Op weg naar Monte Alegre (4)

In zijn vierde bijdrage aan het Gereformeerd Gezinsblad – nu gepubliceerd onder de titel “Gereformeerde pioniers in Brazilië” – vertelt Rinke Slump sr. over de gang van zaken bij de aankomst in Rio en de gang van zaken met de bagage. En hij wordt geconfronteerd met een zakkenroller. more “Op weg naar Monte Alegre (4)”

Op weg naar Monte Alegre (3)

Na Recife legde de “Aphard” aan in Barra een voorstad van Salvador de Bahia. Daar gingen enkele pioniers aan wal en kochten ze op de markt een grote tros bananen. Ook kregen de kolonisten van Monte Alegre te horen dat hun reisplannen waren gewijzigd. In Rio zou de zeereis eindigen en niet in Santos, zoals de bedoeling was. Ook hier keken de pioniers hun ogen uit.

Salvador de Bahia

more “Op weg naar Monte Alegre (3)”

Op weg naar Monte Alegre (2)

In het tweede deel van zijn reisverslag vertelt Rinke Slump over de belevenissen tijdens de bootreis met de Alphard vanuit de Golf van Biskaje naar het noorden van Brazilië. In Recife maken de landverhuizers voor het eerst kennis met hun nieuwe vaderland.

Tijdens ons verblijf in de Golf van Biskaje waaide er een storm met wind, kracht 11-12. Woeste zeeën grepen de ‘Alphard’ beet, smeten hem heen en weer en zetten het schip soms bijna op zijn kop, zodat de schroef geheel boven water kwam. Zelfs ervaren schepelingen verzekerden, dat ze nog nooit zoiets ergs hadden beleefd. De ‘Alphard’ moest pal tegen de wind invaren. Ze worstelde met alle kracht, maar lag soms bijna stil. En in de kooien lagen de ‘pioniers’ te worstelen. Ze kreunden en zuchtten en ‘offerden’ in de grote bussen, die voor dit doel in de hutten stonden. De gevreesde zeeziekte was aan boord gekomen en maakte vele slachtoffers. Enkelen slechts bleven op de been, maar voelden zich toch ook allesbehalve lekker. De zeeziekte is een vreselijk ding. Vooral met zo’n storm als deze. Het ene ogenblik glijdt men met de benen naar voren, zodat de voeten stijf tegen het voeteneind botsen, dan richt de stampende boot zich weer snel op en het slachtoffer bonkt met zijn hoofd tegen het boveneinde van de kooi. Maar intussen heeft een golf de boot al weer een heel eind in de hoogte getild en het volgend ogenblik zakt het schip met een vaart in een golfdal neer, zodat men zich voelt zweven. Dat is een akelig gevoel, want door die val komt dan de maag als het ware voor de keel, en de gevolgen laten zich denken. more “Op weg naar Monte Alegre (2)”

Op weg naar Monte Alegre (1)

Na enkele jaren van voorbereiding begon op zaterdag 19 november 1949 voor vijf gezinnen uit Noord-Groningen het emigratieavontuur. De groep werd geleid voor de voormalig secretaris van de emigratievereniging van Schildwolde, Rinke Slump sr.. In zeven afleveringen deed hij in het Gereformeerd Gezinsblad verslag van de zeereis met de ms “Alphard” en de aankomst van de groep in Monte Alegre. In het eerste deel van zijn reisverslag beschrijft hij de busreis vanuit Groningen naar Rotterdam, het inschepen en het begin van de zeereis.

more “Op weg naar Monte Alegre (1)”

De zeereis met de Algenib

Op 19 december 1948 vertrok de eerste grote groep emigranten met de ms Algenib naar Brazilië om zich te vestigen op de Fazenda Ribeirão, ofwel Holambra. Onder de reizigers bevond zich ook de familie Teunissen uit Diessen. Onlangs ontving op mijn website een bericht van Ans Peijnenburg. Haar vader was bevriend met Gerrit Teunissen, de oudste zoon van de familie. Gerrit Teunissen, die helaas in 1950 op Holambra is verdronken, schreef aan de familie Peijnenburg een verslag van de zeereis, die ik hieronder publiceer. Later stuurden de zussen van Gerrit vanuit Não Me Toque brieven naar Nederland met daarin de belevenissen van de familie. Ans zou graag deze brieven willen overdragen aan de familie Teunissen. Naar verluidt zou één van de dochters Zus (Rika) in Nederland wonen. Indien u meer weet, laat dan een bericht achter op het reactieformulier.

Ms Algenib

more “De zeereis met de Algenib”

Vier opa’s naar Brazilië (2)

In de vorige bijdragen kwamen vier Noord-Limburgse opa’s aan het woord voorafgaand aan hun bootreis naar Brazilië om daar hun kinderen en kleinkinderen te bezoeken. Het katholieke dagblad De Tijd publiceerde 16 januari 1953 een impressie van hun reis en hun aankomst in Brazilië.

Op 27 november zijn ze aan boord van de “Alioth” gegaan, een vrachtboot met accommodatie voor dertig passagiers. Met goede moed werd de reis ingezet, doch in de Golf van Biscaje was de zee echter zó ruw, dat toch enige benauwde ogenblikken werden doorgemaakt. Slechts één van de vier heeft last gehad van zeeziekte, terwijl de overige passagiers allen ziek in hun kooi lagen.

1Alioth201950a

De tijd brengen ze grotendeels door met kaarten onder het genot van een goede sigaar en borrel. De eerste zondag aan boord was voor de vrome opa’s wel een vreemde gewaarwording, daar er geen gelegenheid was Mis te horen in plaats van twee keer, zoals ze gewend waren. Ze lieten daarom de kralen van de rozenkrans maar een keer vaker door hun vingers glijden.

In Las Palmas hadden ze een dag oponthoud voor het verladen van goederen en de volgende dag werd koers gezet naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië, waar ze 13 december aankwamen en begroet werden door twee Limburgse missionarissen, pater Thielen en pater Goumans. Na Rio bezichtigd te hebben, werd de volgende dag de reis voortgezet naar Santos, waar ze opgewacht werden door pater Van der Sterren en enkele medebewoners van de fazenda, het eigenlijke doel van de reis.

Geen paradijs.

De Nederlandse emigratie naar Zuid-Amerika, 1858-1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel omvangrijkere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. Swierenga’s conclusies zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zich richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

– Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
– De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
– Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
– Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
– Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen);
– Onvoldoende capaciteiten als landbouwer.

Zeeuwen in Espírito Santo
De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst. De opbrengst kon men vervolgens gebruiken voor het afbetalen van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.

A Espirito SantoOp 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in het zuiden van Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ook ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.

De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen die Holanda en Holandinha werden genoemd. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.

Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voor handen. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.

Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

Argentinië
Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.

In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1891 4474 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen, Friesland en Zeeland. Van hen waren 3742 emigranten, 84% van het totaal, zogenoemde kredietpassagiers. Zoals uit de onderstaande Argentijnse statistiek blijkt, arriveerden ook het merendeel van de ca. Belgen en Fransen dankzij de door Argentinië beschikbaar gestelde kredietpassages. Van de Spanjaarden en Engelsen was die maar voor de helft het geval, terwijl het merendeel van de Duitsers, Oostenrijkers, Zwitsers en Italianen hun overtocht zelf betaalde.

A tabel

Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede. Al in 1890 constateerde de Commissaris-Generaal van het Argentijnse Departement van Immigratie dat een deel van deze ellende ook te wijten viel aan de verleende kredietpassages: ‘Zij bezaten niet het minste kapitaal, en in ’t algemeen evenmin een voor ons land geschikt beroep. Ten einde de passage machtig te worden, deden zij de valsche verklaring, dat zij landbouwers waren en met het doel terugbetaling van het ontvangen voorschot te vermijden, teekenden zij valsche schuldbekentenissen met valsche namen.’ Er heerste ‘overal bedrog in deze uit de laagste klasse der maatschappij voortgekomen immigratie. Ontbloot van alle energie, waren deze elementen ook niet in staat tegen hunne oude gewoonten te reageeren in het nieuwe land hunner vestiging; zij konden tot den vooruitgang van ons land niet bijdragen. Twee derde van de kredietimmigratie was slecht.’

A ArgentiniëKort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Daarnaast verleende de in 1889 in Buenos Aires opgerichte Nederlandse vereniging aan circa 200 Nederlandse gezinnen en ongehuwden onderstand.

Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië en het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding met Buenos Aires.

Mislukking en nieuwe start
In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd in 1907 vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het merendeel van de landverhuizers was dit keer afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

A Z-BrazilieDe emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Verder waren vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië vertrokken, terwijl anderen zich vanuit de kolonies vestigden in Braziliaanse steden. Door de negatieve berichtgeving over de immigratie en het snelle vertrek van veel emigranten uit de kolonies besloot de Braziliaanse regering met ingang van 1910 de verstrekking van vrije passages te staken. Voor de Nederlandse regering waren de berichten aanleiding om een ieder, die geen landbouwer was of over enige middelen beschikten, ten sterkste te ontraden naar Brazilië te emigreren. Het gevolg van de bemoeienis van beide regeringen was dat het aantal Nederlanders dat emigreerde sterk terugliep.

A Brazilië immigratie
Nederlandse immigratie in Brazilië, 1908-1916

Na de scherpe terugval stabiliseerde de emigratie naar Brazilië zich voor enkele jaren rond de ca. 250 per jaar. Onder de emigranten bevonden zich ook enkelen die eerder met steun van de Nederlandse overheid waren teruggekeerd. Zij wilden terugkeren omdat zij terdege mogelijkheden zagen in Brazilië. Samen met enkele nieuwe emigranten stonden zij aan de wieg van de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. Deze kolonie ging in 1911 van start nadat enkele enkele Nederlandse emigranten van Gonçalves Junior erin waren geslaagd in Carambeí grond te verwerven van de Brazil Railway Company. Hun positieve verhalen waren voor familieleden en bekenden uit hun dorp van herkomst een reden om nu ook naar Brazilië te vertrekken. De pioniers van Carambeí waren afkomstig uit het Zuid-Hollandse ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer.

Met het aflopen van de mislukte emigratie naar Brazilië groeide wederom de migratiebeweging naar Argentinië. Van 1905 tot en met 1917 vertrokken 2200 Nederlanders naar dit land. Het merendeel van deze emigranten waren zakenlieden en kooplui. Boeren en ongeschoolde arbeiders vormen nog slechts een kleine minderheid. Dit was ook het geval in de jaren twintig, toen zich nog eens 1200 Nederlanders in Argentinië vestigden. Een deel van de boeren die vertrokken ging de bestaande Nederlandse kolonie Tres Arroyos versterken.

A migratie Z-AmerikaDe Koninklijke Hollandsche Lloyd heeft een belangrijke rol gespeeld bij de groei van de emigratie naar Zuid-Amerika in de zeven jaren voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. De grafiek laat het verloop van de emigratie vanuit de Nederlandse havens naar Zuid-Amerika zien. We kunnen constateren dat vanaf 1907 de KHL deze migratiebeweging volledig voor zijn rekening heeft genomen. Het merendeel van de migranten waren afkomstig uit het Duitse achterland. Net als uit de statistiek van de Braziliaanse immigratiedienst wat betreft de Nederlandse migratie naar voren kwam, zien we ook hier dat in 1910 de het aantal landverhuizers dat via de KHL vertrok sterk terugliep. Oorzaak was het feit dat de Braziliaanse overheid geen vrije passages meer verstrekte. Dit was een tijdelijke dip, die zich daarna weer herstelde. Terwijl de Nederlandse emigratie stabiel bleef op het lage niveau van ca. 250 per jaar, was het herstel vooral toe te schrijven aan het feit dat met name Duitse emigranten nog wel gebruik konden maken van door de Braziliaanse overheid verstrekte passages.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen Antko als gevolg van de crisis in Argentinië werd ontslagen begon ht gezin aan een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 13 september 2014 voor Genootschap Amstelodanum in Koffiehuis van de Koninkijke Hollandsche Lloyd ter gelegenheid van Open Monumentendag.

Bewaren

Moed gehouden

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (2)

 Op 25 september 1889 gingen Antko Drenth, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen aan boord van de ms Schiedam, op weg naar Argentinië. In de eerste brief, die Drenth na aankomst in Buenos Aires naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de bootreis. Hoewel zij onderweg getuige waren van enkele ongelukken met dodelijke afloop en ook Rijna ziek was, verliep de reis voor henzelf voorspoedig. De brief, zoals deze werd gepubliceerd in het boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat een aantal onjuistheden. Op de boot bevond zich ook de familie Koornstra uit het Friese Koudum . Hun brieven zijn ook te lezen op internet en beschrijven ten dele dezelfde voorvallen tijdens deze reis. De onjuiste data die in de Brieven vermeld staan, zijn aan de hand van de brieven van de familie Koornstra gecorrigeerd.

Santa Rosa, den 24 November 1889.

Geachte familieleden, Vrienden en bekenden!

ss-Schiedam-W
SS Schiedam

Ik laat u bij dezen weten, dat wij allen in goeden stand zijn overgekomen, wat al veel zegt op zoo’n grooten tocht en waarvoor wij dan ook in hooge mate dankbaar zijn. Op reis hebben wij zóóveel gezien en ondervonden, dat het mij wel niet mogelijk is, dat alles ten nauwste te omschrijven. Want het is niet alleen een lange tocht naar Zuid-Amerika, maar er valt onderweg zooveel op te merken langs vreemde kusten, dat mijn pen ten eenenmale niet in staat is, dat alles weer te geven of liever u een beeld voor te tooveren. Zooals gij weet werden wij op den 25en September 1889 te Amsterdam ingescheept, om reeds den volgenden dag te IJmuiden door de sluis te gaan en onmiddellijk het ruime sop te kiezen. Den 28en landden wij al reeds aan de Fransche kust, bij de stad Boulogne. Hier was het, dat de zorgen ernstig begonnen op te wegen door een gevreesde ongesteldheid mijner vrouw. Een gevaarlijk bloeddiarrhee takelde hare krachten zoodanig af, dat ik heimelijk vreesde voor ‘t ergste. Zij werd aan boord in ‘t hospitaal uitstekend verpleegd en wij mochten het innig genoegen smaken, dat zij na eenigen tijd weder, hoewel erg verzwakt, toch gezond op ‘t dek verscheen. Intusschen vervolgden wij snel onzen weg. Reeds op den 1en October hebben wij Corsina, eene stad in Spanje,[1] aangedaan en reisden toen verder door langs de kusten van Spanje en Portugal, zoodat wij des avonds tegen 8 uur van den volgenden dag te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, arriveerden. Naar men ons mededeelde is dit de schoonste stad der wereld, vooral ten opzichte der ligging in ‘t gebergte.

Lissabon in 1890
Lissabon in 1890

Hier begon het al ongewoon warm voor ons te worden. Nadat wij kort te Lissabon vertoefd hadden, ging het weder voorwaarts, om op den 5den October te Las Palmas aan te komen, waar den volgenden dag steenkolen werden ingenomen, om dan voor goed het vaste land van Europa te verlaten, en als ‘t ware te trachten nader tot de zon te komen. In Las Palmas werden ons heerlijke Oostersche vruchten verstrekt, die zich goed lieten smaken.

Den 9 October stierf er aan boord een kind[2], dat al spoedig aan de golven werd prijs gegeven en kort daarop overleed een kolentremmer, die werkzaam was bij de machine; men zeide, dat die ongelukkige tengevolge de groote hitte der machine was bezweken. Binnen één uur tijds was hij gezond en . . . dood. – En reeds den volgenden morgen ten 5 ure werd ook dit lijk aan de zee toevertrouwd.[3] Ik geef u de verzekering dat deze gevallen geducht op ons terugwerkten en wij allen in een onaangename stemming verkeerden. Wij bevonden ons nu al op een hoogte, waar de zon bijna loodrecht boven ons stond, dus al warm, en terwijl er nagenoeg geen windje op te merken was, lag de groote, ontzagwekkende zee als ‘t ware te sluimeren van haar altijddurend voorwaartsch snellen naar het eindelooze, het onbekende, het eeuwige. O zeker, er is poëzie in de zee en heerlijk kunnen somwijlen de tonen zijn, die zij ons toeruischt. Zoo passeerden wij den 11 October kaap Sint Vincent het uiterste westelijke punt van Portugal.[4] Hier zagen wij een gebergte, dat boven de wolken uitsteekt. Den 13 October alles wel aan boord; de zee lag nog even schilderachtig daarhenen en wij hadden het erg warm.

Geen wonder voorwaar en zeer begrijpelijk, toen ons den volgenden dag werd bekend gemaakt, dat wij ons nu vlak onder de zon bevonden. Ik geef u de verzekering, dat het een eigenaardige gedachte is zich op zoo’n hoogte te bevinden, en men onwillekeurig geleerden benijdt, die, (het is zoo te zien) op deze hoogte aangename bezigheden verrichten ten dienste der wetenschap. Ook op dit punt hadden wij weder een sterfgeval te betreuren; dit was dus al reeds het derde sterfgeval op onze reis. Er waren nog mee ziekten aan boord en hoewel men ons vertelde, dat er op deze hoogte gewoonlijk veel sterfte heerscht, vooral onder kleine kindren van een à drie jaren, hadden wij het groote genot onze kinderen te zien spelen als lammeren. Zij bewogen zich vrij en ongedwongen op het dek in gezelschap van anderen. Deze vrijheid was een groot genot, waarvoor alle hulde toekomt aan den gezagvoerder, die dan ook van de zijde der ouders werd betoond.

Wederom een sterfgeval – nog een en twee dagen later nog ….. twee. Dit geschiedde op den 17-18 en 20 October. ‘t Was droevig, wat ons deze gebeurtenissen te zien gaven vooral met het oog op de bedroefde familieleden, die zóó hunne geliefden moesten missen. De ernstige vraag rees dan ook bij ons op: kan het morgen ook uw beurt zijn ? Onder deze stemming dankten wij den Allerhoogsten, dat wij tot dusverre nog bij elkander waren in ‘t bezit van de nooit genoeg volprezen gezondheid, die ons dan ook zoo te stade kwam, om zooveel mogelijk diensten te bewijzen aan onze droeve reisgenooten, waaraan wij dan ook alle krachten wijdden. Gij zult wellicht zeggen: wat een mengeling van omstandigheden, die zoo’n reis doet ondervinden, als ik u nu weer vertel, dat wij op den 21en October algemeen verrukt stonden bij het aanschouwen van groote zwermen zwaluwen en dat op den grooten Atlantischen Oceaan. ‘t Was verrukkelijk deze trouwe boden van voorjaar en herfst – die zoo in ons vaderland als geliefde voorjaarsboden worden gehuisvest –in massa te zien voortsnellen naar het zuiden. Zij schenen vermoeid te zijn, daar een groot gedeelte der zwerm zich ter ruste neerzette in het want van ‘t schip tot aller aangename gewaarwording. ‘t Was of die lieve onschuldige diertjes ook hier tot ons kwamen, om ons een groet te brengen, die ieder voorjaar opnieuw ons in ‘t noorden zoo aangenaam is, ’t was alsof ze nog eenen laatsten groet brachten aan den huiselijken haard. Wij hadden algemeen respect voor het nederdalen dier massa in ons want; niemand dan ook, die de te laken moed had één dezer natuurgenooten te vangen of te beleedigen, gelijk het maar al te veel blijkt te geschieden in Frankrijk, aan de kusten der Middellandsche zee, ter wille van modes meestal gewijd aan dames van ijdel gehalte. – ‘t Was op deze hoogte warm – zwoel – van daar geen wonder, dat ons in den nacht van 21 op 22 October een onweder overviel zoo hevig, als ik en zooveel anderen het nimmer ondervonden.

De bliksem verlichtte op indrukwekkende wijze zee en schip, terwijl holle donderslagen alles deden trillen. Daarop volgde een slagregen zoo geweldig, als het mij nimmer heugde. En onder deze omstandigheid had er weder een sterfgeval plaats. Met dezelfde formaliteiten als de overigen, werd ook dit lijk spoedig aan de zee toevertrouwd.

Eindelijk, ‘t was op den 21 october, zagen wij tot aller blijdschap de Braziliaansche kust en konden bij eenig geluk dus binnen korten tijd aan wal zijn. Doch wat moesten wij eerst nog niet ondervinden – wat moest ons oog nog eerst zien ? ‘t Was ‘s morgens van den 24en, dat, uitgelokt door schoon weder, vele passagiers zich op dek begaven. Onder ons gezelschap bevonden zich twee jonge Duitsche mannen. Deze, blijkbaar vrienden, die uitgetrokken waren, om ook hun geluk in ‘t zuiden te beproeven, vierden hun dartelheid bot in ‘t stoeien. Helaas, nadat wij hen in hun vaardigheid een poos hadden gadegeslagen, verdwenen zij als in een tooverslag: zij vielen over boord en ….. niemand zag een enkel spoor van hen terug.[5] Nog huiver ik bij de gedachte aan dit feit; aan die beide goede vrienden, die zoo noodlottig moesten heengaan, te meer ook nog, dat het een paar gulle jongens waren, waarmede wij alzoo veel aangename kennismaking hadden aangeknoopt, dat men elkanders gezelschap noode konden missen.

Den 25e October alles betrekkelijk wel aan boord, doch wij verkeerden algemeen in gedrukte stemming en konden den indruk der treurige geschiedenis onzer goede Duitsche kameraden niet maar zoo vergeten. Arme vrienden, uw heengaan moge vrede zijn! In den loop van den dag beviel er eene vrouw, welke gebeurtenis algemeen met vreugde werd begroet, nadat wij vernomen hadden dat alles wèl was. Wat al wisselingen in dit leven, niet waar ? wat al een mengeling van omstandigheden ondervindt men en vóóral op zoo’n groote zeereis. Het is echter in hooge mate troostend en aangenaam voor ‘t gemoed, dat de broederschap en eensgezindheid op een schip, welker bevolking als ‘t ware een maatschappij in de maatschappij vormt, voorbeeldig is, welke omstandigheid den reiziger veel leed geduldig doet dragen en vergeten. En zoo ging het steeds door en verder. De kolossale machine, die dag en nacht haar forsche slagen deed hooren, verkondde, dat wij er snel door gingen, ‘t was alsof ze ons telkens toeriep: houd moed! straks zet ik u in ’t nieuwe vaderland. Van den 26- en 27en Oct. valt geen bizonder nieuws te zeggen, alleen de algemeene opmerking werd gemaakt, dat het kouder werd.

‘s Avonds van den 27en zagen wij het eiland St. Carlos, nadat we het eiland St. Marie reeds waren gepasseerd. Een eigenaardig gevoel maakte zich van ons meester, toen wij vernamen, dat we na eenige uren binnen konden zijn. ’t Was ons te moede alsof wij nu een andere wereld, of liever een andere planeet zouden betreden, waar we slechts wonderen zouden zien en na vele jaren van moeite en strijd tot geluk en welvaart zouden komen. En inderdaad, in den vroegen morgen van den 28en October zagen we weder land, dat we snel naderden en toen al spoedig de groote haven van Montevideo binnenliepen. Wij gevoelden ons recht gelukkig aan wal te zijn en door innige dankbaarheid gedreven zongen wij uit het diepste der ziel Psalm 103: vers 1-2.

Loof, Loof den Heer, mijn ziel met alle krachten,
Verhef Zijn naam zoo groot, zoo heilig ‘t achten,
Och of nu al, wat in mij is Hem preez,
Loof, loof mijn ziel! den Hoorder der gebeden,
Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden!
Vergeet zo niet: ‘t is God die z’ u bewees.

Loof Hem, die u al, wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij genadig wil vergeven,
Uw krankheen kent en liefderijk geneest,
Die van ‘t verderf uw leven wil verschoonen,
Met goedheid en barmhartigheid u kroonen,
Die in den nood uw redder is geweest.

‘t Was ‘s morgens te elf ure van den 28sten October, dat wij het schip verlieten en Montevideo binnen gingen. Zoo hadden wij dan, nadat we Kaap St. Vincent gepasseerd waren, 17 dagen en even zooveel nachten gestoomd. Ontzaggelijk is de afstand, die we thans van u verwijderd zijn. Zie zoo, daar zijn we dan in het nieuwe vaderland en wat zal het nu zijn? Ja, wat zal het nu zijn! Zoo was de gedachte onder een drukkend gevoel. Ik kan u dan ook zeggen, dat er een angstige uitdrukking op veler gelaat te lezen stond en een zeker heimwee zich meester maakte van velen. Evenwel moet ik u eerlijk bekennen, dat mij in alles de moed bijbleef en zoo stapten wij in eene massa het emigrantenhuis binnen, beladen met zak en pak.

Dit emigrantenhuis is ontzaglijk groot. Ruw gebouwd van hout, het bergt 12- à 14.000 menschen, welk getal er op dien dag zeker ook wel aanwezig was. En dan een mengeling van, ik zoude wel haast zeggen: alle volken der aarde, ieder met zijn plunje belast en elk, het was zoo op te merken, eveneens belast met bitteren zorg. Deze ophooping van al die menschen was te groot en spoedig ontdekten wij dan ook de gevolgen er van. Dat groote tal van weerlooze kinderen, waaraan geen tijdige hulp kon worden verleend, die verbazende onaangename menschenmassa veroorzaakte ontzettend veel leed en overlaadde ons – nog niet gerekend de op proefstelling onzer gehoor- en reukzenuwen – met levend onrein zoo ijselijk, dat het eenvoudig niet is te beschrijven. Hier moesten wij vijf dagen vertoeven en werden we dus al op proef gesteld. Nu had ik gaarne de groote stad Montevideo eens nader willen bezien, doch, daar we emigranten waren op staatskosten en dus als ‘t ware kinderen van den stat, was het niet geoorloofd, om naar eigen wil te handelen. Nadat wij dan vijf dagen te Montevideo vertoefd hadden, ging het weer verder, ieder naar zijn aangewezen kolonie. ’t Was toen wel in ‘t bizonder, dat de zorgwekkende gedachte opdoemde: “Wat zal het straks wel zijn!” Doch moed gehouden, zoo dachten wij en spoorden elkander tot moed houden aan.

Vaartwel, onze waarden, vaartwel! God de Heer zij en blijve met u. Ik hoop spoedig eens weer te schrijven van ons wedervaren.

A. Drenth



[1] Coruña.

[2] Dit kind was afkomstig uit Marrum, Friesland. Zie de brief van J. Koornstra en S. Bijlsma van 11 oktober 1889.

[3] Hierover schreven Koornstra en Bijlsma op 11 oktober: ‘Er is geen sprake van begrafenis of lijkrede. Een paar matrozen en de administrateur erbij doch er wordt geen woord gesproken, net zo min als dat er zondags sprake is van kerk houden.’

[4] São Vincente op het Portugese eiland Madeira.

[5] Volgens Koornstra ging er door het stoeien een hek los en stortten beiden achterover in zee. Brief van 2 november.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ‘s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.