Bezoek aan Brazilië

Eind augustus ga ik samen met mijn echtgenote Brigitte op vakantie naar Brazilië. In de eerste anderhalve week zullen we de Nederlandse groepsvestigingen in de deelstaten São Paulo en Paraná bezoeken. Daarna volgt een toeristische rondreis door het land. Deze reis biedt tevens de mogelijkheid om in contact te komen met bezoekers van deze website. Uit de bezoekerstatistieken blijkt dat enkele van de trouwste bezoekers in Brazilië wonen. Laat maar een bericht achter op het reactieformulier van deze site en ik zal kijken of er gelegenheid is om elkaar te ontmoeten.

DSC_0965

Als opwarmertje voor de reisverslagen, die ik tijdens mijn Braziliëreis op mijn weblog zal publiceren, heb ik een terugblik geschreven van mijn bliksembezoek in 2010, die in het teken stond van de viering van 50 jaar Campos de Holambra, ook bekend als Holambra II. Het verslag is hier te lezen.

Nieuws uit de Hollandse nederzetting in Brazilië

In augustus 1949 schreef pater Hilarion Remmerswaal O.Carm. (1916-1984) vanuit Rio de Janeiro een brief aan het Nederlandse weekblad De Linie, waarin hij zijn indrukken weergaf van het leven en werken van de pioniers op de Fazenda Ribeirão. Dit stuk werd op 24 september 1949 ook gepubliceerd in het Venrayse weekblad Peel en Maas. Hij doet verslag van een bliksembezoek van Geert Heymeijer aan Brazilië in januari van dat jaar, met als doel de laatste moeilijkheden rond de aankoop van de fazenda uit de weg te ruimen.

Een telefoon rinkelde ergens in Den Haag. Ingenieur Heymeijer nam de hoorn van de haak en zei droog: ‘Met Heymeijer’. Dan spalkten zijn ogen zich wijd open, terwijl zijn voorhoofd tot een smal strookje rimpelvel optrok, want van de andere kant klonk het: ‘Hier is telefoon voor U uit São Paulo, Brazilië’. Het gesprek was in ’t kort ongeveer aldus: ‘Er zijn moeilijkheden gerezen met ons contract. Kunt U niet even overkomen?’ Antwoord: ‘O.K.’ Das was op Driekoningen, donderdag 6 jan. 1949.
                Zaterdag 8 januari, toen vier dreunende motoren van een Constellation van de K.L.M. de lucht introkken boven Schiphol, keek Heymeijer peinzend door het raampje naar het kleine Holland, dat steeds maar kleiner werd voor zijn inwoners en hij streek over zijn gelaat: ‘’t Moet! Hier kan het niet langer; geen land meer voor de boeren…’
                Dan sprongen zijn gedachten naar het eindpunt van de reis: Brazilië, Fazenda Ribeirão. Hij zag ze voor zich liggen. Vijfduizend hectaren, die hij uitgezocht had voor zijn boeren, heet en gloeiend in de tropenzon, heuvelachtig, hier en daar bedekt door bos, maar grotendeels begroeid met taai, manshoog, wild gewas of met grassoorten, waar een Hollandse koe de neus voor op zou halen. Het contract van aankoop moest doorgaan, koste wat kost. Hij keek weer naar beneden en werd ongeduldig, omdat vanuit de hoogte gezien alles zo traag voorbij schoof. De motoren zongen nu kalm en eentonig, als zeiden zij: ‘Kalm, kalm! Die tienduizend kilometer werken we snel genoeg af..’

Twee dagen later…
Zondag 9 januari werd Heymeijer opgezogen in de miljoenenmassa, die op het hete middaguur door ’s werelds schoonste stad krioelt – Rio de Janeiro. Maandag maakte hij per vliegtuig de 500

Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim
Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim

km-sprong naar São Paulo en vandaar per auto de laatste 150 km naar de Fazenda Ribeirão. De eerste 70 km over gloednieuwe betonweg, doch dan begon hij in de sfeer te komen: stof, stof en nog eens stof. Machteloos waren de koplampen tegen de ondringbare wolken, die vóór hem rijdende wagens opjoegen. Als hij over een bestraat gedeelte reed, door de weinige plaatsen die aan de weg lagen, dan gingen snel even de ramen open om wat lucht te happen.
                Dan, twee dagen na zijn vertrek uit Den Haag, doemde een paar zeer zwakke lichtjes op uit de duisternis: de Fazenda! Een jeep begon te werken met z’n schijnwerper als wilde hij de weg aanwijzen. Daarboven, rechts en links volslagen duisternis. Kort daarop de opwinding van een onverwacht weerzien en Heymeijer stond tegenover de eerste drie durvers, die alvast begonnen waren met de voorbereidende maatregelen voor de vestiging van de kolonie der Nederlandse Katholieke Boeren.
                Diezelfde avond begonnen de besprekingen, niet in een deftige zaal, maar op een veranda van een verwaarloosd landhuis, zwak verlicht door op de tafel geplakte vetkaarsen, in wier flikkerende schijn weelderige goudenregen en de rode bloemen van metershoge cacteeën een romantische achtergrond vormden.

Vervallen oase…
De moeilijkheden, die het contract in de weg stonden, werden die week nog opgelost. Maar er waren nog andere obstakels. Er was letterlijk niets op de Fazenda, die tot dan toe gediend had als fokkerij van slachtvee voor een grote exportslagerij. Dat “fokken” bestond alleen in het vee bij duizenden bijeendrijven, het daar aan zijn lot over te laten en er zo nu en dan een honderd op te halen voor de grote abattoirs van São Paulo. Er was geen stroom. Er was één tamelijk fatsoenlijk huis en er waren 31 vervallen hutten, waarin de cowboys en hun families gehuisd hadden. Daar moesten zich nu 200 Hollandse boerenfamilies vestigen.
                De pioniers klommen met hun vieren in een jeep om een beetje rond te dwalen op die 5000 hectaren van bijna woeste grond. ’s Was gloeiend heet. Weg jasje, weg das, weg met dat boord. Ongeveer 5 km van huis werden ze overvallen door een tropische regenbui. Binnen enkele seconden zaten hun kleren drijfnat op hun lijf geplakt. Wat een land… Maar het buitje dreef over en voordat ze thuis kwamen, waren shirts en broeken alweer kurkdroog, gestoofd door de tropenzon.

Symbool
Zaterdag 15 januari vertok Heymeijer weer naar Rio, waar hij tegen de avond aankwam. De Constellation zou pas tegen de middernacht vertrekken. Hij had dus nog een paar uur en zocht wat rust in een wandeling door de stad. Het was midzomer. Temperatuur overdag 35° Celsius in de schaduw. De nacht bracht gelukkig enige verkoeling, hetgeen de mensen naar buiten lokte. Terwijl

Avenida Getúlio Vargas, Rio de Janeiro

hij zo over Rio’s grootste boulevard slenterde, de Avenida Getulio Vargas, zag hij zich plotseling midden in een menigte zingende en dansende negers. Tegen wil en dank voelde hij zich gegrepen door het ritme van een Afrikaanse dans, dat die bezwete, zwarte lijven heen en weer deed schokken, terwijl zij eentonig gezang met langgerekte kreten uit hun schorre kelen stootten. En terwijl hij zo toekeek, zag hij niet meer de moderne blanke wolkenkrabbers als achtergrond, maar een Afrikaanse jungle – niet meer de shorts en kapotte hemden der negers, maar weelderige vederbossen en kraalversiersels.
                Dan zag hij de slavenjagers, die hen wegsleurden uit hun nederzettingen – de schepen van Europa’s meest beschaafde volkeren, Holland niet uitgezonderd, waarop zij als vee naar de nieuwe wereld werden gesleept – de slavenmarkten van Rio van waaruit zij verdeeld werden over geheel Brazilië. En nu dansten ze hier op het onmetelijke trottoir van een onmetelijke Avenida in een miljoenenstad, half natuurkinderen nog, half geretoucheerd door de Westerse beschaving, met hun handen de slaginstrumenten bekloppend, en zingend.
                Hij voelde bijna tastbaar, hoe dit nieuwe land kreunde en kraakte in zijn sociale en economische ontwikkeling, nauwelijks honderd jaar geleden van uitgebuite kolonie tot zelfstandige staat geworden. Hij huiverde om de ontzaglijke moeilijkheden, die Brazilië’s vooruitgang belemmerden, maar hij zag ook de mogelijkheden van dit gigantenland, een de plaats, die zijn boeren in deze titanenstrijd zouden kunnen innemen.
                Toen hij enige uren later de zee van licht onder zich zag verzinken, was hij zich bewust, dat hij een nieuwe kijk had gekregen op Brazilië. Brazilië bezat veel, dat we in Holland gelukkig niet hebeen, maar ook ontzettend veel dat wij Nederlanders als zwaar gemis aanvoelen. Brazilië geeft je de kans, om strijdend de plaats te veroveren, die nobel idealisme je hartstochtelijk doet begeren. Nederland is als een theater, waar de plaatsen reeds te voren genummerd en uitgedeeld zijn.
                In luttele uren gleden de 10.000 km onder hem voorbij, met het Braziliaanse kustgebergte, de Oceaansprong van Recife naar Dakar, Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland. Maandagmorgen 22 januari, nog geen twee weken na zijn vertrek, was hij weer in een eigen huis op stelten, want als een bom vielen zijn woorden: ‘Vrouw, wij gaan ook. Dáár ligt onze levenstaak. Dáár moeten we vechten om de boerenemigratie tot een succes te doen uitgroeien.’ Twee maanden later vertrok hij definitief met vrouw en kinderen.

Paupiek
Ber Souren en zijn vrouw voor hun van gevlochten takken en met leem besmeerde woning, de z.g. pau-a-pique

Nieuwe wereld
Zeven maanden na bovenvermeld telefoontje vergezelde schrijver dezes vier nieuwe emigranten van Santos naar de Fazenda. Welk een metamorfose! Daar, waar in januari nog niets was, ratelde nu een enorme machine bij het plukken van 120 ha. mais; 80 ha. tarwe stond zacht op teergroene stengels te wiegelen, als fluisterden ze: ‘Sjonge, sjonge, hoe is het mogelijk!’ 30 ha. aardappelen en 25 ha. lupinen hadden de plaats ingenomen van het metershoge onkruid, waar een tractor bijna in vast raakte; 300 ha. waren reeds geploegd en nog 700 andere zouden klaarkomen voor de zaaitijd in december-januari.
                Dag en nacht dreunde een bulldozer met ploeg over de velden, onder laaiende zon of onder het schokkende licht van een schijnwerper, die op de machines bevestigd zat. De ganse dag zongen de electrische zagen hun scheurend lied in de timmerfabriek, klonk het gehamer in de smederij, waar steekvlammen groen en wit op het ijzer uiteenspatten. Vanaf een kale hoogte stond een gloednieuwe benzinepomp trots naar meer dan 300 koeien te staren.
                Er was een kapel met een prachtige muurschildering van de kapelaan der nederzetting. Stille, vriendelijke zusters liepen bedrijvig heen en weer. Tien gloednieuwe huizen van baksteen nodigden uit om binnen te komen; 46 anderen, in aanbouw, stonden al een dikke meter hoog en zouden binnen drie maanden klaar zijn; 31 leemhutten waren opgeknapt met een nieuwe cementvloeren en wat pleisterwerk, om als voorlopige woningen te dienen.
                En te midden van dat alles gingen de boeren hun weg, boeren uit alle streken van Nederland, mannen in de bloei hunner jaren en heel jonge kerels, bijna kinderen nog. Van kinderen gesproken: het was een genot, al die dialecten dooreen te horen als je stond te kijken bij de jongens, die aan het ravotten waren en bij de meisjes, die hier natuurlijk ook touwtje sprongen.
                En de geest, die daar heerste! Opbruisend van levensmoed en durf. Kerels, die zich door het zware pionierswerk niet lieten neerslaan, die spontaan de moed er weer in pompten, als de een of ander de kop liet hangen.

Reisindrukken van een oud-planter (3)

In het laatste deel van zijn eerste brief aan de Bergcultures gaf R.A.M. Vermeulen zijn eerste indrukken weer van de kosten van levensonderhoud in zijn nieuwe vaderland Brazilië.

Brazilië
Brazilië als land trekt ons geenszins aan. Noch ‘t land zelf, noch zijn bewoners kunnen ons bijster bekoren. Op onzen leeftijd past men zich niet zoo gemakkelijk aan. We kwamen echter niet voor Brazilië, doch voor Carambehy en dan is er slechts één loflied. ‘t Is hier zóó rustig, zóó eenvoudig en zóó mooi, met een verrukkelijk klimaat, dat we onmiddellijk bij onze eerste kennismaking hier aanvoelden, dat we den juisten weg gekozen hadden. Indië bracht ons veel moois, doch ook veel tegenslag. Hier zullen we na 35 jaar ingespannen arbeid de verdiende rust zeker vinden.Voor kapitaalkrachtige menschen zijn er hier vele mogelijkheden. Wij zullen straks met een eenvoudig opgezet vee- en landbouwbedrijf, annex groenten- en vruchtentuin met mogelijk nog een klein areaal tung (aleurites fordii) zeker een volkomen –bevredigende eindperiode van ons bestaan vinden.

Men moet in Brazilië een groot onderscheid ·maken tusschen eigen fabrikaat (nacional) en ingevoerde goederen (importade). Men constateert direct, dat ‘t eerste zeer goedkoop en het tweede even duur is als in Europa en overal elders in de wereld. In de groote zaken der groote steden ziet men bijna uitsluitend geïmporteerde goederen, welke als regel van veel betere kwaliteit zijn dan ‘t eigen fabrikaat. Een uitzondering hierop is het bier, dat zeker gelijkgesteld kan worden met het beste Duitsche bier en bovendien zeer billijk in prijs is. Uit het bovenstaande kunt U direct concludeeren, dat de tourist in dit land meestal duur uit is, terwijl degenen, die zich hier blijvend willen vestigen, zeer goedkoop kunnen leven. Een Hollander, gewezen Deli-administrateur, woont met z’n vrouw en twee kinderen reeds eenige jaren in Curityba, de hoofdstad van den staat Paraná. Curityba is een aardige stad, welke vergeleken kan worden met b.v. Haarlem of Leiden. Hij bewoont er in de buitenwijken een aardige villa. Z’n zoon bezoekt het gymnasiurn en z’n dochtertje een uitstekende zustersschool. Volgens z’n mededeelingen leeft hij daar gemakkelijk van conto per maand, dat is dus in Hollandsch geld ± f 180.-. De bewoners te Carambehy besteden ongeveer f 60.- à f 100.- per maand om te kunnen leven. Men mag dan echter niet uit ’t oog verliezen, dat zij veel zelf planten en verbouwen, eigen vee bezitten en practisch niets uitgeven aan uitgaan. Hoogstens gaan ze éénmaal per maand naar Ponta Grossa 30 km) per wagen of per fiets. De onverharde Gouvernements-hoofdwegen zijn volgens onze begrippen in de regenmaanden echter slecht.

Voor kleine renteniers zijn de levensomstandigheden hier bijzonder gunstig, daar de rentevoet hoog is. Vele banken geven direct opneembaar meestal reeds 5% en veilige staatspapieren meestal 8% rente.- In de kolonie zelf wordt, naar ik vernam, zelfs onderling geld uitgeleend tegen 10% rente. Met een kapitaaltje van 15 mille heeft men gauw een jaarlijksch inkomen van ± 10 conto’s per jaar, van welk bedrag men in de kolonie reeds eenvoudig en zorgenloos leven kan. Daarbij komt dan echter nog de reis van Indië hierheen, welke met de K. P. M. (1ste kl. tot Singapore) aansluitend op de Zuid-Amerikalijn der Osaka Shosen Kaisha Line (1ste kl.) tot aankomst op Carambehy op rond f 1000.- per volwassene gesteld dient te worden. Een eenvoudige en geriefelijke woning bouwt men van 15 tot 25 conto’s, terwijl de aankoop van eigen grond, inclusief overschrijvingskosten en omrastering op ± f 15.- per ha gesteld moet worden. Voor vele menschen zonder pensioen is dit m.i. een uitkomst. Het oprichten eener boerderij van ±50 à 60 ha, inclusief een degelijke houten woning met steenen fundament (8 X 12 m oppervlakte), houten schuur, stallen· en ‘t noodige vee en kleiner gedierte (varkens, geiten, kippen, e.d.), komt op ± f 8000.- te staan. Daarbij is dan een reserve-kapitaal van f 2000.- gewenscht. Heeft men pensioen, dan is alles natuurlijk veel eenvoudiger. Richt men alles op meer bescheiden schaal in, dan zal, volgens mijne inzichten, toch minimum 5 mille benoodigd zijn. De oudste ingezetenen hier noemen lagere bedragen, doch voor oud-Indischgasten lijken me mijn cijfers meer aan den veiligen kant. T.z.t. als ik uit eigen ervaring meer juiste gegevens ter beschikking heb, zal ik deze gaarne volledig doorgeven.

Thans vangt de nieuwe taak aan en zal ik vooral in de eerste maanden veel in beslag genomen worden. U kunt echter binnen afzienbaren tijd m’n volgenden brief tegemoet zien met uitvoerige mededeelingen over ‘t kolonie-leven, hare bewoners, het vee- en landbouwbedrijf, de tung (houtolie) -kansen en andere eigen bevindingen. Heden eindig ik. Wij hebben ‘t hier zeer naar onzen zin.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Reisindrukken van een oud-planter (2)

In de tweede helft van zijn eerste brief in het weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis door Brazilië vanaf zijn aankomst in Rio de Janeiro tot en met zijn ontvangst in Carambeí.

Rio de Janeiro
Bij het binnenvaren van de haven van Rio de Janeiro komt de mensch geheel onder den indruk, daar de entree werkelijk schitterend is. Eerst ziet men een bergachtige met bosch begroeide kustlijn, waarin diverse rotsachtige eilandjes, hetgeen ons doet terugdenken aan de kust bij Emmahaven (Padang); dan draait ‘t schip plotseling in de richting van de haven en treden, waar de groene bergen het blauwe water raken, talrijke wolkenkrabbers te voorschijn. Normaal duurt ‘t dan nog wel een uur, alvorens men aan de kade ligt.

Rio de Janeiro beslaat een oppervlakte van ca 60 vierkante mijlen en bestaat uit meerdere gedeelten, welke gescheiden zijn door een tot aan de zee doorloopenden bergrug en door een kanaal. Waar we eerst ‘s namiddags om 5 uur aan wal kwamen en den volgenden dag om 2 uur zouden vertrekken kregen we slechts een vluchtigen indruk van Rio, doch deze was alleszins gunstig. In kleur en opzet kan misschien geen tweede stad ter wereld met Rio vergeleken worden en inderdaad is ‘t voor iederen passagier een uniek gezicht de haven van deze fameuze Braziliaansche hoofdplaats binnen te stoomen.

Direct trof ons na het debarkeeren aan ‘t einde der enorme havenkade een in alle opzichten model clubgebouw, waar een tolk, die vele talen spreekt, den vreemdeling alle gewenschte inlichtingen geeft. Een keurig ingericht lokaal noodigt den bezoeker lokkend uit om; gratis een geurig kopje koffie te drinken, ten einde kennis te maken met dit voornaamste Braziliaansche uitvoerproduct. Zeer smakelijk gezet en netjes opgediend is deze wijze van reclame wel zeer origineel en zou o.i. ook op Java aanbeveling verdienen. Smakelijk gerangschikt ziet men in groote glazen bokalen alle soorten koffie, welke Brazilië oplevert, gesorteerd naar kwaliteit en grootte, als een kleine overzichtelijke tentoonstelling met duidelijke statistieken, zoodat iedere bezoeker onmiddellijk een idee krijgt van den enormen omvang dezer cultuur. Iedereen drinkt in Brazilië koffie en in groote hoeveelheden. Op de meeste plaatsen is ‘t usance minstens 4-maal per dag koffie te drinken. Zou op Java en de buitenzittingen op dezelfde wijze en in dezelfde mate koffie gedronken worden, dan zou de koffiecultuur waarschijnlijk geen crisis· doormaken. De geringe populatie van Brazilië heeft vanzelfsprekend weinig invloed op de koffiemarkt hier, daar de verhouding van het totaal aantal inwoners tot de totale koffieproductie minimaal is. M.i. zou dat in Indië een ander geval zijn. We zouden deze populaire wij ze van reclame maken onder de aandacht van het Bestuur van het Koffiefonds willen brengen.

De straten in Rio evenals de gebouwen doen de reputatie der stad alle eer aan. Evenwijdig met de zee loopt een promenade van wit marmersteen, ongeveer 5 mijlen lang. Vele gebouwen zijn geconstrueerd als paleizen. Imposante pleinen, opgeluisterd door grootsche monumenten, fonteinen en liefelijke bloemenrijke parken werken mede om het aanzien van de stad op te vroolijken. Deze snelgroeiende stad met bijna 2½ millioen inwoners met hare feërieke verlichting, comfortabele hotels, luxueuze casino’s, sprookjesachtige beaches, unieke race-terreinen en onvergetelijke panorama’s zal zeker meer en meer bezocht worden. Door den internationalen tourist. De avondverlichting der stad is meer dan schitterend, als één unieke illuminatie, en Rio moet wel een der best verlichte steden der wereld. zijn. We wisselden onmiddellijk geld bij Cook en al dadelijk bleek, dat het Engelsche bankpapier hier de meeste waarde heeft. Het Engelsche Pond wordt naar verhouding het hoogst gewaardeerd en alle wisselkantoren, o.a. Cook, geven voor bankpapier meer dan de Banken voor wissels uitbetalen. .Amerikaansche dollars zijn eveneens goed, doch ook hiervoor geldt, dat men voor bankpapier meer ontvangt dan voor een wissel. Toekomstige Rio-bezoekers kunnen dezen tip onthouden.

We lieten ons door een taxi de stad rondtoeren tegen een tarief van 20 milreis per uur. 1 Milreis was op dat moment ongeveer 12 Hollandsche centen. 1 Milreis = 1000 reis en 1000 milreis = 1 conto de reis. We bezochten o.a. de eetgelegenheden “Taberna Carioca” en “Brahma”. De maaltijden waren goed en billijk, hoewel ‘t moeilijk viel uit de Braziliaansche namen op het menu wijs te worden. Een Duitsch sprekende kelner helpt den vreemdeling echter wel op weg. Het viel ons onmiddellijk op, dat in Brazilië zooveel Duitsch gesproken wordt en in het Zuiden speelt deze taal een dermate belangrijke rol, dat b.v. in den Staat “Santa Catharina” zelfs de negers, afstammelingen der vroegere slaven, Duitsch verstaan.

Het bier in Rio, doch ook in de andere staten, welke we bezochten, is prima. Een glas vatbier, “chopp” genaamd, kost slechts 1 milreis en ‘t zijn flinke groote glazen “duplo” genoemd. Bierliefhebbers kunnen hier hun hart ophalen. We bezochten ook een bioscoop, doch Java staat, wat de film betreft, zeker bij deze wereldstad niet ten achter.

CorcovadoWe beklommen per auto, respectievelijk tandradbaan, den top van de “Corcovado”, waar ’t wereldberoemde 35 m hooge Christusbeeld, hier “Christo Redemptor” genoemd, een machtigen indruk maakt en den bezoeker tot stilzwijgen dwingt. Van hieruit ontrolt zich aan het oog één der schoonste panorama-uitzichten der geheele wereld. Ook het uit granietsteen bestaande suikerbrood (Sugar-Ioaf-mountain) ziet men overal heinde en ver te voorschijn treden. We hebben aan Rio een mooie en dankbare herinnering bewaard.

Santos
Nadat we Rio verlaten hadden voeren we na één nacht varen bij het aanbreken van den dag de haven van Santos binnen, waar we de .boot zouden verlaten. Na Rio maakte Santos op ons den indruk van een kampong en vooral bij het langzaam binnenvaren krijgt men een armoedigen indruk. Langs de kust liggen overal hutten verspreid, welke ons sterk herinnerden aan onze kamponghuisjes. Vanzelfsprekend is de stad zelf veel beter, hoewel er alles op een rommelige havenstad wijst. De reusachtige goedangs [pakhuizen] langs de kade bewijzen, dat de handel hier belangrijk is. Santos is de grootste afscheephaven van koffie.

Voor het eerst gedurende onze reis maakten we kennis·met de douaneambtenaren en deze kennismaking was verre van aangenaam. Alle koffers en kisten moesten zonder uitzondering opengemaakt worden en de wijze, waarop dit geschiedde, was meer dan ergerlijk. Keurig verpakte en gespijkerde kisten werden zonder eenige égards ruwweg opengebroken. Dankzij de hulp van een door het Consulaat te São Paulo gezonden Hollander, die ons met zijne kennis der Portugeesche taal door vele moeilijkheden heen hielp, ledigden we dezen beker en konden we om 3 uur ’s namiddags met een keurige char-à-bancs naar São Paulo vertrekken, terwijl alle bagage per vrachtauto volgde.

São Paulo
Hotel Suisso Sao Paulo
De weg van Santos naar São Paulo stijgt snel tot boven 800 m boven den zeespiegel en biedt schitterende vergezichten. São Paulo telt ± 1.300.000 inwoners en is een groote industriestad en zakencentrum in Zuid-Amerika. We namen onzen intrek in hotel Suisso, waar we per persoon en per dag 20 milreis betaalden. De kamers waren eenvoudig gemeubileerd, doch de maaltijden waren overvloedig en smakelijk. De lunch en het diner werden door een goed strijkje opgevroolijkt. Toen we met andere Hollandsche reisgenooten den eersten avond aan het diner zaten, speelde de muziek het Wilhelmus, dat natuurlijk staande door ons werd aangehoord. Deze sympathieke geste van den Zwitserschen eigenaar van het hotel werd vanzelfsprekend naar waarde geapprecieerd. We vertoefden 5 dagen te São Paulo voor bezoeken bij den Nederlandschen Consul en diverse paperassenrompslomp en maakten ter eere van de onafhankelijkheidsverklaring van Brazilië o.a. een parade mee.

São Paulo breidt zich in enorm snel tempo uit. Oude huizen en gebouwen worden overal afgebroken en vervangen door wolkenkrabbers. Straten en bruggen liggen opgebroken om opnieuw te worden geplaveid en geconstrueerd. Door al deze bouwerij ziet de stad er ongeacheveerd en rommelig uit. Over enkele jaren zal Sao Paulo zeker een zeer moderne wereldstad zijn. We bezochten o.a. de beroemde Butantan-slangenfarm, waar serums bereid worden tegen alle slangenbeten. Het geeft een griezelig gevoel tusschen al die verschillende gif- en niet-gifslangen en vooral de monsterlijke gifpadden waren zeer onooglijk. Het klimaat van dit centrum van ‘s werelds grootste koffiezaken is zeer aangenaam in dit jaargetijde, hoewel ‘t in de zomermaanden januari en februari wel eens warm kan zijn. Tijdens ons verblijf echter waren de dagen met hun blauwe luchten en veel zon koel en was ‘t er heerlijk.

Treinreis
Van São Paulo naar Ponta Grossa reisden we in een luxe slaapwagen. We vertrokken om 4 uur ’s namiddags en arriveerden den volgenden dag om 2 uur te Ponta Grossa. Deze slaapwagon is in twee helften verdeeld. In de eene helft zijn de slaapcoupé’s, terwijl de andere helft ingenomen wordt door verplaatsbare rieten fauteuils. Per volwassene betaalden we nog geen f 10.- Hollandsch geld, ‘t geen voor 22 uren sporen, inclusief slaapcoupé, toch zeker zeer billijk is. Deze spoorlijn behoort aan eene particuliere Braziliaansche Maatschappij, terwijl de totale aanleg voor een vast bedrag per km door een Engelsch concern werd aangelegd. Het gevolg was natuurlijk, dat er duizenden bochten ontstonden, daar voor de geringste oneffenheid in het terrein de lijn werd omgelegd om een kunstwerk of grondverzet te vermijden. De baan ligt slecht, terwijl de veering der wagons eveneens abominabel is. Een treinreis in dit land is dan ook bij lange na geen pretje. Bij de vele onbewaakte overwegen vindt men borden met ‘t volgende opschrift: “Pare – olhe – escute – passe”, wat beteekent: “Sta stil – kijk uit – luister en passeer”.

Ponta-Grossa
De hotels in Ponta-Grossa zijn primitief, doch uiterst billijk. De wegen in ‘t stadje (35.000 inwoners) zijn slecht geplaveid. In de buitenwijken zijn de wegen zelfs nog niet verhard. Ook de verlichting laat nog zeer veel te wenschen over. Door het stadje trekken vele huifkarren door 8 à 12 muilezels getrokken, terwijl fazendero’s (grondbezitters) of hunne geëmployeerden op met schapenvachten gezadelde paarden met fantastische shirts en dassen en breedgerande hoeden een Far-west-sfeer scheppen. Trouwens zeer veel hier in het binnenland herinnert ons aan de Cowboy-films, welke we zoo nu en dan in Indië bezochten. We werden afgehaald en begroet door verschillende leden der Hollandsche kolonie Carambehy, waaronder o.a. de leider en de dominee. De spontane hartelijkheid en geboden hulp deden warm aan, en we accepteerden deze met graagte, daar de eerste indrukken van dit primitieve stadje verre van vroolijk stemden. Integendeel, onze eerste kennismaking met ‘t hotelleven in Ponta Grossa viel geweldig tegen en met zeer gemengde gevoelens werd de eerste nacht doorgebracht.

Carambehy
Reeds den volgenden dag bezochten we Carambehy op ± 1 uur met de auto van Ponta Grossa verwijderd en onmiddellijk verbeterde de stemming, daar Carambehy een alleszins vroolijken en prettigen indruk maakte. Het land is lichtglooiend met schitterende vergezichten en men waant zich in een stukje mooi Holland. Het is de bewoners ten volle gelukt hun nationaliteit volkomen te behouden. U kunt U dus voorstellen een stukje uitgesproken mooi Nederland met ‘t verrukkelijk klimaat van Zuid-Italië.

We huurden een eenvoudige leegstaande boerenwoning voor de luttele som van 80 milreis per maand, inclusief een groot erf met schuren en stallen en een mooie boomgaard. We besloten zoo spoedig mogelijk hierheen te verhuizen tot we t.z.t. na aankoop van eigen grond ons eigen huis zullen bouwen. In m’n volgenden brief zal ik U uitvoerig over ’t ontstaan dezer Hollandsche nederzetting, het leven en · alles, wat·daarmee direct verband houdt, vertellen.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Reisindrukken van een oud-planter (1)

In de eerste aflevering van zijn brievenreeks in het Indische weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis vanuit Nederlands-Indië tot en met zijn aankomst in Carambeí. In het eerste deel van zijn verslag, vertelt hij over de bootreis van Java via Singapore en Zuid-Afrika tot zijn aankomst in Rio de Janeiro.

De bedoeling dezer brievenreeks is het contact te behouden tusschen oud-collega’s en vrienden- op Java en Sumatra en ons, op onze aanstaande standplaats Carambehy, eene Nederlandsche nederzetting in den Staat Paraná (Zuid-Brazilië) op ca. 25° Z.B. en ± 1050 m. boven den zeespiegel, met een aangenaam klimaat in een schitterende natuur. De zomers zijn er milder dan in Nederland, terwijl de winterdagen er zonnig en droog zijn en de thermometer ’s nachts slechts zelden onder het nulpunt komt. Volgens verkregen inlichtingen derhalve een dorado voor oud-Indischgasten. Ik zal U na grondige oriëntatie volkomen over deze kolonie inlichten en over de mogelijkheden, welke deze nederzetting aan oud-planters biedt in verband met ligging, bodem, klimaat, regenval, formaliteiten en eigendomspapieren, autoriteiten, scholen, godsdienst, opzet en voorschriften voor nieuwe kolonisten en alles, wat verder belangrijk zal blijken. Hierdoor verwacht en hoop ik suggesties te kunnen geven aan diegenen onder mijn vrienden en oud-collega’s, die evenals ik na volbrachte Indische carrière, zoekend en onbevredigd, met een klein kapitaal blijven ronddolen. Mocht ik hiermee kunnen bereiken aan enkelen onder U een nieuw levensdoel aan te wijzen, dan zal m’n moeite beloond zijn, daar ik uit eigen ervaring weet, hoe moeilijk het is den juisten weg te vinden. Ik vertrouw, dat deze brieven er het hunne toe zullen bijdragen de keuze tot het vinden van een blijvend home te vergemakkelijken en verwacht een aangename en prettige gedachtenwisseling.

Vertrek van Java
Na 30 jaar onze beste krachten aan Insulinde te hebben gegeven ving de groote reis op 31 Juli ‘s middags om 5 uur aan en verlieten we met het
m.s. “Ophir” der K.P.M. Tandjong-Priok [1]. Veel liefs msOphiren moois, doch ook veel leed, succes, doch ook teleurstellingen heeft Indië ons gebracht en nu gingen we, evenals 30 jaren geleden, nogmaals “zoekend” de wereld in. Thans zetten we onder het verleden een streep in afwachting van wat de toekomst ons·zal brengen. ‘t Was wel een toevallige samenloop van omstandigheden, dat juist de “Ophir” ons naar Singapore moest brengen. In Februari 1931 was het dezelfde boot, die ons voor de eerste maal naar Padang bracht, op doorreis naar de Ophirlanden, waar ik gedurende bijna 7 jaar het beheer voerde. Met een snik en een traan nam ik te Singapore afscheid van het mooie doek, destijds door de Directie der Koloniale Bank aan de Directie der K.P.M. aangeboden ter verfraaiing van het trappenhuis van het schip, dat denzelfden naam draagt als hare onderneming op Sumatra’s Westkust. Het schilderij geeft wel zeer sprekend de omgeving weer, waar we eenige moeilijke, doch tevens mooie jaren van ons leven hebben doorgebracht·en die herinnering pakte vanzelfsprekend even aan. Nu is alles voorbij en ligt de Java-Sumatra-episode reeds ver achter ons. We kijken nu niet meer achterom, doch onze blik is op de toekomst gericht.

De zeereis
Op 3 Augustus zetten we met het m.s. “Buenos Aires Maru” van de·Osaka Shosen Kaisha (“South American Line”) via Colombo, Durban, Kaapstad en Rio de Janeiro koers naar Santos, de haven, waar we zouden debarkeeren. Deze boot onderhoudt met het zusterschip de “Rio de Janeiro Maru” de snelverbinding met Zuid-Amerika en maakt dan verder via het Panama-kanaal – Los Angelos “een round the World” -trip. Zij heeft ± 10.000 tonnenmaat en kan een vaart ontwikkelen van ± 17 à 18 zeemijlen per uur. De boot ligt bijzonder vast in het water en niettegenstaande we over ‘t geheel genomen ruw en stormachtig weer hadden, bemerkte men hiervan betrekkelijk weinig en schoot zij rustig en statig door de hoogste golven.

Er heerschten orde en regel aan boord, hetgeen een gevoel van rust en veiligheid geeft. De tweepersoonshutten zijn ruim en comfortabel, vierkant van vorm, hetgeen zeer practisch is. De eetzaal is gezellig en in lichtgroene kleuren gehouden; de muzieksalon is eenvoudig en sober van stijlin lichtgrijze tinten en met een royale bibliotheek met Engelsche en Japansche lectuur. Overigens beschikt men over ruime wandeldekken (±150 m rond), een rooksalon met bar en een Japansche veranda met diverse Japansche planten. De maaltijden zijn voor Hollandsche magen eenigszins phantastisch en men moet in het uitkiezen der gerechten eerst de noodige routine krijgen, daar alles à la carte wordt opgediend. De prijzen der dranken zijn zeer matig gesteld; zoo kost een flesch goed Japansch bier b.v. 32½ ct. in Hollandsch geld.

Voor afleiding der passagiers wordt veel gedaan; zoo genoten we o.a. bij het passeeren van den equator van een zeer verzorgd Neptunusfeest, zooals·ik ’t op geen mijner zeereizen nog heb meegemaakt. Hierbij maakten we ook kennis met den bekenden Japanschen drank “saké”, waarvan de smaak ‘t midden houdt tusschen een goede Sherry en een slappe pait, echter zonder aroma, doch overigens niet onaangenaam van smaak.

Het reisgezelschap was internationaal en bestond uit·Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Brazilianen, Argentijnen, Portugeezen, Zuid-Afrikanen, Japanners en ons clubje Hollanders. De meesten onzer medepassagiers waren touristen, die een round-theworld-trip maakten en voor hun pleizier reisden. De onderlinge verstandhouding was uitstekend; men kende elkaar ternauwernood en toch was ‘t één groot en·gemoedelijk huishouden. Wij waren met ongeveer 50 eerste klasse passagiers; de boot bracht verder ruim 800 Japansche emigranten over naar São Paulo in Zuid-Brazilië, waar hun gronden zouden worden toegewezen voor individueele katoencultuur. Deze menschen deden veel aan sport onder elkaar, o.a. turnen, zwaardvechten, boksen en worstelen en leefden uiterst tevreden. De O.S.K.-lijn deed eveneens veel·om voor hen de lange reis te veraangenamen. Er heerschten groote orde en tucht en men bemerkte zeer weinig van dit groote aantal menschen. Drie doctoren en het noodige verplegend personeel waren speciaal te hunner beschikking gesteld, zoodat de hygiënische verzorging in goede handen was.

Durban
In den nacht van 18 op 19 Augustus kwamen we voor de haven van Durban, hetgeen een feeëriek gezicht opleverde. Bij het aanschouwen van zooveel pracht, als in de nachtelijke stilte zich de stad, een schitterende en indrukwekkende illuminatie; aan·de oogen ontrolt, wordt de mensch even stil en stemt dit grootsche tafereel onwillekeurig tot nadenken.We maakten diverse mooie ritten·in keurige electrische trams en bussen en kregen op deze wijze een goeden indruk van de stad. Het was ijzig koud en een gure wind veronaangenaamde ons verblijf in deze overigens beroemde luxe-badplaats. Het liep naar het einde van het badseizoen, doch, hoewel de groote hotels nog. vol met badgastenwaren, was er aan het strand practisch geen levend wezen te bekennen. De stad trok ons overigens onder deze omstandigheden als woonplaats geenszins aan. Onze verwachtingen waren te hoog gespannen en het geheel viel door den demoraliseerenden invloed van de kou wel eenigszins tegen.

Kaapstad
Den 21sten ‘s nachts lagen we op de reede van Kaapstad en het nachtelijk panorama van de stad en de omgeving bood nog een schooneren aanblik dan bij aankomst te Durban. Ook Kaapstad zelf met zijn wonderschoone bergenomgeving, prachtige straten en historische herinneringen beviel ons direct beter dan Durban. We genoten van de drukte op straat met het enorme auto-verkeer en gevoelden ons thuis als in een Europeesche stad. Mogelijk, dat ook het betere weer onze stemming en critiek milder maakte, doch vast staat, dat de stad met hare oudere en monumentale gebouwen meer tot ons sprak dan Durban.We maakten er een prachtige en hoogst interessante tour met een comfortabele char-à-bancs en bezochten o.a. de wereldberoemde en romantische “Kaap de Goede Hoop”. We reden aan den voet van den Tafelberg en de twaalf Apostelen en bewonderden diverse keurig aangelegde badplaatsen met schitterende rotstuinen en genoten van imposante vergezichten.

Zeer voldaan verlieten we op 23 Augustus de haven en stevenden op Rio de Janeiro aan, de hoofdstad van Brazilië en tweede stad in zielenaantal van geheel Zuid-Amerika.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Voetnoot
[1] Het schip de m.s. Ophir was in 1929 gebouwd door de Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij (NSM) in Amsterdam in opdracht van de Koninklijke Pakket Maatschappij (KPM). Tandjong Priok was de haven van Batavia (thans Djakarta).

 

‘Ir. Heymeyer komt voor onze aspirant-emigranten’

Na de publicaties van Heymeijer in het boerenbondsblad Boer en Tuinder en zijn radiovoordracht (zie de bijdragen ‘Wij zochten land in Brazilië’ op deze website) was de belangstelling voor emigratie naar Brazilië alleen maar toegenomen. Op 6 en 7 mei 1947 organiseerde de Noordbrabants Christelijke Boerenbond (NCB) in Breda en Boxtel twee voorlichtingsbijeenkomsten. Gezien de grote belangstelling moest men in het bezit zijn van een toegangsbewijs en een entreegeld van 5 gulden te betalen. De NCB-editie van Boer en Tuinder kondigde beide voorlichtingsbijeenkomsten op 3 mei 1947 als volgt aan.

Heymeijer
Geert Heymeijer

‘Het vraagstuk der emigratie heeft de laatste tijd zo in het teken van de belangstelling gestaan, dat misschien geen enkel van de vele problemen die onze boerenstand op ’t ogenblik raken zoveel werd besproken. Deze belangstelling werd zelfs opgevoerd tot spanning ja zelfs hoogspanning en hiertoe hebben zeker voor een deel bijgedragen ontelbare vergaderingen en lezingen waar over emigratie werd gesproken, naar diverse landen, waaronder vooral Brazilië. Ja het kwam zelfs zover, dat Brazilië bij de meesten in hun gedachten en fantasie hing als het land van belofte, zelfs haast als een Luilekkerland!

Waarom niet? Men vindt er immers edele metalen, steenkool, een prachtige natuur, en wat onze boeren vooral trok, prima grond, zware klei in uitgestrekte oppervlaktes, niet te overzien. Ja stel U eens voor, een land met al die rijkdom, een land in opkomst, bijna 200 maal zo groot als Nederland met slechts ongeveer 40 millioen inwoners, terwijl de grond daar bijna voor ’t grijpen ligt, en bijna niets kost. En dan nog wel grond, welke zonder bemesting de zwaarste opbrengsten oplevert! En de prijs der producten? O, dat was allemaal prima in orde. Brazilië moet immers al zijn landbouwproducten invoeren, en kent geen landbouw van betekenis. Dus daar behoefde men niet voor de vrezen. Dit was de verbeelding!!

Hoewel deze verbeelding zeker niet bij allen, die gedwongen door de omstandigheden, rondliepen met emigratie-aspiraties aanwezig was, velen hunner stelden zich Brazilië toch voor als bovenomschreven. Overgroot was dan ook de belangstelling voor de vergaderingen die werden belegd door onze organisatie, en waar ir. Horsmans en de heer Kampschoër [de directeur en de voorzitter van de Emigratiestichting van de KNBTB, MS] kwamen spreken over emigratie, waarbij tevens formulieren werden uitgedeeld waardoor men zich voor emigratie kan opgeven, en we telden zelfs vergaderingen met meer dan 1000 aanwezigen. Een stroom van opgaven kwam binnen en groeide aan tot een aantal van 700 stuks. Zij die zich meldden waren niet alleen jonge boeren doch ook gehuwde, met grote en kleine gezinnen met grote en kleine kinderen, en voor 90 pct. als pionier.

Wat is nu de werkelijkheid? Hoe is de grond, het klimaat, de prijs der producten, het levensniveau, kortom: wat zijn de mogelijkheden in Brazilië? Voor wie is er kans? Wie zullen in aanmerking komen als pionier bij de eerste groep? Dit, en vele andere, waren vragen waarop wij allen een antwoord wilden hebben. En alhoewel we een en ander konden lezen in Boer en Tuinder, vele vragen bleven voor ons onbeantwoord, terwijl we smachtend zaten te wachten, en alhoewel door de drukke voorjaarswerkzaamheden bij velen de spanning enigszins ontladen is, toch zou men graag iets meer weten. Welnu hiertoe zal ir. Heijmeijer omtrent zijn ervaringen in Brazilië vertellen, en ruime gelegenheid geven tot het stellen van vragen.’

Wij zochten land in Brazilië (IV – slot)

De commissie-Heymeijer verontschuldigde zich in haar rapport over het feit dat niet erg vleiend voor Brazilië en de Brazilianen. Zij meende in het belang van hen ‘voor wier toekomst wij ons verantwoordelijk achten’ er goed aan te doen de situatie met een kritisch oog te moeten bezien. ‘Indien (…) een gelegenheid gevonden wordt, waar inderdaad redelijke kansen voor Nederlanders bestaan (…), dan zullen degenen, die dan toch besluiten den stap te doen en de moeilijkheden het hoofd te bieden, voor het grootste deel wel blijken te zijn gesneden uit het hout, waaruit men pioniers snijdt. En deze lieden zullen slagen. Stelt men aan den anderen kant zaken te gunstig voor en wordt over de moeilijkheden maar luchtig heengegaan, (. ..) dan zullen velen verleid worden te emigreeren, voor wie de werkelijkheid een bittere teleurstelling zal beteekenen. Dit moet tot iederen prijs voorkomen worden, niet alleen in het belang van de slachtoffers, maar in het belang van de emigratie in het algemeen.’
                In 1973, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Holambra, blikte Heymeijer terug op het werk van zijn onderzoekscommissie. Hij gaf toe Brazilië in korte tijd te hebben gezien met Nederlandse ogen en te hebben aangehoord met Nederlandse oren. ‘Bij voorbaat kon gesteld worden, dat ons oordeel wat eenzijdig en zeker niet definitief kon zijn. Wij waren ons daar van bewust en daarmede ook van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van al te grage emigranten. Groepsemigratie zou de aangewezen wijze van emigratie zijn en dan waren er ook goede perspectieven. De candidaat-emigranten zouden goed voorbereid dienen te worden en er niet al te gemakkelijk over moeten denken om de stap te doen.’
                Het weekblad Boer en Tuinder publiceerde op 12 april 1948 de volgende conclusies van de commissie-Heymeijer:

  1. Waar voldoende arbeidskrachten zijn en redelijke transportmogelijkheden is de rentabiliteit van den landbouw in Brazilië op het ogenblik goed; in de koffie- en katoencultuur zelfs zeer goed. Dit laatste geldt ook voor den tuinbouw en de melkveehouderij in de omgeving van de groote steden. De economische toestand van Brazilië is op het moment zeer labiel; rekening moet worden gehouden met een daling van de prijzen der agrarische producten. Dit zal in mindere mate het geval zijn met sommige eerste levensbehoeften: melk, groenen, fruit, aardappelen.
  2. Voor emigratie naar Brazilië komen alleen jonge bij voorkeur gehuwde personen met een groot aanpassingsvermogen in aanmerking. De emigrant dient er rekening mede te houden, dat hij een periode van economische en sociale moeilijkheden zal moeten doormaken. De laatste moeilijkheid is in het algemeen voor de vrouwen het grootst. Vestiging als landarbeider is ten sterkste af te raden, gelet op den zeer lagen levensstandaard van den plattelandsarbeider in Brazilië. In bepaalde gevallen kunnen bekwame Nederlandsche boeren in een redelijke positie in loondienst worden geplaatst. In verband met de vrijwel in alle opzichten van de Nederlandsche sterk afwijkende toestanden en volksaard is individueele emigratie van landbouwers in het algemeen af te raden. In bijzondere gevallen of voor personen met speciale eigenschappen kan individueele emigratie succes opleveren. In alle gevallen moeten de emigranten in Nederland zoo volledig mogelijk worden ingericht en gewaarschuwd voor de moeilijkheden, die hun wachten, terwijl in Brazilië daadwerkelijke hulp en voorlichting noodzakelijk is. Emigratie op goed geluk levert de meest ernstige gevaren voor economische en maanschappelijken ondergang op. Het medenemen van vrouw en kinderen is in dergelijke gevallen misdadig te noemen.
  3. De aan individueele emigratie verbonden nadeelen kunnen grootendeels worden ondervangen door vestiging in groepsverband. Dit is mogelijk voor betrekkelijk kleine groepen als deelpachter op groote landgoederen. Grootere groepen zouden zich kunnen vestigen door aankoop of in sommige gevallen door pacht van gronden in een bepaalde streek. Aan de vestiging van grootere groepen als zelfstandige landbouwers in een streek, waar uitbreidingsmogelijkheden bestaan, is om economische en sociale motieven verre de voorkeur te geven. De groep dient dan uit zooveel mogelijk homogene elementen te bestaan en in organisatorisch verband te worden gebracht.
  4. In het algemeen is aan koop van grond de voorkeur te geven boven pacht. Onder de huidige omstandigheden kan het pachten van grond voordeelen bieden, gelet op de betrekkelijk hooge koopprijzen en de onzekerheid met betrekking tot de waarde van de nationale munt in Brazilië; bovendien zijn de moeilijkheden om de vestiging te financieren bij koop aanzienlijk grooter. Mogelijkheden om een belangrijk gedeelte van de voor de financiering benoodigde geldmiddelen in Brazilië te vinden zijn aanwezig. De rentestandaard is echter in het algemeen zeer hoog.
  5. De landbouwbedrijven zijn in Brazilië in het algemeen veel grooter en de opbrengsten per H.A. lager dan in Nederland. Gelet op de financieringsmoeilijkheden kunnen de bedrijven, die aan Nederlandsche emigranten ter beschikking worden gesteld – naar Braziliaanschen maatstaf gemeten – slechts zeer klein zijn. Om op deze bedrijven een redelijk bestaan te verdienen zal de exploitatie door vakbekwame boeren en op meer intensieve wijze dan in Brazilië in het algemeen gebruikelijk is, moeten plaats hebben. In de meeste gevallen zal de grond moeten worden verbeterd. Voor de vaststelling van de minimale bedrijfsgrootte het aangeven van de wijze van verbetering van den bodem en het inrichten van de bedrijven op de meest rationeele wijze zijn wetenschappelijke studie en practische ervaring gedurende eenige jaren noodzakelijk.
  6. Alvorens tot groepsvestiging kan worden overgegaan is een nauwkeurig en verantwoord onderzoek van de betrokken streek noodzakelijk ten aanzien van bodem en klimaat, afzetmogelijkheden en sociaal-culturele omstandigheden. Indien tot groepsvestiging wordt overgegaan is het gewenscht overeenkomstig de Braziliaansche wetgeving een “cooperativa” op te richten, die financiële en technische leiding geeft. Tegelijk dient een afzetorganisatie in het leven te worden geroepen.
  7. Aangezien de mogelijkheid bestaat, dat Brazilië een bestaan kan bieden voor duizenden Nederlanders als kleinere, maar zelfstandige land- en tuinbouwers, is een ernstige poging, om de zeer vele aan emigratie naar dit land verbonden moeilijkheden te overwinnen en het nemen van een proef op voldoend groote schaal, verantwoord. Deze proef dient een aantal van 200-300 gezinnen te omvatten; de vestiging daarvan moet worden voorafgegaan door een kleinere groep van 20-30 pioniersgezinnen. Voor het slagen van de proefonderneming is de aanstelling van een of meer landbouwkundigen voor onderzoek en voorlichting als bedoeld onder 5 en 6 noodzakelijk. De aan het nemen van een proefneming gepaard gaande kosten zijn aanzienlijk lager dan die, welke moeten worden besteed aan de stichting van bedrijven op nieuwe gronden in Nederland.

 

Bronnen: Rapport W. van Beers, J.G. Heymeijer en C. van Steen (Rio de Janeiro), 12 februari 1947, in: NA, Archief Voorlopers NED, inv.no. 121; J.G. Heymeijer, ‘Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie naar Brazilië. Holambra, 1948-1973’, mei 1973, p. 6, [0655] in: NA, Archief Heymeijer, inv.no. 7; Boer en Tuinder, 12 april 1947.

Hoffnung op Brasilien

De mislukte emigratie van Luxemburgers naar Brazilië

Onlangs attendeerde een Luxemburgse collega mij op de omvangrijke emigratie die in de 19e eeuw vanuit het kleine Groothertogdom heeft plaatsgevonden naar het grote Brazilië. Deze emigratie en retourmigratie staat centraal in een tentoonstelling die van 10 april tot 5 juli 2013 te zien is in het Nationaal Archief van Luxemburg. Drie jaar geleden publiceerde de Luxemburgse auteur Guy Helminger onder de titel Neubrasilien een roman waarin de terugkeer van deze Braziliëgangers centraal staat.

Luxemburg was in de negentiende eeuw een klein land, dat leefde van landbouw en handenarbeid. In 1839, het jaar van de stichting van het huidige Groothertogdom, had het land 175.000 inwoners. Van 1840 tot 1890 emigreerden 66.000 Luxemburgers, waarvan het merendeel vertrok naar Frankrijk en de Verenigde Staten.

In 1828 voltrok zich de eerste emigratiebeweging naar Brazilië. Maar liefst 2500 personen, 1,8% van de Luxemburgse bevolking, sloten zich aan bij een Duitse emigratiebeweging. Aangemoedigd door de bevolkingspolitiek van keizer Dom Pedro I en de agressieve wervingscampagnes van Duitse reisagenten gingen de Luxemburgse Braziliëgangers op weg naar het beloofde land. Echter, tenminste 232 van de 332 Luxemburgse families bereikten nooit de ontschepingshaven Rio de Janeiro. Twee derde van de Braziliëgangers werden het slachtoffer van de criminele praktijken van de reisagenten tijdens hun reis vanuit Luxemburg naar de vertrekhaven Bremen. Veel families bereikten Bremen zonder hoop en zonder geld. Uiteindelijk keerde zeventig procent van de Braziliëgangers terug naar Luxemburg. Deze berooide aspirant-emigranten weigerden daarop terug te keren naar hun oorspronkelijke dorpsgemeenschappen of werden daar geweigerd. Diep vernederd door het falen van hun migratiepoging, probeerden zij te ontsnappen aan de hoon van hun oude omgeving.

Uiteindelijk werden de arme Braziliëgangers door de Luxemburgse regering in de gelegenheid gesteld zich te vestigen in een van de armste delen van het land. Zij stichtten het drop Grevels, gelegen ten noordwesten van het de hoofdstad van het Groothertogdom. De geschiedenis van dit dorp is heden ten dage nog zichtbaar in de bijnaam van het dorp Neubrasilien.

Hoewel de mislukking van de eerste emigratiegolf in Luxemburg algemeen bekend was, weerhield dat veel Luxemburgers er niet van om tussen 1846 en 1852 een nieuwe poging te wagen. Ook nu liep een groot deel van de emigratiegolf stuk in de vertrekhaven, dit keer het Franse Duinkerken.

Ondanks de mislukkingen hebben beide emigratiegolven geleid tot de vestiging van Luxemburgse gemeenschappen in Brazilië. In 1828 emigreerden enkele honderden Luxemburgers naar Santa Catarina. Twintig jaar later kwamen de voormalige inwoners van het Groothertogdom terecht in Santa Catarina en Espírito Santo. In de laatstgenoemde deelstaat vormden zij een eigen gemeenschap Luxemburgo in de gemeente Santa Leopoldina, niet ver van de latere Zeeuwse gemeenschap Holanda.

In de navolgende video leest Helminger een passage voor uit zijn boek Neubrasilien.

Bron: Claude Wey, ‘Luxembourgers in Latin America and the permanent threat of failure’. “Return Migration” in the social context of a European micro-society’, in: AEMI Journal,Volume 1, 2003. [pdf]

Wij zochten land in Brazilië (III)

Na de muzikale break ging Heymeijer in zijn radiopraatje in op de vraag of Brazilië een geschikt emigratieland was voor de Nederlandse boeren. Hij was kritisch, maar zag wel mogelijkheden, mits er aan een aantal voorwaarden zou worden voldaan. Hij citeerde de Zuid-Amerikakenner Willem Julius van Balen (1890-1984) die kort daarvoor had geschreven dat de bodem van het continent gedrenkt was met het zweet, de tranen en het bloed van tienduizenden.

Na dit muzikale uitstapje, luisteraars, keeren wij terug naar ons uitgangspunt: wij zochten land in Brazilië: boerenland. Men zou zoo zeggen (…) dat dit niet zoo moeilijk geweest zal zijn en wel overal te vinden en dat het verder zeer aantrekkelijk moet zijn in dit land te leven en gemakkelijk om er geld te verdienen. Zoo eenvoudig is het echter niet, luisteraars, want iedere medaille heeft een keerzijde en zoo zijn er omstandigheden, die ik in het begin noemde en die zoo gunstig leken – en het inderdaad ook zijn – evenzoo vele factoren, die de vestiging als landbouwer kunnen bemoeilijken. Ik wil een paar voorbeelden noemen.

De geweldige uitgestrektheid van het land en de dunne bevolking, die eenerzijds de ruimte voor onze boeren waarborgen, zijn anderzijds weer oorzaak van een zeer moeilijk en zeer kostbaar verkeer. De afzet van de producten naar de consumptiegebieden levert in vele gevallen zulke ernstige moeilijkheden op, dat het niet de moeite loont om die producten te gaan verbouwen. Die geweldige ruimte is ook aanleiding geweest tot die groote bedrijven (…) maar ook door het beoefenen van roofbouw. En dat heeft weer tot gevolg, dat de bodem in vele streken uitgeput en verarmd is. Men heeft toch grond genoeg! Maar het gevolg daarvan is, dat de goede grond steeds verderaf gezocht moet worden.

Het prachtige klimaat, dat het leven daar zeer veraangenaamt, kan echter den boer in sommige gevallen leelijk parten spelen, omdat de regenval niet zoo goed verdeeld is als hier, maar maandenlang geheel kan ophouden. In die periode groeit er dus geen gras voor het vee en soms kan de periode zoo lang aanhouden, dat ook andere gewassen verdrogen. Daarbij zijn er ook uitgestrekte gebieden, waar het zóó warm is, dat het voor den Nederlandschen boer niet mogelijk is om te werken.

Allen bij elkaar moesten wij dus zeer goed uitzien om geschikten grond te vinden voor onze boeren en tuinders, want ook in den tuinbouw zitten wel mogelijkheden. Wij zochten dus naar terreinen, die in een goed klimaat waren gelegen, die behoorlijke verbindingen hebben en dus goede afzetgebieden bieden en waar de grond goed was. Wij hebben nu enkele gebieden op het oog en daarvan wordt de grond door een van ons [ir. W.F. van Beers, MS] nader onderzocht. Definitieve resultaten moeten we dus nog afwachten. Ook andere moeilijkheden moeten nog worden opgelost, maar daarover kan ik U in de 10 minuten, die mij zijn toegemeten, niet praten. Slechts een wil ik er noemen en dat is, dat wij niet vergeten mogen, dat wij ons geld niet naar Brazilië mogen meenemen en dat wij dus voor onze bedrijfscredieten geheel op Brazilië zijn aangewezen. En verder wil ik U wel zeggen, wat onze conclusie is. In het kort komt dit erop neer, dat wij niemand durven aanraden op zijn eentje naar Brazilië te emigreeren. Daarvoor zijn de moeilijkheden te groot en te velerlei. Practisch gesproken is het voor onze boeren alleen mogelijk in Brazilië te slagen, indien dit geschiedt in groepsverband onder goede leiding en met een staf van lieden, die de moeilijkheden op het gebied van den landbouw, van het vervoer en van den verkoop en de verwerking van het Nederland en de ABC-statenproduct mede helpen oplossen. Voor hen, die meenen op eigen beenen te kunnen staan en in een geheel vreemde omgeving succes te hebben met werkmethoden, waaraan men in eigen land gewend is, wil ik de harde woorden herhalen die, Mr. Van Balen in zijn boek Nederland en de A.B.C.-staten, woorden, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten. Van Balen schrijft dan: ‘Om het nu maar eens heel kras uit te drukken: de bodem van Zuid-Amerika is gedrenkt met het zweet, de tranen en bloed van tienduizenden, die aldus gemeend hebben, zich wel op den duur omhoog te kunnen werken. Enkelen zijn geslaagd en hun schitterend voorbeeld heeft vele anderen verblind, doch het overgroote meerendeel is op den Zuid-Amerikaanschen akker ondergeploegd als mest, waarvan op zijn gunstigst volgende generaties het voordeel zullen trekken.’

