Met God op avontuur! De eerste emigranten naar Brazilië.

Het vertrek van het eerste contingent Nederlandse emigranten naar de Fazenda Ribeirão in Brazilië op 18 december 1948 vond plaats onder grote belangstelling in met name de katholieke pers in Nederland. We hebben hier al eerder over gepubliceerd. Ook het katholieke dagblad De Maasbode publiceerde kort voor het vertrek van de Algenib een uitgebreid artikel over de feitelijke start van het nieuwe emigratieproject in Brazilië. Volgens de krant begonnen de emigranten aan een nieuw avontuur met een religieuze opdracht.

Tekening van een de Kanunnikessen van het H. Graf, aangetroffen in het archief van het Aartsbisdom Utrecht.

Op 18 December vertrekt de vrachtboot Algenib uit Antwerpen. Zij gaat naar Brazilië en neemt dertig katholieke Nederlandse boeren mee. Een paar dagen later brengt een andere boot de eerste 50 stuks vee weg. Als de Algenib over een paar maanden terugkomt, gaat er opnieuw een groep emigranten mee, en dat gaat in de loop van het volgend jaar door, tot er in totaal 200 Nederlandse emigrantengezinnen in Brazilië zijn en dan tellen we zo’n 1000—1500 Nederlanders méér in Brazilië!

De fazenda Riberao
Die eerste Nederlandse emigranten naar Brazilië gaan zich vestigen op de „fazenda” Riberao, een grote grondbezitting op 40 km afstand van Campinas en 95 km van Sao Paulo, bestaande- uit 5000 bunder golvend heuvelland, dat voor bewerking met grote machines geschikt is. Verschillende kleine rivieren, die er doorheen stromen, maken irrigatie mogelijk. Er zijn twee watervallen, waarvan de kleinste reeds in gebruik is en electrisch licht levert voor het centrum van de fazenda.
Er staan verschillende gebouwen op de fazenda, die voor de Nederlanders bruikbaar zijn: het hoofdgebouw, enkele schuren, een machineloods, een stal, een schoolgebouwtje en een lokaal, dat tot een kapel kan worden omgebouwd. Er staan ook enkele huizen, die klein en primitief zijn, en nauwelijks geschikt om gezinnen te herbergen. De gezinnen, die emigreren willen, moeten daarom nog even wachten. Maar ’t zal niet lang zijn, want men is van plan om met bekwame spoed huizen te gaan bouwen.

Waarvan zal men leven?
De voornaamste bron van inkomsten zal op de fazenda voorlopig de melkveehouderij zijn. Voor de eerste klas melk, waaraan men in Brazilië hogere eisen stelt dan bij ons, is in de nabije steden zeker een afzetgebied te vinden. Campinas telt 100.000 inwoners en Sao Paulo anderhalf millioen, terwijl de wegen een snel transport mogelijk maken. Ook land- en tuinbouw bieden mogelijkheden, maar op dit gebied moet eerst ervaring gewonnen worden. Iedere boer zal op zijn eigen gedoe kunnen experimenteren in groenten en aardappelen. Maar hoofdzaak blijft voorlopig de melkveehouderij langs de riviertjes. De brede en vlakke top van de heuvels zal in hoofdzaak coöperatief worden geëxploiteerd als bouwland en zal het krachtvoer moeten leveren voor de veestapel.
Het is niet de bedoeling, de Nederlandse kolonie bij Sao Paolo uitsluitend een landbouwkolonie te doen blijven. Het is goed denkbaar, dat de agrarische industrie hier mogelijkheden gaat zien en producten gaat vervaardigen, die eventueel ook voor verkoop buiten de kolonie geschikt zijn. Trouwens: de kolonie heeft reeds van het begin af aan niet-landbouwers nodig. Er gaan dan ook meteen al een monteur en een timmerman mee en een houtvester, die afgestudeerd is in Wageningen. En het is te hopen, dat er op den duur ook een dokter en een veearts in Nederland gevonden worden, die mee willen en mee kunnen naar Brazilië.
Ook gaan er acht kanunnikessen van het H. Graf, afkomstig uit Laag-Keppel, en een pater Norbertijn met deze eerste emigranten mee. Drie van deze acht zusters zijn al weg, al sinds Februari en zijn in Sao Paulo bezig Portugees te leren. Ze gaan voorlopig op de fazenda al het werk doen, dat er voor haar te doen valt. Maar zodra het leven in de kolonie een beetje begint te draaien, openen ze een school voor de Nederlandse kinderen en die school hopen ze, zo gauw het mogelijk is, uit te breiden tot een internaat, dat ook Braziliaanse kinderen opneemt.

Een eigen bedrijf
Duizend emigranten — het is niet veel in vergelijking met de vele duizenden die naar Canada gaan. Het is ook niet veel in vergelijking met de vele „Brazilianen van beggerie” die zich hebben opgegeven. Maar het is nog slechts een begin, dat echter niet groter kan zijn, wijl de Nederlanders in Brazilië niet als arbeiders kunnen beginnen, zoals ze in Canada doen. De lonen zijn in Brazilië te laag, dan dat het bestaan van een arbeider er perspectieven kan hebben. Alleen op een eigen bedrijf is er welvaart en een toekomst te bouwen.
Maar een eigen bedrijf kost geld. Dat geld heeft men in Brazilië zelf moeten lenen. De Braziliaanse regering heeft aan de coöperatie, die de Nederlandse emigranten vertegenwoordigt en waarvan ze allemaal lid zijn, enige millioenen geleend voor de aankoop van de fazenda.
De staat Sao Paolo leent vervolgens aan Ie coöperatie het geld voor al wat iedere boer nodig heeft om te beginnen: een huis, een stal, machines en levensonderhoud in de eerste tijd. De Nederlandse autoriteiten hebben bovendien toestemming vereend om een aantal stuks vee mee te nemen naar Brazilië. Het ligt echter niet in de bedoeling, uitsluitend voor kapiaalkrachtige boeren de gelegenheid tot migratie naar Brazilië open te stellen, Zij die gaan, zijn allemaal „even arm”.
De toekomstige emigranten dragen een grote verantwoordelijkheid voor die na hen komen. Van hun prestatie is het voor het grootste deel afhankelijk, of er nieuwe gebieden en nieuw geld ter beschikking van Nederlandse emigranten gesteld zullen worden. Alleen de besten en de sterksten zullen in dit eerste begin de kolonie mogen bevolken. Alleen zij zullen in staat zijn het zeer zware deel der pioniers te dragen.

Het koetshuis van Rhederoord in 2012. In 1948 was het in gebruik als het boerencentrum “Ons Erf”. Foto: Peter van der Wielen

Maar ook voor die besten en sterksten blijft de emigratie een avontuur, waarnaar iedereen zelf de volle verantwoordelijkheid dragen moet. Om ze daar goed van te doordringen, heeft ir. J. G. Heijmeijer, die namens de K.N.B.T.B., deze onderneming leidt, en die zelf zich in Brazilië gaat vestigen, een aantal, boeren, die met hem willen emigreren, rond zich verzameld op het huiselijkste gemeenschapsoord van Nederland: het boerenentrum „Ons Erf” in De Steeg, waar het rond de spelende vlammen van de open aard vertrouwelijk praten is. Hij heeft ze daar verteld van al wat hun in Brazilië te wachten staat, van de offers, die ze er brengen moeten, van de verwachtingen, die ze koesteren mogen. Hij heeft het zo objectief mogelijk gedaan. Hij heeft zien zorgvuldig onthouden van al wat op één aansporing zou kunnen lijken. Hier in Nederland zijn schepen verbranden blijft een sprong in het onbekende, die geen terug kent. Iedereen moet helemaal alleen beslissen, of hij het’ aandurft en aan kan.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *