Bestaande kolonies behoeven aanvulling

Goede mogelijkheden voor doorzetters

In 1957 bezocht Prof. Jan de Quay, commissaris van de Koningin in Noord-Brabant en voorzitter van de Raad voor de Emigratie, het adviesorgaan van de Nederlandse regering, Brazilië om na te gaan hoe het ging met de Nederlandse landbouwkolonies in de deelstaten São Paulo en Paraná. Tijdens een bijeenkomst van de Katholieke Emigratie Stichting in Brabant deed hij hiervan verslag. Hier volgt het relaas van het dagblad De Tijd.

De Quay als minister-president in 1962 Foto CC Anefo

“Voor goed geselecteerde mensen biedt Brazilië in kolonies zoals Holambra goede mogelijkheden.” Tot deze conclusie voerde de Inleiding, die de Brabantse Commissaris der koningin, prof. dr. J. E. de Quay, donderdag heeft gehouden voor de Katholieke Emigratie Stichting voor de bisdommen Breda en Den Bosch.

Prof. De Quay, die vorig jaar een reis van drie weken door Brazilië heeft gemaakt, schetste Brazilië als een land, dat in al zijn aspecten verschilt van Nederland: het is katholiek, maar de godsdienstige beleving is heel anders; allerlei gewoonten en gebruiken wijken totaal af van de onze en de zon staat er in het noorden.
Hoe gaat het nu de Nederlanders, die naar dit land geëmigreerd zijn? Het was prof. De Quay gebleken, dat zij bij de Brazilianen een bijzonder goede naam hebben gekregen, ook bij de burgerlijke en kerkelijke autoriteiten. Waarschijnlijk is men zo op hen gesteld, omdat ze iets complementairs hebben. De waardering betreft vooral Holambra, de nederzetting, die na de oorlog een streek van uitgemergelde grond tot een welvarend landbouwgebied heeft gemaakt.
Brazilië is het enige land, dat collectieve immigratie in kolonies toestaat. Het is dank zij dit systeem, dat een aantal Nederlanders er een bestaan heeft gevonden. De individuele immigratie daarentegen stelt bijzonder hoge eisen en houdt grote gevaren in.
Prof. De Quay gaf hierna zijn indruk weer van de drie Nederlandse kolonies, die hij heeft bezocht. Carambeí, de oudste, die in 1911 is gesticht, is nog altijd een gesloten, Nederlandse gereformeerde eenheid van rijkere boeren. De kinderen huwen onder elkaar. De kolonie heeft één grote zorg: komen er mensen bij uit Nederland? Van na de oorlog dateert de nederzetting Castrolanda, ook een stukje Nederland, waar integratie nog nauwelijks waarneembaar is: zelfs In het economische vlak is deze nog betrekkelijk beperkt. Eveneens naoorlogs is Holambra, de katholieke nederzetting. Helaas zijn thans de naweeën nog aanwezig van de mislukkingen, die deze kolonie heeft gehad in de beginjaren, toen twee groepen zich hebben afgescheiden. De afgescheiden groepen: Tronco en Nao Me Toque, staan beide zwak, maar teruggaan naar Holambra is blijkbaar niet mogelijk. Wellicht kan de volgende generatie de kloof overbruggen. De sanering in Holambra zelf, waaraan ir. Hogeboom “met terecht harde hand” leiding heeft gegeven, heeft tot goede resultaten geleid. Hoewel de mensen ‑ als alle emigranten ‑ enig heimwee blijven houden, zijn ze wel tevreden. Zij hebben succes behaald met de subtropische produkten. Ook Holambra is echter een volkomen Nederlandse gemeenschap, die zich wellicht pas over 40 jaar met de Braziliaanse zal vermengen. Deze vermenging is voor de katholieken gemakkelijker dan voor de gereformeerden, maar ze zal voor allen maar langzaam verlopen. Ook voor de bewoners van Holambra is aanvoer van nieuwe mensen daarom van groot belang.
Een moeilijkheid voor de emigratie naar Brazilë blijft, dat men er als boer niet kan beginnen zonder een kapitaal, dat gewoonlijk op ƒ 20.000 wordt gesteld. Werken met Nederlandse leningen is niet mogelijk en in Brazilië is er grote kapitaalschaarste. Toch zal Brazilië, dat zo graag Nederlandse nederzettingen ziet, dat kapitaal moeten verschaffen. De emigranten, die naar Brazilië gaan, zullen een groot doorzettingsvermogen moeten hebben, niet te sentimenteel moeten zijn en geen ruzie moeten maken over kleinigheden. Het maakt weinig verschil of ze van het zand of van de klei komen, aangezien ze toch op heel andere cultures moeten overschakelen.

Ongemotiveerd optimisme?

Een week na het geruchtmakende artikel van Sjef van den Besselaar in De Nieuwe Eeuw van 23 februari 1952 publiceerde De Linie opnieuw een artikel over de “omstreden” Fazenda Ribeirão. Volgens het blad had De Nieuwe Eeuw er beter aan gedaan om vóór publicatie van een verstrekkend artikel als dat van Van den Besselaar een eigen onderzoek in te stellen, ‘gelijk wij dat ook gedaan hebben’. Op basis van dit onderzoek meent De Linie een meer optimistisch geluid te moeten laten horen: ‘Daar zullen wij dus onze redenen voor gehad hebben. Mocht De Nieuwe Eeuw dit nadere onderzoek alsnog willen instellen, dan kunnen wij namen en adressen geven van critische onderzoekers, die de laatste twee maanden de fazenda bezocht hebben.’

Zo bezocht in januari 1952 een delegatie van Carambeí de kolonie. Deze heren waren nogal te spreken over hun bevindingen. Plannen die men in Carambeí had (bv. inzake de handel met de Brazilianen en de wijze van groenbemesting) werden in Ribeirão al toegepast. Een andere informant die De Linie opvoerde was pater Theodulf van der Sterren ss.cc. uit de Fazenda Tres Poços (Pinheiral RJ). Hij schreef: ‘Mijn geloofsbrieven zijn de volgende: een persoonlijk bezoek gedurende de eerste 14 dagen van januari 1952 – gesprekken met de leiders en met tientallen boeren – gesprekken met tegenstanders en afkammers – een helemaal niet oppervlakkige studie van het nieuwe contract dat zoveel stof heeft opgeworpen – om niet te spreken van de lopende berichten in kranten en brieven die ik sinds de stichting verzameld heb.

In zijn brief zette Van der Sterren – aldus De Linie – uitvoerig uiteen, hoe hij gesproken had met vele boeren die in het begin tegen het nieuwe contract waren, dat zij moesten sluiten. ‘Zij beginnen nu echter in te zien, dat dit contract een juiste oplossing brengt van de gerezen economische moeilijkheden.’ Hij besloot zijn lange brief als volgt: ‘In Ribeirão hebben de mensen, zoals op de hele wereld, hun sociale deugden en ondeugden. Zij zijn en blijven gewone mensen. Daar wil ik mee zeggen (om niet te spreken over hun levenspeil en woning enz., wat allemaal ver uitsteekt boven de Braziliaan en zeker ook ver boven menige emigrant), dat ze samen een echt Hollands dorp vormen, waar naast de gezamenlijke leut ook de wrijvingen bestaan. Er wordt gepraat over vriendjespolitiek, hoge salarissen van de bazen, smokkelen van sommige leden enz. Van dit alles is wat waar – waar is het niet waar?! Maar als men zijn opinie ging bouwen op deze feiten en feitjes, dan moet men op zoek gaan naar een aards paradijs en na het gevonden te hebben, zou men Ribeirão kunnen veroordelen als niet helemaal overeenstemmend met dat model. Alles bij elkaar heb ik dus een gunstig idee over de veel besproken Fazenda Ribeirão… en ik neem het op tegen iedere buitenstaander of “weggelopene” van de fazenda, mijn opinie te verdedigen.’

De Linie besloot zijn vervolgartikel aldus: ‘Dit zijn enige grepen uit ons dossier, die de weg naar een onderzoek voldoende aangeven. Wij menen dan ook te kunnen blijven bij de conclusie, die wij in ons vorig artikel trokken: ‘Men moge er van overtuigd zijn, dat de komende periode van consolidering en uitbouw, waarin tijdelijk de overkomst van nieuwe emigranten terecht stopgezet is, bewijzen zal dat op de fazenda pionierswerk van groot formaat verzet is. Houdt men daarginds de beschikking over voldoende overbruggingsmiddelen, dat wil zeggen, daadwerkelijke steun vanuit het vaderland, dan zal de eerste periode van 5 jaar eindigen met resultaten, die het bestaansrecht der “omstreden” Fazenda Ribeirão volledig bewijzen.’

 

‘Van eenig geld verdienen was geen sprake’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (6)

In het laatste deel van de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef vanuit Tucumán, vertelde hij over het werk in de bossen buiten de stad en het gebrek aan verdiensten. De groep emigranten had er snel genoeg van en besloot terug te keren naar het emigrantenhuis in Tucumán, in de hoop om elders een beter bestaan te vinden.

Zoo hadden wij dan verblijf in het groote emigrantenhuis. Na een dag toevens begon men elkander af te vragen, wat het straks wel zou geven, doch geen onzer kon anders antwoorden, dan slechts in raadsels. De eene dag verliep na den andere en wij kwamen maar niets te weten. Dit echter ondervonden wij maar al te spoedig, dat het verstrekte voedsel zeer sober was en vooral voor jeugdige kinderen zeer ongepast. Dan het gezamenlijk wonen met het ruwst denkbare element, wat een bevolking kan opleveren, behoef ik u wel niet nader te zeggen, dat het ons daar walgde en wij reikhalzend uitzagen, om aan ‘t werk te komen. Eindelijk, nadat wij negen dagen daar werkeloos gelegen hadden, klonk het kommando: voorwaarts. Eenige oogenblikken daarna was ieder gereed en zouden wij den weg inslaan ter ontnuchtering. Spoedig zouden wij dat voor goed ervaren; want zooals later bleek, was ons lot al beslist, waarin wij niet het minste te zeggen hadden. Zoo werden dan een aantal karren opgeladen met gereedschappen en goederen, die ieder bij zich had. De karren, die na deze lading niet al te veel bevracht waren met schoppen, houweelen, bijlen, hefboomen en dergelijken mochten nog betrokken worden door de zwakste vrouwen en kleinste kinderen, terwijl de mannen in elk opzicht de rijdende karavaan te voet moesten volgen. Hoewel wij aan den eenen kant blijde waren, dat wij spoedig aan geregeld werk zouden komen en wel op landbouwgebied, was het ons in ‘t algemeen toch niet aangenaam te moede, omdat wij zoo volstrekt werktuigelijk in massa werden voortgedreven, geheel de onzekerheid tegemoet. Het was eene lange, moeitevolle reis, die den geheelen dag duurde en kwamen wij tegen den avond bij een groot en ondoordringbaar bosch aan, waar wij halt moesten houden en de karren afladen.

Nu begon het ons al spoedig duidelijk te worden, dat wij vooralsnog geen rustige landbouwende kolonie zouden vormen, maar dat men ons in de eerste plaats trachtte te gebruiken, om eeuwenoude bosschen uit te roeien en daarna met landbouw te beginnen.
Wat moesten wij beginnen ? ‘t Spreekt van zelf dat wij alles, hoe of het ook mocht zijn, moesten aannemen, zoo wij maar slechts aan den kost kwamen. Tot dusverre hadden wij nog in ‘t geheel de eer niet gehad met eenig hooggeplaatst persoon of werkgever in aanraking te komen, dat echter, toen wij bij bet genoemde bosch waren, op eens veranderde.

Een groot heer kwam ons naderen, waarin wij al spoedig en niet ten onrechte onzen chef opmerkten. Hij gaf ons te kennen, dat wij voor hem zouden werken in de aan te wijzen bosschen tegen voorloopige vergoeding van voeding, kleeding, woning ja alles, wat wij noodig hadden voor ons dagelijks onderhoud. Van eenig geld verdienen was geen sprake. Dit accoord werd niet gesloten na een gemeenschappelijk overleg van werkgever en werknemers, maar had meer het wezen van een kort en onherroepelijk bevel, zoodat wij, als ‘t ware aan handen en voeten gebonden, geen andere keuze hadden dan slechts aan te nemen, wat ons werd aangeboden. – Daar stonden wij dan zonder onderdak, zonder eenig geld. Slechts eenig karig voedsel werd ons verstrekt en moesten wij ons tot nader order maar zien te redden. – Eigenaardig en tevens leerzaam voor hen is het, die veel moeten ontberen en die dikwijls voor schijnbaar onoplosbare raadsels staan en voor schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden, dat er nog altijd een sprankje hoop tot redding overblijft en een weg tot uitkomst. Zoo ook hier: het zachte klimaat, dat hier heerscht werd ons tot hulp, ofschoon het juist in de maand Augustus was, dat zooveel wil zeggen als een maand in het winterseizoen. Het barre winterweder, dat gewoonlijk in ‘t noorden van Europa en elders heerscht, is hier niet heerschende: van hagelslag en sneeuwstormen heeft men hier geen last; ‘t is slechts zelden, dat men ‘s morgens een lichte rijp ontwaart, waarna het overdag weder erg warm kan zijn. Zoo troostten wij ons dan, dat het zeer zacht weder was, wijl de eerste nacht onherroepelijk onder den blooten hemel moest worden doorgebracht. Toch sloegen we nog in aller haast eenige boomstaken in den grond, waarop een soort dak van takken, boombladeren en mos. In dien toestand dan woonden wij in de wildernis en trachtten den eersten nacht slapende door te brengen, den volgenden morgen afwachtende naar nieuwe orders.

De volgende dag werd ons in de eerste plaats toch gegund, om tenten op te slaan, doch zoo, dat iedere tent eenige families kon bergen. Het noodige materieel moest uit het bosch worden gekapt. Het is mij niet mogelijk u nu de omstandigheden en gebeurtenissen, die dag op dag plaats hadden: in ‘t breede te omschrijven en zal mij dan maar in hoofdzaak bepalen, hoe het ons ging in de negen weken die wij daar hebben doorgebracht. Negen weken, die ons even zooveel jaren toeschenen, hebben wij in genoemde bosschen zwaar – nog eens: zwaar gewerkt tegen een karig loon en wel slechts tegen eenig slecht voedsel. ‘t Was dus een onhoudbare toestand en moesten wij wel opbreken. Doch wat dan? dat vroeg men elkander angstig af, maar hoe het dan ook uitliep, het moest en er was dan ook niemand onder het geheele gezelschap, die den moed had te blijven.

Intusschen had er nog eene gebeurtenis plaats, die echter alleen ons huisgezin betrof: er werd ons een zoon geboren, die wij Christiaan hebben genoemd. Gelukkig, dat deze ernstige omstandigheid boven aller verwachting gunstig afliep. Als ik zoo spreek van boven aller verwachting zal u dat wel niet verwonderen als gij bedenkt, dat wij letterlijk van alle hulpmiddelen verstoken waren en gemeenschappelijk woonden in eene ruw gebouwde tent.

Toen wij dan op zekeren morgen allen aanstalten maakten, om te vertrekken, ging dat nog niet zoo heel gemakkelijk. Bij bet vernemen hiervan vloog onze opzichter op en ontstak in vuur tegen de volgens hem door ons gepleegde ontrouw. Het oogenblik was ernstig. Maar wij hadden immers het volste recht. Wij waren immers geen willekeurige werkstakers en oproerkraaiers, die meer verlangden te hebben dan het billijke! Neen, wij verlangden alléén wat beter voedsel en een zeer weinig handgeld, opdat ons zwaar beproefd dagelijksch leven toch eenigszins dragelijker mocht worden. De opzichter begon ons toen. zekere beloften te doen voor de toekomst, doch kon en wilde voor het oogenblik niets tot beterschap aan ons beloven, zoodat wij op staanden voet wilden vertrekken. Hij, de opzichter, bleek toen in bijzonder een echte zuidelijke type te zijn, die zeker nog eenig slaven-jagers-bloed in zijn aderen had, daar hij onder de woedenste drift naar de revolver greep en ons dreigde met den dood. Even snel echter als zijn dollemans drift ten top steeg, even snel trad er betrekkelijke kalmte bij hem op den voorgrond, wellicht tengevolge door de wetenschap, dat er ook mannen in onzen ploeg waren van stavast en bij het opwekken hunner driften hij wel eens het onderspit kon delven. Alzoo: de vrede werd in zooverre gesloten, dat de revolver niet zoude spreken en wij dan maar zelf moesten weten, wat ons te doen stond.

Het besluit van het geheele gezelschap was onherroepelijk gemaakt: wij braken op en begaven ons in een grooten drom te voet in de richting van Tucumán. Dat dit eene moeielijke reis was kunt gij begrijpen als ge bedenkt, dat wij toen niet in ‘t bezit waren van die karren, waarop de meeste vrouwen en kinderen waren heen gereden, zoodat het o.a. voor mijne vrouw met het voor eenige dagen geboren kind op den arm een ware martelreis was en ons in groote zorg wikkelde. God de Heer schonk ons echter kracht naar kruis: wij kwamen bij het emigrantenhuis te Tucumán behouden aan. Niets was natuurlijker dan dat wij verzochten in het groote huis opnieuw te worden geherbergd, dat dan ook gebeurde. Nu scheen het ons toe, dat er al een wrok bestond van de zijde onzer meerderen, daar men ons wel onderdak, maar geen spijs gaf. Hadden wij moeielijke dagen achter den rug, het begon er hier al niet beter op te worden. Er ontbrak ons letterlijk alles; want wij hadden immers geen cent verdiend en konden het geringste niet koopen.

En ziet, alsof hij uit den hemel kwam nederdalen, verscheen daar plotseling een Hollander voor ons, die begon met goeden raad te geven en troost in te spreken. – Het was blijkbaar een edel mensch, daar hij bij het vernemen van onzen nood onmiddellijk eenen grooten zak met brood liet komen, zoodat wij voor dien avond gered waren. Nadat wij onzen innigen dank aan hem hadden betuigd, dien hij echter niet als een verdienste wilde aannemen, maar te kennen gaf, dat hij slechts een menschelijken plicht had vervuld, “waaraan” zeide hij “ook wij in zijn plaats zouden hebben voldaan,” vertrok hij, onzen zegenwensch medenemende, want hij had niet alleen ons lichaam , maar ook onzen geest versterkt. Hij schonk weer nieuwe hoop en wakkerde het vertrouwen in de toekomst zoodanig aan, dat wij met zeker dichter uit den grond onzer harten konden uitroepen:

De Heer kastijdt dien Hij bemint,
En leidt ons vaak langs donk’re wegen;
Maar d’ uitkomst voert altoos ten zegen
Van Zijn geliefd, gelouterd Kind!

‘Wij zullen blijven berusten in ons lot’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (5)

In de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de reis vanuit Nieuw Santa Rosa in het midden van Argentinië naar de provincie Tucumán in het noorden van het land. In het tweede deel van zijn brief beschreef hij de reis vanuit Buenos Aires naar Tucumán.

Nadat wij dan twee dagen in het genoemde emigrantenhuis gewoond, of liever verblijf gehad hadden (want wonen kan het toch niet heeten) werd ons aangezegd, dat wij ons vaardig hadden te maken tot vertrek en wel naar Tucumán, vanwaar ik u nu deze zend.
Tucumán, wie had dat ooit hooren noemen : wie wist, of het een stad was of dorp, dan wel, dat het eene kolonie was in ‘t binnenland – of, en met deze zoete hoop bezield als het zóó zijn kon – riep men elkander toe: dat kan wel een groote aan de bewoonde kust gelegen plaats zijn en kunnen wij wel eens een goeden toekomst tegemoet gaan. In allerijl spoedden wij ons in massa, als om strijd, naar de aanwezige landkaart ter overtuiging in welke richting de plaats lag en wat afstand het ongeveer was. Gij moet weten, dat wij dergelijke inlichtingen niet kregen van onze aanvoerders. – De landkaart gaf ons al spoedig maar al te wel zekerheid, waar naar toe en in welke richting het zou gaan. – En tot aller verbazing bedroeg de afstand, die wij moesten afleggen, ongeveer 800 uren (zegge achthonderd uur.) De schrik sloeg ons wel wat om ‘t hart bij ‘t vernemen hiervan, omdat de toestanden in de binnenlanden huiveringwekkend werd afgemaald en, waarvan ook wij trouwens al een kleine voorproef hadden ondervonden. Naar het diepe binnenland dus, dat voor het meerendeel nog door negerbevolking wordt ingenomen.

Gedreven door de hoogst mogelijke belangstelling, wat ons daar te doen en te wachten stond, namen wij schoorvoetend het kloek besluit ons tot den chef onzer meerderen te wenden met de vraag, wat men op die ver van de kust gelegen plaats met ons voor had. Het antwoord luidde welwillend; wij kregen bemoedigende gegevens en wel: Gij gaat per spoor tot Tucumán en zult daar werkzaam zijn op ‘t gebied van landbouw en wel tegen een winst van een derde der oogst. Een vonk van hoop schoot er door de ziel bij het aanhooren dezer billijke voorwaarden en was spoedig bij machte de moeilijkheden der af te leggen groote reis en de pijnlijke onzekerheid die ons te wachten stond, te doen veranderen in de zoete hoop op welslagen. En met die gevoelens bezield werden wij al spoedig als eene groote kudde gewillige lammeren in spoorwagens gestopt, om de reis te aanvaarden. En voort ging het, voort met groote snelheid. ‘t Was alsof de locomotief er tegen hijgde en dampte en fluitte, om ons ten allerspoedigste te doen ontnuchteren; want een ontnuchtering zoude volgen, waarvan wij, die in die oogenblikken alleen op de vleugelen der hoop zweefden, nog niet het minste vermoeden hadden en niet hebben konden: wij waren immers door autoriteiten aangenomen, onder de aannemelijkste conditiën en hadden geen reden, om slechte vermoedens te koesteren. Toch gingen wij, zooals later spoedig gebleken is, met groote snelheid een noodlot tegemoet! Nadat wij dan op een zekeren avond te acht ure te Buenos•Ayres in den spoortrein plaats hadden genomen, reden wij den geheelen nacht door; velen slapende met het hoofd rustende op hun plunje, anderen sluimerende of wakende bij hunne zwaarmoedige vrouwen en schreiende kinderen. Weer anderen zongen, of beter gezegd schreeuwden allerlei soort straatliedjes van minder aangenaam gehalte, waarvan de echo’s nog meer ontstemd werden door vloeken en zwetsen in verschillende talen en van verschillende volkeren, zoodat de indruk, die wij kregen onder dat gezelschap hoogst onaangenaam voor ons was. Wij waren dan ook recht blijde, dat de trein den volgenden morgen te 7 ure stand hield aan het station te Rosario, waar we order kregen, om uit te stappen en daar dien dag te blijven.

‘t Was juist op een Zondagmorgen en dat was eigenlijk een milde vergoeding voor het leed, dat ons den gepasseerden nacht gebracht had. Niet waar? de Zondagmorgen toch heeft altijd iets plechtigs – iets verhevens in zich, waarvoor men eigenlijk geen woorden kan vinden. Eerst als men zich in eene combinatie bevindt van zóóveel verschillend volk , waarvan de groote massa niet vatbaar schijnt te zijn voor eenigerlei indrukken, die op de ziel een zoo gunstigen indruk kunnen uitoefenen, eerst dàn kan men gevoelen, wat het is iets in zich om te dragen, dat tot groote en ernstige vraagstukken leidt. Dan zij bij dezen alle eer gebracht aan en hartgrondig toegejuicht: het vrije Nederland, waar de gevoelens omtrent kerk en school geheel tolvrij zijn. Hoeveel anders toch is het op dat gebied gesteld in verschillende streken van het buitenland, waarvan wij in ‘t bizonder de ondervinding opdeden niet alleen op dezen tocht, maar eveneens in den dagelijkschen omgang. Lichtzinnig als de groote massa op godsdienstig gebied was, kwam dat gebrek eveneens in al hun handelingen te voorschijn. Om iets te noemen b.v., werd bij het minste trachten onzerzijds, om een gesprek op godsdienstig terrein te brengen, niet zelden met hoon en spot bejegend. Echter belette dit niet aan ons, in gezelschap van nog eenige Hollanders, onze redeneeringen voort te zetten en hieven wij op genoemden Zondagmorgen uit den grond onzer harten aan de schoone verzen van Psalm 84.

In Rosario vertoefden wij tot den volgenden morgen. Te 9 ure stond er wederom een lange trein gereed in de richting van Cordoba. Weder ging het op dezelfde wijs als de vorige rit: de wagons boordevol geladen en de combinatie van ruwe mannen, bleeke vrouwen en schreiende kinderen niet minder afstootelijk als de vorige nachtrit. Ja het was goed bezien nog veel grooter verwarring dan bij de inlading te Buenos Ayres, wijl te Rosario nieuwe drommen volks bij onze massa werden aangesloten. Weder zette de trein zich in beweging en ging het met duizelingwekkende snelheid zonder eenig oponthoud door tot des avonds aan het station Cordoba. Lk zal maar niet meer over de ongemakken, die zulk reizen opleveren, gewagen. Zoo gij ooit eene groote spoorreis gemaakt hebt in uw burgerlijken stand, hebt ge wellicht wel uw nooden geklaagd en van verveling gesproken, en kunt er dan dus iets van weten, doch hoeveel temeer woog dan niet bij ons de zwarigheid: Wij, die op kosten van – ja van wien – van spekulanten, of van den staat, of van wie of wat ook, konden wij het weten? moesten reizen aan een karavaan slaven vrij gelijk. Nog eens: ik zal het u sparen de moeilijkheden aan zoo’n reis verbonden, haarklein te omschrijven.

Ik laat een en ander liever aan uwe verbeelding over. Des avonds in Cordoba. Alsof het een reusachtige slang was, zich kronkelende en buigende langs helling en spleet, zoo bewoog zich de geheele sombere massa langs hoogten en laagten in de richting van het even groote als sombere emigrantenhuis, om daarin voor den volgenden nacht te worden geherbergd.
Natuurlijk werd het ons niet gegund om de stad en deszelfs omstreken van naderbij te bezien, waartoe wij echter, zooals gij begrijpt, ook al weinig lust gevoelden. “Gjj hebt na zoo’n vermoeiende reis des nachts zeker heerlijk kunnen slapen!” zult ge wellicht vragen, en die vraag is dan ook niet misplaatst en onnatuurlijk, doch als gij weet, dat het op een houten batterij, waar eigen plunje moest dienen voor dekking, alles behalve aangenaam is en zoo’n sobere slaapplaats iemand nog benijdt wordt door wandgedierte bij dozijnentallen – dan behoef ik wel niet te zeggen, dat de nacht slapeloos werd doorgebracht. Het was dan ook een algemeene blijdschap, toen wij des Dinsdagsmorgens weder konden vertrekken: altijd de hoop omhelzende: spoedig zal alles wel beter worden. Als wij straks in Tucuman waren en daar tegen een derde der oogst aan het werk kwamen, gelijk de belofte was – dat kon alles weder goed maken – dat goede vooruitzicht temperde alle leed.

Zoo werden wij dan des Dinsdagsmorgens vroeg weder ingeladen, om voor goed zoolang te blijven zitten, tot dat we Tucumán bereikt hadden. Nu ik al reeds genoeg akelijks van zoo’n reis gezegd heb en ik vrees u te beginnen vervelen als ik in herhaling treed of, dat ik dat laatste (eindje) reis nog ijselijker afschilder dan het vorige, zal ik maar besluiten met alleen te zeggen, dat wij dien Dinsdag en den daaropvolgenden nacht achtereenvolgens doorspoorden zonder eenige verpoozing. Dit alleen moet ik nog even aanstippen, dat er mannelijke standvastigheid bij te pas kwam zich zelf in die mate te verloochenen, om kracht en lust aan den dag te leggen, aan vrouw en kinderen moed in te spreken en hen op te wekken. Zoo stonden wij dan des Woensdagsmorgens bij het station te Tucumán, waar wij zouden blijven wonen. Hoe zal men het nu aanleggen en waar zullen onze woningen zijn, om in den landbouw werkzaam te wezen tegen 1/3 der op te brengen oogst? die vraag stelde de een tegen den ander, want wij zagen rondom ons niets dan uitgestrekte bosschen. Doch vóórdat ons die vraag opgelost werd, zouden wij nog eerst op proef worden gesteld, om in massa te verblijven in een emigrantenhuis en onder dezelfde omstandigheden als in de vorige. En wederom bewoog zich de groote massa om, uitgehongerd als ieder was, maar spoedig onder dak te komen, waar in de eerste plaats voedsel zou worden verstrekt aan dat tal van hongerige magen.

Ik moet u ronduit zeggen dat, hoeveel behoefte mijn lichaam ook had aan versterkende spijs, ik toch geen lust gevoelde het noodige naar binnen te krijgen, wijl de zorg over mijne doodlijk afgematte vrouw en kinderen mij alle lust tot eten benam en heimelijk begon te twijfelen aan welslagen onzer toekomst. En waarom ? Och wij hadden in de laatste tijden zóóveel teleurstellingen ondervonden, die bij goed doorzien onzerzijds wel moesten geweten worden aan de werkgevers, die willekeurig met ons lot omsprongen. Is het dus te verwonderen, dat wij soms aan de toekomst wanhoopten – onze toekomst, die we elkander bij de aanvaarding onzer groote reis zoo heerlijk hadden voorgespiegeld! Neen voorzeker.
Hoe gaarne zouden wij niet een tipje hebben willen oplichten van het gordijn, dat ons zoo geheimzinnig scheidde van die toekomst, al ware het slechts alleen, om zekerheid te hebben, welkeen weg wij thans zouden moeten inslaan. Doch wij zullen blijven berusten in ons lot en hopen, dat de belofte den werkgevers niet mag falen om tegen goeden arbeid het aangeboden loon te mogen erlangen.