Dit is inderdaad kras uitgedrukt en naar mijn meening gelden deze woorden niet uitsluitend voor Zuid-Amerika. Ook in Frankrijk en andere emigratielanden zijn er vele, zeer vele mislukkelingen ten onder gegaan, omdat zij niet voldoende waren voorbereid. Maar die woorden mogen een waarschuwing zijn voor onverantwoordelijke optimisten – wij hebben er ontmoet in Brazilië – die meenen, dat emigreeren een plezierreis is. En aan den anderen kant houdt het een les in voor ons om goed uit te zien en niet over ijs van één nacht te gaan. Laat ons hopen en ook bidden, luisteraars, dat wij erin slagen zullen door goed onderzoek, door een goede organisatie en door taaie volharding in Brazilië een gelukkige toekomst te scheppen voor een groot aantal Nederlandsche boeren en tuinders.

Bronnen: KDC, Archief KNBTB, inv.no. 3390; J.W. van Balen, Nederland en de ABC-staten (Amsterdam 1945), pp. 247-248.

Wij zochten land in Brazilië (II)

Naast artikelen in het bondsblad ‘Boer en Tuinder’ deelde Geert Heymeijer de indrukken opgedaan tijdens zijn eerste reis naar Brazilië ook in een radiopraatje (causerie) die hij kort na zijn terugkeer verzorgde voor de KRO-radio. In het eerste deel van dit praatje typeert hij het onmetelijk grote land dat hij had bezocht en eindigde hij met het draaien de carnavalshit van Silvo Caldas.

Bijna vier maanden luisteraars, zijn wij met zijn drieën op reis geweest in Brazilië, op zoek naar boerenland. Dat is een heele tijd en toch hebben wij nog maar betrekkelijk weinig van dat land kunnen zien, want het is een verschrikkelijk groot land, dat Brazilië. 280 Maal zoo groot als Nederland en daar wonen maar 5 maal zooveel menschen als hier. Daar moet dus wel de ruimte zijn en die is daar inderdaad; zelfs in vergelijking met de z.g. dichtbevolkte streken wonen er in Nederland gemiddeld 10 maal zooveel menschen op dezelfde oppervlakte als in Brazilië. Ruimte is er dus en zon en warmte eveneens! Ja het kan er ook wel eens erg warm worden en drukkend hier en daar, maar in de bergen op 600 meters hoogte is het best om uit te houden en al kan de zon overdag flink steken, tegen den avond koelt het af en heeft men het heerlijkste weer, dat men zich denken kan. En dan daarbij niet van die vreselijke hinderlijke muggen, die bij ons steeds de zeldzame mooie zomeravonden zoo kunnen bederven.

Brazilië is een land van ruimte, zon en warmte, van prachtig blauwe luchten en schoone, zeer schoone landschappen. Daar groeien de koffie en de katoen, de voornaamste producten van den landbouw, daar groeit rijst, suikerriet en mais, daar plukt men de bananen in de tuinen of langs den weg, daar zijn de sinaasappelen, grapefruit, en andere vruchten in groote verscheidenheid en vele soorten. Daar zijn landbouwbedrijven van 1000 en 10.000 hectaren en meer, waar groote kudden vee gehouden worden.

Wij hebben daar gereisd veel en lang op allerlei manieren: met eigen vliegtuigen – de meest comfortabele en snelle wijze om groote afstanden te overbruggen ‑ , met de trein, zelfs eenmaal met de exprestrein, bestaande uit een locomotief, een salonrijtuig en een slaapwagen, ons welwillend ter beschikking gesteld door een der vele spoorwegmaatschappijen, die daar zijn, met sportvliegtuigjes, met auto’s van de Regeering en ook met autobussen, vrachtauto’s, lorrie’s met een span muilezels ervoor, motor- en roeibooten en te paard; dus nogal variatie. Het paard, luisteraars, vervult in Brazilië op het platteland dezelfde functie als de fiets in ons eigen land. De fiets is daar nl. onbruikbaar vanwege het sterke heuvelland en de – vooral in de natte periode – slechte wegen, terwijl de kleine paardjes, die men daar heeft, op ongelooflijke wijze smalle steile bergweggetjes kunnen beklimmen, door modderpoelen en beekjes waden en je overal brengen, waar je met geen ander vervoermiddel of te voet ooit zou kunnen komen.

Wij waren ook in de steden; daar zijn enkele zeer groote steden als Rio de Janeiro en São Paulo, ieder met meer dan 2 millioen inwoners, een gering aantal kleinere steden met enkele honderdduizenden inwoners en verder een groot aantal kleine plaatsen en ontelbare gehuchten en nederzettingen. Die groote steden zijn lang niet mis! Integendeel! Rio de Janeiro wordt de mooiste stad van de geheele wereld genoemd en ik wil het graat geloven, zoo fraai is deze stad gebouwd aan een schitterende baai, omzoomd door uit zee opduikende bergen.

São Paulo is een moderne stad met groote wolkenkrabbers, druk verkeer en gezellige en zeer fraaie winkels, waar een overvloed van alle mogelijke artikelen in groote keuzen den Nederlander, die niets gewend is op dat gebied, doet watertanden. Helaas is alles verschrikkelijk duur, duurder dan in Noord-Amerika, waar ook alles in overvloed te krijgen is en naar wij vernemen tegen geleidelijk dalende prijzen. De hooge prijzen, luisteraars, zijn naar mijn meening het gevolg eenerzijds van een teveel aan geld – de koffieprijzen zijn thans bijna het tienvoudige van 1939 en de katoenprijzen zijn ongeveer 6 maal zoo hoog als toen ‑, anderzijds van de betrekkelijke schaarste, die er is.

Brazilië heeft groote tegoeden in het buitenland in het bijzonder in Engeland en Amerika. Maar Engeland levert thans zeer weinig en Amerika ook mondjesmaat, omdat dit land vrijwel de heele wereld moet bedienen. En zoo komt het, dat ondanks de groote geldvoorraad en het ruime deviezenbezit, de import nog betrekkelijk beperkt is en de prijzen van de ingevoerde artikelen zeer hoog zijn. Zoo kosten de Nederlandsche aardappelen, die een zeer goeden naam hebben, in de winkels te Rio ƒ 0,70 per k.g. en wij zagen daar Nederlandsche kaas geprijsd voor ƒ 6,- per k.g. De melk kost er 40 tot 80 ct. per liter en het brood ƒ 1,40 per k.g. Zoo komt het ook, dat degene, die een automobiel wil koopen, in Brazilië dezelfde hooge prijs betaalt als hier op de zwarte markt gevraagd wordt. In de kleine plaatsen zijn de prijzen veel en veel lager, tenminste van de meeste levensmiddelen; fabrieksgoederen en importartikelen – voorzoover die al te krijgen zijn – zijn daar even duur als in de groote steden. Wij zijn uiteraard in vele kleine plaatsen geweest; daar leeft men uiteraard tamelijk geïsoleerd, omdat zij zoo van elkander gelegen zijn en het verkeer zeer primitief is.

Wij hebben enkele aardige kleine stadjes bezichtigd en merkwaardig is, dat die alle op elkaar gelijken. Overal valt op het groote aantal textielwinkeltjes, waar een groote vooraad en groote keuze aan stoffen en lapjes te koop is. En verder bezit iedere plaats een meestal langwerpig plein, waar aan het eind de kerk staat in Portugeesche barokstijl en waar, alnaargelang de welvarendheid van de plaat ‑- meer of minder rijke bloemperken het geheel een fleurigen indruk geven.

Wij hebben ons vaak vergenoegd op zaterdag- en zondagavond, als daar de rijpere jeugd paradeerde op het trottoir rond de groene gazons, soms in een zee van licht – de stroom is goedkoop in Brazilië! De meisjes  wandelen drie aan drie in de eene richting en de tegenstroom wordt gevormd door de jonge mannen. En het duurt zoo de heele avond tot een uur of half tien, terwijl een of andere welwillende caféhouder een groote luidspreker heeft opgesteld, die zonder oponthoud en met oorverdoovend lawaai de samba’s en andere dansmuziek over het plein uitschalt. Die muziek is heel typisch en om U daar een idee van te geven laat ik even een plaatje draaien van ‘Anda Luzia’ die door een cavalier wordt genoodigd carnaval te vieren, een lied dat gedurende de carnavalsdagen in Rio tot dol wordens toe in café’s en op straat en in de trams wordt afgedreind. Hier komt het …