De vrouw op de Fazenda

Vorig jaar overleed in Nijmegen op 96-jarige leeftijd Ans van den Besselaar-Van der Kallen. Ans was in Nijmegen vooral bekend als oud-wethouder. Zij was de weduwe van Jef van den Besselaar, voormalig hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vóór hun politieke, respectievelijk wetenschappelijke loopbaan in Nijmegen verbleven zij tien jaar lang in Brazilië. Begin 1950 werd Jef van den Besselaar door Geert Heijmeijer naar de Fazenda Ribeirão gehaald om er een gymnasium van de grond te tillen. Toen een jaar later bleek dat er voor hem geen werk meer was op de Fazenda, ging hij werken aan Braziliaanse universiteiten. In het themanummer van Ontginning van augustus 1950 schreef Ans van den Besselaar een bijdrage over de vrouw als emigrant. Zij schetst hierin de klassieke rol van een boerin die haar echtgenoot volgt bij het realiseren van zijn emigratieplannen en de gevolgen voor haar van de veranderingen die zich in 1950 op de nog jonge emigrantennederzetting voltrokken.

 

Zelden gaat het plan om met een boerengezin te emigreren, uit van de vrouw. Dat is niet alleen omdat het meer tot de man behoort om toekomstplannen te maken. De vrouw is ook meer dan de man gehecht aan haar eigen vertrouwde omgeving. Haar familie, haar bekenden vormen voor haar een hechtere band. En zijn de kinderen nog klein, och dan is zij tevreden als ze goed zijn verzorgd en met blozende gezichtjes rond de tafel zitten. Wel gaan haar gedachten uit naar later, als ze groot zijn, maar zorgen maakt zij zich er nog niet over. Ze geniet van het geluk van nu. En dan komt de man, de sterke werklustige boer ineens voor de dag met emigratieplannen en nog wel naar Brazilië. Dat geeft haar een schok, want het leven waarmee zij zo vertrouwd is, komt in gevaar.

Vrouw Fazenda

En wil die vrouw dan emigreren? Soms kan ze de vreemde plannen niet geloven. Ze neemt ze niet au sérieux. En blijkt het dan toch ernst te zijn, dan heeft zij dikwijls moeite om haar wil met die van haar man in overeenstemming te brengen. Niet omdat zij niet in staat is te emigreren, maar omdat zij zich zo veilig en gelukkig voelt in het leven van nu en niet verlangt naar het onbekende. De vrouw moet die gedachte in zich laten rijpen. Dan gaat ze beseffen, voordat ze naar Brazilië vertrekt, dat daar een mooie toekomst ligt voor haar kinderen en dat het geluk van een eigen bedrijf hun daar ten deel zal vallen. Heeft zij dat ingezien, dan zou het geen echte vrouw zijn als ze·niet met ‘n opgewekt humeur en vol frisse moed haar jonge krachten zou willen geven. En dan is dezelfde jonge vrouw in staat om zich vrijwillig los te maken uit haar milieu en haar familie zo ver achter te laten. En dit enthousiasme heeft zij ook nodig, want zij zal hier allerlei moeilijkheden aantreffen, die zelfs voor iemand, die vol goede moed vertrekt, niet altijd gemakkelijk zijn op te lossen.

Waar liggen dan die moeilijkheden? Natuurlijk zijn deze ook niet voor ieder hetzelfde, maar sommige ervaringen zijn wel algemeen. Voor hen, die in Holland een gerieflijke, degelijke boerderij achterlaten, vormt de overgang naar de pionierswoning op de Fazenda wel een groot contrast. Misschien is het contrast nog niet groot genoeg. Soms heeft men de indruk, dat het gemakkelijker is van het ene uiterste naar het andere over te gaan, als te wennen aan het betrekkelijke comfort, waarin men zich toch in veel dingen moet aanpassen. Want zijn onze woningen nog wel pionierswoningen in de strikte zin van het woord? Kwam de aanpassing in het begin, toen de emigranten in de “pau-a-piches” terecht kwamen, misschien niet vlugger tot stand dan nu? Want een vergelijking van deze hutten met een, volgens Nederlandse begrippen, bewoonbaar huis, was eenvoudig onmogelijk. Maar ook de tegenwoordige pionierswoning heeft nog zijn ongemakken, want de huizen hebben hier geen plafonds, wat in de warme tijd heerlijk koel is, maar in de wintertijd dikwijls koud. Bovendien waait het stof door de pannen binnen, zodat het kraakheldere en stofvrije Hollandse huis hier een onbereikbaar ideaal is. Ook is het in de natte tijd als de modder; hier “barro” genoemd, de wegen vervangt, een bijna onmogelijke taak het huis schoon te houden. Dan maar eens een keer meer schrobben en je er voor de rest niet druk over maken.

De natuur is hier prachtig en voor opgroeiende kinderen is het hier een paradijs. Ze kunnen er op uittrekken te paard. Ze rijden mee op trucks en leven op jongensachtige manier mee met de opbouw van de Fazenda. Maar het is weer aan de vrouw om de juiste maat van die vrijheid te bepalen en de huishoudelijke discipline te handhaven. Want de vrijheid mag geen verwildering betekenen. Daarom moet de emigrantenmoeder bij het opvoeden van haar kinderen de ;,sterke vrouwvan het evangelie zijn en haar huis besturen en de tucht bewaren.

Het eten kan niet geheel Hollands blijven en de eerste weken wordt de vrouwelijke vindingrijkheid zwaar op de proef gesteld. De emigrante, die hier aankomt, zal eerst niet weten, wat klaar te maken en hoe. De rijst ,b.v. die veel goedkoper is dan de aardappelen, zal eerst als dagelijks gerecht niet smaken. Van de vrouw hangt het af, hoe zij dit probleem aanpakt, want een goed gevoed gezin is de basis·voor een goed humeur.

De boeren werken nu nog in een straf georganiseerd coöperatief verband en voor de meesten staan de huizen nog in het centrum van de Fazenda. De boerin is niet gewend in het centrum van het dorp te wonen. Liefst woont ze in het centrum van haar bedrijf. De vrouw, die het meest thuis is, heeft hier weinig gelegenheid om kennis te maken met het grote bedrijf, en de buren wonen vlakbij. Zij zien alles van·elkaar en soms zal het ook nog een heel ander soort mensen zijn dan die waaraan zij gewend zijn. Treft zij het zo, dan is het moeilijk elkaar te waarderen; maar pakt het wel, dan zal het niet moeilijk zijn elkaar door de eerste moeilijkheden heen te helpen.

Sommige vrouwen zeggen, dat je het hier lang niet zo druk hebt als op de boerderij in Nederland. Dan moeten zij oppassen dat het praatduiveltje haar geen parten speelt, want daarmee maken zij zichzelf niet gelukkiger en de geest, die door de vrouw gemaakt moet worden, zouden zij hierdoor bederven. Want de vrouw moet verzachten ook de tegenslagen, die zijzelf en haar man zullen ondervinden van mensen en dingen.

Maar het samenwonen in het centrum van de Fazenda zal niet blijvend zijn. In september beginnen vele boeren een eigen bedrijf en de boerderijen, die nu gebouwd worden liggen soms al ver uit elkaar. In Holland zijn de afstanden zo klein, dat een kwartier gaans al een afgelegen boerderij betekent. Maar in dit grote land met zijn uitgestrekte gronden is er nog plaats genoeg en de boeren zullen dus steeds verder van het dorp aftrekken. De vrouw, die houdt van de stilte der natuur, de schone vergezichten en het vee om haar huis, zal dit niet zwaar vallen. Maar hoeveel vrouwen houden niet van wat gezellige kout met hun buurvrouw? Voor haar zullen er misschien wel eenzame ogenblikken komen.

Paarden Fazenda

Iedere vrouw moet deze dingen beseffen, maar zij moeten ook weten, dat je hier God voelt in de natuur, dat er een kerk is waar je echt devoot kunt bidden en dat je hier als vrouw een werkzaam en gelukkig leven kunt hebben. Want dan wacht haar de grote voldoening van een zichtbaar resultaat. Niet door boerderijen, machines of bebouwd land wordt een nieuwe maatschappij opgebouwd, maar door mensen en kinderen, die mensen moeten worden. En die kinderen zijn haar kinderen en die moet zij opvoeden, aangepast aan de nieuwe levensomstandigheden.

Er wordt hier van iedere vrouw gevraagd een sfeer te scheppen, die de geest van de jonge gemeenschap zal bepalen en zij moet dus alle kleinzieligheid, jaloezie en kortzinnigheid van te voren uit haar hart bannen om te genieten van “het scone ende het goede”.

Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ‘s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.

Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ‘t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Alle dagen wat nieuws

Lange tijd was het schrijven van brieven voor emigranten het enige middel om het contact te onderhouden met de familie in Nederland. Voor het onderzoek naar de stemming onder de mensen die zich in de beginjaren in Holambra vestigden zijn deze brieven een onmisbare bron. Zij vormen een belangrijke correctie van het beeld dat de leiding van de nog jonge kolonie wilde uitdragen in Nederland. De bedoeling was duidelijk. Positieve verhalen waren een belangrijk propagandamiddel om nieuwe emigranten aan te kunnen trekken. Ook het publiceren van brieven in dag- en weekbladen had deze bedoeling. Een van de briefschrijvers was Jan Nabuurs uit Venray, die met zijn echtgenote behoorde tot de eerste grote groep emigranten die zich in Holambra vestigde. Op 7 mei 1949 publiceerde Boer en Tuinder de navolgende brief.

Fazenda Ribeirão, 13 februari 1949.

Geachte vrienden,

Gauw wil ik nog even U allen een briefje schrijven, dat ik in zal sluiten bij een brief van thuis. Wij zijn nu enkele weken in ons nieuwe vaderland en nu weten we nog niets, want het is een land waar alles en nog wat mogelijk is. Eén ding is zeker: als het niet veel slechter meer wordt willen wij niet meer naar Holland terug. Het is ons hier in grote trekken goed bevallen. Het is hier mooi en alle dagen zien wij weer wat nieuws. De ene dag goed, de andere dag minder goed.
Ik heb hier naast me liggen een kaart van de Fazenda en dan is het een uitgestrekt gebied met een groot bos en enkele kleinere bossen, wat riviertjes en wat zandwegen. Nu deze kaart zult U misschien ook al wel hebben gezien. Maar als we dan de werkelijkheid zien dan is dat weer heel anders. De Fazenda bestaat uit verschillende heuvels en als we tegen zo’n heuvel staan dan zien we niets dan een groot perceel vlak land met tegenover ons ook weer zo’n perceel van een andere heuvel en we worden niet gewaar dat het een heuvel is, alleen als we er tegen op of af moeten.
                Toen we dezer dagen een keer rondreden met de tractor en een vierwielige wagen er achter, vroeg Miltenburg ons, wat we van het land dacht toen we ongeveer op zo’n heuvel en eenparig was het antwoord “goed” en ook goed te bewerken, het is mooi gelijk. Toen we een uurtje gereden hadden vroeg er eentje, of die berg daar ook van de Fazenda was, want die zullen we toch wel niet goed kunnen bewerken. Het antwoord was: ‘Ja daar hebben we straks op gestaan en toen werd er door U beweerd het mooi en goed land was.’ Zo zien we hier dat het oog nogal bedriegt.

Het klimaat
Het klimaat is hier goed. De warmte is goed te dragen, al zijn wij niet in de warmste tijd hier geweest. Al is het zo warm dat we op de trekker de hand niet kunnen leggen van de zon, toch voelt men het nog niet zo erg. Als we zweten dat het water langs het lijf loopt, dan voelt men dit niet zo als in Nederland; maar ook onze huid verbranden doen we makkelijk en voor we het weten. Dit kan in 10 minuten gebeurd zijn.
                Wat de slangen aangaat, we hebben er al een hele boel opgeruimd ± 20, maar meestal met het ploegen. Ook wordt er zo nu en dan een gevangen, maar het gevaar is niet zo groot. Vliegen zijn er ongeveer als in Holland. Je wordt ze echter niet veel gewaar, wel van die kleine muggetjes, die kunnen nog wel eens vervelend zijn.
                Nu iets dat zeker van belang is. Wijst de emigranten maar goed op de volgende punten. Er is wel niet veel nodig, maar als ge een goed huis gewoon bent, dan valt het niet mee om in een slecht te gaan wonen. Dan, ze komen niet bij het Fazendahuis, wat het middelpunt is, maar tot op 5 km. afstand toe. Dit is ook wel niet zo erg, maar ze moeten er toch goed aan denken, want een buurpraatje houden gaat niet altijd en het is er altijd even stil en eenzaam, tenminste als ge een dorpsleven gewoon zijt.

Moeilijk voor de vrouwen
Dan vooral voor de vrouwen is het moeilijk, daar de man gewoonlijk de hele dag is op zijn werk. Ik zeg wel eens, we zijn nu wel getrouwd, maar we kunnen nog niet zoveel en zo rustig samen praten als in Holland in de verkeringstijd en toen zagen wel elkaar maar eens in de week. Dit moeten vooral de jongeren zoveel in de oren knopen. Nu zien we elkaar wel meer, maar als we thuis komen gaan we graag direct na het eten rusten.
                Dan, ge mist hier alle comfort en dit is wel gauw gezegd, maar denkt er maar eens goed over na, want als ge hier bent dan is het niet erg, als ge het maar eerst goed hebt overdacht, anders valt het heus niet mee, dat hoor ik wel van verschillende anderen.
                Dan het knecht zijn voor zelfstandige boeren dat is ook nogal moeilijk; het is zich neerleggen bij het besluit van een ander en het bewustzijn dat dit noodzakelijk is voor het algemeen belang. Het bewustzijn van het algemeen belang te dienen is bij enkelen ook zo dat ze denken dat dit goed is als het in hun kraam te pas komt. Over onze Limburgers zijn ze hier goed te spreken, laten we hopen dat dit zo zal blijven.
                Nu wil ik U allen nog eens bedanken voor de samenwerking die we hebben gehad en voor de medewerking die ik heb gehad om hier te komen. Vooral zou ik van hier uit nog bijzonder willen bedanken Vader Bisschop, waar wij ook veel te danken hebben. Ik hoop dat U deze brief in de beste gezondheid moogt ontvangen en teken met de vriendelijke groet aan U allen.
                Mag ik misschien ook nog eens iets van de gang van zaken horen?

J.A.M. Nabuurs, Campinas.

Nieuws uit de Hollandse nederzetting in Brazilië

In augustus 1949 schreef pater Hilarion Remmerswaal O.Carm. (1916-1984) vanuit Rio de Janeiro een brief aan het Nederlandse weekblad De Linie, waarin hij zijn indrukken weergaf van het leven en werken van de pioniers op de Fazenda Ribeirão. Dit stuk werd op 24 september 1949 ook gepubliceerd in het Venrayse weekblad Peel en Maas. Hij doet verslag van een bliksembezoek van Geert Heymeijer aan Brazilië in januari van dat jaar, met als doel de laatste moeilijkheden rond de aankoop van de fazenda uit de weg te ruimen.

Een telefoon rinkelde ergens in Den Haag. Ingenieur Heymeijer nam de hoorn van de haak en zei droog: ‘Met Heymeijer’. Dan spalkten zijn ogen zich wijd open, terwijl zijn voorhoofd tot een smal strookje rimpelvel optrok, want van de andere kant klonk het: ‘Hier is telefoon voor U uit São Paulo, Brazilië’. Het gesprek was in ’t kort ongeveer aldus: ‘Er zijn moeilijkheden gerezen met ons contract. Kunt U niet even overkomen?’ Antwoord: ‘O.K.’ Das was op Driekoningen, donderdag 6 jan. 1949.
                Zaterdag 8 januari, toen vier dreunende motoren van een Constellation van de K.L.M. de lucht introkken boven Schiphol, keek Heymeijer peinzend door het raampje naar het kleine Holland, dat steeds maar kleiner werd voor zijn inwoners en hij streek over zijn gelaat: ‘’t Moet! Hier kan het niet langer; geen land meer voor de boeren…’
                Dan sprongen zijn gedachten naar het eindpunt van de reis: Brazilië, Fazenda Ribeirão. Hij zag ze voor zich liggen. Vijfduizend hectaren, die hij uitgezocht had voor zijn boeren, heet en gloeiend in de tropenzon, heuvelachtig, hier en daar bedekt door bos, maar grotendeels begroeid met taai, manshoog, wild gewas of met grassoorten, waar een Hollandse koe de neus voor op zou halen. Het contract van aankoop moest doorgaan, koste wat kost. Hij keek weer naar beneden en werd ongeduldig, omdat vanuit de hoogte gezien alles zo traag voorbij schoof. De motoren zongen nu kalm en eentonig, als zeiden zij: ‘Kalm, kalm! Die tienduizend kilometer werken we snel genoeg af..’

Twee dagen later…
Zondag 9 januari werd Heymeijer opgezogen in de miljoenenmassa, die op het hete middaguur door ’s werelds schoonste stad krioelt – Rio de Janeiro. Maandag maakte hij per vliegtuig de 500

Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim
Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim

km-sprong naar São Paulo en vandaar per auto de laatste 150 km naar de Fazenda Ribeirão. De eerste 70 km over gloednieuwe betonweg, doch dan begon hij in de sfeer te komen: stof, stof en nog eens stof. Machteloos waren de koplampen tegen de ondringbare wolken, die vóór hem rijdende wagens opjoegen. Als hij over een bestraat gedeelte reed, door de weinige plaatsen die aan de weg lagen, dan gingen snel even de ramen open om wat lucht te happen.
                Dan, twee dagen na zijn vertrek uit Den Haag, doemde een paar zeer zwakke lichtjes op uit de duisternis: de Fazenda! Een jeep begon te werken met z’n schijnwerper als wilde hij de weg aanwijzen. Daarboven, rechts en links volslagen duisternis. Kort daarop de opwinding van een onverwacht weerzien en Heymeijer stond tegenover de eerste drie durvers, die alvast begonnen waren met de voorbereidende maatregelen voor de vestiging van de kolonie der Nederlandse Katholieke Boeren.
                Diezelfde avond begonnen de besprekingen, niet in een deftige zaal, maar op een veranda van een verwaarloosd landhuis, zwak verlicht door op de tafel geplakte vetkaarsen, in wier flikkerende schijn weelderige goudenregen en de rode bloemen van metershoge cacteeën een romantische achtergrond vormden.

Vervallen oase…
De moeilijkheden, die het contract in de weg stonden, werden die week nog opgelost. Maar er waren nog andere obstakels. Er was letterlijk niets op de Fazenda, die tot dan toe gediend had als fokkerij van slachtvee voor een grote exportslagerij. Dat “fokken” bestond alleen in het vee bij duizenden bijeendrijven, het daar aan zijn lot over te laten en er zo nu en dan een honderd op te halen voor de grote abattoirs van São Paulo. Er was geen stroom. Er was één tamelijk fatsoenlijk huis en er waren 31 vervallen hutten, waarin de cowboys en hun families gehuisd hadden. Daar moesten zich nu 200 Hollandse boerenfamilies vestigen.
                De pioniers klommen met hun vieren in een jeep om een beetje rond te dwalen op die 5000 hectaren van bijna woeste grond. ’s Was gloeiend heet. Weg jasje, weg das, weg met dat boord. Ongeveer 5 km van huis werden ze overvallen door een tropische regenbui. Binnen enkele seconden zaten hun kleren drijfnat op hun lijf geplakt. Wat een land… Maar het buitje dreef over en voordat ze thuis kwamen, waren shirts en broeken alweer kurkdroog, gestoofd door de tropenzon.

Symbool
Zaterdag 15 januari vertok Heymeijer weer naar Rio, waar hij tegen de avond aankwam. De Constellation zou pas tegen de middernacht vertrekken. Hij had dus nog een paar uur en zocht wat rust in een wandeling door de stad. Het was midzomer. Temperatuur overdag 35° Celsius in de schaduw. De nacht bracht gelukkig enige verkoeling, hetgeen de mensen naar buiten lokte. Terwijl

Avenida Getúlio Vargas, Rio de Janeiro

hij zo over Rio’s grootste boulevard slenterde, de Avenida Getulio Vargas, zag hij zich plotseling midden in een menigte zingende en dansende negers. Tegen wil en dank voelde hij zich gegrepen door het ritme van een Afrikaanse dans, dat die bezwete, zwarte lijven heen en weer deed schokken, terwijl zij eentonig gezang met langgerekte kreten uit hun schorre kelen stootten. En terwijl hij zo toekeek, zag hij niet meer de moderne blanke wolkenkrabbers als achtergrond, maar een Afrikaanse jungle – niet meer de shorts en kapotte hemden der negers, maar weelderige vederbossen en kraalversiersels.
                Dan zag hij de slavenjagers, die hen wegsleurden uit hun nederzettingen – de schepen van Europa’s meest beschaafde volkeren, Holland niet uitgezonderd, waarop zij als vee naar de nieuwe wereld werden gesleept – de slavenmarkten van Rio van waaruit zij verdeeld werden over geheel Brazilië. En nu dansten ze hier op het onmetelijke trottoir van een onmetelijke Avenida in een miljoenenstad, half natuurkinderen nog, half geretoucheerd door de Westerse beschaving, met hun handen de slaginstrumenten bekloppend, en zingend.
                Hij voelde bijna tastbaar, hoe dit nieuwe land kreunde en kraakte in zijn sociale en economische ontwikkeling, nauwelijks honderd jaar geleden van uitgebuite kolonie tot zelfstandige staat geworden. Hij huiverde om de ontzaglijke moeilijkheden, die Brazilië’s vooruitgang belemmerden, maar hij zag ook de mogelijkheden van dit gigantenland, een de plaats, die zijn boeren in deze titanenstrijd zouden kunnen innemen.
                Toen hij enige uren later de zee van licht onder zich zag verzinken, was hij zich bewust, dat hij een nieuwe kijk had gekregen op Brazilië. Brazilië bezat veel, dat we in Holland gelukkig niet hebeen, maar ook ontzettend veel dat wij Nederlanders als zwaar gemis aanvoelen. Brazilië geeft je de kans, om strijdend de plaats te veroveren, die nobel idealisme je hartstochtelijk doet begeren. Nederland is als een theater, waar de plaatsen reeds te voren genummerd en uitgedeeld zijn.
                In luttele uren gleden de 10.000 km onder hem voorbij, met het Braziliaanse kustgebergte, de Oceaansprong van Recife naar Dakar, Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland. Maandagmorgen 22 januari, nog geen twee weken na zijn vertrek, was hij weer in een eigen huis op stelten, want als een bom vielen zijn woorden: ‘Vrouw, wij gaan ook. Dáár ligt onze levenstaak. Dáár moeten we vechten om de boerenemigratie tot een succes te doen uitgroeien.’ Twee maanden later vertrok hij definitief met vrouw en kinderen.

Paupiek
Ber Souren en zijn vrouw voor hun van gevlochten takken en met leem besmeerde woning, de z.g. pau-a-pique

Nieuwe wereld
Zeven maanden na bovenvermeld telefoontje vergezelde schrijver dezes vier nieuwe emigranten van Santos naar de Fazenda. Welk een metamorfose! Daar, waar in januari nog niets was, ratelde nu een enorme machine bij het plukken van 120 ha. mais; 80 ha. tarwe stond zacht op teergroene stengels te wiegelen, als fluisterden ze: ‘Sjonge, sjonge, hoe is het mogelijk!’ 30 ha. aardappelen en 25 ha. lupinen hadden de plaats ingenomen van het metershoge onkruid, waar een tractor bijna in vast raakte; 300 ha. waren reeds geploegd en nog 700 andere zouden klaarkomen voor de zaaitijd in december-januari.
                Dag en nacht dreunde een bulldozer met ploeg over de velden, onder laaiende zon of onder het schokkende licht van een schijnwerper, die op de machines bevestigd zat. De ganse dag zongen de electrische zagen hun scheurend lied in de timmerfabriek, klonk het gehamer in de smederij, waar steekvlammen groen en wit op het ijzer uiteenspatten. Vanaf een kale hoogte stond een gloednieuwe benzinepomp trots naar meer dan 300 koeien te staren.
                Er was een kapel met een prachtige muurschildering van de kapelaan der nederzetting. Stille, vriendelijke zusters liepen bedrijvig heen en weer. Tien gloednieuwe huizen van baksteen nodigden uit om binnen te komen; 46 anderen, in aanbouw, stonden al een dikke meter hoog en zouden binnen drie maanden klaar zijn; 31 leemhutten waren opgeknapt met een nieuwe cementvloeren en wat pleisterwerk, om als voorlopige woningen te dienen.
                En te midden van dat alles gingen de boeren hun weg, boeren uit alle streken van Nederland, mannen in de bloei hunner jaren en heel jonge kerels, bijna kinderen nog. Van kinderen gesproken: het was een genot, al die dialecten dooreen te horen als je stond te kijken bij de jongens, die aan het ravotten waren en bij de meisjes, die hier natuurlijk ook touwtje sprongen.
                En de geest, die daar heerste! Opbruisend van levensmoed en durf. Kerels, die zich door het zware pionierswerk niet lieten neerslaan, die spontaan de moed er weer in pompten, als de een of ander de kop liet hangen.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (I)

