Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (6)

Naast hun rapport stuurden M.A. van Roggen en G.C. van Waveren in oktober 1950 ook een afzonderlijke brief aan het Ministerie van Sociale Zaken. Daarin gingen zij uitvoerig in op het optreden van Geert Heijmeijer, het appèl dat hij deed op het katholieke sentiment in Nederland en de door hen geconstateerde misstanden, waarvoor in het rapport geen plaats was. Hieronder de hoofdpunten van de harde kritiek die beiden hierin in naar voren brachten tegen het beleid van Heijmeijer.

1. Bij zijn financiële beschouwingen voor de toekomst, heeft de heer Heijmeijer kennelijk gespeculeerd op sentiments- dan wel humaniteitsoverwegingen bij de Nederlandse regering. Wanneer het kapitaal van de opgenomen leningen verbruikt was, zou men die arme boerengezinnen toch niet zonder meer laten verhongeren? (Dat een eventuele liquidatie dit bij de bestaande toestanden in de Braziliaanse landbouw inderdaad voor vele kolonisten ten gevolge zou hebben, is helaas met vrij grote zekerheid te verwachten).
Fazendaplein met kantoren2. Zijn voorstelling van het eigenlijke karakter dezer kolonie tegenover de Braziliaanse regering is een geheel andere dan die in vaderlandse kringen naar voren wordt gebracht. In Nederland, onder andere bij de KNBTB, wordt uiteraard vooral het zuiver katholieke element van deze emigratie als propaganda gebruikt mede ten gevolge waarvan de Nederlandse regering dit ten rechte beschouwd heeft als een particuliere onderneming, waarvoor zij geen verantwoordelijkheid kon dragen.
Tegenover de autoriteiten in Brazilië – een praktisch geheel katholiek land, waar dus het katholieke element vanzelfsprekend is – wordt dit karakter evenwel nooit naar voren gebracht (Het zou deze autoriteiten waarschijnlijk ook slechts weinig interesseren). In Brazilië wordt doel en opzet uitdrukkelijk voorgesteld als Nederlandse emigratie. De heer Heijmeijer heeft ten volle geprofiteerd van alle faciliteiten en voorrechten, waarover de officiële Nederlandse Emigratiedienst aldaar beschikt. Hierdoor is min of meer opzettelijk de schijn gewekt, dat de Nederlandse regering volkomen achter dit streven staat en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat deze legalistische voorstelling van zaken niet heeft nagelaten de Nederlandse legatie en haar emigratiedienst in Brazilië in een enigszins scheve positie te brengen, is ook bij geringe kennis van de verhoudingen in dat land, geheel duidelijk.
3. Het (…) algemeen Nederlandse karakter van de kolonie (met welke gedachte de heer Heijmeijer zich in Brazilië heeft vereenzelvigd), is voor hem aanleiding, deze kolonie ook nog te beschouwen in een ander licht, nl. als de eerste nucleus voor alle verdere emigratie van landbouwers (en ook voor andere vaklieden) uit Nederland. Afgezien van het feit, dat dit praktisch – mits goed georganiseerd – zeer wel mogelijk zou zijn, worden in de gedachtegang van de heer Heijmeijer zijn kansen op verdere geldelijke steun van Nederlandse zijde belangrijk versterkt.
4. De heer Heijmeijer mist blijkbaar de eigenschappen en/of de neiging om bij de Braziliaanse regeringsinstanties voor Ribeirão op te treden en met succes te onderhandelen. Deze – inderdaad hoogst belangrijke en essentiële – werkzaamheden werden tot dusverre gaarne, maar principieel minder juist, overgelaten aan de goeden diensten van de Nederlandse Emigratie-attaché. Uit eigen inzicht, zowel op grond van uit goede bronnen verkregen informatie, kwam de Commissie tot de mening, dat de persoon van de president inderdaad voor representatieve doeleinden minder geschikt is. (…)
6. In het rapport is al gewezen op de – gezien het feit, dat nog geen enkele bestaanszekerheid verkregen was – enigszins luxueuze woningbouw. Toch is, juist in de laatste maanden, waarin de bodem van de geldkist angstig zichtbaar werd, voor het gezin Heijmeijer een nieuw huis van ca. 10 kamers gebouwd. Hoewel de heer Heijmeijer dit verklaart door te zeggen, dat de kolonisten hem dit als leider min of meer hebben “opgedrongen”, neemt dit niet weg, dat dit een belangrijke uitgave betekent, die wellicht beter uitgesteld had kunnen worden tot het bedrijf in productie zou zijn gekomen.
7. Ieder lid van de Coöperatie is verplicht bij toetreding in Nederland alle hem ter beschikking staande gelden ter leen te verstrekken aan de Coöperatie (Stichting Holambra). De heer Heijmeijer, die ook lid is, heeft daar evenwel niets in gestoken, niettegenstaande hij bij genoemde stichting per ultimo 1949 een saldo had van bijna ƒ 9000,-.
8. Op de fazenda lopen diverse lieden rond, waarvan men zich afvraagt, welke functie zij eigenlijk hebben en met welk doel zij zijn aangetrokken (…)
9. Een aantal “wilde” plannen, dat de Commissie tijdens haar verblijf te Ribeirão van de leiding mocht vernemen, is groot. Zo waren er behalve de chemische fabriek, de textielfabriek en het gymnasium, ook nog een hotelplan, een bioscoopplan, een meubelfabriek, een constructiewerkplaats, voorts het stuwmeerplan met annex een plan voor buitenverblijven van Brazilianen, een plan om het Nederlandse vee alsnog te vervangen door Argentijns vee, een plan voor een milkbar in São Paulo enz. Zo heeft men het hoofd vol van toekomstbeelden, maar de realiteit van het heden ontvangt te weinig aandacht.
10. De disciplinaire verhoudingen laten veel te wensen over. Men was het er algemeen over eens – en dit was ook duidelijk zichtbaar – dat de arbeidsproductiviteit in de laatste maanden gestadig was teruggelopen en bij het vertrek der Commissie ontstellend gering was. De geruchten (in een zo kleine gemeente natuurlijk tot de vreemdste vormen opgeblazen) over een aanstaande financiële debacle, zullen hieraan veel hebben bijgedragen. Men heeft de mensen niet in de hand. Zo lijkt de gedachte te bestaan: “alle voertuigen zijn van alle leden”. Iedereen rijdt maat met was zo voor de hand komt, of dit nu een jeep is of een tractor of een truck. Hierop is blijkbaar geen controle. Als symptoom zij hier vermeld, hoe de Commissie bij de woning van één der stafleden een tractor aantrof, die daar met een cirkelzaag en overbrenging was geïnstalleerd voor… het klein zagen van wat privé brandhout.
11. Het gebrek aan activiteit op financieel gebied, juist in deze tijd, is verbazend. De Coöperatie heeft sinds vele maanden een belangrijke vordering wegens geleverde tarwe op de staat São Paulo. Pogingen om deze vordering betaald te krijgen, zijn door de leiding zelf nauwelijks gedaan.
12. Kort voor het vertrek der Commissie werd door de Veehouderijleiding een goed gefundeerd voorstel gedaan, nl. om enkele boerderijen met goede stallen, waarin juist het meest belangrijke vee was ondergebracht, toe te wijzen aan boeren met grote ervaring en verstand van stamboekvee. Hierop werd door de heer Heijmeijer afwijzend beschikt; deze boerderijen moesten aan bepaalde vriendjes toegewezen worden. De Veehouderijcommissie, onder leiding van de veearts, heeft daarop en bloc haar ontslag ingediend.

Bron: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945-1954, inv.no. 11944.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (5)

Vorige keer publiceerde ik een brief van Roeland Vermeulen uit Carambeí waarin hij zijn steun uitsprak aan Geert Heijmeijer. Op dezelfde dag, 10 oktober 1950, stuurde hij met als toevoeging ‘Vriendschappelijk en vertrouwelijk’ nog een brief waarin hij die steun nogmaals onderstreepte. Hieronder de letterlijke weergave van die brief.

Beste vriend Heijmeijer,

Bijgaand stuur ik je het antwoord op je schrijven van 5 October j.l. en ik hoop, dat je hiermee geholpen zult zijn. Als bijlage voeg ik je deze aparte regels bij. Bah, wat eene intriges en vunze politiek overal!! Je kunt echter op mij vertrouwen en sta ik met volle overtuiging achter je, dat weet je wel. Het spijt me echter alleen, dat ik niet geheel op de hoogte ben van alle resultaten van jullie tot op heden verrichte arbeid. Daardoor moet ik vaak zwijgen, waar ik zou willen spreken, doch ik sta te veel buiten jullie interne aangelegenheden om een uitgesproken meening te ‘kunnen’ en te ‘mogen’ uiten. Inderdaad weet ik, dat er buitenaf zeer veel kritiek in afbrekende zin op jou persoonlijk wordt uitgeoefend, meestal door onbevoegden uit zucht tot kletsen, doch vooral naar mijn meening uit: ‘jaloezie’. Laat je niet ontmoedigen, want zonder kritiek zou je geen persoonlijkheid zijn. Dit zij je een troost. Doch vooral ook daarom had ik je gaarne terzijde gestaan, daar ik de overtuiging heb, dat dit een groote steun voor je geweest zou zijn en menig foutief oordeel in den oorsprong zou hebben gedood. Je bent tenslotte ook maar een mensch, beste kerel, en de zaak is dermate uitgegroeid en je taak wordt dermate zwaar, dat een beetje oprechte vriendschap zeker niet misplaatst zou zijn, noch iets behoeft af te doen aan jouw prestige en eergevoel.

Vergeef mijne oprechtheid, maar ik acht het eerlijk en noodig je dit in het huidige stadium te zeggen, zoodat je er voordeel mee kunt doen. Het is nooit te laat en mogelijk zul je eene beslissing nemen bij je terugkeer. Ik laat het hierbij en hoop je heel gauw persoonlijk te ontmoeten.

Met oprechte gevoelens van vriendschap,
steeds je toegenegen,

R.A.M. Vermeulen

Bron: Nationaal Archief, Archief Heijmeijer, inv.no. 6.

 

 

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (4)

Toen Geert Heijmeijer in 1950 in Nederland aanklopte voor nieuwe financiële steun en de regering besloot een onderzoekscommissie naar Brazilië  te sturen, verloor hij veel steun van veel mensen die hij tot dan toe tot zijn persoonlijke vrienden rekende. Ook in Brazilië had hij binnen de Nederlandse gemeenschap inmiddels veel krediet verspeeld. Een van de weinigen die hem nog bleef steunen was Roeland Vermeulen, de oud-planter die zich in 1937 vanuit Nederlands-Indië in Carambeí had gevestigd en gold als één van de leiders van deze kolonie. In een brief van 14 oktober 1950 schreef hij over het bezoek dat Van Roggen en Van Waveren twee maanden eerder aan hem hadden gebracht. De kritiek van beide heren deelde hij niet. Hieronder een weergave van deze brief.

Amice,

Roeland Vermeulen te midden van de pioniers van Carambeí

Ik heb je brief van 5 dezer gisteren hier ontvangen en met verontwaardiging nam ik kennis van den inhoud. Ik haast me dan ook onmiddellijk aan je verzoek te voldoen en ik hoop, dat mijn schrijven je nog bijtijds zal bereiken. Tijdens het bezoek van de Commissie Hrn. Van Roggen-Van Waveren in gezelschap der Heeren Schwartzenau en Ds. W.M.V. Muller ten mijne huize werd vanzelf ook over de kolonie Ribeirão gesproken en constateerde ik, dat de Commissieleden en vooral de heer Van Waveren een zeer conservatief “voorlopig” oordeel velden over jullie mooie en grootsche opzet. Ik nam daartegen onmiddellijk stelling en heb ik getracht hen duidelijk te maken, dat naar veler en ook mijne meening in korten tijd met een handjevol Nederlandsche boeren een kranig stuk werk was verzet, dat de bewondering heeft van een ieder, die eenigszins op de hoogte is van het opbouwen van dergelijke gecompliceerde organisaties in een vreemd land onder vaak moeilijke omstandigheden. Ik ben niet bevoegd de gevoerde administratie en financiering te beoordelen, omdat ik tijdens mijne diverse bezoeken uitsluitend de cultuur-technische werkzaamheden observeerde. Dat hierbij ook tegenvallers en teleurstellingen ondervonden werden is vanzelfsprekend, omdat bij een dergelijk snellen opbouw nu eenmaal leergeld betaald moet worden. Het is en blijft echter mijne uitgesproken meening, dat jij als leider en organisator de volle waardering en eer verdient van de tot op heden verkregen resultaten. De leiding en organisatie kan niet in betere handen zijn toevertrouwd, want je taak en de te overbruggen moeilijkheden waren geen sinecure, doch zoals altijd staan “de beste stuurlui aan de wal”. Elke wijziging in de leiding zou m.i. eene onherstelbare fout kunnen beteekenen. Wel zul je langzamerhand gebruik dienen te maken van adviezen van bekwame medewerkers, omdat je werk dermate veelomvattend geworden is, dat het ondoenlijk wordt voor één man alléén.
                De Heer van Roggen voelde na mijne uiteenzetting de situatie beter aan, doch van de Heer v. Waveren kreeg ik de indruk, dat hij alles uitsluitend door een ambtelijke en accountantsbril bekeek.
                Je kent mijn enthousiasme voor immigratie van Nederlandse boerengezinnen naar dit veelbiedende land en Ribeirão heeft mijne volle bewondering. Jullie zijn zoover reeds geslaagd, doch je moet nog veel verder slagen. Als rechtgeaard Nederland gevoel ik dit min of meer als een Nederlandsch en nationaal belang. Het oog van vele vooraanstaande Brazilianen is op jullie werk gevestigd en het zou een blamage voor onze naam betekenen, als de groei van dit opbouwende werk niet met volle animo en energie werd voortgezet. Zelfs een gedeeltelijke mislukking zou ook mij persoonlijk treffen, even goed als jou.
                Mij werd o.a. de vraag gesteld, waarom ik daadwerkelijk niet meer tijd besteedde aan jullie arbeid. Je kent mijn standpunt en good-will en inderdaad betreur ik het nu des te meer, dat je niet verder ingegaan bent op mijne voorstellen. Ik blijf echter ten volle bereid, want bij mij geldt uitsluitend jullie succes in het belang van nog vele Nederlandse gezinnen, voor wie het in Patria te eng wordt. Jou komt de eer toe, maar toch zou ik gaarne “onopvallendnaast je mijne medewerking willen geven.
                Je aangekondigde brief met cheque heb ik tot op heden niet ontvangen en meld je dit voor de goede orde, opdat je er werk van kunt maken, waar deze brief ergens uithangt.
                In de hoop spoedigst na je terugkeer meer van je te mogen vernemen je verder toewensend met de verdere opbouw van Ribeirão, teken ik als steeds,

Je toegenegen, w.g. R.A.M. Vermeulen

Bron: NA, Archief Heijmeijer, inv.no. 7.

Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (1)

Terwijl met het themanummer van Ontginning in Nederland het beeld werd verspreid dat er in Brazilië groots werk werd verricht, was de situatie op de Fazenda Ribeirão op dat moment verre van rooskleurig. Al in augustus 1949 klopte Geert Heijmeijer bij de Nederlandse minister van Sociale Zaken Dolf Joekes aan voor financiële steun. Het bestuur van de Cooperativa Holambra was tot de conclusie gekomen dat tot dusverre beschikbaar gekomen financiële middelen ontoereikend waren om de kolonie te kunnen afbouwen. Eind 1949 bezocht hij Nederland en diende hij bij de Nederlandsche Bank een aanvraag in voor een nieuw krediet ter waarde van  2,8 miljoen gulden. Deze kredietaanvraag vormde aanleiding voor overleg tussen Nederlandse ministeries en de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), wat leidde tot het zenden van een onderzoekscommissie bestaande uit de landbouwkundige Ir. M.A. van Roggen en G.C. van Waveren, hoofdaccountant op het ministerie van Financiën. Beiden bezochten de Fazenda in augustus 1950. De conclusies van hun rapport waren onthutsend en zouden leiden tot een drastische reorganisatie van de jonge kolonie met verstrekkende gevolgen.

Conclusies
In oktober 1950 rapporteerden Van Roggen en Van Waveren hun bevindingen aan de Nederlandse regering. Hun conclusie was dat de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra “thans” niet rendabel was, maar dat onder zekere voorwaarden voor het bedrijfsjaar 1952-1953 een “voorlopig matige rentabiliteit” kon worden verwacht. Voor het bereiken van die matige rentabiliteit moest wel worden voldaan aan vier voorwaarden: 1) dat de cooperativa, verdeeld over het tijdvak 1950/1952, in totaal de beschikking zou krijgen over een bedrag van 12 miljoen cruzeiros; 2) dat de president van de Cooperativa, ir. J.G. Heijmeijer, zou worden vervangen door iemand met meer organisatorisch en commercieel inzicht; 3) dat verdere emigratie naar de kolonie Ribeirao zou worden stopgezet, totdat een matig bestaan zonder hulp van buitenaf verzekerd was; 4) dat het administratieve en technische beheer onder geregelde controle zou komen van een ter plaatse uit deskundige Nederlanders samen te stellen commissie, die tevens toezicht zou uitoefenen op de naleving van de voorwaarden waaronder een eventueel krediet zou worden verstrekt.

“Niet de juiste persoon”
Ter toelichting van de tweede voorwaarde velden Van Roggen en Van Waveren het volgende oordeel over Heijmeijer: “Naar het inzicht der commissie is de emigratie naar en de oprichting van de kolonie Ribeirão voor een zeer belangrijk deel te danken aan het initiatief van de heer Heijmeijer, die met groot enthousiasme en optimisme deze zware taak is begonnen. Het is daarom uitermate te betreuren dat de commissie moet vaststellen dat voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.
Dit was ook moeilijk te verwachten. Voor het nemen en uitvoeren van een dergelijk emigratie-initiatief zijn ongetwijfeld een zekere mate van idealisme en enthousiasme onmisbaar. Voor de commerciële en zakelijk-technische voering van een bedrijf onder bijzondere omstandigheden, zijn evenwel geheel andere karaktertrekken gewenst. Zelden worden deze divergerende eigenschappen tegelijk in één persoon aangetroffen.”

Grove fouten
Vervolgens gaf de commissie Van Roggen-Van Waveren een opsomming van grove fouten en tekortkomingen die de leiding konden worden aangerekend:
“a) Uit de totstandkoming en de praktische uitvoering van de kolonie blijkt duidelijk dat de voorbereiding en planning veel te weinig zorg en aandacht hebben gehad.
b) Ook de financiële opzet van het bedrijf was weinig doordacht; vrijwel bij de aanvang moet reeds duidelijk zijn geweest dat de coöperatie – ook bij een gunstige rentabiliteit – spoedig in liquiditeitsmoeilijkheden zou geraken.
c) Van enig weloverwogen plan, hoe de kolonie zich moest ontwikkelen en welke de middelen van bestaan zouden zijn, is tot aan de komst der commissie geen sprake geweest. De leiding is bij haar bedrijfspolitiek blijkbaar volkomen opportunistisch en optimistisch te werk gegaan. (…)
d) Belangrijke bedragen zijn geïnvesteerd in objecten die niet of eerst in de toekomst een rendement zullen afwerpen. Vooral de bouwerij is duur geweest. Men had in vele gevallen kunnen volstaan met semi-permanente uitvoering en/of het gebruik van minder dure materialen, waardoor grote bedragen zouden zijn bespaard voor productieve doeleinden.
Ditzelfde geldt ook voor de machines, bij de aanschaf waarvan meer beleid en zuinigheid betracht had kunnen worden. (..)
e) De belangrijkste functies van de coöperatie, speciaal in de toekomst, zijn de verkoop en de inkoop. Ook hier, zelfs voor wat betreft voedingsmiddelen in Brazilië, geldt, dat produceren gemakkelijker is dan verkopen. Tot op heden is aan de organisatie van deze beide functies vrijwel niets gedaan. (…)
f) Met het grote en zeer gunstig ‘gestemde’ landbouwproefstation te Campinas is betreurenswaardig weinig contact opgenomen. Terwijl noch de leiding, noch de boeren zelf, enige ervaring hadden op agrarisch gebied in sub-tropische streken, is men grotendeels naar eigen inzicht gaan werken, terwijl deskundige voorlichting zo nabij is en ook gaarne werd gegeven. Zelfs de komst van een jong landbouwkundig ingenieur heeft hierin geen verbetering gebracht, daar deze direct aan geheel ander werk werd gezet. (…)
g) Het bovenstaande geldt in versterkte mate voor de veebelangen. Ook hier is zonder voldoende gebruik te maken van de desbetreffende Braziliaanse instanties en zonder dat enige veterinaire hulp aanwezig was, de veestapel van Nederland naar een sub-tropisch klimaat, deels zelfs in het ongunstige jaargetijde, overgebracht. Door onervarendheid, onvoldoende voeding en slechte verzorging, zijn een groot aantal dieren gestorven, waarvan een belangrijk deel bij goede behandeling behouden had kunnen blijven. Niet alleen de grote sterfte onder het vee, doch ook de ernstige vertraging in voortplanting en productie (in september 1950 niet meer dan gem. 6 liter per dag per koe), is aan deze onoordeelkundige behandeling in de beginperiode te wijten. (…)
h) Van verschillende zijden moest de commissie vernemen dat de leiding van Ribeirão, die toch geheel nieuw en vreemd was in Brazilië, praktisch nooit raad kwam vragen aan de reeds lang in dat land gevestigde Nederlanders, die de typische verhoudingen en toestanden uitstekend kennen en gaarne en belangeloos hun raad zouden hebben gegeven.
De uit hoofde van zijn functie door de emigratie-attaché (een man met grote tropische landbouw- en irrigatie-ervaring) gegeven adviezen werden wel aangehoord maar voor het grootste deel niet opgevolgd.
i) Zo is van de aanwezige mogelijkheden inzake watervoorziening veel te weinig gebruik gemaakt. Men had met enige kosten maar vooral met enige goede wil, vrij behoorlijke stukken bouwgrond met behulp van irrigatie direct voor intensieve landbouw geschikt kunnen maken. Instede daarvan heeft men zich geworpen op de uit Brabant zo welbekende ontginning van droge arme gronden, die weliswaar goedkoper is, maar slechts zeer matige en riskante cultures kan dragen. Bij een juiste plaatskeuze van boerderijen en het graven van eenvoudige leidingen had men bij vele stallen en erven waarschijnlijk steeds lopend water kunnen krijgen. (…)
j) De keuze en benoeming van de technische afdelingsleiders, praktisch geheel in handen van de heer Heijmeijer, is niet altijd juist en gelukkig geweest. Bij de beoordeling behoren in ieder geval bekwaamheid en flinkheid de doorslag te geven. Voorts werden verscheidene figuren aangetroffen wier aanwezigheid en functie in dit specifiek agrarisch bedrijf niet goed verklaarbaar was.
k) De commissie verkreeg de indruk dat de dagelijkse leiding en de uitvoering van de werkzaamheden vrijwel uitsluitend in handen liggen van de president, hetgeen voor een groot bedrijf niet juist kan zijn. Vrijwel niemand anders heeft de bevoegdheid een beslissing te nemen.

Bron: Rapport Van Roggen/Van Waveren, okt. 1950. NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

 

 

Wegbereiders: Geert Heijmeijer (1903-1973)

In de reeks ‘Wegbereiders’ wil ik wat dieper ingaan op personen die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en opbouw van de Holambra’s. De keuze van personen zal het eerste oog wat willekeurig lijken. Behalve de rol die iemand heeft gespeeld in de (voor-)geschiedenis van Holambra I en II moet ik over meer gegevens beschikken dan enkel over de periode dat iemand bij de groepsemigratie naar Brazilië betrokken is geweest. We beginnen de reeks met de stichter van Holambra: Geert Heijmeijer.

Johannes Gerardus (Geert) Heijmeijer werd op 21 april 1903 geboren in Amsterdam als de jongste zoon van Bastiaan Heijmeijer (1859-1938) en Maria Margaretha Johanna Schermer (1865-1936). Zijn vader was als graanhandelaar firmant van C.P. Heijmeijer en zoon, een door Geerts opa Cornelius Pieter Heijmeijer opgerichte groothandel in granen en levensmiddelen te Amsterdam. De familie kwam oorspronkelijk uit Westfalen totdat een voorvader zich in 1764 in Kampen vestigde.
                Na zijn middelbare school ging Geert Heijmeijer in 1921 Landbouwkunde studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. In 1926 studeerde hij af op de scriptie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk, die vanwege het belang van het onderwerp door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) werd uitgegeven. Nog datzelfde jaar trad hij in dienst van de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB) – een regionale bond van de KNBTB – om de oprichting van de R.K. landbouwwinterschool te Voorhout voor te bereiden. Van 1927 tot 1935 was hij directeur van deze school.
                Op 12 september 1928 trad Geert Heymeijer in het huwelijk met Julia Oswaldina Maria (Lia) Hencke (1903-1974). Lia Hencke’s vader, Johannes Maria Hencke (1864-1928) was afkomstig uit Lüdighausen in Westfalen en was boekhouder (en later rentmeester) op Huis Bergh. Daar werd Lia in 1903 geboren. Geert en Lia kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters
                In 1935 vertrok Geert Heijmeijer naar Brabant, waar hij rentmeester was van het Staatsdomein Niervaart te Klundert. In 1939 redigeerde hij samen met F.F.X Cerutti hierover het boek Niervaart. Een beschrijving van de ontwikkeling der heerlijkheid Niervaart en van den huidigen toestand der Staatsdomeinen.
                Op 1 september 1939 trad Heijmeijer aan als algemeen secretaris van KNBTB. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 stond hij voor de ondankbare taak om de bond en zijn economische instellingen uit handen van de Duitse bezetter te houden. Toen in augustus 1941 de NSB-er O.F.J. Damave tot commissaris bij de KNBTB werd benoemd onderhandelde hij met deze over de verzelfstandiging van de instellingen. Na de opheffing van de KNBTB en zijn gewestelijke boerenbonden begon Heijmeijer een eigen landbouwkundig ingenieursbureau. Onder deze vlag publiceerde hij in 1941 het boek Wij boeren met artikelen van uiteenlopende auteurs, waarin getracht werd de boerenbevolking bewust te maken van haar tradities en haar eigen karakter. Met de vertegenwoordigers van de andere opgeheven landbouw- en landarbeidersorganisaties werkte hij gedurende de bezettingsjaren aan de oprichting van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in de landbouw. Als opmaat tot deze organisatie, die in 1954 onder de naam Landbouwschap van start ging, werd op 2 juli 1945 de Stichting voor de Landbouw opgericht. Omdat hij echter bij het KNBTB-bestuur onvoldoende gehoor vond voor zijn opvattingen over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, nam Heijmeijer in 1946 ontslag als algemeen secretaris en concentreerde zich op het voorzitterschap van de afdeling Sociale Zaken van de Stichting voor de Landbouw. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), een semi-overheidsorgaan dat initiatieven op het gebied van de emigratie coördineerde.
                De groeiende belangstelling voor emigratie in het naoorlogse Nederland en het overschot aan jonge boeren voor wie geen boerderij beschikbaar was, waren voor Heijmeijer de aanleiding om in november 1946 in opdracht van de KNBTB samen met Wim van Beers en Chris van Steen naar Brazilië te vertrekken om de mogelijkheden van een kolonisatieproject te onderzoeken. De moeilijkheden in Nederland en in Brazilië werden ondervonden om dit project te realiseren beschreef Heijmeijer in 1973 in Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie. Holambra, 1946-1973[1]. De zoektocht naar ‘land in Brazilië’ resulteerden in 1948 in de aankoop van de Fazenda Ribeirão. Voorafgaand aan de aankoop, die mogelijk gemaakt was door een lening van de Braziliaanse overheid, was op 5 juni 1948 door in Brazilië aanwezige Nederlanders (waaronder enkele emigranten) de Cooperativa Agro-Pecuária do Nucleo Holandês Riberão opgericht, twee maanden later omgedoopt tot Coõperativa Agro-Pecuaria Holambra. Heijmeijer was op dat moment in Nederland voor het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten.
                Met het vertrek van het schip de ms ‘Algenib’ op 18 december 1948 vanuit de haven van Antwerpen begon de feitelijke emigratie. De boeren die zich op de Fazenda Ribeirão vestigden, traden in dienst van de coöperatie. Heijmeijer achtte dit noodzakelijk om de opbouw van de jonge nederzetting op gang te brengen. Hiermee wilde hij ook bereiken dat kleinere boeren een kans van slagen konden krijgen, doordat zij via de coöperatie krediet zouden krijgen van de grote boeren. Dit coöperatief systeem was nodig voor de ontginning van de grond en de bouw van huizen. Zodra het mogelijk was zouden de boeren een eigen bedrijf kunnen beginnen. Heymeijer vertrok met zijn gezin op 12 maart 1949 met de ss ‘Alhena’. Het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder gaf hoog op van Heymeijers missie: ‘Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren ging ir. Heymeijer heen.’[2] Na de aankomst nam hij het voorzitterschap van de coöperatie op zich.
                De jonge nederzetting kreeg de nodig tegenslagen te verduren. Zo werd het uit Nederland meegenomen stamboekvee getroffen door veeziekten, zoals mond- en klauwzeer en kampte de kolonie met een tekort aan liquide middelen. Onverantwoorde aankopen door Heijmeijer en diens weinig standvastige beleid verergerden de zaak. Hierdoor kwam de samenwerking binnen de coöperatie steeds meer onder druk te staan en zakte het werktempo. Eind 1949 zag Heijmeijer zich reeds genoodzaakt om in Nederland aan te kloppen voor een nieuwe lening. Een Nederlandse onderzoekscommissie kraakte in oktober 1950 harde noten over zijn beleid. Zij stelde vast dat ‘voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, ‘de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.’[3] Redding was wel mogelijk, maar dan was een lening nodig van 2,5 miljoen gulden en moest de leiding vervangen worden door een leiding met meer organisatorisch en commercieel inzicht. Zonder Heijmeijer in de besluitvorming te betrekken, besloot de Nederlands regering eind 1950 deze lening mogelijk te maken. In overleg met de KNBTB werd C.J.J.(Charles) Hogenboom aangesteld als regeringscommissaris om toezicht te houden op de besteding van het crediet.
                Hogenboom zette zich op Holambra aan een saneringsbeleid waaraan Heijmeijer aanvankelijk loyaal meewerkte. Een aantal grote boeren weigerden met “die koeliedrijver” – Hogenboom had eerder in Nederlands-Indië gewerkt – in zee te gaan. Ze zegden in juni 1951 hun lidmaatschap van de coöperatie op en vertrokken daarna naar Não Me Toque in de deelstaat Rio Grande do Sul. Op 28 januari 1952 trad Heijmeijer terug als coöperatievoorzitter ten gunste van Hogenboom. Hij bleef Hogenbooms saneringsbeleid saneringsbeleid steunen, maar merkte in de loop van 1952 dat hij niet meer betrokken werd bij coöperatiezaken. Voorts voelde hij zich persoonlijk en financieel in zijn bestaan bedreigd. Hij sloot zich in oktober van dat jaar aan bij emigranten die weigerden een nieuw, in het Portugees opgesteld contract te ondertekenen. Het coöperatiebestuur gaf te kennen dat Heijmeijer er met zijn gezin beter aan deed Holambra te verlaten en terug te keren naar Nederland. Nadat pogingen om in Brazilië een andere functie te verwerven op niets waren uitgelopen, sloot hij in maart 1953 een overeenkomst met de coöperatie die zijn terugkeer naar Nederland mogelijk moest maken. Op 19 maart 1953 verliet Heijmeijer Brazilië, om op 13 april in Nederland te arriveren. Zijn oudste zoon Geert Jan bleef achter en werd later in Brazilië financieel directeur van het geneesmiddelenconcern MSD.
                Eind juni slaagde hij erin een nieuwe betrekking te vinden: consulent Grond- en Pachtzaken. Deze functie, aanvankelijk te Zwolle en later in Arnhem, zou hij tot zijn pensionering in 1968 blijven vervullen. Na zijn vertrek van Holambra in 1953 bezocht hij nog twee keer Brazilië: in 1966 om onderzoek te doen naar ervaringen met ontginning van gronden en in 1973 bij de viering van het 25-jarig bestaan van Holambra. Bij die laatste gelegenheid werd hij geëerd als de stichter van de kolonie. Tijdens dit laatste verblijf in Holambra kreeg hij te horen dat zijn dochter Eveline was verongelukt in Denemarken. Enkele maanden later, op 30 oktober 1973 overleed hij zelf  in Vught. Vijf maanden na Geert Heijmeijer overleed ook zijn vrouw Lia. Beiden liggen begraven op de R.K. begraafplaats te Doorwerth.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Heijmeijer
www.berghapedia.nl/index.php/Hencke,_Johannes_Maria
www.online-begraafplaatsen.nl
Mijn boeken over Holambra en de KNBTB
Nederlands Patriciaat, no. 79.
Het Archief Heijmeijer (toegangsnummer 2.21.364) in het Nationaal Archief.


[1] Manuscript in: Archief-Heijmeijer.
[2] Boer en Tuinder, 19 maart 1949.
[3] Rapport Van Roggen/Van Waveren (oktober 1950), in: Archief-Heijmeijer.

Holambra in opbouw (II)

Het Centrum.

Wat thans het “Centrum” heet, is het fazendaplein (met het fazendahuis) en de onmiddellijke omgeving daarvan. Hier klopt het hart van de coöperatie. Afgezien van enige woonhuizen, die wij er vinden, staat daar de kerk, het fazendahuis, de kantoren, het vrijgezellenhuis en de school, allemaal gebouwen, die in het leven der emigranten een voorname rol spelen. Over al die gebouwen zou heel wat te vertellen zijn, maar we moeten ons tot enige hoofdzaken beperken.

De kapel werd vorig jaar van Maart tot Mei (oorspronkelijk met een andere bedoeling) gebouwd en in Juli werd de achterwand ervan door Pater Dr. G. Sijen, de pastoor der parochie, met een fraaie voorstelling van de Verrijzende Christus getooid. · Men probeert hier doelbewust de grondslagen te leggen voor een liturgische gemeenschapsvorming en het spreekt vanzelf, dat de zeven zusters, Kanunikessen van het H. Graf, voor deze geestelijke opbouw uiterst waardevolle bijdragen leveren. De kapel is op dit ogenblik al te klein, de pater is nu al genoodzaakt iedere Zondag drie H.H. Missen te lezen. Op de duur zal deze situatie de bouwafdeling voor een nieuw probleem stellen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Het fazendahuis vereist eveneens omvangrijke reparaties en uitbreidingen. Het is weliswaar een royaal ingericht woonhuis met vrij veel ruime vertrekken, maar als men hoort, welke bestemmingen dit huis zoal heeft, zal men onmiddellijk begrijpen, dat het toch weer veel te klein is. Het bergt onder zijn herbergzaam dak de familie Heymeyer (6 personen) de zusters (thans 7, binnenkort 9 personen) en de pater. Bovendien gebruiken er tot nu toe dagelijks ruim 30 vrijgezellen hun maaltijden. En tenslotte heeft Ir. Heymeyer er zijn kantoor.

Binnenkort komen er een paar van deze bestemmingen te vervallen, wat niet anders dan noodzakelijk is, omdat noch van een behoorlijk kloosterleven, noch van een behoorlijk familieleven binnen deze al te enge muren sprake kan zijn. De vrijgezellen zullen zeer binnenkort gaan verhuizen naar een speciaal voor hen ingericht tehuis, waar ze de maaltijden kunnen gebruiken, waar ze kunnen vergaderen, zich ontspannen, lezen, schrijven, enz. De Heer en Mevrouw Slegers hebben zich met de taak belast te zorgen voor de materiële en hogere belangen van deze vrijgezellen. En voor de directie wordt thans aan de andere kant van het fazendaplein een kantoorruimte ingericht, zodat ook in dit opzicht het fazendahuis meer ontlast zal worden.

Over het kantoor der administratie en de school zullen we vandaag maar niet langer spreken. Hopelijk komen deze beide instellingen een volgende keer nog eens aan de beurt.

 

Groei van het bedrijf.

De bouwafdeling heeft al drie dochterbedrijven onder haar hoede. In de eerste plaats de timmermanswerkplaats, die zonder meer een modelinrichting kan worden genoemd, al kan ze het steeds toenemende werk niet bijhouden. Vervolgens de houtzagerij, die nog niet zo heel lang geleden ertoe is overgegaan eigen hout van de fazenda te zagen en voor verder gebruik te bewerken. Tenslotte is er de steenfabriek, die over enige tijd 30.000 stenen per week zal kunnen produceren. Deze dochterbedrijven betekenen een enorme deviezenbesparing voor de fazenda, en hun belangrijkheid zal in de volgende maanden nog· steeds toenemen. Wanneer we bedenken, dat een jaar geleden de spanten nog uit Campinas betrokken moesten worden en dat tienduizenden stenen uit. de omliggende plaatsen geleverd moesten worden, zal men begrijpen, dat deze bedrijven hier absoluut noodzakelijk zijn.

Toch blijven de moeilijkheden nog zeer groot en ze zijn van velerlei aard. Zand moet b.v. gehaald worden op een afstand van 13 km aan de rivier en hier kan men eigenlijk alleen in de droge tijd terecht. De voorziening van kalk en cement loopt maar zeer stroef, en het transport, dat het uiterste vraagt van het beschikbare materiaal, is een probleem op zich.

De snelle groei van de kolonie stelt de bouwafdeling iedere maand, we zouden ·haast zeggen, iedere dag, voor een nieuwe puzzle. Van half mei tot half augustus moeten er 25 boerderijen worden gebouwd met de daarbij behorende stallen; voorts 6 huizen in het centrum, drie kalverstallen en vier stallen voor volwassen vee. En tenslotte moet een gedeelte van de grote zuivelfabriek worden opgebouwd, het z.g. A-melkbedrijf. Daarnaast komen nog de kleine, dagelijks terugkerende karweitjes en men zal begrijpen, dat de Heer Hendrikx iedere maand blij·is als de nieuwe emigranten weer een dak boven hun hoofd hebben.

Er is een werkschema opgesteld, waarbij de bouwafdeling in vier ploegen verdeeld is en zonder al te grote tegenslagen hoopt men inderdaad met de verschillende projecten gereed te komen. En het moet gereed komen, want vóór half Augustus worden hier weer een dertig (meestal grote) families verwacht, die ergens ondergebracht moeten worden. In de uitvoering van dit programma ligt voor alle personen, die erbij betrokken zijn, iets spannends: komen de leveranties wel op tijd? Ondervindt het transport geen al te grote strubbelingen? Zullen de timmerlieden, de metselaars wel kunnen bijhouden?

Deze en dergelijke vragen hoort men hier dagelijks. Maar tot nu toe is men, ondanks alles, geneigd deze vragen optimistisch te beantwoorden. Want het is nog altijd klaargekomen, de emigranten hebben nog altijd een huis gevonden, er kwam nog altijd een oplossing, ook al leek ze aanvankelijk onmogelijk. Wij vertrouwen dus op het goede gesternte, dat ons tot nu toe nog altijd vergezeld heeft. We bouwen verder en zien hier een dorp verrijzen, dat ons dagelijks meer tot voldoening stemt en ons aanspoort ·steeds verder en hoger te streven.

Uit: Ontginning, augustus 1950

Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ‘t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Overschat Uzelf niet!

In augustus 1950, net op het moment dat op de Fazenda Ribeirão in opdracht van de Nederlandse regering een onderzoeksteam bezig was om de economische situatie van de jonge emigrantengemeenschap in kaart te brengen – hetgeen leidde tot een vernietigend rapport over de leiderscapaciteiten van Geert Heymeijer – verscheen in Nederland een themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren. De bedoeling was duidelijk: in Brazilië werd iets groots verricht en daarbij kon men gerust nog wat jonge kerels die konden aanpakken gebruikten. Daarnaast was het blad bedoeld om negatieve sentimenten, waaraan de emigranten in hun brieven naar het thuisfront uiting gaven, te weerspreken.

Ontginning 1950Illustratief voor het van bovenaf opgelegde positivisme om onderhuidse onlustgevoelens te neutraliseren is het artikel ‘Overschat Uzelf niet!’ van de geestelijk leider van de Fazenda Ribeirão, pater Godfried Sijen OPraem. Volgens Sijen hing de kans van slagen van emigranten vooral af van de sterke en gezonde geest. Hij herhaalde daarbij de woorden die Heymeijer tijdens de voorbereiding had gebruikt: ‘als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt.’ Ook hield hij de lezers voor om vertrouwen te houden in de leiding, ook al begreep men niet alles van het gevoerde beleid. Ook hield hij de emigranten voor doof te zijn voor stokerij en roddelpraatjes, die vriendschap verstoorde en die in een vreemde omgeving een nog betere voedingsbodem zou vinden. ‘Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren?’ Gezien de grote vertrouwenscrisis, die de jonge kolonie van 1951 tot en met 1953 totaal verscheurde, hadden deze wijze woorden een grote voorspellende kracht. Ook Sijen slaagde er niet in om de geest goed te houden. Op zondag 21 december 1952 kwam hij niet opdagen voor de H. Mis. Hij werd dood aangetroffen op zijn bed.

De man, die in Nederland rondloopt met het plan om te emigreren, heeft enige gelijkenis met de bestuurder op een legerwagen in de dagen der bevrijding. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor een kostbare vracht naar een onbekend land. In die dagen dan, toen de autocolonnes van de geallieerde bevrijders door ons land raasden, werden niet zonder reden langs de wegen speciale borden geplaatst, die waarschuwden tegen het gebruik van sterke drank. Een dronken chauffeur ziet niet goed de weg, die yóór hem ligt en is daarbij de beheersing kwijt over eigen hoofd en hand. Het gevaar bestaat, dat vele van onze boeren en tuinders, op zoek naar nieuw land in een nieuwe wereld, te werk gaan als in .een roes, gelijk aan die dronken chauffeurs. In één punt komen ze er in ieder geval mee overeen: ze zien de weg niet goed,.die voor hen ligt en ze kunnen die ook niet overzien .. Niemand in Nederland, die het niet heeft ondervonden, beseft ten volle wat dit is: emigreren. En ook kan iemand, die het zelf heeft meegemaakt, dit niet precies vertellen aan een ander. Dagelijks ontvangen wij en onze mensen brieven uit het vaderland met vragen om inlichtingen en raad. De beantwoording van die vragen kan de doorslag geven voor de levenskwestie:zal ook ik emigreren met mijn gezin of niet? Maar niemand onzer, die nu werkelijkheid ondervindt, durft het aan: te vertellen wat het is. De weg die de emigrant voor zich heeft, is niet duidelijk te beschrijven. En raad geven is zeer moeilijk en gevaarlijk. Het zal, als ge in het nieuwe land zijt, telkens anders zijn dan anderen U vertellen kunnen.

Zonder een goed beeld te krijgen van zijn toekomst, moet de emigrant zich toch een oordeel vormen; waarop een verstandig besluit kan volgen. En uit eigen ervaringen van nu en vroeger is het vanuit Nederland even onmogelijk om goed te oordelen. Ge kunt de weg niet overzien, die ge af zult moeten leggen. In dit punt lijkt ge dus op een chauffeur, die door het grote bord moet worden gewaarschuwd.

Maar de omstandigheden in Nederland brengen ook nog gevaar mee de beheersing te verliezen over eigen hoofd en hand, zoals de roes doet bij de dronkeman. De nood benevelt het verstandig oordeel en doet eigen krachten overschatten. Dit laatste misschien nog wel het meest. En als het zo is, wordt emigreren een uiterst gevaarlijke onderneming. Want de kans tot slagen bij emigratie hangt op de eerste en voornaamste plaats af van een gezonde en sterke geest. Wantrouw gerust de macht van uw handen, de degelijkheid van uw vakmanschap, de kracht van uw machines, wantrouw vooral ook de macht van uw kapitaal! Maar overtuig u van de adel en de sterkte van uw geest. Ir. Heymeyer heeft het destijds telkens weer herhaald op de bijeenkomsten in De Steeg: als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt. We beseften toen ook niet geheel wat dat betekende. Nu weten wij het en kunnen wij zijn woorden slechts herhalen voor degenen, die na ons komen willen.

Als ik nu trachten zal dit even nader voor u uit te werken, denk ik verder slechts aan emigratie naar dit onmetelijke land, Brazilië, met zijn ‑ zoals wij hier zeggen ‑ grote mogelijkheden en even grote onmogelijkheden. Elk land vraagt van de vreemdeling een eigen geesteskracht: de eenzaamheid van Canada, de jeugd van Australië, de tradities van Z. Afrika, Ribeirão in Brazilië vraagt van ieder onzer en van ieder die komen zal, een eigen geesteskracht en een eigen geestesadel.

Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)
Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)

Aan niemand zal ‑ dat vertrouwen we ‑ die geest van Geloof en trouw aan God en Kerk ontbreken, die allen juist deze vorm van emigratie in groepsverband kiezen doet. Voor henzelf en voor hun kinderen achten zij die geestelijke waarden zo het best gewaarborgd, die ons dierbaar zijn vóór alle andere belangen. Voordat men dan het grote besluit neemt, is vóór alles wijs en voorzichtig beraad noodzakelijk. Daarbij moet ge goed bedenken, dat alle inlichtingen voor uzelf van zeer betrekkelijke waarde zijn, dat de toekomst anders zijn zal dan ge u in verbeelding voorstelt, anders het leven in de nieuwe gemeenschap, anders de kerk waarin ge bidden zult, de school ,waarin uw kinderen worden opgevoed, het kleine huis, waarin ge wonen zult, het voedsel dat ge eet, anders de gewoonten op het werk, met het vee en met het land, dat ge bebouwen zult. Vooral van de ouderen zal een aanpassingsvermogen worden gevraagd, dat op hun leeftijd meer dan normaal is. Onderzoek, wat de motieven zijn, die U uiteindelijk bewegen. Is het vooral de zorg voor uw geld, dat ge met zoveel vlijt gespaard hebt, blijf dan thuis. Zijn het vooral uw kinderen, waarvoor gij alles over hebt, bedenkt dan, dat dit offers vraagt, niet gedurende enkele dagen, maar gedurende enkele jaren, misschien heel uw verder leven: offers, die ge niet zelf kiest, maar die U worden opgedrongen en waarvan ge de zin niet altijd begrijpen zult. Overschat uzelf niet!Onderzoek, of ge bereid zijt mee te bouwen aan iets groots, dat verder reikt dan uw eigen belangen en die van uw gezin, want ook deze zijn uiteindelijk alleen gediend, wanneer ge standvastig mee wilt werken ‑ let op “werken” ‑ aan de opbouw van deze gemeenschap. Die gemeenschap moet sterk zijn, voordat ge eraan denken moogt zelf sterk te kunnen worden. Zult ge daarvoor afstand kunnen doen van uw zelfstandigheid, die aan uw boerenhart zo dierbaar is en die ge hier nooit zo verlangen kunt zoals. voorheen? Zult ge vertrouwen kunnen hebben in hen, die leiding geven, ook wanneer ge niet alles begrijpt in hun beleid? Zult ge geen smaad werpen op de goede naam van mensen, die niet denken en niet leven zoals gij? Zult gij hen niet verdenken verkeerd te zijn, terwijl ze slechts anders zijn dan gij ? Zult gij dan doof zijn voor stokerij, die vriendschap verstoort, voor de kleine roddelpraatjes, die ook onze dorpen in het vaderland zo ontsieren, maar die in een nieuwe vreemde omgeving nog een betere voedingsbodem vinden? Zult ge tien keer kunnen zwijgen, wanneer ge spreken wilt en als ge éénmaal spreekt, zal het dan altijd een wijs woord zijn, altijd verhelderend en verheffend? Hoe staat uw vrouw met deze eis. Zij heeft een grote rol te spelen en moet hier vooral de steun zijn voor uw geest. Maar zij zal zich eenzamer voelen dan gij en behoefte hebben om zich uit te praten. Zal ze het gebrek aan werkelijk nieuws niet vervangen door opgeblazen nieuwtjes of nieuws in haar verbeelding, waarvan andere mensen het slachtoffer worden ? Dan zoudt gij schuldig zijn aan wanbegrip en twist en afbreuk aan de liefde, die ook hier de band is onzer gemeenschap. Als ge werkelijk kritiek meent te hebben, zult ge die uiten op de juiste plaats en op de juiste toon? Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren? Zullen dit ook de beproevingen niet doen, die langdurig zullen zijn ? Jarenlang zult ge u ook behelpen moeten metprimitieve middelen, terwijl ge in Nederland met vele dingen zo verwend zijt. Hebt ge aanleg tot droefheid en neerslachtigheid, waaraan ge te gronde kunt gaan, tot tobberij waarmee ge uw geestkracht verliezen kunt?

Als ge, na dit alles met zorg te hebben onderzocht, meent toch temoeten emigreren, laat dan uw besluitstandvastig zijn. Durf dan de konsekwenties aan van uw besluit, de konsekwenties, die ge kent en .die ge niet kent, maar die U hier verrassen zullen. Wees dan grootmoedig, begeesterd voor de grote taak, waaraan ge mee wilt werken, gewapend met vertrouwen en met geduld, sterk door verdraagzaamheid en door volharding.

Wanneer ik nu tenslotte nog uw begrijpelijke nieuwsgierigheid voldoen moet naar het antwoord op de vraag: hoe staat het in werkelijkheid met dit alles op Ribeirão, dan kan ik U geruststellen. En met u allen, die in Nederland wellicht verward zijn in geruchten en halve berichten. Een emigrant ‑ en zeker een boerenemigrant ‑ is nu eenmaal geen briefschrijver. En als hij behoefte heeft om zich te uiten, is hij als ieder mens geneigd om langer bij zijn moeilijkheden stil te staan dan bij zijn geluk. Hij drukt de bedoeling niet uit, waarmee hij schrijft, evenmin als hij de fantasieën zal beseffen, die hij kan oproepen bij de grage lezers. De geest op Ribeirão is goed! Maar die goede geest is bescheiden en niet spraakzaam; hij spreekt zich uit in het werk en in de prestaties, die hier in één jaar tijds verricht zijn. Hij spreekt vooral tot degenen, die ons jonge dorp hier persoonlijk bezoeken kunnen en vol bewondering weer vertrekken. Hij spreekt zich weinig ‑ te weinig ‑ uit in brieven naar Nederland. Al wat ge anders hebt gehoord, verdenk dat van eenzijdigheid of ondoordachte geruchtmakerij.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.