TULIPANA bezocht Brazilië

In het voorjaar van 2014 ging het programma TULIPANA van start met als doel het behoud, beheer en de toegankelijkheid van het (documentair) cultureel erfgoed van de Nederlandse groepsmigraties naar Brazilië te verbeteren. Het programma is een initiatief van het Centre for Global Heritage and Development (CGHD). Om meer kennis en ervaring op te doen en de situatie ter plaatse zelf te onderzoeken bezochten Mara de Groot (CGHD) en Marco Roling van 17-28 november 2014 het zuiden van Brazilië. Zij bezochten Rio de Janeiro, waar zij een ten behoeve van de Nederlandse Vereniging in Rio (NVR) georganiseerde archiefworkshop bijwoonden, alsmede de kolonies Holambra I en Castrolanda. Verder werden de staatsarchieven van de deelstaten São Paulo en Paraná bezocht.

Ordenen van het NVR-archief
Ordenen van het NVR-archief

Op 18 en 19 november organiseerde het Arquivo Nacional (AN) te Rio een workshop voor leden van de Nederlandse Vereniging (NVR). Medewerkers namen direct het NVR-archief onder handen door de staat van conservering te beoordelen, nietjes en paperclips te verwijderen en stofvrij in te pakken. Voor aanvang werd gesproken met de directeur van het AN, Jaime d’Antunes. Tijdens de workshop gaven medewerkers van het AN presentaties over het conserveren, inventariseren en beschrijven van archieven. Op de tweede dag gingen de deelnemers aan de workshop zelf met het archief aan de slag. Omdat twee dagen te kort waren om het archief volledig onder handen te nemen, bood het AN aan om voor de NVR vervolgbijeenkomsten te houden. Het bezoek aan Rio werd op 19 november afgesloten op de residentie van de Nederlandse consul-generaal Arjen Uijterlinde. Daar werd een presentatie gegeven van TULIPANA en de film ‘Novo Comeco’ van Martijn van Eijck vertoond, over de beginjaren van Holambra.

Tijdens het bezoek op Holambra (20 en 21 november) werd onder bezielende leiding van Annemarie van der Knaap allereerst het museum van Holambra bezocht. Daar bleek dat de archiefcollectie weliswaar overzichtelijk en ordelijk was opgeborgen, maar niet onder de meest optimale bewaaromstandigheden. Een Braziliaanse archivaris is bezig het archief te inventariseren, maar zij is onzeker of ze dit op de goede manier gedaan heeft. Doordat zij de Nederlandse taal niet beheerst is zij niet goed in staat om het materiaal te beoordelen en waarderen. Voorts bleek dat er ook op andere locaties in Holambra archieven en collecties berusten, die het nodig maken een grootschaliger identificatie te maken van de aanwezige archieven, staat van conservering en een globale inventarisatie op te maken. Bij het Museu Holambra bestaat een grote behoefte aan het op een deugdelijke manier inventariseren, beschrijven en digitaliseren van collecties. Op 21 november werd het Memorandum of Understanding voor samenwerking binnen het TULIPANA-programma getekend door Mara de Groot en de voorzitter van het museum Jan Eltink. Voor februari staat op Holambra een archiefworkshop gepland die verzorgd zal worden door het staatsarchief van São Paulo (APESP). ’s-Middags werd een bezoek gebracht aan de veiling van Holambra. Directeur André van Kruijssen bood zijn hulp aan, in de vorm van werkruimte en apparatuur in ruil voor deelname aan TULIPANA. Voor de veiling kan dit een opmaat zijn voor grootschalige digitalisering van het eigen archief.

Namens het Museu Holambra tekende Jan Eltink het MoU.
Namens het Museu Holambra tekende Jan Eltink het MoU.

Op 22 november werden Mara en Marco opgehaald door Ina Nienhuys van Castrolanda. Onderweg werd in Carambeí een bezoek gebracht aan het Parque Histórico, een openluchtmuseum dat uitleg geeft over het ontstaan van Carambeí in 1911. Op 23 en 24 november werd op Castrolanda het ‘Memorial da Imigração Holandesa’ (2001) bezocht, bestaande uit de graanmolen, ‘De Immigrant’ met expositieruimte en het fraaie museum, ‘Casa do Imigrante Holandês’ uit 1991. De bedoeling is dat het documentatiecentrum en het museum binnen afzienbare tijd zullen worden gehuisvest in een nieuw Cultureel Centrum. Het archief van het museum is divers en bestaat uit foto’s, brieven, artikelen, tijdschriften. Drie vrijwilligsters houden zich op wekelijkse basis bezig met het archief. Ze scannen foto’s en zijn bezig om een inventaris op te zetten. Er is behoefte aan specifieke instructie over scannen en inventariseren, om zeker te weten dat men op de goede manier bezig is en men niets overnieuw hoeft te doen. Op 24 november vond een presentatie plaats van TULIPANA, waarbij ook vertegenwoordigers van de coöperatie, de kerk en de ACBH (Associação Cultural Brasil Holanda), de overkoepelende culturele organisatie voor alle Nederlandse kolonies, aanwezig waren. Het Memorandum of Understanding werd namens het bestuur van de Associação dos Moradores de Castrolanda (AMC) getekend door Lucas Rabbers.

Met de dames van het archief in Castrolanda
Met de dames van het archief in Castrolanda

Op 25 november werd in Curitiba het staatsarchief van Paraná (DEAP) bezocht. DEAP is bereid samen te werken met Castrolanda om de behoeften inzake de bewerking van archieven en de organisatie van een workshop in kaart te brengen. Ook werd gesproken met de honorair consul Robert de Ruyter. Het consulaat beschikt over een uitgebreid archief. Aangezien dit archief eigendom is van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, kan TULIPANA hier niets bieden. Wel bood het CGHD een bemiddelende rol aan bij het werven van een stagiaire voor het inventariseren van het archief. Op 27 november werd het staatsarchief van São Paulo (APESP) bezocht. APESP gaf aan graag een workshop te willen organiseren voor de vrijwilligers van Holambra. Deze staat gepland voor 23 en 24 februari 2015. Daarvoor zullen medewerkers een oriënterend bezoek aan Holambra brengen om te praten over de invulling van de workshop. Het werkbezoek werd afgesloten met een bezoek aan het Immigratiemuseum in São Paulo.

Het werkbezoek aan Brazilië was voor alle betrokkenen uitermate nuttig, zinvol en plezierig. Er is veel gesproken met betrokkenen over de migratiegeschiedenis en het erfgoed van de Nederlandse immigranten. Het is interessant en nuttig uit de eerste hand verhalen te horen over het ontstaan en de opbouw van de Nederlandse kolonies. Op die manier werd meer context- en achtergrondinformatie verworven over hoe men de op allerlei locaties aanwezig zijnde archieven moet zien, die tezamen de geschiedenis van de kolonie vertellen. Ook het besef dat de nu nog levende immigranten een inhoudelijke bijdrage kunnen leveren aan de beschrijving van archiefmateriaal is versterkt door het bezoek. Het TULIPANA-programma is bij diverse partijen goed onder de aandacht gebracht. Daarbij zijn verwachtingen ten aanzien van het project, de beoogde resultaten en de weg waarlangs deze resultaten bereikt worden bij de diverse partijen besproken en in een realistischer kader geplaatst. Er kunnen nu een aantal praktische zaken worden georganiseerd. Het grotere plaatje van erfgoedbeheer mag niet uit het oog worden verloren, maar het is wel zaak om met kleine haalbare activiteiten te beginnen en onderlinge contacten tot stand te brengen om deze te realiseren. Het TULIPANA-projectteam kan vanuit Nederland de activiteiten niet zelf gaan uitvoeren, maar wel initiëren, voorbereiden en begeleiden samen met archiefinstellingen in Brazilië.

Het uitgebreide verslag van het werkbezoek kunt u hier downloaden. Van het bezoek aan Holambra verscheen ook een artikel in het plaatselijke weekblad.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

Nieuws uit de Hollandse nederzetting in Brazilië

In augustus 1949 schreef pater Hilarion Remmerswaal O.Carm. (1916-1984) vanuit Rio de Janeiro een brief aan het Nederlandse weekblad De Linie, waarin hij zijn indrukken weergaf van het leven en werken van de pioniers op de Fazenda Ribeirão. Dit stuk werd op 24 september 1949 ook gepubliceerd in het Venrayse weekblad Peel en Maas. Hij doet verslag van een bliksembezoek van Geert Heymeijer aan Brazilië in januari van dat jaar, met als doel de laatste moeilijkheden rond de aankoop van de fazenda uit de weg te ruimen.

Een telefoon rinkelde ergens in Den Haag. Ingenieur Heymeijer nam de hoorn van de haak en zei droog: ‘Met Heymeijer’. Dan spalkten zijn ogen zich wijd open, terwijl zijn voorhoofd tot een smal strookje rimpelvel optrok, want van de andere kant klonk het: ‘Hier is telefoon voor U uit São Paulo, Brazilië’. Het gesprek was in ’t kort ongeveer aldus: ‘Er zijn moeilijkheden gerezen met ons contract. Kunt U niet even overkomen?’ Antwoord: ‘O.K.’ Das was op Driekoningen, donderdag 6 jan. 1949.
                Zaterdag 8 januari, toen vier dreunende motoren van een Constellation van de K.L.M. de lucht introkken boven Schiphol, keek Heymeijer peinzend door het raampje naar het kleine Holland, dat steeds maar kleiner werd voor zijn inwoners en hij streek over zijn gelaat: ‘’t Moet! Hier kan het niet langer; geen land meer voor de boeren…’
                Dan sprongen zijn gedachten naar het eindpunt van de reis: Brazilië, Fazenda Ribeirão. Hij zag ze voor zich liggen. Vijfduizend hectaren, die hij uitgezocht had voor zijn boeren, heet en gloeiend in de tropenzon, heuvelachtig, hier en daar bedekt door bos, maar grotendeels begroeid met taai, manshoog, wild gewas of met grassoorten, waar een Hollandse koe de neus voor op zou halen. Het contract van aankoop moest doorgaan, koste wat kost. Hij keek weer naar beneden en werd ongeduldig, omdat vanuit de hoogte gezien alles zo traag voorbij schoof. De motoren zongen nu kalm en eentonig, als zeiden zij: ‘Kalm, kalm! Die tienduizend kilometer werken we snel genoeg af..’

Twee dagen later…
Zondag 9 januari werd Heymeijer opgezogen in de miljoenenmassa, die op het hete middaguur door ’s werelds schoonste stad krioelt – Rio de Janeiro. Maandag maakte hij per vliegtuig de 500

Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim
Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim

km-sprong naar São Paulo en vandaar per auto de laatste 150 km naar de Fazenda Ribeirão. De eerste 70 km over gloednieuwe betonweg, doch dan begon hij in de sfeer te komen: stof, stof en nog eens stof. Machteloos waren de koplampen tegen de ondringbare wolken, die vóór hem rijdende wagens opjoegen. Als hij over een bestraat gedeelte reed, door de weinige plaatsen die aan de weg lagen, dan gingen snel even de ramen open om wat lucht te happen.
                Dan, twee dagen na zijn vertrek uit Den Haag, doemde een paar zeer zwakke lichtjes op uit de duisternis: de Fazenda! Een jeep begon te werken met z’n schijnwerper als wilde hij de weg aanwijzen. Daarboven, rechts en links volslagen duisternis. Kort daarop de opwinding van een onverwacht weerzien en Heymeijer stond tegenover de eerste drie durvers, die alvast begonnen waren met de voorbereidende maatregelen voor de vestiging van de kolonie der Nederlandse Katholieke Boeren.
                Diezelfde avond begonnen de besprekingen, niet in een deftige zaal, maar op een veranda van een verwaarloosd landhuis, zwak verlicht door op de tafel geplakte vetkaarsen, in wier flikkerende schijn weelderige goudenregen en de rode bloemen van metershoge cacteeën een romantische achtergrond vormden.

Vervallen oase…
De moeilijkheden, die het contract in de weg stonden, werden die week nog opgelost. Maar er waren nog andere obstakels. Er was letterlijk niets op de Fazenda, die tot dan toe gediend had als fokkerij van slachtvee voor een grote exportslagerij. Dat “fokken” bestond alleen in het vee bij duizenden bijeendrijven, het daar aan zijn lot over te laten en er zo nu en dan een honderd op te halen voor de grote abattoirs van São Paulo. Er was geen stroom. Er was één tamelijk fatsoenlijk huis en er waren 31 vervallen hutten, waarin de cowboys en hun families gehuisd hadden. Daar moesten zich nu 200 Hollandse boerenfamilies vestigen.
                De pioniers klommen met hun vieren in een jeep om een beetje rond te dwalen op die 5000 hectaren van bijna woeste grond. ’s Was gloeiend heet. Weg jasje, weg das, weg met dat boord. Ongeveer 5 km van huis werden ze overvallen door een tropische regenbui. Binnen enkele seconden zaten hun kleren drijfnat op hun lijf geplakt. Wat een land… Maar het buitje dreef over en voordat ze thuis kwamen, waren shirts en broeken alweer kurkdroog, gestoofd door de tropenzon.

Symbool
Zaterdag 15 januari vertok Heymeijer weer naar Rio, waar hij tegen de avond aankwam. De Constellation zou pas tegen de middernacht vertrekken. Hij had dus nog een paar uur en zocht wat rust in een wandeling door de stad. Het was midzomer. Temperatuur overdag 35° Celsius in de schaduw. De nacht bracht gelukkig enige verkoeling, hetgeen de mensen naar buiten lokte. Terwijl

Avenida Getúlio Vargas, Rio de Janeiro

hij zo over Rio’s grootste boulevard slenterde, de Avenida Getulio Vargas, zag hij zich plotseling midden in een menigte zingende en dansende negers. Tegen wil en dank voelde hij zich gegrepen door het ritme van een Afrikaanse dans, dat die bezwete, zwarte lijven heen en weer deed schokken, terwijl zij eentonig gezang met langgerekte kreten uit hun schorre kelen stootten. En terwijl hij zo toekeek, zag hij niet meer de moderne blanke wolkenkrabbers als achtergrond, maar een Afrikaanse jungle – niet meer de shorts en kapotte hemden der negers, maar weelderige vederbossen en kraalversiersels.
                Dan zag hij de slavenjagers, die hen wegsleurden uit hun nederzettingen – de schepen van Europa’s meest beschaafde volkeren, Holland niet uitgezonderd, waarop zij als vee naar de nieuwe wereld werden gesleept – de slavenmarkten van Rio van waaruit zij verdeeld werden over geheel Brazilië. En nu dansten ze hier op het onmetelijke trottoir van een onmetelijke Avenida in een miljoenenstad, half natuurkinderen nog, half geretoucheerd door de Westerse beschaving, met hun handen de slaginstrumenten bekloppend, en zingend.
                Hij voelde bijna tastbaar, hoe dit nieuwe land kreunde en kraakte in zijn sociale en economische ontwikkeling, nauwelijks honderd jaar geleden van uitgebuite kolonie tot zelfstandige staat geworden. Hij huiverde om de ontzaglijke moeilijkheden, die Brazilië’s vooruitgang belemmerden, maar hij zag ook de mogelijkheden van dit gigantenland, een de plaats, die zijn boeren in deze titanenstrijd zouden kunnen innemen.
                Toen hij enige uren later de zee van licht onder zich zag verzinken, was hij zich bewust, dat hij een nieuwe kijk had gekregen op Brazilië. Brazilië bezat veel, dat we in Holland gelukkig niet hebeen, maar ook ontzettend veel dat wij Nederlanders als zwaar gemis aanvoelen. Brazilië geeft je de kans, om strijdend de plaats te veroveren, die nobel idealisme je hartstochtelijk doet begeren. Nederland is als een theater, waar de plaatsen reeds te voren genummerd en uitgedeeld zijn.
                In luttele uren gleden de 10.000 km onder hem voorbij, met het Braziliaanse kustgebergte, de Oceaansprong van Recife naar Dakar, Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland. Maandagmorgen 22 januari, nog geen twee weken na zijn vertrek, was hij weer in een eigen huis op stelten, want als een bom vielen zijn woorden: ‘Vrouw, wij gaan ook. Dáár ligt onze levenstaak. Dáár moeten we vechten om de boerenemigratie tot een succes te doen uitgroeien.’ Twee maanden later vertrok hij definitief met vrouw en kinderen.

Paupiek
Ber Souren en zijn vrouw voor hun van gevlochten takken en met leem besmeerde woning, de z.g. pau-a-pique

Nieuwe wereld
Zeven maanden na bovenvermeld telefoontje vergezelde schrijver dezes vier nieuwe emigranten van Santos naar de Fazenda. Welk een metamorfose! Daar, waar in januari nog niets was, ratelde nu een enorme machine bij het plukken van 120 ha. mais; 80 ha. tarwe stond zacht op teergroene stengels te wiegelen, als fluisterden ze: ‘Sjonge, sjonge, hoe is het mogelijk!’ 30 ha. aardappelen en 25 ha. lupinen hadden de plaats ingenomen van het metershoge onkruid, waar een tractor bijna in vast raakte; 300 ha. waren reeds geploegd en nog 700 andere zouden klaarkomen voor de zaaitijd in december-januari.
                Dag en nacht dreunde een bulldozer met ploeg over de velden, onder laaiende zon of onder het schokkende licht van een schijnwerper, die op de machines bevestigd zat. De ganse dag zongen de electrische zagen hun scheurend lied in de timmerfabriek, klonk het gehamer in de smederij, waar steekvlammen groen en wit op het ijzer uiteenspatten. Vanaf een kale hoogte stond een gloednieuwe benzinepomp trots naar meer dan 300 koeien te staren.
                Er was een kapel met een prachtige muurschildering van de kapelaan der nederzetting. Stille, vriendelijke zusters liepen bedrijvig heen en weer. Tien gloednieuwe huizen van baksteen nodigden uit om binnen te komen; 46 anderen, in aanbouw, stonden al een dikke meter hoog en zouden binnen drie maanden klaar zijn; 31 leemhutten waren opgeknapt met een nieuwe cementvloeren en wat pleisterwerk, om als voorlopige woningen te dienen.
                En te midden van dat alles gingen de boeren hun weg, boeren uit alle streken van Nederland, mannen in de bloei hunner jaren en heel jonge kerels, bijna kinderen nog. Van kinderen gesproken: het was een genot, al die dialecten dooreen te horen als je stond te kijken bij de jongens, die aan het ravotten waren en bij de meisjes, die hier natuurlijk ook touwtje sprongen.
                En de geest, die daar heerste! Opbruisend van levensmoed en durf. Kerels, die zich door het zware pionierswerk niet lieten neerslaan, die spontaan de moed er weer in pompten, als de een of ander de kop liet hangen.

De reis naar Zuid-Amerika

De vorige bijdrage op deze website over de ellende in de kolonie Gonçalves Juniór trok de nodige aandacht. De schrijver van het stuk had geen geld om zijn dierbare familieleden een brief te schrijven en gaf daarom een inkijk in de barre werkelijkheid in de kolonie door middel van een ingezonden stuk in de krant. Andere emigranten hadden meer geluk en slaagden erin om op kosten van de Nederlandse staat te repatriëren. Dit was ook het geval met W. Groeneveld uit Dordrecht die na terugkeer in Nederland op 27 augustus 1910 verslag deed van zijn ervaringen in Gonçalves Juniór in de Dordrechtsche Courant. ‘Laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt’, zo eindigde hij.

Daar ik ruim een jaar in Brazilië ben geweest, wil ik gaarne iets mededeelen over hetgeen wij daar hebben moeten ondervinden.

De 21sten Juli 1909 vertrokken wij per stoomschip “Frisia” van Amsterdam en stoomden in 19 dagen naar Rio de Janeiro. Wat eten en drinken betreft, hadden wij op het stoomschip niet te klagen, dit was alles zeer goed. Toch valt het reizen als derde klasse passagier onder zooveel vreemde volkeren niet mede. Te Rio de Janeiro aangekomen, werden wij in kleine bootjes ontscheept en afgezet op een nabijzijnd eiland, Bloemeneiland genaamd, waar groote emigrantenhuizen staan. Ook daar hadden wij geen klagen; alles was er helder en zindelijk en het eten was goed.

Groep Hollanders
Een groep Hollanders voor hun huisjes in Gonçalves Juniór

Bij aankomst te Paranágua kregen wij weer huisvesting in een emigrantenhuis, een open schuur. Onze slaapplaatsen waren biezen matten op houten planken, en het eten was er zoo karig en slecht, dat de kinderen dikwijls van honger schreiden. Daarbij kwam nog, dat de aangestelde bestuurders van die emigrantenhuizen ons zooveel ze maar konden plukten en bestalen. Bovendien zijn die schuren onrein. Na een zeer kouden en slapeloozen nacht te hebben doorgebracht, kregen wij ’s morgens tot ontbijt slechts één broodje met zwarte koffie, de kinderen een half; ’s middags zwarte boonen met half gare rijst, een stukje vleesch, zoo taai, dat men het nauwelijks kon gebruiken; ’s avonds weer één broodje met zwarte koffie. Men kan zich dus wel eenigszins voorstellen wat voor een leven wij in zulk een schuur leidden.

Na een dag of zes in Paranágua te hebben doorgebracht, begaven wij ons op weg naar Curitiba, waar ons dezelfde lotgevallen wachtten. Ja, het werd eer slechter dan beter op; om brood werd zoo gevochten, dat de hulp van vier politiedienaren moest worden ingeroepen om de wacht te houden en de hongerigen rustig te houden. De reis van Paranágua naar Curitiba duurde 10 uur, na nog 10 uur sporens kwamen wij te Ponta Grossa aan, waar ons een nog verschrikkelijker leven wachtte. Een dag of 6 vertoefden wij te Ponta Grossa en werden toen vervoerd naar Iratí, het einde van de spoorreis. Na een dag of acht gingen wij weer op weg; een hotsende wagen, met zeven paarden bespannen, bracht ons naar het eindpunt, de “kolonie Gonçalves Junior”, waar wij ons geluk konden beproeven.

Men kan zich voorstellen, dat zulk een reisje recht aangenaam is! Een weg van ruim 4 uur rijdens, met groote steenen, knoesten hout en boomwortels bezaaid, leidde naar het doel van onze reis, waar wij hongerig en geradbraakt aankwamen in het laatste emigrantenhuis. In dit laatste emigrantenhuis bleven wij vijf weken; vandaar ging het naar de eigenlijke plaats van bestemming, waar ons land en een huisje werd aangewezen als onze toekomstige woonplaats. Wat hadden wij veel geleden voor wij in de kolonie aankwamen.

Een emigrantengezin voor hun onderkomen
Een emigrantengezin voor hun onderkomen

Elke emigrant krijgt 20 à 25 H.A. zwaar boschland, met een huisje van ruwe planken gebouwd, ter lengte van 6 M. en 4 M. breed. Zolders vindt men er niet; de dakpannen worden gevormd door een soort boomen. Vier luiken vervangen de ramen, daar glas voor den emigrant niet te verkrijgen is. Toch duurde het, met twee man, nog vier dagen, eer mijn huis gebouwd was. Van het z.g. dak had men weinig of geen beschutting; als het regende kon men even goed buiten blijven. De slangen oordeelden het niet noodig om door de deur binnen te komen, maar kwamen onder de vloer door; vliegende mieren nestelden zich in de kap van ons huisje, enz., enz. Daar het zwaar boschland was, dat wij gekregen hadden, kostte het veel arbeid en groote inspanning, eer wij een klein stukje in orde gebracht hadden, gereed om te bezaaien en te beplanten.

Gelukkig waren wij door onzen agent Herwijn uit Den Haag omtrent alles goed ingelicht. De regeering, vertelde hij o.a., zorgt voor al het zaaizaad. Nu, ik ontving dan ook vijf zakjes zaaizaad, elk inhoudende de waarde van ongeveer 2 cent, dus te zamen 10 cent, 23 legaardappelen om te pooten en 4 liter maïs. Bedden behoefden wij niet mede te nemen, want de kapok groeide er zoo maar voor het plukken, maar waar, dat wist niemand. Ook kreeg men een half jaar ondersteuning, tot de eerste schoof getrokken was van het gekregen zaad. Verder zou men, in de kolonie aangekomen, een stukje grond vinden, dat voor ons eigen gebruik geheel gereed lag om te bezaaien. Maar hoeveel malen wij wel niet gevraagd hebben waar dat stukje land met ons huisje lag, is ontelbaar.

Zooals men ons beloofd had, zouden we 6 maanden ondersteuning krijgen, doch voor die ondersteuning moesten wij hard werken, want in plaats van dadelijk op eigen land te mogen gaan werken, zooals gezegd was, moesten wij aan de door de bosschen aangelegde wegen arbeiden. Dit was als volgt geregeld: Had men een groot gezin, dan moest het hoofd van het gezin elke maand 28 dagen aan genoemde wegen werken. Daar ik twee kinderen had, die samen voor één man mochten arbeiden, moesten wij dus met ons drieën 14 dagen per maand arbeiden ten voordeele van een ander. De ondersteuning bedroeg 98 Milreis of ƒ 73 per maand. Doch geen cent van dit geld, dat wij toch eerlijk verdiend hadden, kwam ons in handen. Wij kregen er een boekje of bons voor. Op vertoon van deze bons konden wij dan in een der twee winkels onze dagelijksche benoodigdheden bekomen. Hoe billijk men ons in die winkels behandelde, blijkt wel uit de volgende prijzen: 1 pak lucifers 90 cent; 1 lampeglas 112,5 cent; 1 kan pertroleum ƒ 0.60; 22 kilo blom om brood te bakken ƒ 3.50; 1 kilo spek, meer zwaard en zout dan spek, ƒ 1,05; 1 kilo witte suiker, zoo wit als in Holland de bruine, 60 cent; 1 kilo koffie 90 cent, en als ze dan nog maar goed geweest was, doch ze bestond grootendeels uit chichorei; 1 L. zout 22,2 cent, voor vet, dat soms in het geheel niet te gebruiken was door zijn benauwde lucht, betaalden wij ƒ 1.35 per kilo; 10 L. zwarte boonen, wel 4 jaar oud en vol met levende beestjes, kostten 75 cent. Boter en kaas was voor ons niet te bekostigen, ½ pond boter kostte ƒ 2.25. Huisgezinnen zonder jongens, die in staat waren mede te arbeiden, waren er nog erger aan toe. Dan moest vader bijna de geheele maand aan de wegen werken, zoodat van het bebouwen van hun eigen land niets kwam.

Zoodra de eerste zes maanden verstreken waren, hield de ondersteuning op. Aan de wegen behoefde dan niet meer gewerkt te worden, doch van ons eigen land was dan natuurlijk nog niets te halen. Zij, die geen kleeren of andere zaken uit Holland meegebracht hadden om te verkoopen, waren aan den hongerdood blootgesteld. Ach, wij liepen allen rond als schapen, zonder herder, zoekende en schreiende om water en brood, terwijl wij dachten aan ons dierbaar vaderland en aan allen die ons lief waren.

