De zeereis met de Algenib

Op 19 december 1948 vertrok de eerste grote groep emigranten met de ms Algenib naar Brazilië om zich te vestigen op de Fazenda Ribeirão, ofwel Holambra. Onder de reizigers bevond zich ook de familie Teunissen uit Diessen. Onlangs ontving op mijn website een bericht van Ans Peijnenburg. Haar vader was bevriend met Gerrit Teunissen, de oudste zoon van de familie. Gerrit Teunissen, die helaas in 1950 op Holambra is verdronken, schreef aan de familie Peijnenburg een verslag van de zeereis, die ik hieronder publiceer. Later stuurden de zussen van Gerrit vanuit Não Me Toque brieven naar Nederland met daarin de belevenissen van de familie. Ans zou graag deze brieven willen overdragen aan de familie Teunissen. Naar verluidt zou één van de dochters Zus (Rika) in Nederland wonen. Indien u meer weet, laat dan een bericht achter op het reactieformulier.

Ms Algenib

more “De zeereis met de Algenib”

Vier opa’s naar Brazilië (2)

In de vorige bijdragen kwamen vier Noord-Limburgse opa’s aan het woord voorafgaand aan hun bootreis naar Brazilië om daar hun kinderen en kleinkinderen te bezoeken. Het katholieke dagblad De Tijd publiceerde 16 januari 1953 een impressie van hun reis en hun aankomst in Brazilië.

Op 27 november zijn ze aan boord van de “Alioth” gegaan, een vrachtboot met accommodatie voor dertig passagiers. Met goede moed werd de reis ingezet, doch in de Golf van Biscaje was de zee echter zó ruw, dat toch enige benauwde ogenblikken werden doorgemaakt. Slechts één van de vier heeft last gehad van zeeziekte, terwijl de overige passagiers allen ziek in hun kooi lagen.

1Alioth201950a

De tijd brengen ze grotendeels door met kaarten onder het genot van een goede sigaar en borrel. De eerste zondag aan boord was voor de vrome opa’s wel een vreemde gewaarwording, daar er geen gelegenheid was Mis te horen in plaats van twee keer, zoals ze gewend waren. Ze lieten daarom de kralen van de rozenkrans maar een keer vaker door hun vingers glijden.

In Las Palmas hadden ze een dag oponthoud voor het verladen van goederen en de volgende dag werd koers gezet naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië, waar ze 13 december aankwamen en begroet werden door twee Limburgse missionarissen, pater Thielen en pater Goumans. Na Rio bezichtigd te hebben, werd de volgende dag de reis voortgezet naar Santos, waar ze opgewacht werden door pater Van der Sterren en enkele medebewoners van de fazenda, het eigenlijke doel van de reis.

Geen paradijs.

De Nederlandse emigratie naar Zuid-Amerika, 1858-1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel omvangrijkere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. Swierenga’s conclusies zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zich richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

– Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
– De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
– Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
– Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
– Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen);
– Onvoldoende capaciteiten als landbouwer.

Zeeuwen in Espírito Santo
De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst. De opbrengst kon men vervolgens gebruiken voor het afbetalen van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.

A Espirito SantoOp 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in het zuiden van Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ook ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.

De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen die Holanda en Holandinha werden genoemd. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.

Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voor handen. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.

Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

Argentinië
Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.

In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1891 4474 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen, Friesland en Zeeland. Van hen waren 3742 emigranten, 84% van het totaal, zogenoemde kredietpassagiers. Zoals uit de onderstaande Argentijnse statistiek blijkt, arriveerden ook het merendeel van de ca. Belgen en Fransen dankzij de door Argentinië beschikbaar gestelde kredietpassages. Van de Spanjaarden en Engelsen was die maar voor de helft het geval, terwijl het merendeel van de Duitsers, Oostenrijkers, Zwitsers en Italianen hun overtocht zelf betaalde.

A tabel

Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede. Al in 1890 constateerde de Commissaris-Generaal van het Argentijnse Departement van Immigratie dat een deel van deze ellende ook te wijten viel aan de verleende kredietpassages: ‘Zij bezaten niet het minste kapitaal, en in ’t algemeen evenmin een voor ons land geschikt beroep. Ten einde de passage machtig te worden, deden zij de valsche verklaring, dat zij landbouwers waren en met het doel terugbetaling van het ontvangen voorschot te vermijden, teekenden zij valsche schuldbekentenissen met valsche namen.’ Er heerste ‘overal bedrog in deze uit de laagste klasse der maatschappij voortgekomen immigratie. Ontbloot van alle energie, waren deze elementen ook niet in staat tegen hunne oude gewoonten te reageeren in het nieuwe land hunner vestiging; zij konden tot den vooruitgang van ons land niet bijdragen. Twee derde van de kredietimmigratie was slecht.’

A ArgentiniëKort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Daarnaast verleende de in 1889 in Buenos Aires opgerichte Nederlandse vereniging aan circa 200 Nederlandse gezinnen en ongehuwden onderstand.

Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië en het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding met Buenos Aires.

Mislukking en nieuwe start
In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd in 1907 vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het merendeel van de landverhuizers was dit keer afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

A Z-BrazilieDe emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Verder waren vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië vertrokken, terwijl anderen zich vanuit de kolonies vestigden in Braziliaanse steden. Door de negatieve berichtgeving over de immigratie en het snelle vertrek van veel emigranten uit de kolonies besloot de Braziliaanse regering met ingang van 1910 de verstrekking van vrije passages te staken. Voor de Nederlandse regering waren de berichten aanleiding om een ieder, die geen landbouwer was of over enige middelen beschikten, ten sterkste te ontraden naar Brazilië te emigreren. Het gevolg van de bemoeienis van beide regeringen was dat het aantal Nederlanders dat emigreerde sterk terugliep.

A Brazilië immigratie
Nederlandse immigratie in Brazilië, 1908-1916

Na de scherpe terugval stabiliseerde de emigratie naar Brazilië zich voor enkele jaren rond de ca. 250 per jaar. Onder de emigranten bevonden zich ook enkelen die eerder met steun van de Nederlandse overheid waren teruggekeerd. Zij wilden terugkeren omdat zij terdege mogelijkheden zagen in Brazilië. Samen met enkele nieuwe emigranten stonden zij aan de wieg van de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. Deze kolonie ging in 1911 van start nadat enkele enkele Nederlandse emigranten van Gonçalves Junior erin waren geslaagd in Carambeí grond te verwerven van de Brazil Railway Company. Hun positieve verhalen waren voor familieleden en bekenden uit hun dorp van herkomst een reden om nu ook naar Brazilië te vertrekken. De pioniers van Carambeí waren afkomstig uit het Zuid-Hollandse ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer.

Met het aflopen van de mislukte emigratie naar Brazilië groeide wederom de migratiebeweging naar Argentinië. Van 1905 tot en met 1917 vertrokken 2200 Nederlanders naar dit land. Het merendeel van deze emigranten waren zakenlieden en kooplui. Boeren en ongeschoolde arbeiders vormen nog slechts een kleine minderheid. Dit was ook het geval in de jaren twintig, toen zich nog eens 1200 Nederlanders in Argentinië vestigden. Een deel van de boeren die vertrokken ging de bestaande Nederlandse kolonie Tres Arroyos versterken.

A migratie Z-AmerikaDe Koninklijke Hollandsche Lloyd heeft een belangrijke rol gespeeld bij de groei van de emigratie naar Zuid-Amerika in de zeven jaren voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. De grafiek laat het verloop van de emigratie vanuit de Nederlandse havens naar Zuid-Amerika zien. We kunnen constateren dat vanaf 1907 de KHL deze migratiebeweging volledig voor zijn rekening heeft genomen. Het merendeel van de migranten waren afkomstig uit het Duitse achterland. Net als uit de statistiek van de Braziliaanse immigratiedienst wat betreft de Nederlandse migratie naar voren kwam, zien we ook hier dat in 1910 de het aantal landverhuizers dat via de KHL vertrok sterk terugliep. Oorzaak was het feit dat de Braziliaanse overheid geen vrije passages meer verstrekte. Dit was een tijdelijke dip, die zich daarna weer herstelde. Terwijl de Nederlandse emigratie stabiel bleef op het lage niveau van ca. 250 per jaar, was het herstel vooral toe te schrijven aan het feit dat met name Duitse emigranten nog wel gebruik konden maken van door de Braziliaanse overheid verstrekte passages.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen Antko als gevolg van de crisis in Argentinië werd ontslagen begon ht gezin aan een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 13 september 2014 voor Genootschap Amstelodanum in Koffiehuis van de Koninkijke Hollandsche Lloyd ter gelegenheid van Open Monumentendag.

Bewaren

Moed gehouden

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (2)

 Op 25 september 1889 gingen Antko Drenth, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen aan boord van de ms Schiedam, op weg naar Argentinië. In de eerste brief, die Drenth na aankomst in Buenos Aires naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de bootreis. Hoewel zij onderweg getuige waren van enkele ongelukken met dodelijke afloop en ook Rijna ziek was, verliep de reis voor henzelf voorspoedig. De brief, zoals deze werd gepubliceerd in het boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat een aantal onjuistheden. Op de boot bevond zich ook de familie Koornstra uit het Friese Koudum . Hun brieven zijn ook te lezen op internet en beschrijven ten dele dezelfde voorvallen tijdens deze reis. De onjuiste data die in de Brieven vermeld staan, zijn aan de hand van de brieven van de familie Koornstra gecorrigeerd.

Santa Rosa, den 24 November 1889.

Geachte familieleden, Vrienden en bekenden!

ss-Schiedam-W
SS Schiedam

Ik laat u bij dezen weten, dat wij allen in goeden stand zijn overgekomen, wat al veel zegt op zoo’n grooten tocht en waarvoor wij dan ook in hooge mate dankbaar zijn. Op reis hebben wij zóóveel gezien en ondervonden, dat het mij wel niet mogelijk is, dat alles ten nauwste te omschrijven. Want het is niet alleen een lange tocht naar Zuid-Amerika, maar er valt onderweg zooveel op te merken langs vreemde kusten, dat mijn pen ten eenenmale niet in staat is, dat alles weer te geven of liever u een beeld voor te tooveren. Zooals gij weet werden wij op den 25en September 1889 te Amsterdam ingescheept, om reeds den volgenden dag te IJmuiden door de sluis te gaan en onmiddellijk het ruime sop te kiezen. Den 28en landden wij al reeds aan de Fransche kust, bij de stad Boulogne. Hier was het, dat de zorgen ernstig begonnen op te wegen door een gevreesde ongesteldheid mijner vrouw. Een gevaarlijk bloeddiarrhee takelde hare krachten zoodanig af, dat ik heimelijk vreesde voor ’t ergste. Zij werd aan boord in ’t hospitaal uitstekend verpleegd en wij mochten het innig genoegen smaken, dat zij na eenigen tijd weder, hoewel erg verzwakt, toch gezond op ’t dek verscheen. Intusschen vervolgden wij snel onzen weg. Reeds op den 1en October hebben wij Corsina, eene stad in Spanje,[1] aangedaan en reisden toen verder door langs de kusten van Spanje en Portugal, zoodat wij des avonds tegen 8 uur van den volgenden dag te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, arriveerden. Naar men ons mededeelde is dit de schoonste stad der wereld, vooral ten opzichte der ligging in ’t gebergte.

Lissabon in 1890
Lissabon in 1890

Hier begon het al ongewoon warm voor ons te worden. Nadat wij kort te Lissabon vertoefd hadden, ging het weder voorwaarts, om op den 5den October te Las Palmas aan te komen, waar den volgenden dag steenkolen werden ingenomen, om dan voor goed het vaste land van Europa te verlaten, en als ’t ware te trachten nader tot de zon te komen. In Las Palmas werden ons heerlijke Oostersche vruchten verstrekt, die zich goed lieten smaken.

Den 9 October stierf er aan boord een kind[2], dat al spoedig aan de golven werd prijs gegeven en kort daarop overleed een kolentremmer, die werkzaam was bij de machine; men zeide, dat die ongelukkige tengevolge de groote hitte der machine was bezweken. Binnen één uur tijds was hij gezond en . . . dood. – En reeds den volgenden morgen ten 5 ure werd ook dit lijk aan de zee toevertrouwd.[3] Ik geef u de verzekering dat deze gevallen geducht op ons terugwerkten en wij allen in een onaangename stemming verkeerden. Wij bevonden ons nu al op een hoogte, waar de zon bijna loodrecht boven ons stond, dus al warm, en terwijl er nagenoeg geen windje op te merken was, lag de groote, ontzagwekkende zee als ’t ware te sluimeren van haar altijddurend voorwaartsch snellen naar het eindelooze, het onbekende, het eeuwige. O zeker, er is poëzie in de zee en heerlijk kunnen somwijlen de tonen zijn, die zij ons toeruischt. Zoo passeerden wij den 11 October kaap Sint Vincent het uiterste westelijke punt van Portugal.[4] Hier zagen wij een gebergte, dat boven de wolken uitsteekt. Den 13 October alles wel aan boord; de zee lag nog even schilderachtig daarhenen en wij hadden het erg warm.

Geen wonder voorwaar en zeer begrijpelijk, toen ons den volgenden dag werd bekend gemaakt, dat wij ons nu vlak onder de zon bevonden. Ik geef u de verzekering, dat het een eigenaardige gedachte is zich op zoo’n hoogte te bevinden, en men onwillekeurig geleerden benijdt, die, (het is zoo te zien) op deze hoogte aangename bezigheden verrichten ten dienste der wetenschap. Ook op dit punt hadden wij weder een sterfgeval te betreuren; dit was dus al reeds het derde sterfgeval op onze reis. Er waren nog mee ziekten aan boord en hoewel men ons vertelde, dat er op deze hoogte gewoonlijk veel sterfte heerscht, vooral onder kleine kindren van een à drie jaren, hadden wij het groote genot onze kinderen te zien spelen als lammeren. Zij bewogen zich vrij en ongedwongen op het dek in gezelschap van anderen. Deze vrijheid was een groot genot, waarvoor alle hulde toekomt aan den gezagvoerder, die dan ook van de zijde der ouders werd betoond.

Wederom een sterfgeval – nog een en twee dagen later nog ….. twee. Dit geschiedde op den 17-18 en 20 October. ’t Was droevig, wat ons deze gebeurtenissen te zien gaven vooral met het oog op de bedroefde familieleden, die zóó hunne geliefden moesten missen. De ernstige vraag rees dan ook bij ons op: kan het morgen ook uw beurt zijn ? Onder deze stemming dankten wij den Allerhoogsten, dat wij tot dusverre nog bij elkander waren in ’t bezit van de nooit genoeg volprezen gezondheid, die ons dan ook zoo te stade kwam, om zooveel mogelijk diensten te bewijzen aan onze droeve reisgenooten, waaraan wij dan ook alle krachten wijdden. Gij zult wellicht zeggen: wat een mengeling van omstandigheden, die zoo’n reis doet ondervinden, als ik u nu weer vertel, dat wij op den 21en October algemeen verrukt stonden bij het aanschouwen van groote zwermen zwaluwen en dat op den grooten Atlantischen Oceaan. ’t Was verrukkelijk deze trouwe boden van voorjaar en herfst – die zoo in ons vaderland als geliefde voorjaarsboden worden gehuisvest –in massa te zien voortsnellen naar het zuiden. Zij schenen vermoeid te zijn, daar een groot gedeelte der zwerm zich ter ruste neerzette in het want van ’t schip tot aller aangename gewaarwording. ’t Was of die lieve onschuldige diertjes ook hier tot ons kwamen, om ons een groet te brengen, die ieder voorjaar opnieuw ons in ’t noorden zoo aangenaam is, ’t was alsof ze nog eenen laatsten groet brachten aan den huiselijken haard. Wij hadden algemeen respect voor het nederdalen dier massa in ons want; niemand dan ook, die de te laken moed had één dezer natuurgenooten te vangen of te beleedigen, gelijk het maar al te veel blijkt te geschieden in Frankrijk, aan de kusten der Middellandsche zee, ter wille van modes meestal gewijd aan dames van ijdel gehalte. – ’t Was op deze hoogte warm – zwoel – van daar geen wonder, dat ons in den nacht van 21 op 22 October een onweder overviel zoo hevig, als ik en zooveel anderen het nimmer ondervonden.

De bliksem verlichtte op indrukwekkende wijze zee en schip, terwijl holle donderslagen alles deden trillen. Daarop volgde een slagregen zoo geweldig, als het mij nimmer heugde. En onder deze omstandigheid had er weder een sterfgeval plaats. Met dezelfde formaliteiten als de overigen, werd ook dit lijk spoedig aan de zee toevertrouwd.

Eindelijk, ’t was op den 21 october, zagen wij tot aller blijdschap de Braziliaansche kust en konden bij eenig geluk dus binnen korten tijd aan wal zijn. Doch wat moesten wij eerst nog niet ondervinden – wat moest ons oog nog eerst zien ? ’t Was ’s morgens van den 24en, dat, uitgelokt door schoon weder, vele passagiers zich op dek begaven. Onder ons gezelschap bevonden zich twee jonge Duitsche mannen. Deze, blijkbaar vrienden, die uitgetrokken waren, om ook hun geluk in ’t zuiden te beproeven, vierden hun dartelheid bot in ’t stoeien. Helaas, nadat wij hen in hun vaardigheid een poos hadden gadegeslagen, verdwenen zij als in een tooverslag: zij vielen over boord en ….. niemand zag een enkel spoor van hen terug.[5] Nog huiver ik bij de gedachte aan dit feit; aan die beide goede vrienden, die zoo noodlottig moesten heengaan, te meer ook nog, dat het een paar gulle jongens waren, waarmede wij alzoo veel aangename kennismaking hadden aangeknoopt, dat men elkanders gezelschap noode konden missen.

Den 25e October alles betrekkelijk wel aan boord, doch wij verkeerden algemeen in gedrukte stemming en konden den indruk der treurige geschiedenis onzer goede Duitsche kameraden niet maar zoo vergeten. Arme vrienden, uw heengaan moge vrede zijn! In den loop van den dag beviel er eene vrouw, welke gebeurtenis algemeen met vreugde werd begroet, nadat wij vernomen hadden dat alles wèl was. Wat al wisselingen in dit leven, niet waar ? wat al een mengeling van omstandigheden ondervindt men en vóóral op zoo’n groote zeereis. Het is echter in hooge mate troostend en aangenaam voor ’t gemoed, dat de broederschap en eensgezindheid op een schip, welker bevolking als ’t ware een maatschappij in de maatschappij vormt, voorbeeldig is, welke omstandigheid den reiziger veel leed geduldig doet dragen en vergeten. En zoo ging het steeds door en verder. De kolossale machine, die dag en nacht haar forsche slagen deed hooren, verkondde, dat wij er snel door gingen, ’t was alsof ze ons telkens toeriep: houd moed! straks zet ik u in ’t nieuwe vaderland. Van den 26- en 27en Oct. valt geen bizonder nieuws te zeggen, alleen de algemeene opmerking werd gemaakt, dat het kouder werd.

’s Avonds van den 27en zagen wij het eiland St. Carlos, nadat we het eiland St. Marie reeds waren gepasseerd. Een eigenaardig gevoel maakte zich van ons meester, toen wij vernamen, dat we na eenige uren binnen konden zijn. ’t Was ons te moede alsof wij nu een andere wereld, of liever een andere planeet zouden betreden, waar we slechts wonderen zouden zien en na vele jaren van moeite en strijd tot geluk en welvaart zouden komen. En inderdaad, in den vroegen morgen van den 28en October zagen we weder land, dat we snel naderden en toen al spoedig de groote haven van Montevideo binnenliepen. Wij gevoelden ons recht gelukkig aan wal te zijn en door innige dankbaarheid gedreven zongen wij uit het diepste der ziel Psalm 103: vers 1-2.

Loof, Loof den Heer, mijn ziel met alle krachten,
Verhef Zijn naam zoo groot, zoo heilig ’t achten,
Och of nu al, wat in mij is Hem preez,
Loof, loof mijn ziel! den Hoorder der gebeden,
Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden!
Vergeet zo niet: ’t is God die z’ u bewees.

Loof Hem, die u al, wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij genadig wil vergeven,
Uw krankheen kent en liefderijk geneest,
Die van ’t verderf uw leven wil verschoonen,
Met goedheid en barmhartigheid u kroonen,
Die in den nood uw redder is geweest.

’t Was ’s morgens te elf ure van den 28sten October, dat wij het schip verlieten en Montevideo binnen gingen. Zoo hadden wij dan, nadat we Kaap St. Vincent gepasseerd waren, 17 dagen en even zooveel nachten gestoomd. Ontzaggelijk is de afstand, die we thans van u verwijderd zijn. Zie zoo, daar zijn we dan in het nieuwe vaderland en wat zal het nu zijn? Ja, wat zal het nu zijn! Zoo was de gedachte onder een drukkend gevoel. Ik kan u dan ook zeggen, dat er een angstige uitdrukking op veler gelaat te lezen stond en een zeker heimwee zich meester maakte van velen. Evenwel moet ik u eerlijk bekennen, dat mij in alles de moed bijbleef en zoo stapten wij in eene massa het emigrantenhuis binnen, beladen met zak en pak.

Dit emigrantenhuis is ontzaglijk groot. Ruw gebouwd van hout, het bergt 12- à 14.000 menschen, welk getal er op dien dag zeker ook wel aanwezig was. En dan een mengeling van, ik zoude wel haast zeggen: alle volken der aarde, ieder met zijn plunje belast en elk, het was zoo op te merken, eveneens belast met bitteren zorg. Deze ophooping van al die menschen was te groot en spoedig ontdekten wij dan ook de gevolgen er van. Dat groote tal van weerlooze kinderen, waaraan geen tijdige hulp kon worden verleend, die verbazende onaangename menschenmassa veroorzaakte ontzettend veel leed en overlaadde ons – nog niet gerekend de op proefstelling onzer gehoor- en reukzenuwen – met levend onrein zoo ijselijk, dat het eenvoudig niet is te beschrijven. Hier moesten wij vijf dagen vertoeven en werden we dus al op proef gesteld. Nu had ik gaarne de groote stad Montevideo eens nader willen bezien, doch, daar we emigranten waren op staatskosten en dus als ’t ware kinderen van den stat, was het niet geoorloofd, om naar eigen wil te handelen. Nadat wij dan vijf dagen te Montevideo vertoefd hadden, ging het weer verder, ieder naar zijn aangewezen kolonie. ’t Was toen wel in ’t bizonder, dat de zorgwekkende gedachte opdoemde: “Wat zal het straks wel zijn!” Doch moed gehouden, zoo dachten wij en spoorden elkander tot moed houden aan.

Vaartwel, onze waarden, vaartwel! God de Heer zij en blijve met u. Ik hoop spoedig eens weer te schrijven van ons wedervaren.

A. Drenth



[1] Coruña.

[2] Dit kind was afkomstig uit Marrum, Friesland. Zie de brief van J. Koornstra en S. Bijlsma van 11 oktober 1889.

[3] Hierover schreven Koornstra en Bijlsma op 11 oktober: ‘Er is geen sprake van begrafenis of lijkrede. Een paar matrozen en de administrateur erbij doch er wordt geen woord gesproken, net zo min als dat er zondags sprake is van kerk houden.’

[4] São Vincente op het Portugese eiland Madeira.

[5] Volgens Koornstra ging er door het stoeien een hek los en stortten beiden achterover in zee. Brief van 2 november.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.

 

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (2)

Tragiek van een te klein moederland

‘Van hen wil ik geen steuntrekkers maken,’ zei boer Sanders, wijzend naar zijn drie oudste spierwitte kinderen, die heel Diessen, voor zover nog niet wakker, op stelten zetten, toen ze de bus in moesten. ‘Ik heb geen grond voor ze, wanneer ze groot worden…En naar de fabriek sturen, doe ik ze ook niet. We hebben geen ruimte meer. Bovendien komen er mij teveel vreemden op m’n erf, hier in Nederland, en iedereen steekt tegenwoordig maar z’n neus in je bedrijf…Nou, en daarom ga ik met mijn vrouw en vier kinderen naar Ribeirao…’

Sanders
Mevrouw Sanders-Versteden met Marietje, Tonia en Theodorus op de loopplank van de Algenib

Zaterdag zijn ze dan eindelijk vertrokken. Voor dag en dauw de bus in, die hen via Den Bosch naar Antwerpen brengen zou. Het was voor deze Oost-Brabantse en Noord-Limburgse gezinnen de dag van hun leven. De meeste emigranten waren gewone, vrij gegoede boerenmensen; enkel andere landverhuizers gingen mee als vaklui voor de nieuwe kolonie, terwijl een der weinige Hollanders bij deze groep zijn bekwaamheid als bosbouwkundig ingenieur in dienst van de Nederlandse gemeenschap te Ribeirao zal gaan stellen. De emigratie naar Brazilië, onder auspiciën van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond verschilt van de andere emigratie hierin dat Brazilië kolonievorming toestaat en bovendien door credieten de emigranten op betrekkelijk belangrijke wijze in de aanvangskosten tegemoet komt.

Al deze Nederlanders keerden voorgoed op deze zaterdag hun smalle akkers in het moederland de rug toe. Het was dezelfde smalle grond, welke hen generaties lang had gevoed, welke steeds weer op een nieuwe generatie van vlijtige, sober levende boeren was overgegaan. Thans was deze grond…te klein geworden. Niet zozeer voor hen zelf, alswel voor hun kinderen. In deze groep was er slechts één, die emigreerde uit angst voor de Russen. Alle anderen zagen er voor hun kinderen geen gat meer in, waren zelf momenteel in vrij goede doen. Zij hadden alle schepen achter zich verbrand en op die zaterdagmorgen stonden zij voor het laatst in hun leeggeruimde woonkamer, liepen voor het laatst over de eigen vertrouwde grond waar hun vader en diens vader, waar geslachten vóór hen het brood voor zich en de hunnen hadden verdiend, en namen afscheid van alle bekenden in deze kleine vertrouwde dorpen.

Dat dit een zwaar uur was, bewezen wel de ogen van moeder Sanders, die met haar kleinste dochtertje op de arm (tien maanden oud) de bus binnen kwam en de andere drie, vlasblonde hummels (luidkeels huilend) met een paar sussende woorden op hun gemak probeerde weg te stellen. Zij waren nooit uit Brabant weggeweest, boer Sanders had vijftien bunder land, maar voor deze vier kinderen, het oudste vier jaar, zag hij in dit land geen toekomst meer.

En daar was de familie Theunissen uit Diessen: één zoon, en drie Brabantse “blommen” van dochters, die hun hart ondanks hun twintig lentes of meer, om de drommel nog niet aan de “new look” hadden verpand. Een van de drie dochters had nog nooit in de trein gezeten, kreeg er vlak voor haar vertrek de kans voor, zou dan tegelijk voor het eerst (en ’t laatst) van haar leven Amsterdam en Den Haag kunnen zien, en zei: ‘Och, denkt U dat ik daar zoveel wijzer van zou worden?’ Een goed, degelijk slag volk, en boer Theunissen, met 59 jaar, twee boerderijen achter latend – ‘ze doen ‘t nie van erremoej!’ – was de oudste emigrant. Toen iedereen dan in de bus zat en buiten in de eerste schemer de achterblijvende boeren onder hun stijve Brabantse petten bedachtzaam en niet begrijpend het hoofd hadden geschud over zoveel “Braziliaans onverstand”, kwam burgemeester Van Wijnhoven nog persoonlijk alle mensen de hand schudden: ‘Als ’t jullie niet bevalt, kom dan maar terug naar Diessen; we zullen jullie weer met open armen ontvangen’. En daarna kwam “Sjaak-van-Kees-Ome” (weet U wel) nog efkes, en zei: ‘Ge loat nog mar iets van oe heure, en ge èt de groete nog van de smid’, waarna Theunissen nog even het raampje opschoof en tegen de bakker riep, dat ie zijn laatste broodjes voor hem gebakken had. Het waren er overigens zóveel, dat de hele bus met wegbrengers er op de terugweg ruimschoots van gevoed werd!

In Den Bosch was nog een laatste H. Mis op Nederlandse bodem. Een goed, degelijk volk, dat daar, aan de voeten van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, afscheid kwam nemen en de zegen afsmeekte over zijn nieuwe ontzaglijke levenstaak. Van het nieuwe land hunner toekomst hadden ze alleen maar een film gezien, en na het gemeenschappelijk ontbijt, raakte Sanders al in de wereldstad Den Bosch zijn vrouw met de spruiten kwijt, en beloofde dood-zenuwachtig zijn laatste Nederlandse rijksdaalder aan St. Anthonius.

In de namiddag begon aan de Statiekade in Antwerpen – haast niemand nog had al een boot van zo dichtbij gezien – de inscheping. Ze werden er allemaal een beetje zenuwachtig van toen ze de steile loopplank naar de Rotterdamse “Algenib” opklommen, en het nieuwe leven zond reeds een overrompelende voorproef toen er even later sloepenrol gehouden werd. Maar men bleef welgemoed en een van hen zei: ‘’t Is de wereld nie uit, mar ge moet nie achterom kijke…’ Laat in de nacht verdween de kust van Walcheren achter een mistige gure winterhorizon en verloor Nederland – het waren niet de eersten, het zullen ook de laatsten niet zijn – wèèr een aantal van zijn beste en moedigste mensen.

Een stuk van zijn sterke, degelijke kern brokkelde af, ging in een ver en nieuw land waar ruimte was, een nieuwe toekomst opbouwen. Hun energieke voortrekker, de sympathieke “emigrantenvader” ir. G.J. Heymeijer, drukte hun onder doodse stilte op het hart, om ‘hard te zijn voor zichzelf, en hart te hebben voor hun medekolonisten…’ Waarna huntoekomstige Norbertijner-Pastoor, pater dr. Sijen, nog over het apostolaat sprak, als zij als Nederlandse katholieke gemeenschap te vervullen hadden, en tenslotte het ontroerende reisgebed bad…. ‘God, onze Zaligmaker, geef ons een voorspoedige reis; toon ons Heer, Uw wegen…’ In Ribeirao hopen in de toekomst meer dan tweehonderd Nederlandse gezinnen een nieuw bestaan te vinden.

De Maasbode, 20 december 1948.

Reisindrukken van een oud-planter (1)

In de eerste aflevering van zijn brievenreeks in het Indische weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis vanuit Nederlands-Indië tot en met zijn aankomst in Carambeí. In het eerste deel van zijn verslag, vertelt hij over de bootreis van Java via Singapore en Zuid-Afrika tot zijn aankomst in Rio de Janeiro.

De bedoeling dezer brievenreeks is het contact te behouden tusschen oud-collega’s en vrienden- op Java en Sumatra en ons, op onze aanstaande standplaats Carambehy, eene Nederlandsche nederzetting in den Staat Paraná (Zuid-Brazilië) op ca. 25° Z.B. en ± 1050 m. boven den zeespiegel, met een aangenaam klimaat in een schitterende natuur. De zomers zijn er milder dan in Nederland, terwijl de winterdagen er zonnig en droog zijn en de thermometer ’s nachts slechts zelden onder het nulpunt komt. Volgens verkregen inlichtingen derhalve een dorado voor oud-Indischgasten. Ik zal U na grondige oriëntatie volkomen over deze kolonie inlichten en over de mogelijkheden, welke deze nederzetting aan oud-planters biedt in verband met ligging, bodem, klimaat, regenval, formaliteiten en eigendomspapieren, autoriteiten, scholen, godsdienst, opzet en voorschriften voor nieuwe kolonisten en alles, wat verder belangrijk zal blijken. Hierdoor verwacht en hoop ik suggesties te kunnen geven aan diegenen onder mijn vrienden en oud-collega’s, die evenals ik na volbrachte Indische carrière, zoekend en onbevredigd, met een klein kapitaal blijven ronddolen. Mocht ik hiermee kunnen bereiken aan enkelen onder U een nieuw levensdoel aan te wijzen, dan zal m’n moeite beloond zijn, daar ik uit eigen ervaring weet, hoe moeilijk het is den juisten weg te vinden. Ik vertrouw, dat deze brieven er het hunne toe zullen bijdragen de keuze tot het vinden van een blijvend home te vergemakkelijken en verwacht een aangename en prettige gedachtenwisseling.

Vertrek van Java
Na 30 jaar onze beste krachten aan Insulinde te hebben gegeven ving de groote reis op 31 Juli ’s middags om 5 uur aan en verlieten we met het
m.s. “Ophir” der K.P.M. Tandjong-Priok [1]. Veel liefs msOphiren moois, doch ook veel leed, succes, doch ook teleurstellingen heeft Indië ons gebracht en nu gingen we, evenals 30 jaren geleden, nogmaals “zoekend” de wereld in. Thans zetten we onder het verleden een streep in afwachting van wat de toekomst ons·zal brengen. ’t Was wel een toevallige samenloop van omstandigheden, dat juist de “Ophir” ons naar Singapore moest brengen. In Februari 1931 was het dezelfde boot, die ons voor de eerste maal naar Padang bracht, op doorreis naar de Ophirlanden, waar ik gedurende bijna 7 jaar het beheer voerde. Met een snik en een traan nam ik te Singapore afscheid van het mooie doek, destijds door de Directie der Koloniale Bank aan de Directie der K.P.M. aangeboden ter verfraaiing van het trappenhuis van het schip, dat denzelfden naam draagt als hare onderneming op Sumatra’s Westkust. Het schilderij geeft wel zeer sprekend de omgeving weer, waar we eenige moeilijke, doch tevens mooie jaren van ons leven hebben doorgebracht·en die herinnering pakte vanzelfsprekend even aan. Nu is alles voorbij en ligt de Java-Sumatra-episode reeds ver achter ons. We kijken nu niet meer achterom, doch onze blik is op de toekomst gericht.

De zeereis
Op 3 Augustus zetten we met het m.s. “Buenos Aires Maru” van de·Osaka Shosen Kaisha (“South American Line”) via Colombo, Durban, Kaapstad en Rio de Janeiro koers naar Santos, de haven, waar we zouden debarkeeren. Deze boot onderhoudt met het zusterschip de “Rio de Janeiro Maru” de snelverbinding met Zuid-Amerika en maakt dan verder via het Panama-kanaal – Los Angelos “een round the World” -trip. Zij heeft ± 10.000 tonnenmaat en kan een vaart ontwikkelen van ± 17 à 18 zeemijlen per uur. De boot ligt bijzonder vast in het water en niettegenstaande we over ’t geheel genomen ruw en stormachtig weer hadden, bemerkte men hiervan betrekkelijk weinig en schoot zij rustig en statig door de hoogste golven.

Er heerschten orde en regel aan boord, hetgeen een gevoel van rust en veiligheid geeft. De tweepersoonshutten zijn ruim en comfortabel, vierkant van vorm, hetgeen zeer practisch is. De eetzaal is gezellig en in lichtgroene kleuren gehouden; de muzieksalon is eenvoudig en sober van stijlin lichtgrijze tinten en met een royale bibliotheek met Engelsche en Japansche lectuur. Overigens beschikt men over ruime wandeldekken (±150 m rond), een rooksalon met bar en een Japansche veranda met diverse Japansche planten. De maaltijden zijn voor Hollandsche magen eenigszins phantastisch en men moet in het uitkiezen der gerechten eerst de noodige routine krijgen, daar alles à la carte wordt opgediend. De prijzen der dranken zijn zeer matig gesteld; zoo kost een flesch goed Japansch bier b.v. 32½ ct. in Hollandsch geld.

Voor afleiding der passagiers wordt veel gedaan; zoo genoten we o.a. bij het passeeren van den equator van een zeer verzorgd Neptunusfeest, zooals·ik ’t op geen mijner zeereizen nog heb meegemaakt. Hierbij maakten we ook kennis met den bekenden Japanschen drank “saké”, waarvan de smaak ’t midden houdt tusschen een goede Sherry en een slappe pait, echter zonder aroma, doch overigens niet onaangenaam van smaak.

Het reisgezelschap was internationaal en bestond uit·Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Brazilianen, Argentijnen, Portugeezen, Zuid-Afrikanen, Japanners en ons clubje Hollanders. De meesten onzer medepassagiers waren touristen, die een round-theworld-trip maakten en voor hun pleizier reisden. De onderlinge verstandhouding was uitstekend; men kende elkaar ternauwernood en toch was ’t één groot en·gemoedelijk huishouden. Wij waren met ongeveer 50 eerste klasse passagiers; de boot bracht verder ruim 800 Japansche emigranten over naar São Paulo in Zuid-Brazilië, waar hun gronden zouden worden toegewezen voor individueele katoencultuur. Deze menschen deden veel aan sport onder elkaar, o.a. turnen, zwaardvechten, boksen en worstelen en leefden uiterst tevreden. De O.S.K.-lijn deed eveneens veel·om voor hen de lange reis te veraangenamen. Er heerschten groote orde en tucht en men bemerkte zeer weinig van dit groote aantal menschen. Drie doctoren en het noodige verplegend personeel waren speciaal te hunner beschikking gesteld, zoodat de hygiënische verzorging in goede handen was.

Durban
In den nacht van 18 op 19 Augustus kwamen we voor de haven van Durban, hetgeen een feeëriek gezicht opleverde. Bij het aanschouwen van zooveel pracht, als in de nachtelijke stilte zich de stad, een schitterende en indrukwekkende illuminatie; aan·de oogen ontrolt, wordt de mensch even stil en stemt dit grootsche tafereel onwillekeurig tot nadenken.We maakten diverse mooie ritten·in keurige electrische trams en bussen en kregen op deze wijze een goeden indruk van de stad. Het was ijzig koud en een gure wind veronaangenaamde ons verblijf in deze overigens beroemde luxe-badplaats. Het liep naar het einde van het badseizoen, doch, hoewel de groote hotels nog. vol met badgastenwaren, was er aan het strand practisch geen levend wezen te bekennen. De stad trok ons overigens onder deze omstandigheden als woonplaats geenszins aan. Onze verwachtingen waren te hoog gespannen en het geheel viel door den demoraliseerenden invloed van de kou wel eenigszins tegen.

Kaapstad
Den 21sten ’s nachts lagen we op de reede van Kaapstad en het nachtelijk panorama van de stad en de omgeving bood nog een schooneren aanblik dan bij aankomst te Durban. Ook Kaapstad zelf met zijn wonderschoone bergenomgeving, prachtige straten en historische herinneringen beviel ons direct beter dan Durban. We genoten van de drukte op straat met het enorme auto-verkeer en gevoelden ons thuis als in een Europeesche stad. Mogelijk, dat ook het betere weer onze stemming en critiek milder maakte, doch vast staat, dat de stad met hare oudere en monumentale gebouwen meer tot ons sprak dan Durban.We maakten er een prachtige en hoogst interessante tour met een comfortabele char-à-bancs en bezochten o.a. de wereldberoemde en romantische “Kaap de Goede Hoop”. We reden aan den voet van den Tafelberg en de twaalf Apostelen en bewonderden diverse keurig aangelegde badplaatsen met schitterende rotstuinen en genoten van imposante vergezichten.

Zeer voldaan verlieten we op 23 Augustus de haven en stevenden op Rio de Janeiro aan, de hoofdstad van Brazilië en tweede stad in zielenaantal van geheel Zuid-Amerika.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Voetnoot
[1] Het schip de m.s. Ophir was in 1929 gebouwd door de Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij (NSM) in Amsterdam in opdracht van de Koninklijke Pakket Maatschappij (KPM). Tandjong Priok was de haven van Batavia (thans Djakarta).