‘Wij zullen blijven berusten in ons lot’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (5)

In de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de reis vanuit Nieuw Santa Rosa in het midden van Argentinië naar de provincie Tucumán in het noorden van het land. In het tweede deel van zijn brief beschreef hij de reis vanuit Buenos Aires naar Tucumán.

Nadat wij dan twee dagen in het genoemde emigrantenhuis gewoond, of liever verblijf gehad hadden (want wonen kan het toch niet heeten) werd ons aangezegd, dat wij ons vaardig hadden te maken tot vertrek en wel naar Tucumán, vanwaar ik u nu deze zend.
Tucumán, wie had dat ooit hooren noemen : wie wist, of het een stad was of dorp, dan wel, dat het eene kolonie was in ‘t binnenland – of, en met deze zoete hoop bezield als het zóó zijn kon – riep men elkander toe: dat kan wel een groote aan de bewoonde kust gelegen plaats zijn en kunnen wij wel eens een goeden toekomst tegemoet gaan. In allerijl spoedden wij ons in massa, als om strijd, naar de aanwezige landkaart ter overtuiging in welke richting de plaats lag en wat afstand het ongeveer was. Gij moet weten, dat wij dergelijke inlichtingen niet kregen van onze aanvoerders. – De landkaart gaf ons al spoedig maar al te wel zekerheid, waar naar toe en in welke richting het zou gaan. – En tot aller verbazing bedroeg de afstand, die wij moesten afleggen, ongeveer 800 uren (zegge achthonderd uur.) De schrik sloeg ons wel wat om ‘t hart bij ‘t vernemen hiervan, omdat de toestanden in de binnenlanden huiveringwekkend werd afgemaald en, waarvan ook wij trouwens al een kleine voorproef hadden ondervonden. Naar het diepe binnenland dus, dat voor het meerendeel nog door negerbevolking wordt ingenomen.

Gedreven door de hoogst mogelijke belangstelling, wat ons daar te doen en te wachten stond, namen wij schoorvoetend het kloek besluit ons tot den chef onzer meerderen te wenden met de vraag, wat men op die ver van de kust gelegen plaats met ons voor had. Het antwoord luidde welwillend; wij kregen bemoedigende gegevens en wel: Gij gaat per spoor tot Tucumán en zult daar werkzaam zijn op ‘t gebied van landbouw en wel tegen een winst van een derde der oogst. Een vonk van hoop schoot er door de ziel bij het aanhooren dezer billijke voorwaarden en was spoedig bij machte de moeilijkheden der af te leggen groote reis en de pijnlijke onzekerheid die ons te wachten stond, te doen veranderen in de zoete hoop op welslagen. En met die gevoelens bezield werden wij al spoedig als eene groote kudde gewillige lammeren in spoorwagens gestopt, om de reis te aanvaarden. En voort ging het, voort met groote snelheid. ‘t Was alsof de locomotief er tegen hijgde en dampte en fluitte, om ons ten allerspoedigste te doen ontnuchteren; want een ontnuchtering zoude volgen, waarvan wij, die in die oogenblikken alleen op de vleugelen der hoop zweefden, nog niet het minste vermoeden hadden en niet hebben konden: wij waren immers door autoriteiten aangenomen, onder de aannemelijkste conditiën en hadden geen reden, om slechte vermoedens te koesteren. Toch gingen wij, zooals later spoedig gebleken is, met groote snelheid een noodlot tegemoet! Nadat wij dan op een zekeren avond te acht ure te Buenos•Ayres in den spoortrein plaats hadden genomen, reden wij den geheelen nacht door; velen slapende met het hoofd rustende op hun plunje, anderen sluimerende of wakende bij hunne zwaarmoedige vrouwen en schreiende kinderen. Weer anderen zongen, of beter gezegd schreeuwden allerlei soort straatliedjes van minder aangenaam gehalte, waarvan de echo’s nog meer ontstemd werden door vloeken en zwetsen in verschillende talen en van verschillende volkeren, zoodat de indruk, die wij kregen onder dat gezelschap hoogst onaangenaam voor ons was. Wij waren dan ook recht blijde, dat de trein den volgenden morgen te 7 ure stand hield aan het station te Rosario, waar we order kregen, om uit te stappen en daar dien dag te blijven.

‘t Was juist op een Zondagmorgen en dat was eigenlijk een milde vergoeding voor het leed, dat ons den gepasseerden nacht gebracht had. Niet waar? de Zondagmorgen toch heeft altijd iets plechtigs – iets verhevens in zich, waarvoor men eigenlijk geen woorden kan vinden. Eerst als men zich in eene combinatie bevindt van zóóveel verschillend volk , waarvan de groote massa niet vatbaar schijnt te zijn voor eenigerlei indrukken, die op de ziel een zoo gunstigen indruk kunnen uitoefenen, eerst dàn kan men gevoelen, wat het is iets in zich om te dragen, dat tot groote en ernstige vraagstukken leidt. Dan zij bij dezen alle eer gebracht aan en hartgrondig toegejuicht: het vrije Nederland, waar de gevoelens omtrent kerk en school geheel tolvrij zijn. Hoeveel anders toch is het op dat gebied gesteld in verschillende streken van het buitenland, waarvan wij in ‘t bizonder de ondervinding opdeden niet alleen op dezen tocht, maar eveneens in den dagelijkschen omgang. Lichtzinnig als de groote massa op godsdienstig gebied was, kwam dat gebrek eveneens in al hun handelingen te voorschijn. Om iets te noemen b.v., werd bij het minste trachten onzerzijds, om een gesprek op godsdienstig terrein te brengen, niet zelden met hoon en spot bejegend. Echter belette dit niet aan ons, in gezelschap van nog eenige Hollanders, onze redeneeringen voort te zetten en hieven wij op genoemden Zondagmorgen uit den grond onzer harten aan de schoone verzen van Psalm 84.

In Rosario vertoefden wij tot den volgenden morgen. Te 9 ure stond er wederom een lange trein gereed in de richting van Cordoba. Weder ging het op dezelfde wijs als de vorige rit: de wagons boordevol geladen en de combinatie van ruwe mannen, bleeke vrouwen en schreiende kinderen niet minder afstootelijk als de vorige nachtrit. Ja het was goed bezien nog veel grooter verwarring dan bij de inlading te Buenos Ayres, wijl te Rosario nieuwe drommen volks bij onze massa werden aangesloten. Weder zette de trein zich in beweging en ging het met duizelingwekkende snelheid zonder eenig oponthoud door tot des avonds aan het station Cordoba. Lk zal maar niet meer over de ongemakken, die zulk reizen opleveren, gewagen. Zoo gij ooit eene groote spoorreis gemaakt hebt in uw burgerlijken stand, hebt ge wellicht wel uw nooden geklaagd en van verveling gesproken, en kunt er dan dus iets van weten, doch hoeveel temeer woog dan niet bij ons de zwarigheid: Wij, die op kosten van – ja van wien – van spekulanten, of van den staat, of van wie of wat ook, konden wij het weten? moesten reizen aan een karavaan slaven vrij gelijk. Nog eens: ik zal het u sparen de moeilijkheden aan zoo’n reis verbonden, haarklein te omschrijven.

Ik laat een en ander liever aan uwe verbeelding over. Des avonds in Cordoba. Alsof het een reusachtige slang was, zich kronkelende en buigende langs helling en spleet, zoo bewoog zich de geheele sombere massa langs hoogten en laagten in de richting van het even groote als sombere emigrantenhuis, om daarin voor den volgenden nacht te worden geherbergd.
Natuurlijk werd het ons niet gegund om de stad en deszelfs omstreken van naderbij te bezien, waartoe wij echter, zooals gij begrijpt, ook al weinig lust gevoelden. “Gjj hebt na zoo’n vermoeiende reis des nachts zeker heerlijk kunnen slapen!” zult ge wellicht vragen, en die vraag is dan ook niet misplaatst en onnatuurlijk, doch als gij weet, dat het op een houten batterij, waar eigen plunje moest dienen voor dekking, alles behalve aangenaam is en zoo’n sobere slaapplaats iemand nog benijdt wordt door wandgedierte bij dozijnentallen – dan behoef ik wel niet te zeggen, dat de nacht slapeloos werd doorgebracht. Het was dan ook een algemeene blijdschap, toen wij des Dinsdagsmorgens weder konden vertrekken: altijd de hoop omhelzende: spoedig zal alles wel beter worden. Als wij straks in Tucuman waren en daar tegen een derde der oogst aan het werk kwamen, gelijk de belofte was – dat kon alles weder goed maken – dat goede vooruitzicht temperde alle leed.

Zoo werden wij dan des Dinsdagsmorgens vroeg weder ingeladen, om voor goed zoolang te blijven zitten, tot dat we Tucumán bereikt hadden. Nu ik al reeds genoeg akelijks van zoo’n reis gezegd heb en ik vrees u te beginnen vervelen als ik in herhaling treed of, dat ik dat laatste (eindje) reis nog ijselijker afschilder dan het vorige, zal ik maar besluiten met alleen te zeggen, dat wij dien Dinsdag en den daaropvolgenden nacht achtereenvolgens doorspoorden zonder eenige verpoozing. Dit alleen moet ik nog even aanstippen, dat er mannelijke standvastigheid bij te pas kwam zich zelf in die mate te verloochenen, om kracht en lust aan den dag te leggen, aan vrouw en kinderen moed in te spreken en hen op te wekken. Zoo stonden wij dan des Woensdagsmorgens bij het station te Tucumán, waar wij zouden blijven wonen. Hoe zal men het nu aanleggen en waar zullen onze woningen zijn, om in den landbouw werkzaam te wezen tegen 1/3 der op te brengen oogst? die vraag stelde de een tegen den ander, want wij zagen rondom ons niets dan uitgestrekte bosschen. Doch vóórdat ons die vraag opgelost werd, zouden wij nog eerst op proef worden gesteld, om in massa te verblijven in een emigrantenhuis en onder dezelfde omstandigheden als in de vorige. En wederom bewoog zich de groote massa om, uitgehongerd als ieder was, maar spoedig onder dak te komen, waar in de eerste plaats voedsel zou worden verstrekt aan dat tal van hongerige magen.

Ik moet u ronduit zeggen dat, hoeveel behoefte mijn lichaam ook had aan versterkende spijs, ik toch geen lust gevoelde het noodige naar binnen te krijgen, wijl de zorg over mijne doodlijk afgematte vrouw en kinderen mij alle lust tot eten benam en heimelijk begon te twijfelen aan welslagen onzer toekomst. En waarom ? Och wij hadden in de laatste tijden zóóveel teleurstellingen ondervonden, die bij goed doorzien onzerzijds wel moesten geweten worden aan de werkgevers, die willekeurig met ons lot omsprongen. Is het dus te verwonderen, dat wij soms aan de toekomst wanhoopten – onze toekomst, die we elkander bij de aanvaarding onzer groote reis zoo heerlijk hadden voorgespiegeld! Neen voorzeker.
Hoe gaarne zouden wij niet een tipje hebben willen oplichten van het gordijn, dat ons zoo geheimzinnig scheidde van die toekomst, al ware het slechts alleen, om zekerheid te hebben, welkeen weg wij thans zouden moeten inslaan. Doch wij zullen blijven berusten in ons lot en hopen, dat de belofte den werkgevers niet mag falen om tegen goeden arbeid het aangeboden loon te mogen erlangen.

‘Een ware zwerftocht’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (4)

Op 1 november 1890, een jaar na de aankomst met zijn gezin in Argentinië, schreef Antko Drenth een uitgebreide brief naar het thuisfront. Was hij begin 1890 nog hoopvol gestemd, nu was het gezin op zoek naar een nieuwe bestemming. Argentinië werd getroffen door een zware economische depressie en ook het kamp Nieuw Santa Rosa ging failliet. De kolonisten moesten op zoek naar een nieuwe bestemming en ook het gezin Drenth ging op weg naar een nieuwe vestigingsplaats. Via Buenos Aires, Rosario en Cordoba kwamen ze uiteindelijk terecht in Tucumán in het noorden van Argentinië. In het eerste deel van de brief beschreef Drenth het vertrek uit Santa Rosa en de reis terug naar Buenos Aires. In de brief maakte hij ook melding van de steun die hij ontving van de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet (1857-1916).

Tucuman, 1 November 1890.

Geachte broeders, zusters, vrienden en bekenden!

Daar gij in langen tijd niets van ons vernomen hebt, tenzij ge door geruchten eenigszins op de hoogte zijt gekomen van het wedervaren der Hollandsche emigranten alhier, in ‘t algemeen zal het zeker wel aangenaam zijn, dat gij weder•teekenen van leven van ons komt vernemen. Terwijl ik weet, dat gij uit mijn vorig schrijven nog al bemoedigende berichten hebt kunnen vernemen, toen wij nog in het kamp Nieuw Santa Rosa [Santa Rosa, La Pampa] vertoefden en daar nog al konden bogen op goede uitzichten, op grond onzer contracten met staat of chefs aangegaan, om het heerlijk land dáár te bewerken met uitzicht om door veel en aanhoudenden arbeid brood te hebben en op den duur eenig land in eigendom te

Santa Rosa in 1895
Santa Rosa in 1895

bekomen, zult ge wellicht onaangenaam verrast kunnen zijn bij het vernemen van ons wedervaren tot op dit oogenblik van mijn schrijven. Als ik u nu zeg, dat het kamp Nieuw Santa Rosa failliet is gegaan, of liever de ondernemers van die groote landontginning, of, dat het de staat is, die te kort kwam, om het plan van uitvoering te voltooien, weet ik niet zoo juist ; dit echter ondervonden wij maar al te wel, dat wij in massa werden afgedankt.
Helaas, de goede vooruitzichten, die wij daar hadden, vielen in duigen en begon ons leven een ware zwerftocht te worden. De geheele toedracht der zaak zal ik trachten u te omschrijven. Zie hier de juiste geschiedenis: Toen wij op een zekeren morgen weder op ‘t appèl kwamen, deed de patroon ons weten, dat wij konden gaan . . . . Hij verklaarde eenvoudig, dat hij voor het administrateurschap had bedankt, daar hij van hooger hand geene betalingen meer kon erlangen. Op deze verklaring liet hij volgen: dat hij ons nog voor een paar dagen van vleesch zoude voorzien en was genoodzaakt ieder voor zich aan zijn lot over te laten. Daar stonden wij nu voor goed aan den dijk.

In volstrekt hopeloozen toestand vroeg men elkander af: wat nu? Als ‘t ware kinderen of weezen van den staat, meenden wij met het oog op ons geteekend contract, dat het van onze werkgevers een hoogst ongeoorloofde handeling was, zoo op eens, zonder de minste voorbereiding en zonder eenig hulpmiddel, ons als een kudde vee aan het lot over te laten. ‘t Zag er hoogst bedenkelijk uit. Daar stonden wij in massa geschaard als roependen in eene woestijn.

Onze ploeg bestond in tweeëntwintig huisgezinnen, waaronder vele kleine kinderen. Na veel en lang overleg werd besloten, om te schrijven aan den consul-generaal den heer VAN RIET. Dit geschiedde, doch konden natuurlijk niet zoo maar in het volgende oogenblik antwoord terug hebben, zoodat wij, die geen dag zonder verdienste konden leven, in elk geval alle pogingen in het werk moesten stellen, om arbeid te krijgen. Zoo ging dan de een hier, de andere daar zoeken, om iets te verdienen. Wij o. a. begaven ons met nog een paar huisgezinnen in de richting van Jacobuco [Chacobuco], natuurlijk te voet en belast met eenig beddegoed en aller onontbeerlijkste huishoudelijke zaken. Na te Jacobuco aangekomen te zijn, kregen we tot aller groote blijdschap arbeid en wel bij een dorschmachine. Nu kunt gij wel begrijpen: dat deze arbeid slechts tijdelijk was, als ik u zeg, dat het kolossale machines zijn en dus in korten tijd alles is afgeloopen. Maar toch, wij waren recht gelukkig te kunnen beginnen en moesten ons maar gewennen voorloopig bij den dag te leven, intusschen met de zoete hoop bezield, dat de heer VAN RIET na ons schrijven wel goeden raad zou weten te verschaffen. Toen wij dan eenigen tijd te Jacobuco werkzaam waren geweest, kwam bericht van den consul, dat echter nog geen vast besluit inhield, om ons opnieuw aan te nemen. Toch waren wij in hooge mate verblijd met dit schrijven, daar we nu de overtuiging hadden, dat men ons nog niet uit het oog verloren had.

Zoo verliepen opnieuw nog eenige dagen, toen wij een tweede schrijven ontvingen van den heer VAN RIET, waarin ons te kennen werd gegeven, dat wij kosteloos naar Buenos-Ayres konden reizen. Ofschoon wij nu niet konden weten, wat ons in de havenstad Buenos-Ayres te doen stond, omdat daaromtrent niets gezegd werd in den brief, zoo waren wij toch blijde, weder aan de kust te zullen komen en opnieuw weder bescherming zouden erlangen. Dit hebben wij al voor goed geleerd, dat het in de binnenlanden van Zuid-Amerika nog zeer onherbergzaam is. Spoedig pakten wij onze plunje bij elkander en begaven ons op reis onder opgewekte stemming: het ging naar de kust. Op zekeren avond tegen 9 ure arriveerden wij goed en wel in de havenstad. Gij begrijpt, dat wij wel vreemd stonden te kijken, toen we stroomen volks zagen voortschuiven in de richting van het groote emigrantenhuis, daar wij in een betrekkelijk klein gezelschap van eene kleine plaats waren gekomen. Wij konden uit het op één tijdstip aankomen dier menschenmassa opmaken, dat niet alleen wij, maar veel anderen eveneens waren aangeschreven, om op dit punt saam te komen. Het groote, ruwe huis werd gezamenlijk betrokken, of beter gezegd bestormd. Ik geef u de verzekering, dat het eene wonderlijke mengeling was.

Afgematte mannen, zwoegende onder den last, die zij op den rug hadden; bleeke vrouwen, wie moedeloosheid op het gezicht te lezen stond en schreiende kinderen zag men, als om strijd de houten batterijen betrekken, waarop wij met- en doo relkander voorloopig moesten wonen. Wij werden dus gehuisvest en ook gevoed, doch niemand, wie ook, van de geheele kudde, wist het minste te zeggen, wat men met ons voor had te doen – konden zelfs het flauwste idee niet vormen, wat het samentrekken van al die menschen te beteekenen had.
Welnu, wij waren onder dak en in ‘t bezit van brieven, die van hooger hand afkomstig waren, zoodat wij eigenlijk geen reden hadden om verontrust te worden.

Hier is veel best land en niet duur

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (3)

Na hun aankomst in Argentinië verbleven Antko Drenth, Rijna Dijk en hun drie kinderen lange tijd in Santa Rosa in de Territorio Nacional de La Pampa Central, waaruit in 1945 de provincie La Pampa werd afgesplitst. Ook de Friese familie Koornstra verbleef enige tijd in Santa Rosa. Uit de tweede brief blijkt dat Drenth goede hoop had dat hij erin zou slagen om uiteindelijk land in eigendom te verwerven en zelf boer te kunnen worden.

Nieuw Santa Rosa, Maart 1890

Geachte bloedverwanten, vrienden en bekenden!

Wederom neem ik de pen eens op, om u in hoofdzaak ons wedervaren hier in het verre zuiden mede te deelen. Vooraf doe ik u opmerken, dat het bezwaar, waarover gij in uw schrijven gewaagt omtrent de groote gevaren aan de zeereis verbonden, inderdaad niet zoo erg is, wetende, dat Hij, die de harten kent en de nieren proeft, ook hier zijn kinderen niet verlaat. Of zouden wij in vertrouwen onderdoen bij het kind, dat te midden van den hevigsten orkaan op zee – terwijl velen in doodsangst verkeerden – rustig zat te spelen en toen men het vroeg : “Zijt gij niet bevreesd?” verwonderd opzag en antwoordde: neen, vader•staat immers aan ‘t roer en opnieuw weer aanving zijn spelen te vervolgen.
Ja, God de Heer is alom tegenwoordig. Zijn oog blijft waken over alles wat is, wat was en wat komen zal. Echter mogen wij niet roekeloos zijn en de bezwaren en moeilijkheden, die wij allen – strijders – hebben te bekampen en trachten te overwinnen, mogen wij nooit uit het oog verliezen.

Het spreekt als van zelf, dat wij dan ook in dit vreemde land met vele en groote moeilijkheden te kampen hebben. ln de eerste plaats met de taal, die nagenoeg uitsluitend Spaansch is en voor ons dus, die geen ander onderwijs genoten hebben dan de lagere Nederlandsche school en dan nog zeer onvoldoende – een groote hinderpaal is. Wij hebben echter hoop, dat onze jonge kinderen wel vatbaar zullen zijn, spoedig zooveel te leeren, dat het voor ons allen mogelijk wordt in onze nieuwe maatschappij te huis te komen. In zooverre ik het zien kan, zoude men hier met hulp van eenig kapitaal wel goede vorderingen kunnen maken; want hier is veel best land en niet duur. ‘t Is in de vlakte zeer oud groenland, dat, als het behoorlijk vochtig is, sierlijk door den ploeg omloopt. Men verbouwt hier veel maïs die zoo hoog op stengel is, dat een te paard zittend man er niet over kan zien.

Erwten en boonen kunnen hier tweemaal per jaar geoogst worden; ten gevolge het beste land en heerlijk klimaat. Het koren wordt hier door de machine gemaaid. ‘k Heb gezien, dat zoo’n werktuig getrokken wordt door vier ossen en een paard. Een man zat op de machine ter besturing en een jongen te paard. Geregeld liepen de halmen naar boven en kwamen gebonden te voorschijn. Achter de machine liepen eenige mannen de schoven op te zetten, om dezen kort daarna in groote hoopen te plaatsen, waarna al spoedig een dorschmachine op het land geplaatst werd ter schoonmaking, waardoor het werk ten einde werd gebracht Gij moet u niet voorstellen, dat het maagdelijk land, zooals het hier is, die bewerking noodig heeft dan bij u. Neen, van schoonmaking en bemesting is geen sprake: ‘t is maar slechts de grond zwart maken, m. a. w. eenmaal onderstboven werken en men kan de oogst afwachten. Het koren is hier even duur als in Holland; groenten, peulvruchten en aardappelen echter zijn veel hooger in prijs dan bij u. Het is hier eene eigenaardige levenswijze en verschilt machtig veel bij die van jullui. Als ik b.v. mij naar het werk begeef, doe ik dat altijd te paard en wel in galop. Moet onze Udo naar den winkel, om inkoopen te doen, gaat dat te paard. Zelfs kinderen, die zich naar school begeven, bedienen zich van paarden, en men ziet hen in galop voortrennen zoo behendig, dat men daar verbaasd moet staan. Wij bezitten in deze plaats noch school over noch kerk, doch zullen misschien spoedig hiervan in bezit komen, daar onze patroon zich tot het gouvernement gewend heeft met verzoek, om in deze behoeften te willen voorzien. Het volk is hier over ‘t algemeen zeer slecht ontwikkeld. Van lezen en schrijven is geen sprake, terwijl Godsdienstzin beneden nul is. Ook heerscht hier veel bedrog, vandaar dan ook, het een hij het ander genomen, dat het voor ons hier niet recht aantrekkelijk is. Ik vraag mij dikwijls af: hoe is ‘t toch wel mogelijk, dat zoo een vruchtbaar land zoo ver op den achtergrond kan staan met algemeene ontwikkeling tegenover Europa. Het wil mij voorkomen, dat het een gevolg is van het betrekkelijk kort bestaan dezer maatschappij en zal dus tengevolge der steeds wassende emigratie uit Europa wel snel vooruit gaan. Welnu, dat is dan ook te wenschen.

Van onzen patroon, waarover hier boven gesproken, laat het zich weldenken, dat zoo iemand wel eenige pressie bij de regeering kan doen voelen als ik u zeg, dat deze groote kudden bezit en een kolossale veestapel. Hier zijn veehouders, die in ’t bezit zijn van 90.000 (zegge negentig duizend) koeien en 40, 50 tot 60 groote kudden schapen. Gij begrijpt, dat er van stalling voor al dit vee geen sprake kan zijn. De massa graast zomer en winter op de vlakte en in ‘t gebergte al naar gelang het jaargetijde is. Zoo hebt ge dan een korte mededeeling van een en ander, waaruit ge zien kunt, dat, zoo het geluk ons gunstig moge zijn, er wel eenige kans bestaat om te zullen kunnen slagen. Welnu, wij zullen ons best doen en alles aanwenden ten goede met het goede. Daarvoor immers kent gij ons. Dat het hier, zooals ik schreef, niet recht aantrekkelijk is voor ons ten opzichte van alles (behalve het schoone land wat ons omringt) kunt ge begrijpen.

Zooals ik zeide, bestaat hier nòch school, nòch kerk en eigenlijk niets, wat eenigszins gelijkt op een geordende maatschappij. ‘t Is slechts een groot kamp op de groote vlakte, vandaar dan ook het feit boven beschreven, dat tot eenvoudige winkel-boodschappen te doen alle afstanden te paard moeten worden afgelegd. Gij kunt u onze levenswijze niet natuurlijker voorstellen, dan die ten uwent is bij een groot polderwerk: ferm aanpakken en goed eten. Van eene gezellige en regelmatige levenswijze is hier geen sprake. Toch met het oog op de vooruitzichten is het verschil weder groot bij een tijdelijk polderwerk. Immers, de onafzienbare velden om ons toe, worden nu ontgonnen en blijven voortdurend bebouwbaar, terwijl wij hoop hebben en vooruitzicht, om na eenige jaren eenig land in eigendom van den staat te bekomen bij wijze van jaarlijksche afbetaling in arbeid; zoo luidt dan ook ons accoord. Welnu, deze hoop doet leven en ons aanmoedigen tot opgewekten arbeid en stipte plichtsbetrachting.

Zijn wij nu eenmaal zoover gevorderd, dat we een weinig oververdiend hebben en zelf gereedschappen en alle toebehooren kunnen koopen wat noodig is voor een boerderijtje, dan kunnen wij spoedig vrij zijn van banden, die nu nog knellende zijn. Want wij, emigranten met vrijen overtocht, hebben al de noodige gereedschappen en alles, wat ons ook wordt verstrekt, slechts in bruikleen en moeten daarop voortdurend afbetalen in arbeid. Hebben wij bij eenig geluk nu die overwinning behaald vrij te zijn van die banden, dan schijnt het mij toe te zullen kunnen slagen. Tegen zes peso’s toch (gouden peso gelijk twee gulden vijftig Hollandsch) pacht men hier één bunder van het puikste land. Daar nu zoo’n pachttijd voor twaalf jaar wordt toegestaan en men zooveel bunders kan nemen als slechts verlangd wordt, is het niet onmogelijk, om vooruit te komen zoo gezondheid en goeden wil ons bijblijven.

Wellicht zult ge zeggen en elkander afvragen : “Zoo iets is in ons land met de gegeven omstandigheden niet mogelijk, wijl het land hier is uitgeput en door zware bemesting en veel arbeid moet in stand worden gehouden, wil men het noodige er uit halen, alzoo: hoe kunt gij dan daar, door slechts den grond zwart te maken – liever gezegd: hoe kunt gij daar dan, door alleen als ‘t ware zaaien en maaien tot voortbrengselen komen, waarvan gij gewaagd hebt te spreken”. Ik heb hierop mijn antwoord gereed met te zeggen: De Heer onzen God heeft het zoo geschapen en wáárom weten wij niet. Dit alleen weet ik, dat de zon, het alles beheerschend hemellichaam in deze oorden, alles weelderig doet ontstaan bij groote uitnemendheid. Wonderlijk, niet waar? dat hier in het Zuiden de eeuwige zon zooveel meer kracht ontwikkelt dan bij U in ‘t Noorden van Nederland. Het is echter ook weder zeer begrijpelijk, wanneer men daarover de bevoegde geleerden hoort spreken; zelfs, als men met aandacht de wereldkaart bekijkt, krijgt men er duidelijk idee van. Het levert hier in verschillende streken een schoon gezicht op, als de lieve zon ‘s avonds ten onder neigt achter bosch en berg. ‘t Is, alsof ze slechts noode van hare keerkringbewoners scheidt. Gij moest het eens zien, hoe verrukkelijk het is, wanneer ‘s avonds de laatste stralen nog op de toppen der bergen zichtbaar zijn, terwijl de zon zelf al een geruimen tijd onzichtbaar is. Het is een schakering van licht en kleuren, waarbij wel de onverschilligste mensch moet worden aangedaan. En niet minder verrassend is het in den vroegen morgen zich te begeven naar bosch en berg. Het majestueuze, wat dan de zon hier ten toon spreidt, is niet uit te drukken: men moet het slechts zien.
De avond- en morgenstonden zijn hier godlijk schoon. Mogen de middagstralen dèr zon somwijlen, vooral onder zwaren arbeid, afmattend zijn, wij weten daarentegen, dat daardoor de plantengroei wordt bevorderd bij groote uitnemendheid. Het is dus wel zeer begrijpelijk, dat in zoo’n gunstig klimaat ook het geboomte welig tiert. Men vindt dan ook hier in Zuid-Amerika verschillende streken met onmetelijke bosschen begroeid, zoowel langs de boorden der rivieren, als op berghellingen. Er zullen nog vele jaren moeten verloopen, eer deze maagdelijke bosschen in landbouwkoloniën zijn herschapen, gelijk men van plan is te doen, vooral langs de rivieren, en zal het ontzettende kapitalen en groote inspanning tevens eischen. Maar daarna dan ook zullen al die inspanning en kosten ruimschoots beloond worden. Ware die tijd maar daar. Want waarlijk, hoewel ik noch moeiten, noch inspanning begeer te ontzien, kan ik somwijlen bijna aan wèlslagen wanhopen, wijl er blijkbaar nog zoo lange tijd moet verloopen eer hier alles op orde is en wij het tijdstip wel niet zullen bereiken er getuigen van te zijn. Doch voor onze jonge kinderen kan hier nog wel een baan geopend worden, die tot welvaart leidt. Welnu, dat is dan voor de ouders ook, goed beschouwd alles, en willen wij dus ook veel doen, om daartoe den grondslag te leggen. Zoo beschouw ik dan ook weder in sommige oogenblikken, dat wanhopen voor een hersenschim, die even snel vervliegt, als zij in het woelige brein is opgekomen. Dan kan het mij tevens bij ernstig nadenken duidelijk worden, dat het wel degelijk mogelijk is, om bij goeden wil en volhardenden arbeid, hier in deze schoone oorden een plaatsje te veroveren in eigendom (zij het ook ten zeerste bescheiden) om niet alleen zelven voldoening te smaken voor onze opofferingen, maar tevens en in ’t bijzonder het fondament te leggen, dat dienstig kan zijn voor onze kinderen.

Ik heb mij dan ook vast voorgenomen alle offers te brengen op het altaar van plicht ter wille onzer kinderen en zal steeds bereid zijn om allen arbeid, die, hoe moeitevol en onuitvoerbaar ze ook moge zijn of schijnen, te aanvaarden en trachten te volbrengen.
Onder dezen indruk lieve vrienden sluit ik mijn brief, met de hoop bezield, dat de prikkel des levens ook u voere tot werkzaamheden en daden, waarvan het nageslacht kan getuigen, dat gij in edelen zin gehandeld hebt.

Uw broeder en vriend:

A. Drenth

Moed gehouden

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (2)

 Op 25 september 1889 gingen Antko Drenth, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen aan boord van de ms Schiedam, op weg naar Argentinië. In de eerste brief, die Drenth na aankomst in Buenos Aires naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de bootreis. Hoewel zij onderweg getuige waren van enkele ongelukken met dodelijke afloop en ook Rijna ziek was, verliep de reis voor henzelf voorspoedig. De brief, zoals deze werd gepubliceerd in het boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat een aantal onjuistheden. Op de boot bevond zich ook de familie Koornstra uit het Friese Koudum . Hun brieven zijn ook te lezen op internet en beschrijven ten dele dezelfde voorvallen tijdens deze reis. De onjuiste data die in de Brieven vermeld staan, zijn aan de hand van de brieven van de familie Koornstra gecorrigeerd.

Santa Rosa, den 24 November 1889.

Geachte familieleden, Vrienden en bekenden!

ss-Schiedam-W
SS Schiedam

Ik laat u bij dezen weten, dat wij allen in goeden stand zijn overgekomen, wat al veel zegt op zoo’n grooten tocht en waarvoor wij dan ook in hooge mate dankbaar zijn. Op reis hebben wij zóóveel gezien en ondervonden, dat het mij wel niet mogelijk is, dat alles ten nauwste te omschrijven. Want het is niet alleen een lange tocht naar Zuid-Amerika, maar er valt onderweg zooveel op te merken langs vreemde kusten, dat mijn pen ten eenenmale niet in staat is, dat alles weer te geven of liever u een beeld voor te tooveren. Zooals gij weet werden wij op den 25en September 1889 te Amsterdam ingescheept, om reeds den volgenden dag te IJmuiden door de sluis te gaan en onmiddellijk het ruime sop te kiezen. Den 28en landden wij al reeds aan de Fransche kust, bij de stad Boulogne. Hier was het, dat de zorgen ernstig begonnen op te wegen door een gevreesde ongesteldheid mijner vrouw. Een gevaarlijk bloeddiarrhee takelde hare krachten zoodanig af, dat ik heimelijk vreesde voor ‘t ergste. Zij werd aan boord in ‘t hospitaal uitstekend verpleegd en wij mochten het innig genoegen smaken, dat zij na eenigen tijd weder, hoewel erg verzwakt, toch gezond op ‘t dek verscheen. Intusschen vervolgden wij snel onzen weg. Reeds op den 1en October hebben wij Corsina, eene stad in Spanje,[1] aangedaan en reisden toen verder door langs de kusten van Spanje en Portugal, zoodat wij des avonds tegen 8 uur van den volgenden dag te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, arriveerden. Naar men ons mededeelde is dit de schoonste stad der wereld, vooral ten opzichte der ligging in ‘t gebergte.

Lissabon in 1890
Lissabon in 1890

Hier begon het al ongewoon warm voor ons te worden. Nadat wij kort te Lissabon vertoefd hadden, ging het weder voorwaarts, om op den 5den October te Las Palmas aan te komen, waar den volgenden dag steenkolen werden ingenomen, om dan voor goed het vaste land van Europa te verlaten, en als ‘t ware te trachten nader tot de zon te komen. In Las Palmas werden ons heerlijke Oostersche vruchten verstrekt, die zich goed lieten smaken.

Den 9 October stierf er aan boord een kind[2], dat al spoedig aan de golven werd prijs gegeven en kort daarop overleed een kolentremmer, die werkzaam was bij de machine; men zeide, dat die ongelukkige tengevolge de groote hitte der machine was bezweken. Binnen één uur tijds was hij gezond en . . . dood. – En reeds den volgenden morgen ten 5 ure werd ook dit lijk aan de zee toevertrouwd.[3] Ik geef u de verzekering dat deze gevallen geducht op ons terugwerkten en wij allen in een onaangename stemming verkeerden. Wij bevonden ons nu al op een hoogte, waar de zon bijna loodrecht boven ons stond, dus al warm, en terwijl er nagenoeg geen windje op te merken was, lag de groote, ontzagwekkende zee als ‘t ware te sluimeren van haar altijddurend voorwaartsch snellen naar het eindelooze, het onbekende, het eeuwige. O zeker, er is poëzie in de zee en heerlijk kunnen somwijlen de tonen zijn, die zij ons toeruischt. Zoo passeerden wij den 11 October kaap Sint Vincent het uiterste westelijke punt van Portugal.[4] Hier zagen wij een gebergte, dat boven de wolken uitsteekt. Den 13 October alles wel aan boord; de zee lag nog even schilderachtig daarhenen en wij hadden het erg warm.

Geen wonder voorwaar en zeer begrijpelijk, toen ons den volgenden dag werd bekend gemaakt, dat wij ons nu vlak onder de zon bevonden. Ik geef u de verzekering, dat het een eigenaardige gedachte is zich op zoo’n hoogte te bevinden, en men onwillekeurig geleerden benijdt, die, (het is zoo te zien) op deze hoogte aangename bezigheden verrichten ten dienste der wetenschap. Ook op dit punt hadden wij weder een sterfgeval te betreuren; dit was dus al reeds het derde sterfgeval op onze reis. Er waren nog mee ziekten aan boord en hoewel men ons vertelde, dat er op deze hoogte gewoonlijk veel sterfte heerscht, vooral onder kleine kindren van een à drie jaren, hadden wij het groote genot onze kinderen te zien spelen als lammeren. Zij bewogen zich vrij en ongedwongen op het dek in gezelschap van anderen. Deze vrijheid was een groot genot, waarvoor alle hulde toekomt aan den gezagvoerder, die dan ook van de zijde der ouders werd betoond.

Wederom een sterfgeval – nog een en twee dagen later nog ….. twee. Dit geschiedde op den 17-18 en 20 October. ‘t Was droevig, wat ons deze gebeurtenissen te zien gaven vooral met het oog op de bedroefde familieleden, die zóó hunne geliefden moesten missen. De ernstige vraag rees dan ook bij ons op: kan het morgen ook uw beurt zijn ? Onder deze stemming dankten wij den Allerhoogsten, dat wij tot dusverre nog bij elkander waren in ‘t bezit van de nooit genoeg volprezen gezondheid, die ons dan ook zoo te stade kwam, om zooveel mogelijk diensten te bewijzen aan onze droeve reisgenooten, waaraan wij dan ook alle krachten wijdden. Gij zult wellicht zeggen: wat een mengeling van omstandigheden, die zoo’n reis doet ondervinden, als ik u nu weer vertel, dat wij op den 21en October algemeen verrukt stonden bij het aanschouwen van groote zwermen zwaluwen en dat op den grooten Atlantischen Oceaan. ‘t Was verrukkelijk deze trouwe boden van voorjaar en herfst – die zoo in ons vaderland als geliefde voorjaarsboden worden gehuisvest –in massa te zien voortsnellen naar het zuiden. Zij schenen vermoeid te zijn, daar een groot gedeelte der zwerm zich ter ruste neerzette in het want van ‘t schip tot aller aangename gewaarwording. ‘t Was of die lieve onschuldige diertjes ook hier tot ons kwamen, om ons een groet te brengen, die ieder voorjaar opnieuw ons in ‘t noorden zoo aangenaam is, ’t was alsof ze nog eenen laatsten groet brachten aan den huiselijken haard. Wij hadden algemeen respect voor het nederdalen dier massa in ons want; niemand dan ook, die de te laken moed had één dezer natuurgenooten te vangen of te beleedigen, gelijk het maar al te veel blijkt te geschieden in Frankrijk, aan de kusten der Middellandsche zee, ter wille van modes meestal gewijd aan dames van ijdel gehalte. – ‘t Was op deze hoogte warm – zwoel – van daar geen wonder, dat ons in den nacht van 21 op 22 October een onweder overviel zoo hevig, als ik en zooveel anderen het nimmer ondervonden.

De bliksem verlichtte op indrukwekkende wijze zee en schip, terwijl holle donderslagen alles deden trillen. Daarop volgde een slagregen zoo geweldig, als het mij nimmer heugde. En onder deze omstandigheid had er weder een sterfgeval plaats. Met dezelfde formaliteiten als de overigen, werd ook dit lijk spoedig aan de zee toevertrouwd.

Eindelijk, ‘t was op den 21 october, zagen wij tot aller blijdschap de Braziliaansche kust en konden bij eenig geluk dus binnen korten tijd aan wal zijn. Doch wat moesten wij eerst nog niet ondervinden – wat moest ons oog nog eerst zien ? ‘t Was ‘s morgens van den 24en, dat, uitgelokt door schoon weder, vele passagiers zich op dek begaven. Onder ons gezelschap bevonden zich twee jonge Duitsche mannen. Deze, blijkbaar vrienden, die uitgetrokken waren, om ook hun geluk in ‘t zuiden te beproeven, vierden hun dartelheid bot in ‘t stoeien. Helaas, nadat wij hen in hun vaardigheid een poos hadden gadegeslagen, verdwenen zij als in een tooverslag: zij vielen over boord en ….. niemand zag een enkel spoor van hen terug.[5] Nog huiver ik bij de gedachte aan dit feit; aan die beide goede vrienden, die zoo noodlottig moesten heengaan, te meer ook nog, dat het een paar gulle jongens waren, waarmede wij alzoo veel aangename kennismaking hadden aangeknoopt, dat men elkanders gezelschap noode konden missen.

Den 25e October alles betrekkelijk wel aan boord, doch wij verkeerden algemeen in gedrukte stemming en konden den indruk der treurige geschiedenis onzer goede Duitsche kameraden niet maar zoo vergeten. Arme vrienden, uw heengaan moge vrede zijn! In den loop van den dag beviel er eene vrouw, welke gebeurtenis algemeen met vreugde werd begroet, nadat wij vernomen hadden dat alles wèl was. Wat al wisselingen in dit leven, niet waar ? wat al een mengeling van omstandigheden ondervindt men en vóóral op zoo’n groote zeereis. Het is echter in hooge mate troostend en aangenaam voor ‘t gemoed, dat de broederschap en eensgezindheid op een schip, welker bevolking als ‘t ware een maatschappij in de maatschappij vormt, voorbeeldig is, welke omstandigheid den reiziger veel leed geduldig doet dragen en vergeten. En zoo ging het steeds door en verder. De kolossale machine, die dag en nacht haar forsche slagen deed hooren, verkondde, dat wij er snel door gingen, ‘t was alsof ze ons telkens toeriep: houd moed! straks zet ik u in ’t nieuwe vaderland. Van den 26- en 27en Oct. valt geen bizonder nieuws te zeggen, alleen de algemeene opmerking werd gemaakt, dat het kouder werd.

‘s Avonds van den 27en zagen wij het eiland St. Carlos, nadat we het eiland St. Marie reeds waren gepasseerd. Een eigenaardig gevoel maakte zich van ons meester, toen wij vernamen, dat we na eenige uren binnen konden zijn. ’t Was ons te moede alsof wij nu een andere wereld, of liever een andere planeet zouden betreden, waar we slechts wonderen zouden zien en na vele jaren van moeite en strijd tot geluk en welvaart zouden komen. En inderdaad, in den vroegen morgen van den 28en October zagen we weder land, dat we snel naderden en toen al spoedig de groote haven van Montevideo binnenliepen. Wij gevoelden ons recht gelukkig aan wal te zijn en door innige dankbaarheid gedreven zongen wij uit het diepste der ziel Psalm 103: vers 1-2.

Loof, Loof den Heer, mijn ziel met alle krachten,
Verhef Zijn naam zoo groot, zoo heilig ‘t achten,
Och of nu al, wat in mij is Hem preez,
Loof, loof mijn ziel! den Hoorder der gebeden,
Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden!
Vergeet zo niet: ‘t is God die z’ u bewees.

Loof Hem, die u al, wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij genadig wil vergeven,
Uw krankheen kent en liefderijk geneest,
Die van ‘t verderf uw leven wil verschoonen,
Met goedheid en barmhartigheid u kroonen,
Die in den nood uw redder is geweest.

‘t Was ‘s morgens te elf ure van den 28sten October, dat wij het schip verlieten en Montevideo binnen gingen. Zoo hadden wij dan, nadat we Kaap St. Vincent gepasseerd waren, 17 dagen en even zooveel nachten gestoomd. Ontzaggelijk is de afstand, die we thans van u verwijderd zijn. Zie zoo, daar zijn we dan in het nieuwe vaderland en wat zal het nu zijn? Ja, wat zal het nu zijn! Zoo was de gedachte onder een drukkend gevoel. Ik kan u dan ook zeggen, dat er een angstige uitdrukking op veler gelaat te lezen stond en een zeker heimwee zich meester maakte van velen. Evenwel moet ik u eerlijk bekennen, dat mij in alles de moed bijbleef en zoo stapten wij in eene massa het emigrantenhuis binnen, beladen met zak en pak.

Dit emigrantenhuis is ontzaglijk groot. Ruw gebouwd van hout, het bergt 12- à 14.000 menschen, welk getal er op dien dag zeker ook wel aanwezig was. En dan een mengeling van, ik zoude wel haast zeggen: alle volken der aarde, ieder met zijn plunje belast en elk, het was zoo op te merken, eveneens belast met bitteren zorg. Deze ophooping van al die menschen was te groot en spoedig ontdekten wij dan ook de gevolgen er van. Dat groote tal van weerlooze kinderen, waaraan geen tijdige hulp kon worden verleend, die verbazende onaangename menschenmassa veroorzaakte ontzettend veel leed en overlaadde ons – nog niet gerekend de op proefstelling onzer gehoor- en reukzenuwen – met levend onrein zoo ijselijk, dat het eenvoudig niet is te beschrijven. Hier moesten wij vijf dagen vertoeven en werden we dus al op proef gesteld. Nu had ik gaarne de groote stad Montevideo eens nader willen bezien, doch, daar we emigranten waren op staatskosten en dus als ‘t ware kinderen van den stat, was het niet geoorloofd, om naar eigen wil te handelen. Nadat wij dan vijf dagen te Montevideo vertoefd hadden, ging het weer verder, ieder naar zijn aangewezen kolonie. ’t Was toen wel in ‘t bizonder, dat de zorgwekkende gedachte opdoemde: “Wat zal het straks wel zijn!” Doch moed gehouden, zoo dachten wij en spoorden elkander tot moed houden aan.

Vaartwel, onze waarden, vaartwel! God de Heer zij en blijve met u. Ik hoop spoedig eens weer te schrijven van ons wedervaren.

A. Drenth



[1] Coruña.

[2] Dit kind was afkomstig uit Marrum, Friesland. Zie de brief van J. Koornstra en S. Bijlsma van 11 oktober 1889.

[3] Hierover schreven Koornstra en Bijlsma op 11 oktober: ‘Er is geen sprake van begrafenis of lijkrede. Een paar matrozen en de administrateur erbij doch er wordt geen woord gesproken, net zo min als dat er zondags sprake is van kerk houden.’

[4] São Vincente op het Portugese eiland Madeira.

[5] Volgens Koornstra ging er door het stoeien een hek los en stortten beiden achterover in zee. Brief van 2 november.

Emigrantenleed in Itapira

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (1)

Afgelopen jaar bracht ik tijdens mijn Braziliëreis een bezoek aan Itapira. De reden voor het korte bezoekje aan dit stadje, 40 kilometer ten noordoosten van Holambra, was een

Itapira in 2013
Itapira in 2013

Nederlands emigrantendrama dat zich tussen 1891 en 1893 in Itapira heeft afgespeeld. Op 25 september 1889 was de landarbeider Antko Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen Gezina, Frederik en Udo met de ms ‘Schiedam’ naar Argentinië geëmigreerd. Drenth verbleef in Argentinië op verschillende plaatsen, maar wist daar geen geregeld bestaan op te bouwen. In maart 1891 – het gezin was inmiddels uitgebreid met de in Tucumán (Argentinië) geboren Christiaan – vertrok de familie Drenth over zee naar Brazilië, ten einde op de koffieplantages te gaan werken. De hoop op een herkansing werd echter de bodem ingeslagen. Het gezin Drenth bleef zowel in Argentinië als in Brazilië ziektes niet bespaard. Moeder Rijna wist wonderwel te herstellen, maar hun zoon Udo en ook Antko lieten het leven. Met behulp van geld uit Nederland konden de weduwe Rijna, de oudste dochter Gezina (17 jaar) en de zoon Frederik (13 jaar) in september 1893 naar Nederland terugkeren. Over het lot van de kleine Christiaan is niets bekend.

Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)
Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)

Met de terugkeer was het emigratievirus nog niet geweken. In 1905 emigreerde zoon Frederik Drenth naar de Verenigde Staten, om zich te vestigen in Kalamazoo, Michigan. Een jaar later volgde zijn zus Gezina, haar man Jan Hensens en hun vier kinderen en ook de weduwe van Antko Drenth. Allen vestigden zich in Kalamazoo in Michigan, in de nabijheid waarvan zich heden ten dage nog nazaten van Antko Drenth en Rijna Dijk woonachtig zijn. Dit zijn nazaten van Jan en Gezina, die uiteindelijk negen kinderen kregen, zeven dochters en twee zonen.

De reden dat ik aandacht besteed aan de lotgevallen van de familie Drenth is gelegen in het feit dat enkele jaren geleden in het nalatenschap van Trijntje Rens, een vrouw die zelf in 1909 met haar gezin naar Brazilië emigreerde en via Argentinië weer terugkeerde naar Nederland een boekje werd aangetroffen met brieven van de familie Drenth. Dit boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat brieven die Antko en Rijna schreven aan hun familie in Nederland. De komende tijd wil ik deze brieven op mijn website publiceren.

Reeds vóór het verschijnen van dit boek verscheen in diverse kranten het volgende bericht over de terugkeer van de weduwe Drenth en haar twee overgebleven kinderen.

Brieven emigranten“De weduwe van Antko Drenth, een arbeider die voor vier jaren met vrouw en vier kinderen van Westerlee naar Buenos-Ayres vertrok, is met twee kinderen, een jongen van pl.m. 14 en eene dochter van 17 jaren, vandaar teruggekeerd. Zij hangt een verschrikkelijk tafereel op van de ellende, de gevaren en de ontberingen, die de emigranten zich daar moeten getroosten. De dood ontnam haar in Brazilië eerst haar oudsten zoon, daarna stierf Drenth aan de gevolgen van de doorgestane ellende en later stierf nog een kind van 2½ jaar oud, dat op hare zwerftochten geboren was. Volgens haar blijkt de Europeaan ten eenemale ongeschikt voor den arbeid in die streken, want zwaar gebouwde mannen — en daaronder zelfs Italianen — zag men binnen weinige weken tot schimmen veranderen. De Asser Ct. deelt bovendien nog het volgende mede:

De woningen der emigranten waren slecht, niet beter dan hokken, en van meubelen was geen sprake, zelfs stoelen en tafel ontbraken en de vloer diende te gelijk tot legerstede. Eerst scheen het nogal dragelijk te zullen worden, maar toen de crisis kwam en de geldnood zich openbaarde, werden ze van de eene provincie naar de andere gezonden, zoodat ze eindelijk na een voetreis van een maand, met pak en zak — wat trouwens niet veel was — weder op het punt van uitgang terugkwamen. Het binnenland is bergachtig en het reizen aldaar moeilijk en vol ontberingen; logementen zijn er voor de emigranten op hun reis bijna niet te vinden en dikwijls moeten zij onder den blooten hemel overnachten. Het eten bestond in hoofdzaak uit maïsbrood en rijst. Eens scheen er voor haar uitkomst te zullen komen, want door eenige vrienden was een zekere som naar een broeder van Drenth te Chicago gezonden, welke som daar werd aangevuld en toereikend was om de familie naar Noord-Amerika te doen verhuizen, maar Drenth was inmiddels overleden en ofschoon de weduwe wist dat het geld naar den consul was opgezonden, kon zij niet, te weten komen wie het in bezit had, tot zij eindelijk, na wel een half jaar zoeken, bij den Nederlandschen consul te Santos (een Duitscher) kwam, die haar in hare opsporing bijstond en door wiens bemiddeling het gevonden werd. Het was echter al geslonken tot een bedrag, niet toereikend voor de lange reis naar Noord-Amerika. Maar ook de rest kon zij niet ontvangen, want de consul te Santos eischte daarvoor een bewijs van overlijden van haren man, doch daar de Argentijnen er geene registers van den burgerlijken stand op na houden, was dat bewijs natuurlijk door haar niet te geven, ‘t Geluk diende haar, want geruimen tijd daarna ontving zij te Buenos-Ayres een bezoek van een landsman, een Amsterdammer, die haar man had uitgedragen, en die zich verwonderde haar daar nog aan te treffen. Deze bood haar aan met haar naar Santos te gaan. Daar bezwoer deze het overlijden van Drenth en nu verschafte de consul haar vrijen overtocht naar Bremen en een weinig reisgeld naar haar vroeger vaderland. Zij is arm en heeft een veelbewogen leven van vier bange jaren achter den rug.”

Bron: Algemeen Handelsblad, 28 september 1893.
Met dank aan Trinida de Kraker en de nazaten van de familie Drenth in de V.S.