Velen hadden reeds dooden te betreuren; ook wij, ouders, moesten binnen een half jaar drie onzer dierbare kinderen grafwaarts brengen. Hoe menige kranke lag te wachten op hetgeen zij noodig hadden, doch er was niets te bekomen, en wij, als nabestaanden, stonden daar machteloos tegenover. In de meeste gevallen was doktershulp bijna niet te verkrijgen, en woonde men ver van de kolonie af, dan in ’t geheel niet. Een huisgezin met acht zieken kon zich slechts drie maal daags met wat droge zwarte boonen, zonder vet, voeden. Van één flesch medicijn moesten 1 maal per dag een lepel nemen, wat slechts mogelijk was, doordat hun hetzelfde scheelde. Ter versterking kregen zij nu en dan een stukje apenvleesch. De schoonzoon dier ouders had gedurende zes weken zware typhuskoortsen. Den dag voordat de ongelukkige stierf, troostte de dokter de arme menschen met de woorden: “Morgen is Hagebout beter”, doch helaas, toen de dag van morgen was aangebroken, was Hagebout niet meer en liet een jonge, treurende weduwe achter. Veel, zeer veel wordt er geleden. Velen voeden zich met gepofte maïskolven; zoowel kinderen als ouders loopen barrevoets en met slechts weinig kleedingstukken aan, want alles is aan de Braziliaan verkocht, die nu, door den nood der kolonisten, die vroeger nooit genoten weelde leeren kennen van goede kleding aan te hebben.

Het land, dat met groote inspanning is bezaaid, heeft niets opgeleverd, door de vernieling van ratten, muizen, apen, groote mieren, slangen, hagedissen, enz., enz. Allen, die dan ook nog maar eenig geld hebben of iets bezitten om te verkoopen, vluchten zoo spoedig mogelijk uit dit onherbergzaam oord en haasten zich te Santos te komen, om met een der schepen van de Hollandsche Lloyd naar hun vaderland terug te keeren. Duizend maal dank aan onze regeering voor hare goedheid, om aan vele arme, ellendige landgenooten een vrijpas te geven!! Hoevelen hebben wij er echter in groote ellende moeten achterlaten.

Toch zijn er wel gezinnen, die het daar kunnen uithouden, als wij maar lieve vrouwen en kinderen hebben, die dan veel ten geschenke krijgen van de bestuurders of van den dokter. Sommigen een gezadeld paard, anderen 100 Milreis, weer anderen schoenen van 30 à 40 Milreis of een sjaal, en dergelijke dingen meer, welke geschenken van de andere emigranten gestolen waren. Elke emigrant was volgens wetboekje en belofte 600 reis of 45 ct. daags beloofd, maar was men eenmaal in de kolonie, dan kreeg men slechts 300 reis of ƒ 0.22,5, en daarbij nog de billijke behandeling van den winkelier.

Voor ons vertrek echter werd er een kleine school geopend, maar daarmee was ’t droevig gesteld, daar de schoolmeester de jongens niet kon verstaan en de jongens den meester niet. Om hen dan tot stilte te manen werd er een groote bel geluid. Sommigen werden door de bestuurders gedwongen aan hunne bloedverwanten en bekenden te schrijven, dat zij vijvers met eendjes voor hun huisje hadden, hoewel niemand ooit iets van vijvers of eenden gezien had. Vele welgestelden zijn de kolonie doodarm ontvlucht, anderen hebben hunne lieve vrouwen en kinderen opgeofferd, maar toch zijn er nog menschen, die, alhoewel zij in de diepste ellende verkeeren, nog trachten anderen tot hunne dwaasheid en ellende over te halen.

Dank aan de kloosterbroeders in den vreemde, die mijn gezin in den nood op de thuisreis van geld en voedsel voorzagen. Ook hartelijk dank aan den Hollander, den heer Bergsma, te San Paulo, die onze reis door zijn hulp, gaven en vriendelijke raadgevingen tot het einde deed gelukken. Ten slotte nog een waarschuwing aan alle Nederlanders: laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt.

Nogmaals dank, geachte redacteur, voor de verleende plaatsruimte.

W. Groeneveld van Dordrecht

 

Reisindrukken van een oud-planter (2)

In de tweede helft van zijn eerste brief in het weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis door Brazilië vanaf zijn aankomst in Rio de Janeiro tot en met zijn ontvangst in Carambeí.

Rio de Janeiro
Bij het binnenvaren van de haven van Rio de Janeiro komt de mensch geheel onder den indruk, daar de entree werkelijk schitterend is. Eerst ziet men een bergachtige met bosch begroeide kustlijn, waarin diverse rotsachtige eilandjes, hetgeen ons doet terugdenken aan de kust bij Emmahaven (Padang); dan draait ’t schip plotseling in de richting van de haven en treden, waar de groene bergen het blauwe water raken, talrijke wolkenkrabbers te voorschijn. Normaal duurt ’t dan nog wel een uur, alvorens men aan de kade ligt.

Rio de Janeiro beslaat een oppervlakte van ca 60 vierkante mijlen en bestaat uit meerdere gedeelten, welke gescheiden zijn door een tot aan de zee doorloopenden bergrug en door een kanaal. Waar we eerst ’s namiddags om 5 uur aan wal kwamen en den volgenden dag om 2 uur zouden vertrekken kregen we slechts een vluchtigen indruk van Rio, doch deze was alleszins gunstig. In kleur en opzet kan misschien geen tweede stad ter wereld met Rio vergeleken worden en inderdaad is ’t voor iederen passagier een uniek gezicht de haven van deze fameuze Braziliaansche hoofdplaats binnen te stoomen.

