‘Wij zullen blijven berusten in ons lot’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (5)

In de brief die Antko Drenth op 1 november 1890 naar het thuisfront schreef, deed hij verslag van de reis vanuit Nieuw Santa Rosa in het midden van Argentinië naar de provincie Tucumán in het noorden van het land. In het tweede deel van zijn brief beschreef hij de reis vanuit Buenos Aires naar Tucumán.

Nadat wij dan twee dagen in het genoemde emigrantenhuis gewoond, of liever verblijf gehad hadden (want wonen kan het toch niet heeten) werd ons aangezegd, dat wij ons vaardig hadden te maken tot vertrek en wel naar Tucumán, vanwaar ik u nu deze zend.
Tucumán, wie had dat ooit hooren noemen : wie wist, of het een stad was of dorp, dan wel, dat het eene kolonie was in ‘t binnenland – of, en met deze zoete hoop bezield als het zóó zijn kon – riep men elkander toe: dat kan wel een groote aan de bewoonde kust gelegen plaats zijn en kunnen wij wel eens een goeden toekomst tegemoet gaan. In allerijl spoedden wij ons in massa, als om strijd, naar de aanwezige landkaart ter overtuiging in welke richting de plaats lag en wat afstand het ongeveer was. Gij moet weten, dat wij dergelijke inlichtingen niet kregen van onze aanvoerders. – De landkaart gaf ons al spoedig maar al te wel zekerheid, waar naar toe en in welke richting het zou gaan. – En tot aller verbazing bedroeg de afstand, die wij moesten afleggen, ongeveer 800 uren (zegge achthonderd uur.) De schrik sloeg ons wel wat om ‘t hart bij ‘t vernemen hiervan, omdat de toestanden in de binnenlanden huiveringwekkend werd afgemaald en, waarvan ook wij trouwens al een kleine voorproef hadden ondervonden. Naar het diepe binnenland dus, dat voor het meerendeel nog door negerbevolking wordt ingenomen.

Gedreven door de hoogst mogelijke belangstelling, wat ons daar te doen en te wachten stond, namen wij schoorvoetend het kloek besluit ons tot den chef onzer meerderen te wenden met de vraag, wat men op die ver van de kust gelegen plaats met ons voor had. Het antwoord luidde welwillend; wij kregen bemoedigende gegevens en wel: Gij gaat per spoor tot Tucumán en zult daar werkzaam zijn op ‘t gebied van landbouw en wel tegen een winst van een derde der oogst. Een vonk van hoop schoot er door de ziel bij het aanhooren dezer billijke voorwaarden en was spoedig bij machte de moeilijkheden der af te leggen groote reis en de pijnlijke onzekerheid die ons te wachten stond, te doen veranderen in de zoete hoop op welslagen. En met die gevoelens bezield werden wij al spoedig als eene groote kudde gewillige lammeren in spoorwagens gestopt, om de reis te aanvaarden. En voort ging het, voort met groote snelheid. ‘t Was alsof de locomotief er tegen hijgde en dampte en fluitte, om ons ten allerspoedigste te doen ontnuchteren; want een ontnuchtering zoude volgen, waarvan wij, die in die oogenblikken alleen op de vleugelen der hoop zweefden, nog niet het minste vermoeden hadden en niet hebben konden: wij waren immers door autoriteiten aangenomen, onder de aannemelijkste conditiën en hadden geen reden, om slechte vermoedens te koesteren. Toch gingen wij, zooals later spoedig gebleken is, met groote snelheid een noodlot tegemoet! Nadat wij dan op een zekeren avond te acht ure te Buenos•Ayres in den spoortrein plaats hadden genomen, reden wij den geheelen nacht door; velen slapende met het hoofd rustende op hun plunje, anderen sluimerende of wakende bij hunne zwaarmoedige vrouwen en schreiende kinderen. Weer anderen zongen, of beter gezegd schreeuwden allerlei soort straatliedjes van minder aangenaam gehalte, waarvan de echo’s nog meer ontstemd werden door vloeken en zwetsen in verschillende talen en van verschillende volkeren, zoodat de indruk, die wij kregen onder dat gezelschap hoogst onaangenaam voor ons was. Wij waren dan ook recht blijde, dat de trein den volgenden morgen te 7 ure stand hield aan het station te Rosario, waar we order kregen, om uit te stappen en daar dien dag te blijven.

