Nederlandse boerenkolonie in Brazilië was in nood

Meer dan zestig sterfgevallen onder het rundvee

De import van Nederlands stamboekvee en de latere verkoop van dit vee aan Braziliaanse handelaren moest de kurk worden waarop de emigrantengemeenschap Holambra moest drijven. En juist dat vee had erg te lijden onder Braziliaanse veeziekten. Toen begin 1950 opnieuw een uitbraak plaatsvond, waarbij de veeboeren dachten aan mond- en klauwzeer, deed de leider van de kolonie, Geert Heijmeijer een beroep op de Nederlandse regering. Deze stuurde in april 1950 een Nederlandse veearts, te weten Remko de Maar naar Brazilië om de ziekte te bestrijden. Na zijn terugkeer in Nederland deed De Maar in het Algemeen Handelsblad verslag van zijn bevindingen.

De Nederlandse boerenkolonie van ir. J.G. Heijmeijer, die in de Braziliaanse staat São Paulo enige jaren geleden de coöperatieve onderneming Holambra te Ribeirão stichtte en die zich sindsdien belangrijk heeft uitgebreid tot een gemeenschap van 600 zielen, heeft in de laatste maanden grote tegenslag ondervonden. Van de veestapel van 550 stuks, zijn er 66 gestorven, ter waarde van ƒ 3000 elk, zodat een schadepost van rond ƒ 200.000 moest worden genoteerd.

Het is aan het ingrijpen van de Haagse dierenarts dr Remko E. de Maar te danken, dat de besmettelijke veeziekte, waaraan de dieren ten offer vielen, niet verder om zich heen heeft gegrepen. In een onderhoud, dat wij met dr. De Maar hebben gehad na zijn terugkeer uit Brazilië, waarheen hij was gegaan om er gedurende enkele weken het ziekteverloop te bestuderen en maatregelen te treffen, deelde hij ons mede, dat de rundveestapel bestaat uit dieren, die voor een groot deel uit Nederland zijn overgebracht, meestentijds zwartbont en roodbont. Hem bleek, dat de dieren bij aankomst in Brazilië door ziekten werden aangetast en er al direct belangrijke verliezen werden geleden. Ook brak mond- en klauwzeer uit en na de daarop gevolgde immunisatie tegen tropische ziekten werd het vee aangetast door een andere merkwaardige ziekte. De dieren kregen etterbuilen, die zo groot waren als een meloen.

Een door dr. De Maar ingesteld onderzoek bracht aan het licht, dat de dieren bij aankomst in Brazilië werden ingeënt tegen bepaalde tropische ziekten, maar door deze inenting juist vatbaar werden voor andere infecties. Optredende bloedarmoede was er weer oorzaak van dat een inenting tegen mond- en klauwzeer geen waarborg bood, dat de dieren er toch niet door werden aangetast. “Ik heb chirurgisch en met medicamenten ingegrepen”, vertelde ons dr. De Maar, “en ik heb daarbij grote medewerking ondervonden van het Biologisch Instituut te São Paulo. De dieren werden onderworpen aan een penicilline- en streptomycinekuur en na ongeveer drie weken was de epidemie bedwongen.” Dr. De Maar deelde ons verder mede, dat hem na bestudering van de gehele situatie is gebleken, dat het houden van Nederlands vee in Brazilië, speciaal in de staat Sao Paulo, op geen enkel bezwaar behoeft te stuiten, mits goede geneeskundige verzorging en voorlichting aanwezig zijn.


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *