zeg, dat wij meesttijds de nachten doorbrachten onder den blooten hemel. Behalve DRENTH, werden wij in den beginne allen ziek steeds bij afwisseling. Het eerst werd ik getroffen en daarna achtereenvolgens de kinderen. ’t Was een slopende, afmattende ziekte, die maar niet wilde wijken, en honderden met ons zwaar deed lijden. ’t Is ook wel niet te verwonderen, dat onze herstelling, toen die intrad, zoo uiterst langzaam ging, daar wij geen medicijnen konden bekomen en evenmin eenig versterkend of verkwikkend voedsel, zoodat de natuur alleen ons in alles moest ter hulpe komen.
Langen tijd had het zoo voortgeduurd, toen wij ons onder eenige beterschap met groote moeite konden bewegen en voortslepen. Wij, GEZINA en ik, wilden toen zoo gaarne eenig werk hebben, teneinde wat te verdienen en daardoor mijn zieke man te laven, die tijdens ons sukkelen zoo ontzettend zwoegde, om toch nog wat te verdienen was ’t dan ook maar slechts langs den weg der bedelaars om ons te verkwikken. Doch hoe moedig wij het ook steeds probeerden, om koffie te plukken in de plantage het ging niet wij zegen door zwakte bij het werk ter neer. Ik ben overtuigd, dat deze omstandigheden op DRENTH een overweldigenden indruk maakten, hoezeer ik hem ook trachtte mijn zwakke krachten ten beste te geven, om hem moed en hoop in te spreken. Want waarlijk was hij in langen tijd niet meer die krachtige, rijzige man van voorheen en ik zag maar al te goed, hoe zijn rug zich kromde en zijn stramme beenen meer en meer hunne dienst begonnen te weigeren. Ik zag, hoe hij tegen die dagelijksche uitputting streed, om het voor ons te verbergen. Och, wij hadden dan ook zulke droevige en afmattende zwerftochten achter den rug, waarop hij altijd het meeste en zwaarste had te torsen.

Koffieplantage
Koffieplantage

Neen, het verwonderde mij in ’t geheel niet, toen ook eindelijk mijn man door de alhier heerschende en zoozeer gevreesde koorts werd aangetast, die hem in korten tijd zoodanig ondermijnde, dat hij meer dood dan levend scheen te zijn. Ik behoef u wel niet te zeggen, hoe het toen met ons gesteld was. Aan vooruitzichten word niet meer gedacht; zoo wij maar voor het oogenblik redding konden verschaffen, om den doodelijk zieken man een weinig te laven, dan waren wij verblijd. Dit nu, lieve vrienden, was voor ons niet mogelijk, wijl wij niet het minste bezaten, dat tot leniging kon dienen en wat wij nog aanvoerden, om den zieke te helpen, was door bedelen bij elkander gekomen.
Mijn pen is niet in staat u onzen treurigen toestand in al haren omvang te omschrijven, gedurende eene ongeveer driemaandelijksche ziekte mijner echtgenoot. Drie maanden ongeveer lag de zieke daarhenen, doorloopend goed bij ’t verstand, doch zoo zwak, dat hij meesttijds niet kon spreken. Toch kon de brave man nog teekenen geven, dat hij niet vreesde voor den dood. Daarover had hij ook dikwijls in zijn gezonde dagen tegen ons gesproken, altijd met de meeste overtuiging bewerende, dat alleen de dood leidde tot een hooger en eeuwig leven. Wel was het voor ons in hooge mate troostend, zooveel standvastigheid en overtuiging in den lieven man te zien, toen hij voor het laatst ons sprakeloos de hand drukte en voor altijd henen ging (…)

Lieve familie en vrienden in het vaderland !
Moeder kan niet meer schrijven, want zij is zoo bedroefd, omdat vader overleden is en wij nu zoo verlegen zijn. Daarbij is moeder nog half ziek, gelijk ook FREDERIK en ik, daar wij vóór vaders ziekte ook zoo lang gesukkeld hebben, dat wij nog niet kunnen werken op het koffieland. Nu onze geliefde vader weg is, weten wij niet wat wij zullen aanvangen, want het is hier een naar land. Nu hebben wij een en brief ontvangen van oom CHRISTIAAN, waarin hij vraagt, wat het kost, om van Itapira tot Santos te reizen. Wij weten niet beter, dan dat vader dat al in een zijner brieven had opgegeven. Wij gelooven, dat het dertig millreis kost en één millreis is gelijk aan f 1,25 in goud naar Hollandsch geld. Ook schreef oom, dat er al veel geld voor ons bij elkander was gebracht door goede vrienden in Groningerland en in Noord-Amerika. Hierover zijn wij ten hoogsten verblijd; want, als u ons dat zendt of ons er reiskaarten voor bezorgen kunt, om naar Holland terug te keeren, zal moeder ook wel weer wat beter kunnen worden. Moeder wil niet gaarne naar Noord-Amerika, hoewel zij blijde is, dat familie en vrienden ons daar wel gaarne willen hebben en voorthelpen. “Want wat zullen wij daar beginnen” zegt moeder, “dat is ook weer een vreemd land gelijk hier.” Moeder wil gaarne naar hare geboorteplaats terug. Wij hebben hier een ellendig leven en komen bijna om.

Koffiestruik
Koffiestruik

Zoodra wij weer sterk genoeg zijn gaan wij koffie plukken en als wij dan wat verdiend hebben, zullen wij wel spoedig wat gelukkiger zijn, maar moeder is nog zóó zwak en daarbij zoo bedroefd, omdat vader ook zoo naar, gelijk een hond begraven is, dat zij nog niets kan doen; zij is zoo bleek en mager als een doode. Het eten, wat men ons geeft, is ook zoo flauw, dat wij het niet meer lusten. Wij eten alle dagen rijst en maïsmeel en somtijds wat boonen, en daar het vet erg duur is, krijgen wij dat zoo goed als niet. Onze kleine CHRISTIAAN is nu al meer clan twintig maanden oud en kan nog niet loopen. Nu lieve oom, moeder verzoekt u vriendelijk, dat u vooral alles wilt doen, om ons uit dit ellendige land te verlossen, want grootvader is te oud en gebrekkig, om er wat aan te doen. Schrijf ons toch dadelijk terug, hoe het zal afloopen, want wij verlangen onder smart naar een brief. Het duurt wel tien weken, dat wij eenen brief van u terug kunnen hebben, dus moeten wij nog lang wachten eer wij verlost kunnen worden. Maar moeder hoopt alleen op u, daar u weet, wat het beste is, wat er gedaan moet worden. Wij kunnen uit ons zelven niets doen, dan alleen vragen.Hier loopen zeer vele vrijgezellen rond, die niet door arbeid aan brood kunnen komen, want alles is zoo gedrukt, en er is zóóveel volk, dat gaarne wat verdienen wil, zoodat alles in de war is. Er zijn veel vrijgezellen, die niet eens plaats kunnen krijgen als matroos op het een of ander schip naar Europa.

Ik moet u nog melden, dat wij bij al onze zwarigheden eenen last hebben, dat ons ontzettend lijden doet. Gij moet weten, dat ons allen kleine CHRISTIAAN ook de voeten vreeselijk zijn opgezwollen, dat komt van de aardvloo (pikus genaamd), die den mensch, als bij langdurig op bloote voeten loopt en des nachts geen goed onderdak heeft, onder de nagels der teenen kruipt en zich vervolgens tusschen vel en vleesch neerzet.
Eerst gevoelt men geweldige jeukte en daarna zwelt het vleesch op en begint al spoedig zoodanig te etteren, dat er geen raad voor is, om te worden genezen. Wij lijden door deze plaag veel pijn en kunnen maar geen middelen krijgen, om de kwaal te genezen. Alleen aanhoudend de voeten wasschen, brengt wat verlichting aan, zoodat wij dat dan ook zooveel mogelijk doen, maar hoe wij weder genezen zullen worden weten wij niet.
Nu, lieve oom, moeder en wij verzoeken u nogmaals vriendelijk toch vooral zoo goed te zijn ons ten allerspoedigste te schrijven hoe u er over denkt, dat de zaak zal afloopen, want wij verlangen met smart, om dit afschuwelijke land ten allerspoedigste te kunnen verlaten. Wil de groeten overbrengen aan al onze vrienden en bekenden.
Mogen wij elkander spoedig in gezondheid in het vaderland aanschouwen.

Wed. A. DRENTH.
GEZINA DRENTH.

Een hel voor emigranten

De Zeeuwse emigratie naar Zuid-Amerika vóór 1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel grotere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. De conclusies van Swierenga zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zicht richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

  • – Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
  • – De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
  • – Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
  • – Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
  • – Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen).
Uitbetaling
Uitbetaling bij het huis van de directeur

De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst, te gebruiken voor de afbetaling van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.
Op 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro aan. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.
De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen met de namen Holanda en Holandinha. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.
Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voorhanden. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.
Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

ss-Schiedam-W
SS Schiedam van de NASM

Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.
In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1890 4470 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen en Friesland. Zuid-Beveland leverde ca. 600 landverhuizers. Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede.
Kort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië een het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding op Buenos Aires.

In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd een jaar eerder vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het aandeel Zeeuwse emigranten was beperkt; het merendeel van de landverhuizers was afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van Gonçalves Júnior in 1908. Groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

De emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Opmerkelijk is verder dat met name vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië waren vertrokken. De kolonie die gedurende korte tijd de meeste Nederlanders huisvestte was Gonçalves Junior in Paraná. In deze kolonie, die onder emigranten bekend stond als het vrouwenkerkhof, werd de basis gelegd voor de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. In 1911 slaagden enkele emigranten van Gonçalves Junior erin bij de spoorwegmaatschappij grond te verwerven. Nadien zouden emigranten uit Nederland deze groepsvestiging versterken en werd er een begin gemaakt met familieleden en voormalige dorpsgenoten.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de Zeeuwse emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Behalve in Espírito Santo in Brazilië zijn er waarschijnlijk ook in Argentinië nog nazaten van Zeeuwse emigranten te vinden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van een niet-Zeeuwse familie, nl. de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen ze als gevolg van de crisis in Argentinië werden ontslagen begonnen zij een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 18 juli 2014 in Middelburg tijdens de Viering 200 jaar Provincie Zeeland: Komen, gaan en terugkeren.

‘Wij zwervers in dit ondermaansche’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (9)

In het laatste deel van de brief die hij op kerstmis 1891 naar het thuisfront schreef, gaf Antko Drenth uiting aan het verlangen om naar huis terug te keren. Ook het verblijf in Brazilië bleek geen verbetering te zijn en maakte het alleen maar lastiger om die terugkeer mogelijk te maken. Het verlangen kerstmis te vieren in het oude vaderland overheerste het gemoed.

Dezer dagen kregen wij nog al eenige bemoedigende tijdingen en wel, dat er in België commissiën waren gevormd om pogingen in ’t werk te stellen, hunne landgenooten van hier terug te transporteeren naar hun vaderland. Er moeten zelfs uit enkele havens al velen zijn vertrokken, waaronder bij uitzondering, naar men zegt, ook eenige Zeelanders. Ook loopt hier het gerucht , dat de overtochtskosten naar België slechts vijf-en-twintig gulden bedragen, zoodat wij alle hoop hebben dat gij ons gelukkig kunt maken, om, door weinige kosten te verspillen, ons uit de ongelukkige positie, waarin wij anders wellicht zullen moeten omkomen, te verlossen. Wij betreuren het ten zeerste, dat de Nederlanders nog niets deden, om ons te verlossen, die anders in liefdadigheidszin nooit ten achteren staan. Het zal wellicht een gevolg zijn van het feit, dat ons land, of beter gezegd, Nederland, geen geregelde vaart heeft op Brazilië, en bijgevolg het onmogelijk is ons de behulpzame hand te bieden, tenzij men groote sommen gelds bijeen bracht ter uitvoering. Zulk een offer is wel te groot, om daaraan te denken en zullen wij dus moeten afwachten, wat de orde van den tijd ons zal geven.

Ik heb ook al aan den Consul te Rio de Janeiro geschreven wat het zoude moeten kosten, om naar Holland terug te keeren, doch kreeg eenvoudig geen antwoord. Nog zal ik het eenmaal wagen aan dien heer te schrijven met beleefd verzoek, toch in elk geval de goedheid te willen hebben, dat ZEd. ons de noodige inlichtingen verstrekken, dan komen wij, zoo hij ons daarmede wil dienen, nader tot den waren toestand. Zoo wij ons nu nog maar in Argentina bevonden, zoude ‘k eenvoudig naar de hoofdstad loopen waar de Consul woont, en hem in persoon trachten te mogen spreken. Doch hier in Brazilië gaat het niet aan om te voet bij een zeehaven te komen. Gij moet weten dat wij ons diep in het binnenland bevinden en de weg die wij zouden moeten passeeren, is uiterst moeielijk en zeer gevaarlijk tevens. Daarenboven nog de omstandigheid dat het in den regentijd is, zoodat, het een bij het ander genomen, het er naar aanligt om ons aan het lot over te geven.

Men zegt hier ook dat de landreis tot de kortst bijzijnde zeehaven tegen zeventig mijl per familie kan worden afgelegd per spoor; dit zal dunkt mij ongeveer vijftig gulden bedragen, want het geld staat hier tegenwoordig zeer laag in koers en heeft dus tegenover de geregelde Europeesche staten, weinig waarde. Dit vindt zeker ook al weder zijn oorsprong in het bestaan der wisselvallige regeering. Men doet de betalingen hoofdzakelijk in papier.
Mocht gij u nu willen overtuigen in welke verhouding deze geldswaarden tot elkander staan, zal de firma des heeren GROENEVELD, kassiers te Winschoten, u wel willen inlichten. Zoo hebt ge dan, lieve vrienden, eenen langen brief die echter, ik weet het, u niet bemoedigt en u niet gelukkig maakte. Ik ben echter verplicht u de volle waarheid te melden, want mocht het wezen dat er nog zijn die plan hebben het vaderland te verlaten, mogen ze zich vooraf aan ons wedervaren spiegelen. Ik eindig met de hartewensch dat gij ons nog eens spoedig schrijft.

O, het doet ons zoo’n goed iets van zijn geliefden uit en om het oude dorpje, waar wij als kinderen zoo gelukkig samen waren, te vernemen. God geve, dat gij u allen in opgewekte stemming bevindt terwijl ik dezen schrijf, want immers is het juist bij u het heerlijke Kerstfeest. Kerstfeest in het vaderland – wat heerlijke, wat zielverheffende gedachte!
In onze verbeelding zien wij u allen gezellig bij elkander in een door de lamp verlicht vertrek rondom den gezelligen haard vereenigd, terwijl de sneeuw buiten krast en kraakt als de wandelaar zich op weg of pad beweegt. Wat al eigenaardige en tevens hoogst leerzame oogenblikken zijn het die men in dat tijdperk kan genieten, niet waar? Ziet in de eerste plaats ter voorbereiding dier groote plechtigheid hier en daar een sierlijken kerstboom prijken, omringd met lachende kindergezichtjes die zich heerlijk afspiegelen in de schitterende verlichting, die zoo met voor kinderen kostbare geschenken rijk beladen is en waarom de lieve jeugd zich woelend en joelend beweegt, het tijdstip verbeidende, om op een gegeven oogenblik van al dat schoons een deeltje te genieten. – Dan zien wij in onze verbeelding den waardigen leeraar het predik-gestoelte beklimmen, om in welsprekende en zielverheffende taal te gewagen van het nieuwe licht, dat door de geboorte van onzen grooten: Meester, Jezus Christus, Gods Zoon, ons omstraalt. En als wij dan zoo met diepen ernst nadenken over het komen, het zijn en het gaan van dien grooten Meester, dan hebben wij wel geen recht tot klagen, maar spoort het ons aan tot zelfverloochening in hooge mate, om het pad in te slaan zooals Hij het ons heeft afgebakend. O, hoeveel lijden ook wij moesten ondervinden op ons levenspad, het weegt niet op tegen, dat wat Jezus ondervond en overwon: Hij, die somwijlen geen steen de zijne kon noemen, waarop hij zijn vermoeid hoofd mocht nederleggen ter ruste en na de hoogste verzoekingen weerstand te hebben geboden – als een overwinnaar uit het strijdperk trad. Hij bad zelfs voor zijn belagers – Hij bleef rein. Ja dierbare Jezus al wordt Uw woord hier niet in ruimen zin gepredikt, toch kennen wij U en hopen wij U te volgen. Gij die de liefde predikte tot grondslag van alle geluk.
Ja Heiland Gij hebt niet te vergeefs voor ons geleefd – Gij Meester, die Uw jongeren dient, Gij Godsman en toch onzer één – met de gedachte aan U, aan Uwe alles doordringende almacht en liefde, in aanbidding neergebogen, zingen ook wij in het verre land, maar toch even als elders in Uwe nabijheid met onze geliefden meê:
“Juicht Christ’nen juicht uit eenen mond,
“Volgt Bethl’ems herd’ren koren,
“Haast zal heel ’t luist’rend wereldrond
“Verrukt dit heilnieuws hooren.
“De Hemel zing’ en de aard vervang’,
“Verblijd het heerlijkst lofgezang:
“Messias is geboren” !

Vaartwel dan onze geliefden, vaartwel! Moge ook op u het heerlijke Kerstfeest dien heiligen invloed uitoefenen die wij, zwervers, in dit ondermaansche zoo zeer noodig hebben, is de hartewensch van ons allen.

Uw genegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

Emigrantenleed in Itapira

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (1)

Afgelopen jaar bracht ik tijdens mijn Braziliëreis een bezoek aan Itapira. De reden voor het korte bezoekje aan dit stadje, 40 kilometer ten noordoosten van Holambra, was een

Itapira in 2013
Itapira in 2013

Nederlands emigrantendrama dat zich tussen 1891 en 1893 in Itapira heeft afgespeeld. Op 25 september 1889 was de landarbeider Antko Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen Gezina, Frederik en Udo met de ms ‘Schiedam’ naar Argentinië geëmigreerd. Drenth verbleef in Argentinië op verschillende plaatsen, maar wist daar geen geregeld bestaan op te bouwen. In maart 1891 – het gezin was inmiddels uitgebreid met de in Tucumán (Argentinië) geboren Christiaan – vertrok de familie Drenth over zee naar Brazilië, ten einde op de koffieplantages te gaan werken. De hoop op een herkansing werd echter de bodem ingeslagen. Het gezin Drenth bleef zowel in Argentinië als in Brazilië ziektes niet bespaard. Moeder Rijna wist wonderwel te herstellen, maar hun zoon Udo en ook Antko lieten het leven. Met behulp van geld uit Nederland konden de weduwe Rijna, de oudste dochter Gezina (17 jaar) en de zoon Frederik (13 jaar) in september 1893 naar Nederland terugkeren. Over het lot van de kleine Christiaan is niets bekend.

Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)
Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)

Met de terugkeer was het emigratievirus nog niet geweken. In 1905 emigreerde zoon Frederik Drenth naar de Verenigde Staten, om zich te vestigen in Kalamazoo, Michigan. Een jaar later volgde zijn zus Gezina, haar man Jan Hensens en hun vier kinderen en ook de weduwe van Antko Drenth. Allen vestigden zich in Kalamazoo in Michigan, in de nabijheid waarvan zich heden ten dage nog nazaten van Antko Drenth en Rijna Dijk woonachtig zijn. Dit zijn nazaten van Jan en Gezina, die uiteindelijk negen kinderen kregen, zeven dochters en twee zonen.

De reden dat ik aandacht besteed aan de lotgevallen van de familie Drenth is gelegen in het feit dat enkele jaren geleden in het nalatenschap van Trijntje Rens, een vrouw die zelf in 1909 met haar gezin naar Brazilië emigreerde en via Argentinië weer terugkeerde naar Nederland een boekje werd aangetroffen met brieven van de familie Drenth. Dit boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat brieven die Antko en Rijna schreven aan hun familie in Nederland. De komende tijd wil ik deze brieven op mijn website publiceren.

Reeds vóór het verschijnen van dit boek verscheen in diverse kranten het volgende bericht over de terugkeer van de weduwe Drenth en haar twee overgebleven kinderen.

Brieven emigranten“De weduwe van Antko Drenth, een arbeider die voor vier jaren met vrouw en vier kinderen van Westerlee naar Buenos-Ayres vertrok, is met twee kinderen, een jongen van pl.m. 14 en eene dochter van 17 jaren, vandaar teruggekeerd. Zij hangt een verschrikkelijk tafereel op van de ellende, de gevaren en de ontberingen, die de emigranten zich daar moeten getroosten. De dood ontnam haar in Brazilië eerst haar oudsten zoon, daarna stierf Drenth aan de gevolgen van de doorgestane ellende en later stierf nog een kind van 2½ jaar oud, dat op hare zwerftochten geboren was. Volgens haar blijkt de Europeaan ten eenemale ongeschikt voor den arbeid in die streken, want zwaar gebouwde mannen — en daaronder zelfs Italianen — zag men binnen weinige weken tot schimmen veranderen. De Asser Ct. deelt bovendien nog het volgende mede:

De woningen der emigranten waren slecht, niet beter dan hokken, en van meubelen was geen sprake, zelfs stoelen en tafel ontbraken en de vloer diende te gelijk tot legerstede. Eerst scheen het nogal dragelijk te zullen worden, maar toen de crisis kwam en de geldnood zich openbaarde, werden ze van de eene provincie naar de andere gezonden, zoodat ze eindelijk na een voetreis van een maand, met pak en zak — wat trouwens niet veel was — weder op het punt van uitgang terugkwamen. Het binnenland is bergachtig en het reizen aldaar moeilijk en vol ontberingen; logementen zijn er voor de emigranten op hun reis bijna niet te vinden en dikwijls moeten zij onder den blooten hemel overnachten. Het eten bestond in hoofdzaak uit maïsbrood en rijst. Eens scheen er voor haar uitkomst te zullen komen, want door eenige vrienden was een zekere som naar een broeder van Drenth te Chicago gezonden, welke som daar werd aangevuld en toereikend was om de familie naar Noord-Amerika te doen verhuizen, maar Drenth was inmiddels overleden en ofschoon de weduwe wist dat het geld naar den consul was opgezonden, kon zij niet, te weten komen wie het in bezit had, tot zij eindelijk, na wel een half jaar zoeken, bij den Nederlandschen consul te Santos (een Duitscher) kwam, die haar in hare opsporing bijstond en door wiens bemiddeling het gevonden werd. Het was echter al geslonken tot een bedrag, niet toereikend voor de lange reis naar Noord-Amerika. Maar ook de rest kon zij niet ontvangen, want de consul te Santos eischte daarvoor een bewijs van overlijden van haren man, doch daar de Argentijnen er geene registers van den burgerlijken stand op na houden, was dat bewijs natuurlijk door haar niet te geven, ’t Geluk diende haar, want geruimen tijd daarna ontving zij te Buenos-Ayres een bezoek van een landsman, een Amsterdammer, die haar man had uitgedragen, en die zich verwonderde haar daar nog aan te treffen. Deze bood haar aan met haar naar Santos te gaan. Daar bezwoer deze het overlijden van Drenth en nu verschafte de consul haar vrijen overtocht naar Bremen en een weinig reisgeld naar haar vroeger vaderland. Zij is arm en heeft een veelbewogen leven van vier bange jaren achter den rug.”

Bron: Algemeen Handelsblad, 28 september 1893.
Met dank aan Trinida de Kraker en de nazaten van de familie Drenth in de V.S.

De reis naar Zuid-Amerika

De vorige bijdrage op deze website over de ellende in de kolonie Gonçalves Juniór trok de nodige aandacht. De schrijver van het stuk had geen geld om zijn dierbare familieleden een brief te schrijven en gaf daarom een inkijk in de barre werkelijkheid in de kolonie door middel van een ingezonden stuk in de krant. Andere emigranten hadden meer geluk en slaagden erin om op kosten van de Nederlandse staat te repatriëren. Dit was ook het geval met W. Groeneveld uit Dordrecht die na terugkeer in Nederland op 27 augustus 1910 verslag deed van zijn ervaringen in Gonçalves Juniór in de Dordrechtsche Courant. ‘Laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt’, zo eindigde hij.

Daar ik ruim een jaar in Brazilië ben geweest, wil ik gaarne iets mededeelen over hetgeen wij daar hebben moeten ondervinden.

De 21sten Juli 1909 vertrokken wij per stoomschip “Frisia” van Amsterdam en stoomden in 19 dagen naar Rio de Janeiro. Wat eten en drinken betreft, hadden wij op het stoomschip niet te klagen, dit was alles zeer goed. Toch valt het reizen als derde klasse passagier onder zooveel vreemde volkeren niet mede. Te Rio de Janeiro aangekomen, werden wij in kleine bootjes ontscheept en afgezet op een nabijzijnd eiland, Bloemeneiland genaamd, waar groote emigrantenhuizen staan. Ook daar hadden wij geen klagen; alles was er helder en zindelijk en het eten was goed.

Groep Hollanders
Een groep Hollanders voor hun huisjes in Gonçalves Juniór

Bij aankomst te Paranágua kregen wij weer huisvesting in een emigrantenhuis, een open schuur. Onze slaapplaatsen waren biezen matten op houten planken, en het eten was er zoo karig en slecht, dat de kinderen dikwijls van honger schreiden. Daarbij kwam nog, dat de aangestelde bestuurders van die emigrantenhuizen ons zooveel ze maar konden plukten en bestalen. Bovendien zijn die schuren onrein. Na een zeer kouden en slapeloozen nacht te hebben doorgebracht, kregen wij ’s morgens tot ontbijt slechts één broodje met zwarte koffie, de kinderen een half; ’s middags zwarte boonen met half gare rijst, een stukje vleesch, zoo taai, dat men het nauwelijks kon gebruiken; ’s avonds weer één broodje met zwarte koffie. Men kan zich dus wel eenigszins voorstellen wat voor een leven wij in zulk een schuur leidden.

Na een dag of zes in Paranágua te hebben doorgebracht, begaven wij ons op weg naar Curitiba, waar ons dezelfde lotgevallen wachtten. Ja, het werd eer slechter dan beter op; om brood werd zoo gevochten, dat de hulp van vier politiedienaren moest worden ingeroepen om de wacht te houden en de hongerigen rustig te houden. De reis van Paranágua naar Curitiba duurde 10 uur, na nog 10 uur sporens kwamen wij te Ponta Grossa aan, waar ons een nog verschrikkelijker leven wachtte. Een dag of 6 vertoefden wij te Ponta Grossa en werden toen vervoerd naar Iratí, het einde van de spoorreis. Na een dag of acht gingen wij weer op weg; een hotsende wagen, met zeven paarden bespannen, bracht ons naar het eindpunt, de “kolonie Gonçalves Junior”, waar wij ons geluk konden beproeven.

Men kan zich voorstellen, dat zulk een reisje recht aangenaam is! Een weg van ruim 4 uur rijdens, met groote steenen, knoesten hout en boomwortels bezaaid, leidde naar het doel van onze reis, waar wij hongerig en geradbraakt aankwamen in het laatste emigrantenhuis. In dit laatste emigrantenhuis bleven wij vijf weken; vandaar ging het naar de eigenlijke plaats van bestemming, waar ons land en een huisje werd aangewezen als onze toekomstige woonplaats. Wat hadden wij veel geleden voor wij in de kolonie aankwamen.

Een emigrantengezin voor hun onderkomen
Een emigrantengezin voor hun onderkomen

Elke emigrant krijgt 20 à 25 H.A. zwaar boschland, met een huisje van ruwe planken gebouwd, ter lengte van 6 M. en 4 M. breed. Zolders vindt men er niet; de dakpannen worden gevormd door een soort boomen. Vier luiken vervangen de ramen, daar glas voor den emigrant niet te verkrijgen is. Toch duurde het, met twee man, nog vier dagen, eer mijn huis gebouwd was. Van het z.g. dak had men weinig of geen beschutting; als het regende kon men even goed buiten blijven. De slangen oordeelden het niet noodig om door de deur binnen te komen, maar kwamen onder de vloer door; vliegende mieren nestelden zich in de kap van ons huisje, enz., enz. Daar het zwaar boschland was, dat wij gekregen hadden, kostte het veel arbeid en groote inspanning, eer wij een klein stukje in orde gebracht hadden, gereed om te bezaaien en te beplanten.

Gelukkig waren wij door onzen agent Herwijn uit Den Haag omtrent alles goed ingelicht. De regeering, vertelde hij o.a., zorgt voor al het zaaizaad. Nu, ik ontving dan ook vijf zakjes zaaizaad, elk inhoudende de waarde van ongeveer 2 cent, dus te zamen 10 cent, 23 legaardappelen om te pooten en 4 liter maïs. Bedden behoefden wij niet mede te nemen, want de kapok groeide er zoo maar voor het plukken, maar waar, dat wist niemand. Ook kreeg men een half jaar ondersteuning, tot de eerste schoof getrokken was van het gekregen zaad. Verder zou men, in de kolonie aangekomen, een stukje grond vinden, dat voor ons eigen gebruik geheel gereed lag om te bezaaien. Maar hoeveel malen wij wel niet gevraagd hebben waar dat stukje land met ons huisje lag, is ontelbaar.

Zooals men ons beloofd had, zouden we 6 maanden ondersteuning krijgen, doch voor die ondersteuning moesten wij hard werken, want in plaats van dadelijk op eigen land te mogen gaan werken, zooals gezegd was, moesten wij aan de door de bosschen aangelegde wegen arbeiden. Dit was als volgt geregeld: Had men een groot gezin, dan moest het hoofd van het gezin elke maand 28 dagen aan genoemde wegen werken. Daar ik twee kinderen had, die samen voor één man mochten arbeiden, moesten wij dus met ons drieën 14 dagen per maand arbeiden ten voordeele van een ander. De ondersteuning bedroeg 98 Milreis of ƒ 73 per maand. Doch geen cent van dit geld, dat wij toch eerlijk verdiend hadden, kwam ons in handen. Wij kregen er een boekje of bons voor. Op vertoon van deze bons konden wij dan in een der twee winkels onze dagelijksche benoodigdheden bekomen. Hoe billijk men ons in die winkels behandelde, blijkt wel uit de volgende prijzen: 1 pak lucifers 90 cent; 1 lampeglas 112,5 cent; 1 kan pertroleum ƒ 0.60; 22 kilo blom om brood te bakken ƒ 3.50; 1 kilo spek, meer zwaard en zout dan spek, ƒ 1,05; 1 kilo witte suiker, zoo wit als in Holland de bruine, 60 cent; 1 kilo koffie 90 cent, en als ze dan nog maar goed geweest was, doch ze bestond grootendeels uit chichorei; 1 L. zout 22,2 cent, voor vet, dat soms in het geheel niet te gebruiken was door zijn benauwde lucht, betaalden wij ƒ 1.35 per kilo; 10 L. zwarte boonen, wel 4 jaar oud en vol met levende beestjes, kostten 75 cent. Boter en kaas was voor ons niet te bekostigen, ½ pond boter kostte ƒ 2.25. Huisgezinnen zonder jongens, die in staat waren mede te arbeiden, waren er nog erger aan toe. Dan moest vader bijna de geheele maand aan de wegen werken, zoodat van het bebouwen van hun eigen land niets kwam.

Zoodra de eerste zes maanden verstreken waren, hield de ondersteuning op. Aan de wegen behoefde dan niet meer gewerkt te worden, doch van ons eigen land was dan natuurlijk nog niets te halen. Zij, die geen kleeren of andere zaken uit Holland meegebracht hadden om te verkoopen, waren aan den hongerdood blootgesteld. Ach, wij liepen allen rond als schapen, zonder herder, zoekende en schreiende om water en brood, terwijl wij dachten aan ons dierbaar vaderland en aan allen die ons lief waren.

Velen hadden reeds dooden te betreuren; ook wij, ouders, moesten binnen een half jaar drie onzer dierbare kinderen grafwaarts brengen. Hoe menige kranke lag te wachten op hetgeen zij noodig hadden, doch er was niets te bekomen, en wij, als nabestaanden, stonden daar machteloos tegenover. In de meeste gevallen was doktershulp bijna niet te verkrijgen, en woonde men ver van de kolonie af, dan in ’t geheel niet. Een huisgezin met acht zieken kon zich slechts drie maal daags met wat droge zwarte boonen, zonder vet, voeden. Van één flesch medicijn moesten 1 maal per dag een lepel nemen, wat slechts mogelijk was, doordat hun hetzelfde scheelde. Ter versterking kregen zij nu en dan een stukje apenvleesch. De schoonzoon dier ouders had gedurende zes weken zware typhuskoortsen. Den dag voordat de ongelukkige stierf, troostte de dokter de arme menschen met de woorden: “Morgen is Hagebout beter”, doch helaas, toen de dag van morgen was aangebroken, was Hagebout niet meer en liet een jonge, treurende weduwe achter. Veel, zeer veel wordt er geleden. Velen voeden zich met gepofte maïskolven; zoowel kinderen als ouders loopen barrevoets en met slechts weinig kleedingstukken aan, want alles is aan de Braziliaan verkocht, die nu, door den nood der kolonisten, die vroeger nooit genoten weelde leeren kennen van goede kleding aan te hebben.

Het land, dat met groote inspanning is bezaaid, heeft niets opgeleverd, door de vernieling van ratten, muizen, apen, groote mieren, slangen, hagedissen, enz., enz. Allen, die dan ook nog maar eenig geld hebben of iets bezitten om te verkoopen, vluchten zoo spoedig mogelijk uit dit onherbergzaam oord en haasten zich te Santos te komen, om met een der schepen van de Hollandsche Lloyd naar hun vaderland terug te keeren. Duizend maal dank aan onze regeering voor hare goedheid, om aan vele arme, ellendige landgenooten een vrijpas te geven!! Hoevelen hebben wij er echter in groote ellende moeten achterlaten.

Toch zijn er wel gezinnen, die het daar kunnen uithouden, als wij maar lieve vrouwen en kinderen hebben, die dan veel ten geschenke krijgen van de bestuurders of van den dokter. Sommigen een gezadeld paard, anderen 100 Milreis, weer anderen schoenen van 30 à 40 Milreis of een sjaal, en dergelijke dingen meer, welke geschenken van de andere emigranten gestolen waren. Elke emigrant was volgens wetboekje en belofte 600 reis of 45 ct. daags beloofd, maar was men eenmaal in de kolonie, dan kreeg men slechts 300 reis of ƒ 0.22,5, en daarbij nog de billijke behandeling van den winkelier.

Voor ons vertrek echter werd er een kleine school geopend, maar daarmee was ’t droevig gesteld, daar de schoolmeester de jongens niet kon verstaan en de jongens den meester niet. Om hen dan tot stilte te manen werd er een groote bel geluid. Sommigen werden door de bestuurders gedwongen aan hunne bloedverwanten en bekenden te schrijven, dat zij vijvers met eendjes voor hun huisje hadden, hoewel niemand ooit iets van vijvers of eenden gezien had. Vele welgestelden zijn de kolonie doodarm ontvlucht, anderen hebben hunne lieve vrouwen en kinderen opgeofferd, maar toch zijn er nog menschen, die, alhoewel zij in de diepste ellende verkeeren, nog trachten anderen tot hunne dwaasheid en ellende over te halen.

Dank aan de kloosterbroeders in den vreemde, die mijn gezin in den nood op de thuisreis van geld en voedsel voorzagen. Ook hartelijk dank aan den Hollander, den heer Bergsma, te San Paulo, die onze reis door zijn hulp, gaven en vriendelijke raadgevingen tot het einde deed gelukken. Ten slotte nog een waarschuwing aan alle Nederlanders: laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt.

Nogmaals dank, geachte redacteur, voor de verleende plaatsruimte.

W. Groeneveld van Dordrecht

 

Hoffnung op Brasilien

De mislukte emigratie van Luxemburgers naar Brazilië

Onlangs attendeerde een Luxemburgse collega mij op de omvangrijke emigratie die in de 19e eeuw vanuit het kleine Groothertogdom heeft plaatsgevonden naar het grote Brazilië. Deze emigratie en retourmigratie staat centraal in een tentoonstelling die van 10 april tot 5 juli 2013 te zien is in het Nationaal Archief van Luxemburg. Drie jaar geleden publiceerde de Luxemburgse auteur Guy Helminger onder de titel Neubrasilien een roman waarin de terugkeer van deze Braziliëgangers centraal staat.

Luxemburg was in de negentiende eeuw een klein land, dat leefde van landbouw en handenarbeid. In 1839, het jaar van de stichting van het huidige Groothertogdom, had het land 175.000 inwoners. Van 1840 tot 1890 emigreerden 66.000 Luxemburgers, waarvan het merendeel vertrok naar Frankrijk en de Verenigde Staten.

In 1828 voltrok zich de eerste emigratiebeweging naar Brazilië. Maar liefst 2500 personen, 1,8% van de Luxemburgse bevolking, sloten zich aan bij een Duitse emigratiebeweging. Aangemoedigd door de bevolkingspolitiek van keizer Dom Pedro I en de agressieve wervingscampagnes van Duitse reisagenten gingen de Luxemburgse Braziliëgangers op weg naar het beloofde land. Echter, tenminste 232 van de 332 Luxemburgse families bereikten nooit de ontschepingshaven Rio de Janeiro. Twee derde van de Braziliëgangers werden het slachtoffer van de criminele praktijken van de reisagenten tijdens hun reis vanuit Luxemburg naar de vertrekhaven Bremen. Veel families bereikten Bremen zonder hoop en zonder geld. Uiteindelijk keerde zeventig procent van de Braziliëgangers terug naar Luxemburg. Deze berooide aspirant-emigranten weigerden daarop terug te keren naar hun oorspronkelijke dorpsgemeenschappen of werden daar geweigerd. Diep vernederd door het falen van hun migratiepoging, probeerden zij te ontsnappen aan de hoon van hun oude omgeving.

Uiteindelijk werden de arme Braziliëgangers door de Luxemburgse regering in de gelegenheid gesteld zich te vestigen in een van de armste delen van het land. Zij stichtten het drop Grevels, gelegen ten noordwesten van het de hoofdstad van het Groothertogdom. De geschiedenis van dit dorp is heden ten dage nog zichtbaar in de bijnaam van het dorp Neubrasilien.

Hoewel de mislukking van de eerste emigratiegolf in Luxemburg algemeen bekend was, weerhield dat veel Luxemburgers er niet van om tussen 1846 en 1852 een nieuwe poging te wagen. Ook nu liep een groot deel van de emigratiegolf stuk in de vertrekhaven, dit keer het Franse Duinkerken.

Ondanks de mislukkingen hebben beide emigratiegolven geleid tot de vestiging van Luxemburgse gemeenschappen in Brazilië. In 1828 emigreerden enkele honderden Luxemburgers naar Santa Catarina. Twintig jaar later kwamen de voormalige inwoners van het Groothertogdom terecht in Santa Catarina en Espírito Santo. In de laatstgenoemde deelstaat vormden zij een eigen gemeenschap Luxemburgo in de gemeente Santa Leopoldina, niet ver van de latere Zeeuwse gemeenschap Holanda.

In de navolgende video leest Helminger een passage voor uit zijn boek Neubrasilien.

Bron: Claude Wey, ‘Luxembourgers in Latin America and the permanent threat of failure’. “Return Migration” in the social context of a European micro-society’, in: AEMI Journal,Volume 1, 2003. [pdf]