‘t Was juist op een Zondagmorgen en dat was eigenlijk een milde vergoeding voor het leed, dat ons den gepasseerden nacht gebracht had. Niet waar? de Zondagmorgen toch heeft altijd iets plechtigs – iets verhevens in zich, waarvoor men eigenlijk geen woorden kan vinden. Eerst als men zich in eene combinatie bevindt van zóóveel verschillend volk , waarvan de groote massa niet vatbaar schijnt te zijn voor eenigerlei indrukken, die op de ziel een zoo gunstigen indruk kunnen uitoefenen, eerst dàn kan men gevoelen, wat het is iets in zich om te dragen, dat tot groote en ernstige vraagstukken leidt. Dan zij bij dezen alle eer gebracht aan en hartgrondig toegejuicht: het vrije Nederland, waar de gevoelens omtrent kerk en school geheel tolvrij zijn. Hoeveel anders toch is het op dat gebied gesteld in verschillende streken van het buitenland, waarvan wij in ‘t bizonder de ondervinding opdeden niet alleen op dezen tocht, maar eveneens in den dagelijkschen omgang. Lichtzinnig als de groote massa op godsdienstig gebied was, kwam dat gebrek eveneens in al hun handelingen te voorschijn. Om iets te noemen b.v., werd bij het minste trachten onzerzijds, om een gesprek op godsdienstig terrein te brengen, niet zelden met hoon en spot bejegend. Echter belette dit niet aan ons, in gezelschap van nog eenige Hollanders, onze redeneeringen voort te zetten en hieven wij op genoemden Zondagmorgen uit den grond onzer harten aan de schoone verzen van Psalm 84.

In Rosario vertoefden wij tot den volgenden morgen. Te 9 ure stond er wederom een lange trein gereed in de richting van Cordoba. Weder ging het op dezelfde wijs als de vorige rit: de wagons boordevol geladen en de combinatie van ruwe mannen, bleeke vrouwen en schreiende kinderen niet minder afstootelijk als de vorige nachtrit. Ja het was goed bezien nog veel grooter verwarring dan bij de inlading te Buenos Ayres, wijl te Rosario nieuwe drommen volks bij onze massa werden aangesloten. Weder zette de trein zich in beweging en ging het met duizelingwekkende snelheid zonder eenig oponthoud door tot des avonds aan het station Cordoba. Lk zal maar niet meer over de ongemakken, die zulk reizen opleveren, gewagen. Zoo gij ooit eene groote spoorreis gemaakt hebt in uw burgerlijken stand, hebt ge wellicht wel uw nooden geklaagd en van verveling gesproken, en kunt er dan dus iets van weten, doch hoeveel temeer woog dan niet bij ons de zwarigheid: Wij, die op kosten van – ja van wien – van spekulanten, of van den staat, of van wie of wat ook, konden wij het weten? moesten reizen aan een karavaan slaven vrij gelijk. Nog eens: ik zal het u sparen de moeilijkheden aan zoo’n reis verbonden, haarklein te omschrijven.

Ik laat een en ander liever aan uwe verbeelding over. Des avonds in Cordoba. Alsof het een reusachtige slang was, zich kronkelende en buigende langs helling en spleet, zoo bewoog zich de geheele sombere massa langs hoogten en laagten in de richting van het even groote als sombere emigrantenhuis, om daarin voor den volgenden nacht te worden geherbergd.
Natuurlijk werd het ons niet gegund om de stad en deszelfs omstreken van naderbij te bezien, waartoe wij echter, zooals gij begrijpt, ook al weinig lust gevoelden. “Gjj hebt na zoo’n vermoeiende reis des nachts zeker heerlijk kunnen slapen!” zult ge wellicht vragen, en die vraag is dan ook niet misplaatst en onnatuurlijk, doch als gij weet, dat het op een houten batterij, waar eigen plunje moest dienen voor dekking, alles behalve aangenaam is en zoo’n sobere slaapplaats iemand nog benijdt wordt door wandgedierte bij dozijnentallen – dan behoef ik wel niet te zeggen, dat de nacht slapeloos werd doorgebracht. Het was dan ook een algemeene blijdschap, toen wij des Dinsdagsmorgens weder konden vertrekken: altijd de hoop omhelzende: spoedig zal alles wel beter worden. Als wij straks in Tucuman waren en daar tegen een derde der oogst aan het werk kwamen, gelijk de belofte was – dat kon alles weder goed maken – dat goede vooruitzicht temperde alle leed.

Zoo werden wij dan des Dinsdagsmorgens vroeg weder ingeladen, om voor goed zoolang te blijven zitten, tot dat we Tucumán bereikt hadden. Nu ik al reeds genoeg akelijks van zoo’n reis gezegd heb en ik vrees u te beginnen vervelen als ik in herhaling treed of, dat ik dat laatste (eindje) reis nog ijselijker afschilder dan het vorige, zal ik maar besluiten met alleen te zeggen, dat wij dien Dinsdag en den daaropvolgenden nacht achtereenvolgens doorspoorden zonder eenige verpoozing. Dit alleen moet ik nog even aanstippen, dat er mannelijke standvastigheid bij te pas kwam zich zelf in die mate te verloochenen, om kracht en lust aan den dag te leggen, aan vrouw en kinderen moed in te spreken en hen op te wekken. Zoo stonden wij dan des Woensdagsmorgens bij het station te Tucumán, waar wij zouden blijven wonen. Hoe zal men het nu aanleggen en waar zullen onze woningen zijn, om in den landbouw werkzaam te wezen tegen 1/3 der op te brengen oogst? die vraag stelde de een tegen den ander, want wij zagen rondom ons niets dan uitgestrekte bosschen. Doch vóórdat ons die vraag opgelost werd, zouden wij nog eerst op proef worden gesteld, om in massa te verblijven in een emigrantenhuis en onder dezelfde omstandigheden als in de vorige. En wederom bewoog zich de groote massa om, uitgehongerd als ieder was, maar spoedig onder dak te komen, waar in de eerste plaats voedsel zou worden verstrekt aan dat tal van hongerige magen.

Ik moet u ronduit zeggen dat, hoeveel behoefte mijn lichaam ook had aan versterkende spijs, ik toch geen lust gevoelde het noodige naar binnen te krijgen, wijl de zorg over mijne doodlijk afgematte vrouw en kinderen mij alle lust tot eten benam en heimelijk begon te twijfelen aan welslagen onzer toekomst. En waarom ? Och wij hadden in de laatste tijden zóóveel teleurstellingen ondervonden, die bij goed doorzien onzerzijds wel moesten geweten worden aan de werkgevers, die willekeurig met ons lot omsprongen. Is het dus te verwonderen, dat wij soms aan de toekomst wanhoopten – onze toekomst, die we elkander bij de aanvaarding onzer groote reis zoo heerlijk hadden voorgespiegeld! Neen voorzeker.
Hoe gaarne zouden wij niet een tipje hebben willen oplichten van het gordijn, dat ons zoo geheimzinnig scheidde van die toekomst, al ware het slechts alleen, om zekerheid te hebben, welkeen weg wij thans zouden moeten inslaan. Doch wij zullen blijven berusten in ons lot en hopen, dat de belofte den werkgevers niet mag falen om tegen goeden arbeid het aangeboden loon te mogen erlangen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *