‘Ook wij hebben een kruis te dragen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (10)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het eerste deel van deze brief beschrijft hij wat zij moesten doorstaan tijdens de reis vanuit Tucuman naar Rosario.

Geliefde familie, vrienden en bekenden en allen, die deze brief zullen zien en lezen, u allen wensch ik het slotvers van de openbaring van Johannes: “De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen! Amen.” Het was hedenmorgen, dat mij in ‘t bijzonder trof, het 24e vers uit Mattheus 16, Toen Jezus tot zijne discipelen zeide: “Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en volge Mij.” Hoe troostend is dit woord uit Jezus’ eigen mond voor ons zoo zwaar beproefden – voor ons, die niet meer zijn dan droeve zwervers. Doch laat het heerlijke woord van Jezus ons voldoende zijn en wat ons ook ontmoete, wij staande zullen blijven door de kracht van zijn woord en een onwankelbaar geloof.

Ja, ook wij hebben een kruis te dragen, dat, wij gevoelen het, alleen mogelijk is door Jezus’ troostwoord. Buiten en behalve de slechte vooruitzichten, die hier voor ons open staan op ‘t gebied van maatschappelijke zaken hebben wij door den dood het verlies te betreuren van onzen geliefden zoon Udo, die onverwacht heenging tot zijn Heer. Hoe zwaar ons dit ook treft in het voor ons zoo vreemde land, moeten wij echter zwijgen en berusten in den wil des Heeren – moeten wij zwijgen – ook omdat onze Udo de toekomst goed inzag. Tot het laatst genoot hij, hoewel twee dagen sprakeloos zijnde, een vol verstand en gaf op levendige wijze te kennen tot zijn Jezus te zullen gaan. De gedachte – die wetenschap liever, dat hij vol vertrouwen zoo kalm en rustig henen ging, doet ons in hooge mate berusten in den wil van Hem, wiens doen enkel wijsheid is en liefde, en deed ons nog dankbaar voor zijn gezegend aandenken vol vertrouwen ons dierbaar kleinood aan de groeve afstaan, wetende, dat Hij, die nimmer plaagt uit lust tot plagen, alles doet ten goede voor zijn kinderen.
“Wie heeft verworven die leere te lijden,
“Hecht niet aan de aardsche bezitting uw hart;
“Wie heeft genoten die leere te Jijden,
“Wenkt u de vreugd, zij verwijst naar de smart.”

Ziehier onze levensloop verder. Gelijk gij reeds weet hebben wij het laatst verloopen jaar te Tukuman doorgebracht, na dan hier en daar gezworven te hebben, zoodat gij in langen tijd geen bericht van ons hebt gehad, want het is iemand, overmand van zwarigheden en droefenis, op zulke zwerftochten niet maar zoo gegeven en de gelegenheid is niet altijd daar om te kunnen schrijven. Toen wij dan eindelijk niet meer in Tukuman konden zijn, gingen we vertrekken naar Santiago, eene stad in de provincie Santiago [Santiago del Estero, MS], dat is een afstand van 865 kilometers. Deze reis ondernamen wij te voet en behoef ik u dus niet te zeggen hoe moeitevol dat ging, als ge bedenkt, dat wij nagenoeg zonder geld waren. Met een zak, waarin eenig beddegoed, op den rug, ging het steeds voort. Mijne vrouw droeg het kleinste kind, terwijl de andere kinderen belast waren met het ons nog overgebleven plunje. Wellicht zult gij zeggen: hoe is het mogelijk zoo’n hopelooze reis te ondernemen. Laat ik u in de eerste plaats doen opmerken, dat wij vooraf schreven aan den consul te Rosario met beleefd verzoek ons te hulpe te willen komen om te kunnen vertrekken op zijn order, doch we kregen in ‘t geheel geen antwoord. Een tweede brief, mede onderteekend door tien Hollanders werd afgezonden, waarop eindelijk na lang wachten een antwoord inkwam, luidende, dat hij (de consul) geen vrije overtocht konde geven.

De consul Leonard van Riet

Hij gaf ons echter den raad ons verzoek te richten tot den consul-generaal, den heer Van Riet, wellicht, dat deze raad konde geven. Dit geschiedde: wij schreven onmiddellijk en het antwoord, dat wij weldra ontvingen luidde, dat hij niets voor ons konde doen, daar hij wel de emigratie naar het binnenland bevorderde, maar in ‘t geheel niet naar buiten, alzoo niet terug. Daar nu de ondervinding ons voor goed geleerd had niets van autoriteiten te hopen te hebben en wij steeds bedrogen uitkwamen en in weerwil onzer goeden wil steeds verarmden en verzwakten, bleef er niets anders over dan al onzen moed en krachten te verzamelen en te voet de oogenschijnlijk onmogelijke reis te aanvaarden. Reeds waren er al vijf familiën op weg, toen ook wij in gezelschap van een familie lotgenooten, herkomstig uit Zeeland, ons op zekeren dag op reis begaven. Na vijf dagen gezwoegd te hebben bij het gebruik van zeer slechte voeding, de nachten doorbrengende in open lucht, of bij buitengewoon geluk in de eene of andere loods, waren de vrouwen en kinderen in ‘t bijzonder uitgeput, zoodat zij niet meer voort konden en dus de toestand nog hopeloozer werd. Gevoelden wij allen groote afmatting, de vrouwen waren letterlijk niets meer. Opgezwollen beenen als zij hadden, stonden hunne oogen hol, waaruit dikwijls tranen te voorschijn kwamen, als zij den blik sloegen op de kinderen, waaraan zij als moeders zoo gaarne hulp en troost hadden verleend. Gelukkig konden wij nog enig geld bij elkander brengen om een spoorkaart te koopen voor dertig kilometer afstand, ten dienste der vrouwen en kleinste kinderen.

Ofschoon in de laatste dagen niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk diep geschokt door de soms bijna onmenschelijke behandeling, die wij ondervonden, zagen we hier toch, dat er in dit vreemde land nog edele harten vol van liefde en menschenmin klopten bij het aangenaam verrassend feit, dat het spoorwegpersoneel de vrouwen en kinderen nog een aanzienlijke afstand kosteloos lieten meerijden. Wij, de mannen en de grootste kinderen mochten toen slapen in een goederenloods van het station Ruisch en hebben daar ook gegeten. Des anderen daags begaven wij ons weder vroeg op reis en kwamen na groote vermoeienis weder bij de vrouwen aan te Labanda, eene kleine stad in de provincie Santiago. Wij merkten spoedig op, dat daar veel drukte heerschte, door het bouwen van loodsen en andere aanverwante zaken aan het nieuwe station behoorende. Onmiddellijk zagen wij dan ook om naar arbeid, die wij daar tot aller blijdschap kregen. Hoe behoeftig het u wellicht ook moge toeschijnen, wij zagen hier de grootst mogelijke uitredding door vóór onze arbeid aanving eene woning te verkrijgen, bestaande in een goederenwagen, die de spoorwegdirectie ons in gebruik afstond. O ’t was dan ook zoo hoog tijd, dat er eenige verpoozing kwam. Uitgeput naar lichaam en ziel als wij allen waren, begon de moed zoodanig bij den dag te zinken, dat er al zeer weinig veerkracht meer over was, om elkander tot moedhouden aan te kunnen sporen. En toch onzen waarden – toch, toen wij gezamentlijk den wagen betrokken hadden, bezield met de gedachte eenige rust te zullen erlangen en morgen en vele achtereenvolgende dagen werk en brood, zongen wij uit volle borst, doch met verzwakte stem ter eere van onzen God: Gezang 7, vers 1:
“Op bergen en in dalen,
“En overal is God!
“Waar wij ook immer dwalen,
“Of zitten, daar is God ;
“Waar mijn gedachten zweven,
“Of stijgen daar is God;
“Omlaag en hoog verheven,
“Ja overal is God !”

Na versterkt te zijn, tevens door een gebed, dat wij tot den Allerhoogste opzonden en het genot van een diepen slaap genoten hebbende, gingen wij aan den arbeid. Twee maanden hebben we aan bovengenoemde gebouwen gewerkt tot genoegen van de directie: het werk was toen voltooid. Helaas, er werd ons toen als ‘t ware een wachtwoord toegeroepen, dat ons deed opschrikken en maar al te veel herinnerde aan den tijd van werkeloosheid, bijgevolg armoede en wellicht wederom zwerven. Het zoogenaamde wachtwoord heette: “Tramwage Conklade” dat is: ‘t Werk is gereed.

ArgentinaNu hadden wij voor ons huisgezin weer eenig geld over verdiend en wel vijftien gouden peso’s (deze hebben eene waarde naar Hollandsche munt van twee gulden en vijftig cents. Een rijksdaalder dus). Er bestonden ook peso’s in papier, die slechts eene waarde hadden van een gulden. Onder deze bedrijven waren er weder twee Hollandsche familiën aangekomen uit Tukuman, eveneens te voet en doodelijk uitgeput als ook wij bij onze aan komst. Ik kan u de verzekering geven, dat hun lot ons in hooge mate trof en wij allen onze krachten en gegevens, die we bezaten in goud zoowel als in ziel, ten beste gaven, onze lotgenooten te helpen steunen – die armen en bedroefden. Wij waren immers zóó rijk, niet waar? Het scheen na alle deze bedrijvigheden, dat ons lijden werkelijk voorbij was• en wij onzen goeden wil beloond zouden zien, bij de ontmoeting van eenen Hollander, die de landtaal goed machtig was en niet spaarzaam bleek te zijn in het geven van goeden raad en daad tevens, wijl hij ons hielp aan het station te komen en vele en velerlei raadgevingen gaf omtrent datgene te doen wat in onze positie het beste scheen te zijn. Nadat wij onzen dank aan dien goeden vriend gebracht hadden, namen wij reiskaarten naar het station Ceres in de provincie Santa Fe.Deze spoorreis, die den geheelen dag duurde, kostte ons per familie zeven en een halve peso – de helft dus van onzen verdiende en bezittende schat. Eindelijk des avonds laat te Ceres aankomende, waren we wel eenigszins opgewekt om, na eenige rust genomen te hebben, morgen verder te gaan in de richting van Rosario. Zoo begon dan weder een voetreis, waarvan wij tusschen Itapira en Labanda nog zoo’n toonbeeld van ellende in ‘t geheugen hadden. In hooge mate moesten wij dus eerstens op spaarzaamheid bedacht zijn en daarbij zooveel mogelijk elkander moed in boezemen, opdat we toch de reis zouden volbrengen om weder op een plaats te zijn, waar werk en brood zoude worden gevonden. Nadat wij dan twee dagen hadden gemarcheerd, natuurlijk alle onze bezittingen op den rug, kon mijne vrouw niet meer. Met ons kleinste kind van 10 maanden dat zij op den arm droeg, viel ze flauw, waarbij wij dachten, dat het met haar gedaan was. Groote barmhartige God, zoo het met Uwe rechtvaardigheid overeenstemt, help dan ook nog voor ditmaal in den nood!

Zoo was mijn gebed, terwijl onze kinderen het zwijgend doch in tranen badend aanhoorden. God hoorde en verhoorde: Hij gaf het bewustzijn aan mijn vrouw terug. Mijne vrouw was toen zeer zwak en uitgeput en moest dus noodzakelijk rust hebben. Slechts één dag rust genoot ze, toen de noodzakelijkheid dáár weder was verder te moeten gaan. Nu nam ik een spoorwegkaart voor haar en de kleinste kinderen tot een eerstvolgend station, waarna wij, Gezina en ik wederom te voet de reis vervolgden. Over Gezina gesproken, deze wordt al vrij groot en forsch en draagt dan ook zoo veel mogelijk het kleinste kind. Zoo kwamen wij dan na een langen dagmarsch bij het station Placio, waar mijne vrouw met ons kleinste kind reeds was aangekomen.

In de nabijheid van dit station is eene kolonie gelegen, bestaande uit Russische joden. Daar deze stambeoefenaars zijn van landbouw en veeteelt, waar ik, zoo gij weet, het best in thuis behoor, zag ik den volgenden dag dadelijk rond om daarbij te kunnen worden geplaatst. En waarlijk: ik kreeg arbeid, of liever ik kreeg op mijn vraag om arbeid een toestemmend antwoord, zonder voorloopig te weten te komen of het al dan niet een kostwinning zoude geven. Mijn werk, dat mij later werd opgedragen, bestond in ploegen en wel met ossen. Welnu, dat ging mij goed af; een ploeg loopt door ossen getrokken regelmatiger dan paarden, vooral als paarden wat wild zijn. Ook kregen wij eene woning, waaraan echter nog veel getimmerd moest worden. ‘t Was slechts eene ruwe massa, waarvan vier muren de eenige goede deelen waren. Nu moest ik maar zien hierop een dak te plaatsen, waar ik in geen geval tegen op zag, zoo het mocht gebleken hebben, dat het te verdienen dagloon zoodanig was, dat wij er eenigszins van konden bestaan. Dit bleek echter onmogelijk te zijn, daar het dagloon slechts bestond in drie kilogram vleesch en twee kilogram brood. Onhoudbare toestand. Gij zult wellicht zeggen: drie kilogram rundvleesch, gerekend bij u te lande per 5 ons naar den prijs van zes, zeven, acht stuivers of meer, wordt een bedrag van aanzienlijke geldswaarde en zoude men eenvoudig minstens de helft van het vleesch verkoopen om voor dat geld wat het opbracht andere huishoudelijke zaken te koopen. – Met deze veronderstelling rekent ge mis. – Het is wederom de omstandigheid van den eigenaardigen toestand des lands en bij goed doorzien laat dit zich zeer goed begrijpen, als gij weet, dat het vleesch wat hier wordt aangeboden, komt van het ongemeste rund, dat graast op de prairie en in de bergstreken en hoogstwaarschijnlijk meer ter wille der huid dan wel om het vleesch wordt gehouden, vandaar ook, dat er massa’s koeien rondloopen, die zelfs duizendtallen bedragen. Zoo kunt ge u dus wel voorstellen, dat het vleesch dezer dieren erg taai is, met één woord slecht, en bij u onder gezeten burgers eenvoudig zoude worden gestempeld met de woorden : “als zoolleder zoo taai.”

Zoo zijn wij dan ook maar drie dagen daar geweest, omdat het eenvoudig onmogelijk was te bestaan. En weder gingen wij op reis , al weder te voet, totdat we op zekeren avond bij een klein station aankwamen. Het scheen ons toe dat er nog wel redding zoude opdagen, waarvoor wij echter geen reden hadden, wijl er in genen deele eenig uitzicht op bestond. Ik geloof heimelijk, dat deze zoete hoop zijn oorsprong vond in het feit, dat wij op dien avond niet zoo erg vermoeid waren. ‘t Was alsof wij, ja, hoe zal ik het uitdrukken, bezield waren door een niet te beschrijven voorgevoel, dat ons zeide : houd moed, eenmaal zal uw vaste wil zegevieren !

‘Wij zullen blijven berusten in ons lot’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (5)

In de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de reis vanuit Nieuw Santa Rosa in het midden van Argentinië naar de provincie Tucumán in het noorden van het land. In het tweede deel van zijn brief beschreef hij de reis vanuit Buenos Aires naar Tucumán.

Nadat wij dan twee dagen in het genoemde emigrantenhuis gewoond, of liever verblijf gehad hadden (want wonen kan het toch niet heeten) werd ons aangezegd, dat wij ons vaardig hadden te maken tot vertrek en wel naar Tucumán, vanwaar ik u nu deze zend.
Tucumán, wie had dat ooit hooren noemen : wie wist, of het een stad was of dorp, dan wel, dat het eene kolonie was in ‘t binnenland – of, en met deze zoete hoop bezield als het zóó zijn kon – riep men elkander toe: dat kan wel een groote aan de bewoonde kust gelegen plaats zijn en kunnen wij wel eens een goeden toekomst tegemoet gaan. In allerijl spoedden wij ons in massa, als om strijd, naar de aanwezige landkaart ter overtuiging in welke richting de plaats lag en wat afstand het ongeveer was. Gij moet weten, dat wij dergelijke inlichtingen niet kregen van onze aanvoerders. – De landkaart gaf ons al spoedig maar al te wel zekerheid, waar naar toe en in welke richting het zou gaan. – En tot aller verbazing bedroeg de afstand, die wij moesten afleggen, ongeveer 800 uren (zegge achthonderd uur.) De schrik sloeg ons wel wat om ‘t hart bij ‘t vernemen hiervan, omdat de toestanden in de binnenlanden huiveringwekkend werd afgemaald en, waarvan ook wij trouwens al een kleine voorproef hadden ondervonden. Naar het diepe binnenland dus, dat voor het meerendeel nog door negerbevolking wordt ingenomen.

Gedreven door de hoogst mogelijke belangstelling, wat ons daar te doen en te wachten stond, namen wij schoorvoetend het kloek besluit ons tot den chef onzer meerderen te wenden met de vraag, wat men op die ver van de kust gelegen plaats met ons voor had. Het antwoord luidde welwillend; wij kregen bemoedigende gegevens en wel: Gij gaat per spoor tot Tucumán en zult daar werkzaam zijn op ‘t gebied van landbouw en wel tegen een winst van een derde der oogst. Een vonk van hoop schoot er door de ziel bij het aanhooren dezer billijke voorwaarden en was spoedig bij machte de moeilijkheden der af te leggen groote reis en de pijnlijke onzekerheid die ons te wachten stond, te doen veranderen in de zoete hoop op welslagen. En met die gevoelens bezield werden wij al spoedig als eene groote kudde gewillige lammeren in spoorwagens gestopt, om de reis te aanvaarden. En voort ging het, voort met groote snelheid. ‘t Was alsof de locomotief er tegen hijgde en dampte en fluitte, om ons ten allerspoedigste te doen ontnuchteren; want een ontnuchtering zoude volgen, waarvan wij, die in die oogenblikken alleen op de vleugelen der hoop zweefden, nog niet het minste vermoeden hadden en niet hebben konden: wij waren immers door autoriteiten aangenomen, onder de aannemelijkste conditiën en hadden geen reden, om slechte vermoedens te koesteren. Toch gingen wij, zooals later spoedig gebleken is, met groote snelheid een noodlot tegemoet! Nadat wij dan op een zekeren avond te acht ure te Buenos•Ayres in den spoortrein plaats hadden genomen, reden wij den geheelen nacht door; velen slapende met het hoofd rustende op hun plunje, anderen sluimerende of wakende bij hunne zwaarmoedige vrouwen en schreiende kinderen. Weer anderen zongen, of beter gezegd schreeuwden allerlei soort straatliedjes van minder aangenaam gehalte, waarvan de echo’s nog meer ontstemd werden door vloeken en zwetsen in verschillende talen en van verschillende volkeren, zoodat de indruk, die wij kregen onder dat gezelschap hoogst onaangenaam voor ons was. Wij waren dan ook recht blijde, dat de trein den volgenden morgen te 7 ure stand hield aan het station te Rosario, waar we order kregen, om uit te stappen en daar dien dag te blijven.

‘t Was juist op een Zondagmorgen en dat was eigenlijk een milde vergoeding voor het leed, dat ons den gepasseerden nacht gebracht had. Niet waar? de Zondagmorgen toch heeft altijd iets plechtigs – iets verhevens in zich, waarvoor men eigenlijk geen woorden kan vinden. Eerst als men zich in eene combinatie bevindt van zóóveel verschillend volk , waarvan de groote massa niet vatbaar schijnt te zijn voor eenigerlei indrukken, die op de ziel een zoo gunstigen indruk kunnen uitoefenen, eerst dàn kan men gevoelen, wat het is iets in zich om te dragen, dat tot groote en ernstige vraagstukken leidt. Dan zij bij dezen alle eer gebracht aan en hartgrondig toegejuicht: het vrije Nederland, waar de gevoelens omtrent kerk en school geheel tolvrij zijn. Hoeveel anders toch is het op dat gebied gesteld in verschillende streken van het buitenland, waarvan wij in ‘t bizonder de ondervinding opdeden niet alleen op dezen tocht, maar eveneens in den dagelijkschen omgang. Lichtzinnig als de groote massa op godsdienstig gebied was, kwam dat gebrek eveneens in al hun handelingen te voorschijn. Om iets te noemen b.v., werd bij het minste trachten onzerzijds, om een gesprek op godsdienstig terrein te brengen, niet zelden met hoon en spot bejegend. Echter belette dit niet aan ons, in gezelschap van nog eenige Hollanders, onze redeneeringen voort te zetten en hieven wij op genoemden Zondagmorgen uit den grond onzer harten aan de schoone verzen van Psalm 84.

In Rosario vertoefden wij tot den volgenden morgen. Te 9 ure stond er wederom een lange trein gereed in de richting van Cordoba. Weder ging het op dezelfde wijs als de vorige rit: de wagons boordevol geladen en de combinatie van ruwe mannen, bleeke vrouwen en schreiende kinderen niet minder afstootelijk als de vorige nachtrit. Ja het was goed bezien nog veel grooter verwarring dan bij de inlading te Buenos Ayres, wijl te Rosario nieuwe drommen volks bij onze massa werden aangesloten. Weder zette de trein zich in beweging en ging het met duizelingwekkende snelheid zonder eenig oponthoud door tot des avonds aan het station Cordoba. Lk zal maar niet meer over de ongemakken, die zulk reizen opleveren, gewagen. Zoo gij ooit eene groote spoorreis gemaakt hebt in uw burgerlijken stand, hebt ge wellicht wel uw nooden geklaagd en van verveling gesproken, en kunt er dan dus iets van weten, doch hoeveel temeer woog dan niet bij ons de zwarigheid: Wij, die op kosten van – ja van wien – van spekulanten, of van den staat, of van wie of wat ook, konden wij het weten? moesten reizen aan een karavaan slaven vrij gelijk. Nog eens: ik zal het u sparen de moeilijkheden aan zoo’n reis verbonden, haarklein te omschrijven.

Ik laat een en ander liever aan uwe verbeelding over. Des avonds in Cordoba. Alsof het een reusachtige slang was, zich kronkelende en buigende langs helling en spleet, zoo bewoog zich de geheele sombere massa langs hoogten en laagten in de richting van het even groote als sombere emigrantenhuis, om daarin voor den volgenden nacht te worden geherbergd.
Natuurlijk werd het ons niet gegund om de stad en deszelfs omstreken van naderbij te bezien, waartoe wij echter, zooals gij begrijpt, ook al weinig lust gevoelden. “Gjj hebt na zoo’n vermoeiende reis des nachts zeker heerlijk kunnen slapen!” zult ge wellicht vragen, en die vraag is dan ook niet misplaatst en onnatuurlijk, doch als gij weet, dat het op een houten batterij, waar eigen plunje moest dienen voor dekking, alles behalve aangenaam is en zoo’n sobere slaapplaats iemand nog benijdt wordt door wandgedierte bij dozijnentallen – dan behoef ik wel niet te zeggen, dat de nacht slapeloos werd doorgebracht. Het was dan ook een algemeene blijdschap, toen wij des Dinsdagsmorgens weder konden vertrekken: altijd de hoop omhelzende: spoedig zal alles wel beter worden. Als wij straks in Tucuman waren en daar tegen een derde der oogst aan het werk kwamen, gelijk de belofte was – dat kon alles weder goed maken – dat goede vooruitzicht temperde alle leed.

Zoo werden wij dan des Dinsdagsmorgens vroeg weder ingeladen, om voor goed zoolang te blijven zitten, tot dat we Tucumán bereikt hadden. Nu ik al reeds genoeg akelijks van zoo’n reis gezegd heb en ik vrees u te beginnen vervelen als ik in herhaling treed of, dat ik dat laatste (eindje) reis nog ijselijker afschilder dan het vorige, zal ik maar besluiten met alleen te zeggen, dat wij dien Dinsdag en den daaropvolgenden nacht achtereenvolgens doorspoorden zonder eenige verpoozing. Dit alleen moet ik nog even aanstippen, dat er mannelijke standvastigheid bij te pas kwam zich zelf in die mate te verloochenen, om kracht en lust aan den dag te leggen, aan vrouw en kinderen moed in te spreken en hen op te wekken. Zoo stonden wij dan des Woensdagsmorgens bij het station te Tucumán, waar wij zouden blijven wonen. Hoe zal men het nu aanleggen en waar zullen onze woningen zijn, om in den landbouw werkzaam te wezen tegen 1/3 der op te brengen oogst? die vraag stelde de een tegen den ander, want wij zagen rondom ons niets dan uitgestrekte bosschen. Doch vóórdat ons die vraag opgelost werd, zouden wij nog eerst op proef worden gesteld, om in massa te verblijven in een emigrantenhuis en onder dezelfde omstandigheden als in de vorige. En wederom bewoog zich de groote massa om, uitgehongerd als ieder was, maar spoedig onder dak te komen, waar in de eerste plaats voedsel zou worden verstrekt aan dat tal van hongerige magen.

Ik moet u ronduit zeggen dat, hoeveel behoefte mijn lichaam ook had aan versterkende spijs, ik toch geen lust gevoelde het noodige naar binnen te krijgen, wijl de zorg over mijne doodlijk afgematte vrouw en kinderen mij alle lust tot eten benam en heimelijk begon te twijfelen aan welslagen onzer toekomst. En waarom ? Och wij hadden in de laatste tijden zóóveel teleurstellingen ondervonden, die bij goed doorzien onzerzijds wel moesten geweten worden aan de werkgevers, die willekeurig met ons lot omsprongen. Is het dus te verwonderen, dat wij soms aan de toekomst wanhoopten – onze toekomst, die we elkander bij de aanvaarding onzer groote reis zoo heerlijk hadden voorgespiegeld! Neen voorzeker.
Hoe gaarne zouden wij niet een tipje hebben willen oplichten van het gordijn, dat ons zoo geheimzinnig scheidde van die toekomst, al ware het slechts alleen, om zekerheid te hebben, welkeen weg wij thans zouden moeten inslaan. Doch wij zullen blijven berusten in ons lot en hopen, dat de belofte den werkgevers niet mag falen om tegen goeden arbeid het aangeboden loon te mogen erlangen.