Nadat enkele pioniers al vooruit waren gegaan, kwam op zondag 19 december 1948 de emigratie naar Holambra echt op gang. Op die dag vertrok vanuit Antwerpen de ms. Algenib. Volgens Boer en Tuinder begonnen de machines van het schip in het eerste uur van die morgen aan de Statiekade aan hun ritmisch gestamp. ‘De schroeven bruisten door het Scheldewater en langzaam schoof de boot in de duisternis de haven uit. In de ruimen sliep ’n kostbare lading. De eerste groep emigranten voor de Fazenda Ribeirão in Brazilië. Ruim drie weken zijn deze 32 emigranten, manen en vrouwen, vrijgezellen en kinderen onderweg naar de haven Santos. In het heetst van de Braziliaanse zomer zullen zij op de eerste kolonie van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië aankomen en direct met de arbeid beginnen.’

Afscheid emigranten Den BoschHet vertrek begon een dag eerder met een door de toekomstige pastoor van de kolonie, Godfried Sijen OPraem opgedragen H. Mis in de Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch, ten einde Gods zegen af te smeken over de onderneming. Bij het afscheid waren ook aanwezig de voorzitter en de secretaris van de Emigratiestichting van de KNBTB Gerard Kampschoër en Ruud Roborgh, alsmede Geert Heymeijer en zijn echtgenote.

De groep voortrekkers bestond uit Herman Theunissen, landbouwer uit Diessen, met echtgenote en vier kinderen, Jan van de Ven, automonteur uit Tilburg, Henk Klein Gunnewiek, landbouwer uit Hilvarenbeek, Wim Stapelbroek, landbouwer uit Diessen, Theo Borst, timmerman uit Zevenaar, W.J.J. Mulder, bosbouwkundig ingenieur uit ’s-Gravenhage, J.M.H. Hendriks, timmerman uit Nunhem met echtgenote en 4 kinderen, Jan Nabuurs, landbouwer uit Venray met echtgenote, Thomas Sanders, landbouwer uit Reusel met echtgenote en 4 kinderen, Piet Wagemaker, veehouder uit Haarlem, met echtgenote en 4 kinderen en tenslotte Frans van Riel, landbouwer uit Diessen.

Aan het vertrek van deze eerste grote groep emigranten naar Brazilië werd in de katholieke pers de nodige aandacht besteed. Op maandag 20 december 1948 publiceerde de het dagblad De Maasbode een uitgebreide reportage over deze gebeurtenis. Hierover een volgende keer meer.

Bron: Boer en Tuinder, 24 december 1948. Foto: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen

Eindelijk…..Brazilië! (2 – slot)

Bij de start van de jonge nederzetting, die later beter bekend werd als Holambra was initiatiefnemer Geert Heymeijer vol vertrouwen. Vertrouwen in God en vertrouwen in de capaciteiten van de pioniers en vertrouwen in de mogelijkheden die Brazilië te bieden had. In het artikel dat Boer en Tuinder op 18 december 1948 – kort voor het vertrek van de eerste grote groep emigranten – publiceerde, bekende hij dat hoewel hij oog had voor de moeilijkheden, steeds meer de mogelijkheden was gaan zien. ‘Onze kracht ligt in de kwaliteit!’, zo besloot hij dit verslag van de werkzaamheden van de pioniers van de Fazenda Ribeirão.

Vertrouwen.
Dat zijn zo de kleine moeilijkheden van het begin, maar dat betekent niets tegenover de grote mogelijkheden die wij zien, en tegenover datgene wat wij nu al hebben. Want ik zei toch, dat wij niet helemaal zonder zitten. We hebben een kleine steenbakkerij, we hebben een waterval en tal van kleine rivieren, die bevloeiing in de droge tijd mogelijk maken. We hebben een meer met krokodillen er in, en we hebben een bos met apen. En niet te vergeten: we hebben Willem Miltenburg met zijn onverwoestbaar optimisme en met zijn jeep, die de meest onwaarschijnlijke terreinhindernissen neemt. We hebben ook nog de onderwijzeres van het Fazendaschooltje, dat op het ogenblik nog maar weinig leerlingen telt, hoofdzakelijk van de “buren”. Die onderwijzeres, een vlotte Braziliaanse, geeft iedere avond Portugese les aan de Hollanders.

Maar wat wij bovenal hebben is: vertrouwen. Vertrouwen op de eerste plaats in Gods onmisbare zegen. Een paar weken geleden hebben wij onder het afsmeken daarvan de eerste spade in het Ribeirãoland gestoken. Een dezer dagen hebben wij bezoek gehad van drie Hollandse zustertjes, die al een half jaar in São Paulo zijn om te acclimatiseren en zich straks, met nog enkele andere en een pater, op de kolonie komen vestigen. Zij hebben gebeden en wij met hen, en zij hebben het eerste zaad aan de aarde toevertrouwd.

Met Nederlandse vakkennis en Nederlandse energie.
Vertrouwen hebben wij ook in de capaciteit van onze pioniers en in de mogelijkheden, die dit land onder bepaalde omstandigheden biedt. Het is de derde maal, dat ik hier voor enkele maanden rondtrek, en ik heb mijn ogen en oren goed de kost gegeven. De eerste keer waren mijn indrukken nogal gemengd en was ik meer onder de indruk van de moeilijkheden dan van de mogelijkheden, die Brazilië oplevert. Op mijn tweede reis en thans ook op mijn derde reis zie ik de moeilijkheden niet minder, maar de mogelijkheden duidelijker. Wanneer men zie wat hier en daar, al is het slechts sporadisch vooral door Italianen en andere vreemdelingen op allerlei gebied is bereikt, dan begrijpt men, wat prima vakkennis, gepaard aan doorzettingsvermogen en organisatietalent waard is. En over deze capaciteiten zal de keurbende van onze emigranten ongetwijfeld beschikken. Een krachtige organisatie zal de inderdaad vele en grote moeilijkheden, die er te overwinnen zijn, uit de weg ruimen, al zal het in den beginne dan ook langzaam gaan. Maar op den duur moeten wij het winnen. Wij zullen ook veel moeten experimenteren en ook dat zal oorzaak zijn van een betrekkelijk langzaam vooruit gaan. Op tegenslagen en mislukkingen moeten wij dus rekenen, maar zijn wij daaroverheen, dan zullen de pioniers dankbaar kunnen neerzien op het grootste werk, wat tot stand is gebracht.

Wanneer Miltenburg en ik het terrein doorkruisen, dan zien wij al die boerderijen daar liggen, tussen de zacht glooiende heuvels in de schitterende natuur, het verbeterde land en de verbeterde wegen, het Hollandse vee, dat hier met een goede behandeling best wil gedijen, de kerk, het klooster en de zuivelfabriek, de magazijnen en de monteurswerkplaats, de steenfabriek en wie weet wat nog meer. We zien de vrachtauto’s rijden naar São Paulo over de grote weg, die al voor bijna de helft een brede betonbaan heeft, om de melk weg te brengen, die daar goede prijzen oplevert, de varkens, de slachtkippen en de eenden, de groenten en wellicht ook de bloemen en het fruit. Wij zijn er ons van bewust, dat wij dan iets gemaakt hebben, wat Brazilië nog niet heeft gezien, en evenzeer dat dit moet kunnen en zal kunnen. Maar wij staan met beide benen op de grond en weten in alle nuchterheid, dat het nog niet zo ver is, nog lang niet, en dat er nog menige zweetdruppel zal vallen op de Braziliaanse grond en dat nog menige zucht geslaakt zal worden.

Onze kracht ligt in de kwaliteit! Kwaliteit van de pioniers, van de mannen en – niet minder, zo niet meer – van de vrouwen. Er zal veel van hen geëist worden. Van het karakter op de eerste plaats: godsdienstzin en eenvoudig Godsvertrouwen, doorzettingsvermogen en optimisme, een grote saamhorigheid, verdraagzaamheid en bereidheid om eigen wensen en verlangens aan het belang van anderen of van de gemeenschap op te offeren, soberheid en eenvoud, en ten slotte harde en gestage arbeid. Op de tweede plaats aan de kennis en het technische kunnen. Veel en veelsoortig werk zal moeten worden gericht en wij zullen daarvoor allround kerels nodig hebben. Er is nog heel veel te doen, maar het werk zal beloond worden.

Eindelijk….Brazilië!

Na twee jaren van voorbereiding en onderhandelen met de Braziliaanse autoriteiten was in november 1948 de aankoop van de Fazenda Ribeirão, een verlaten veefazenda van het Amerikaanse vleesconcern ‘Armour’ eindelijk geregeld. Al vanaf juli 1948 was een groep pioniers met Nederlands stamboekvee op de fazenda aanwezig om de ontginning op gang te brengen en de komst van de eerste emigrantengezinnen voor te bereiden. Op 18 december 1948 publiceerde Boer en Tuinder een brief van Geert Heymeijer met zijn indrukken van de pionierstijd.

Fazenda Ribeirão, Brazilië.
Ik zit te schrijven aan de enige tafel, die de kleine kolonie rijk is. Door het raam zie ik op een brede rand hoge struiken met grote felrode papegaaibloemen; de witte muur van de paardenstal blinkert er doorheen en verderop wuiven de slanke eucalyptusbomen tegen een achtergrond van flauw golvende heuvels en een stuk blauwe lucht. Het is winter hier en het klimaat is thans zo ideaal als men maar wensen kan. Daar zitten wij dan met vier mannen, één vrouw en twee kinderen, met vijfduizend hectaren voor ons om te ontginnen. Eindelijk, na bijna twee jaren van zoeken, onderhandelen en voorbereiden is het er van gekomen. Vijfduizend hectaren zijn ons eigendom geworden en zij liggen te wachten op de Nederlandse boeren, het Nederlandse vee en de tractoren.
We zitten hier nogal erg primitief en de kolonisten zullen zich wel een tijdlang moeten behelpen met een minimum aan comfort; het menu is nog niet overdadig, want de productie is nog niet begonnen. Zwarte koffie met zelfgebakken brood aan het ontbijt en ’s middags het nationale voedsel: rijst met bonen, en ’s avonds…. bonen met rijst (meel is duur en schaars). De sinaasappelbomen zijn grondig leeggeplukt door de vertrekkende eigenaren; de bananen zijn nog niet rijp maar de Nunhemse worteltjes, de sla en de tomaten staan al boven de grond. En de volgende week komen de koeien, die Willem Miltenburg uit Holland meebracht en nu nog in quarantaine staan.

Tractoren ronken dag en nacht.
Als de lezers dit onder het oog krijgen, zullen de tractoren waarschijnlijk reeds ronken over het terrein. Dag en nacht zullen ze doordraaien en het land openscheuren met de machtige schijfploegen, want voor december moeten er 1000 hectaren met mais, rijst en bonen bezaaid zijn. En intussen draven de vier bruinzwarte Brazilianen, die wij vanmorgen hebben aangesteld, dag en nacht op hun kleine paardjes het terrein rond om het te bewaken. Want een pas verlaten fazenda is een begerenswaardig object voor lieden, die van jagen en vissen houden of behoefte hebben aan prikkeldraad, dat hier verschrikkelijk duur is, of aan de ijzerharde heiningpalen, die hier bij duizenden staan.

Problemen.
Denk nu maar niet, dat alles zo eenvoudig gaat in dit land. Wie het niet zelf gezien heeft, kan er zich geen beeld van vormen en zich de moeilijkheden niet voorstellen, die overwonnen moeten worden. – Neen, ons geduld zal nog dikwijls zwaar op de proef worden gesteld en wij zullen ons nog vaak moeten verbijten, alvorens wij een beetje behoorlijk behuisd zijn en vooral voor we voldoende in de spullen zitten. Materiaal om te werken en grondstoffen vormen het grote probleem hier.
Een schop en een hamer zijn heus niet voldoende om 5000 hectaren te lijf te gaan waar alles ontbreekt en waar de meest primitieve problemen nog moeten worden opgelost. Problemen van water, licht en kracht. Problemen van transport, dat altijd grote afstanden betreft en over wegen gaat, die in modderpoelen veranderen na een flinke regenbui. Problemen van aanvoer van materiaal en niet het minst het probleem van de taal… van de duiten!

Kerkgang: 40 km heen en 40 km terug
De mensen “thuis” kunnen zich eenvoudig niet indenken wat het betekent als je op vele kilometers afstand geen smid hebt en geen smidse, geen timmerman, geen spijkers en geen hout, om van een bakker en een slager, een monteur en een metselaar maar niet te praten. Voor de zondagse kerkgang moet een rit gemaakt worden van 40 km heen en 40 km terug. Maar dan genieten we daarna ook met volle teugen van de gulle gastvrijheid van de Hollandse paters, die zich daar in Campinas hebben gevestigd en van wie wij reeds veel materiële en geestelijke hulp hebben ondervonden.
Maar helemaal zonder iets zitten we toch niet. Wij hebben een waterkrachtturbine, die 10 p.k. kan leveren en bovendien nog een stroomversnelling, die een vermogen kan opbrengen van 50 p.k. We hebben een bos van een paar honderd ha waarin nog gekapt en gezaagd moet worden en over vrij grote afstand naar het centrum gesleept.
Aan de turbine was een cirkelzaag gemonteerd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd en ze hebben de cirkelzaag niet vergeten. Maar daarop was gerekend en een cirkelzaag behoorde tot de uitzet van de eerste pioniers, die in april vertrokken. Nu moet dat geval echter nog gemonteerd worden en moet er een werkbank worden gefabriceerd. Wat overtallige stalstijlen leverden het materiaal. Prachtig hout, maar keihard en je kreeg er geen spijker door. Met bouten en moeren moet de zaak nu in elkaar worden gezet en Henk Ruhe toog er vanmorgen op uit met de bus naar het dichtst bijzijnde stadje op 15 km afstand. Het hele plaatsje werd “uitgekamd” op bouten en de oogst was 30 tweedehands bouten en moeren voor de somma van ƒ 11,30. En dan zeiden ze nog dat het goedkoop was!