Direct trof ons na het debarkeeren aan ’t einde der enorme havenkade een in alle opzichten model clubgebouw, waar een tolk, die vele talen spreekt, den vreemdeling alle gewenschte inlichtingen geeft. Een keurig ingericht lokaal noodigt den bezoeker lokkend uit om; gratis een geurig kopje koffie te drinken, ten einde kennis te maken met dit voornaamste Braziliaansche uitvoerproduct. Zeer smakelijk gezet en netjes opgediend is deze wijze van reclame wel zeer origineel en zou o.i. ook op Java aanbeveling verdienen. Smakelijk gerangschikt ziet men in groote glazen bokalen alle soorten koffie, welke Brazilië oplevert, gesorteerd naar kwaliteit en grootte, als een kleine overzichtelijke tentoonstelling met duidelijke statistieken, zoodat iedere bezoeker onmiddellijk een idee krijgt van den enormen omvang dezer cultuur. Iedereen drinkt in Brazilië koffie en in groote hoeveelheden. Op de meeste plaatsen is ’t usance minstens 4-maal per dag koffie te drinken. Zou op Java en de buitenzittingen op dezelfde wijze en in dezelfde mate koffie gedronken worden, dan zou de koffiecultuur waarschijnlijk geen crisis· doormaken. De geringe populatie van Brazilië heeft vanzelfsprekend weinig invloed op de koffiemarkt hier, daar de verhouding van het totaal aantal inwoners tot de totale koffieproductie minimaal is. M.i. zou dat in Indië een ander geval zijn. We zouden deze populaire wij ze van reclame maken onder de aandacht van het Bestuur van het Koffiefonds willen brengen.

De straten in Rio evenals de gebouwen doen de reputatie der stad alle eer aan. Evenwijdig met de zee loopt een promenade van wit marmersteen, ongeveer 5 mijlen lang. Vele gebouwen zijn geconstrueerd als paleizen. Imposante pleinen, opgeluisterd door grootsche monumenten, fonteinen en liefelijke bloemenrijke parken werken mede om het aanzien van de stad op te vroolijken. Deze snelgroeiende stad met bijna 2½ millioen inwoners met hare feërieke verlichting, comfortabele hotels, luxueuze casino’s, sprookjesachtige beaches, unieke race-terreinen en onvergetelijke panorama’s zal zeker meer en meer bezocht worden. Door den internationalen tourist. De avondverlichting der stad is meer dan schitterend, als één unieke illuminatie, en Rio moet wel een der best verlichte steden der wereld. zijn. We wisselden onmiddellijk geld bij Cook en al dadelijk bleek, dat het Engelsche bankpapier hier de meeste waarde heeft. Het Engelsche Pond wordt naar verhouding het hoogst gewaardeerd en alle wisselkantoren, o.a. Cook, geven voor bankpapier meer dan de Banken voor wissels uitbetalen. .Amerikaansche dollars zijn eveneens goed, doch ook hiervoor geldt, dat men voor bankpapier meer ontvangt dan voor een wissel. Toekomstige Rio-bezoekers kunnen dezen tip onthouden.

We lieten ons door een taxi de stad rondtoeren tegen een tarief van 20 milreis per uur. 1 Milreis was op dat moment ongeveer 12 Hollandsche centen. 1 Milreis = 1000 reis en 1000 milreis = 1 conto de reis. We bezochten o.a. de eetgelegenheden “Taberna Carioca” en “Brahma”. De maaltijden waren goed en billijk, hoewel ’t moeilijk viel uit de Braziliaansche namen op het menu wijs te worden. Een Duitsch sprekende kelner helpt den vreemdeling echter wel op weg. Het viel ons onmiddellijk op, dat in Brazilië zooveel Duitsch gesproken wordt en in het Zuiden speelt deze taal een dermate belangrijke rol, dat b.v. in den Staat “Santa Catharina” zelfs de negers, afstammelingen der vroegere slaven, Duitsch verstaan.

Het bier in Rio, doch ook in de andere staten, welke we bezochten, is prima. Een glas vatbier, “chopp” genaamd, kost slechts 1 milreis en ’t zijn flinke groote glazen “duplo” genoemd. Bierliefhebbers kunnen hier hun hart ophalen. We bezochten ook een bioscoop, doch Java staat, wat de film betreft, zeker bij deze wereldstad niet ten achter.

CorcovadoWe beklommen per auto, respectievelijk tandradbaan, den top van de “Corcovado”, waar ’t wereldberoemde 35 m hooge Christusbeeld, hier “Christo Redemptor” genoemd, een machtigen indruk maakt en den bezoeker tot stilzwijgen dwingt. Van hieruit ontrolt zich aan het oog één der schoonste panorama-uitzichten der geheele wereld. Ook het uit granietsteen bestaande suikerbrood (Sugar-Ioaf-mountain) ziet men overal heinde en ver te voorschijn treden. We hebben aan Rio een mooie en dankbare herinnering bewaard.

Santos
Nadat we Rio verlaten hadden voeren we na één nacht varen bij het aanbreken van den dag de haven van Santos binnen, waar we de .boot zouden verlaten. Na Rio maakte Santos op ons den indruk van een kampong en vooral bij het langzaam binnenvaren krijgt men een armoedigen indruk. Langs de kust liggen overal hutten verspreid, welke ons sterk herinnerden aan onze kamponghuisjes. Vanzelfsprekend is de stad zelf veel beter, hoewel er alles op een rommelige havenstad wijst. De reusachtige goedangs [pakhuizen] langs de kade bewijzen, dat de handel hier belangrijk is. Santos is de grootste afscheephaven van koffie.

Voor het eerst gedurende onze reis maakten we kennis·met de douaneambtenaren en deze kennismaking was verre van aangenaam. Alle koffers en kisten moesten zonder uitzondering opengemaakt worden en de wijze, waarop dit geschiedde, was meer dan ergerlijk. Keurig verpakte en gespijkerde kisten werden zonder eenige égards ruwweg opengebroken. Dankzij de hulp van een door het Consulaat te São Paulo gezonden Hollander, die ons met zijne kennis der Portugeesche taal door vele moeilijkheden heen hielp, ledigden we dezen beker en konden we om 3 uur ’s namiddags met een keurige char-à-bancs naar São Paulo vertrekken, terwijl alle bagage per vrachtauto volgde.

São Paulo
Hotel Suisso Sao Paulo
De weg van Santos naar São Paulo stijgt snel tot boven 800 m boven den zeespiegel en biedt schitterende vergezichten. São Paulo telt ± 1.300.000 inwoners en is een groote industriestad en zakencentrum in Zuid-Amerika. We namen onzen intrek in hotel Suisso, waar we per persoon en per dag 20 milreis betaalden. De kamers waren eenvoudig gemeubileerd, doch de maaltijden waren overvloedig en smakelijk. De lunch en het diner werden door een goed strijkje opgevroolijkt. Toen we met andere Hollandsche reisgenooten den eersten avond aan het diner zaten, speelde de muziek het Wilhelmus, dat natuurlijk staande door ons werd aangehoord. Deze sympathieke geste van den Zwitserschen eigenaar van het hotel werd vanzelfsprekend naar waarde geapprecieerd. We vertoefden 5 dagen te São Paulo voor bezoeken bij den Nederlandschen Consul en diverse paperassenrompslomp en maakten ter eere van de onafhankelijkheidsverklaring van Brazilië o.a. een parade mee.

São Paulo breidt zich in enorm snel tempo uit. Oude huizen en gebouwen worden overal afgebroken en vervangen door wolkenkrabbers. Straten en bruggen liggen opgebroken om opnieuw te worden geplaveid en geconstrueerd. Door al deze bouwerij ziet de stad er ongeacheveerd en rommelig uit. Over enkele jaren zal Sao Paulo zeker een zeer moderne wereldstad zijn. We bezochten o.a. de beroemde Butantan-slangenfarm, waar serums bereid worden tegen alle slangenbeten. Het geeft een griezelig gevoel tusschen al die verschillende gif- en niet-gifslangen en vooral de monsterlijke gifpadden waren zeer onooglijk. Het klimaat van dit centrum van ’s werelds grootste koffiezaken is zeer aangenaam in dit jaargetijde, hoewel ’t in de zomermaanden januari en februari wel eens warm kan zijn. Tijdens ons verblijf echter waren de dagen met hun blauwe luchten en veel zon koel en was ’t er heerlijk.

Treinreis
Van São Paulo naar Ponta Grossa reisden we in een luxe slaapwagen. We vertrokken om 4 uur ’s namiddags en arriveerden den volgenden dag om 2 uur te Ponta Grossa. Deze slaapwagon is in twee helften verdeeld. In de eene helft zijn de slaapcoupé’s, terwijl de andere helft ingenomen wordt door verplaatsbare rieten fauteuils. Per volwassene betaalden we nog geen f 10.- Hollandsch geld, ’t geen voor 22 uren sporen, inclusief slaapcoupé, toch zeker zeer billijk is. Deze spoorlijn behoort aan eene particuliere Braziliaansche Maatschappij, terwijl de totale aanleg voor een vast bedrag per km door een Engelsch concern werd aangelegd. Het gevolg was natuurlijk, dat er duizenden bochten ontstonden, daar voor de geringste oneffenheid in het terrein de lijn werd omgelegd om een kunstwerk of grondverzet te vermijden. De baan ligt slecht, terwijl de veering der wagons eveneens abominabel is. Een treinreis in dit land is dan ook bij lange na geen pretje. Bij de vele onbewaakte overwegen vindt men borden met ’t volgende opschrift: “Pare – olhe – escute – passe”, wat beteekent: “Sta stil – kijk uit – luister en passeer”.

Ponta-Grossa
De hotels in Ponta-Grossa zijn primitief, doch uiterst billijk. De wegen in ’t stadje (35.000 inwoners) zijn slecht geplaveid. In de buitenwijken zijn de wegen zelfs nog niet verhard. Ook de verlichting laat nog zeer veel te wenschen over. Door het stadje trekken vele huifkarren door 8 à 12 muilezels getrokken, terwijl fazendero’s (grondbezitters) of hunne geëmployeerden op met schapenvachten gezadelde paarden met fantastische shirts en dassen en breedgerande hoeden een Far-west-sfeer scheppen. Trouwens zeer veel hier in het binnenland herinnert ons aan de Cowboy-films, welke we zoo nu en dan in Indië bezochten. We werden afgehaald en begroet door verschillende leden der Hollandsche kolonie Carambehy, waaronder o.a. de leider en de dominee. De spontane hartelijkheid en geboden hulp deden warm aan, en we accepteerden deze met graagte, daar de eerste indrukken van dit primitieve stadje verre van vroolijk stemden. Integendeel, onze eerste kennismaking met ’t hotelleven in Ponta Grossa viel geweldig tegen en met zeer gemengde gevoelens werd de eerste nacht doorgebracht.

Carambehy
Reeds den volgenden dag bezochten we Carambehy op ± 1 uur met de auto van Ponta Grossa verwijderd en onmiddellijk verbeterde de stemming, daar Carambehy een alleszins vroolijken en prettigen indruk maakte. Het land is lichtglooiend met schitterende vergezichten en men waant zich in een stukje mooi Holland. Het is de bewoners ten volle gelukt hun nationaliteit volkomen te behouden. U kunt U dus voorstellen een stukje uitgesproken mooi Nederland met ’t verrukkelijk klimaat van Zuid-Italië.

We huurden een eenvoudige leegstaande boerenwoning voor de luttele som van 80 milreis per maand, inclusief een groot erf met schuren en stallen en een mooie boomgaard. We besloten zoo spoedig mogelijk hierheen te verhuizen tot we t.z.t. na aankoop van eigen grond ons eigen huis zullen bouwen. In m’n volgenden brief zal ik U uitvoerig over ’t ontstaan dezer Hollandsche nederzetting, het leven en · alles, wat·daarmee direct verband houdt, vertellen.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.