Op zaterdag 10 december 1938 hield de Kring Limburg van de R.K. Staatspartij in Roermond een vergadering met als thema ‘Werkloosheid en emigratie’. Sprekers waren de Limburgse rijkslandbouwconsulent Jules Dewez en pater Charles Donker CssR. Terwijl Dewez bestrijding van de werkloosheid centraal stelde, ging Donker, die van 1924 tot 1935 in Brazilië had gewerkt als missionaris, vooral in op de geschiktheid van dit land als vestigingsplaats voor Nederlandse boeren: ‘Voor ons is het dan ook de vraag niet meer is Brazilië geschikt voor emigratie van Hollandse boeren wat klimaat en grond betreft. Daarvoor staat borg de meer dan 4 millioen emigranten, die de laatste 50 jaren uit alle landen van Europa, niet het minst uit Duitschland, Oostenryk en Zwitserland naar Brazilië overstaken. Hoe ze zich ‘maakten’ daarvoor getuigen de bloeiende steden vooral in de meer Zuidelyke staten Rio Grande do Sul, Santa Catharina, Sao Paulo…’
De import waar Brazilië het meest behoefte aan had waren arbeidskrachten. Al het overige was aanwezig. ‘Alleen de handen ontbreken om de vruchtbaarheid van bodem en klimaat in wasdom en vruchten om te zetten. Handen ontbreken om de mineralen van allerlei soort uit de grond te wroeten en in fabrieken tot bruikbaar materiaal om te zetten. Wat echter boven alles gevraagd wordt: boerenbevolking. Met name São Paulo kan jaarlijks 300.000 immigranten gebruiken. Het klinkt bijna ongelooflijk.’ Hollandse boeren zouden daarom ‘uiterst welkom zijn’. Donker: ‘Uitgerust met theoretische en praktische kennis, van landbouw en veeteelt, kweekers van het rasvee, taai in het ontwoekeren van grond aan de zee, de eeuwige vijand, arbeidzaam, proper en vooral wars van ideologieën, dat zijn zoo onder andere de epiteta, welke de Braziliaan op de Hollander toepast. Geen wonder dat de Braziliaansche regeering, die haar land gaarne zo spoedig mogelijk degelijk geëxploiteerd wil hebben, niets liever zou zien dan de spoedige overkomst van een groot aantal Nederlandsche boerenfamilies.’
De partijvergadering werd afgesloten met een motie waarin de katholieke Tweede Kamerfractie werd verzocht er bij de regering op aan te dringen op korte termijn de mogelijkheid te scheppen voor een geordende emigratie en ruime kolonisatie naar de zogenaamde ABC-landen [Argentinië, Brazilië en Chili] van Zuid-Amerika. Donker sloot zijn betoog als volgt af: ‘Geachte vergadering. God heeft de kathedraal dezer wereld ontworpen en gebouwd voor alle menschen. Er zijn nog pracht van plaatsen steeds onbezet. Midden onder de heerlijk blauwe koepel van de Zuid-Amerikaansche hemel, waar het getemperde warmte van zijn lieve zon kleurrijk valt door de verbluffende rijkdom der natuur. Voor alle menschen, zijn kinderen; een kind heeft het recht binnen te komen en een plaats te bezetten. Waarom staan zij, die binnen zijn, zich te verdringen bij de ingang en beletten de duizenden, die buiten zijn, om binnen te komen? Laten we de rijen openen en doorgang verleenen aan hen, die er om smeeken, opdat ze een plaats innemen vooraan onder de blauwe koepel v.h. rijken land, waar ze schouwen midden in het gouden hart van Gods Goedheid.’
Bronnen:
– Inleiding ter gelegenheid van de Kringvergadering Kring Limburg der RKSP, 10 december 1938, KDC, Losse archivalia (LARC), inv.no. 7198.
– Nieuwe Venloosche Courant, 12 december 1938.
Iedere Braziliaan, maar ook veel Nederlanders zullen de naam van de stad Pirassununga vooral associëren met het getal 51. Deze stad, die 200 kilometer ten noorden van São Paulo ligt en 120 kilometer van Campinas, is vooral bekend als producent van cachaça. Als het aan Pieter Cornelis van Scherpenberg – later één van de wegbereiders van Holambra – had gelegen, was hier reeds aan het einde van de jaren dertig een kleine groepsvestiging van katholieke emigranten gesticht.
Begin 1937 presenteerde Van Scherpenberg tezamen met zijn neef Herman François Waller, directeur van de Gist- en Spiritusfabriek te Delft, aan de Nederlandse emigratieorganisaties een plan voor de vestiging van een kolonisatiecentrum nabij Pirassununga. Waller verklaarde dat hij als groot-werkgever de werkloosheid in Nederland met lede ogen had zien toenemen en tot de overtuiging was gekomen, dat een goed geleide emigratiepolitiek enige uitkomst zou kunnen brengen. Op voorstel van zijn neef Van Scherpenberg, die Brazilië had bezocht, had hij de hand weten te leggen op de Fazenda São Joaquim, groot ± 1285 hectares. Met name de voorzitter van de R.K. Emigratievereeniging, mr. Henri van Haastert, was zeer geïnteresseerd. Uit navraag was hem gebleken dat het met de geestelijke verzorging wel goed zat. In het stadje Pirassununga was een post gevestigd van de Nederlandse Missionarissen van het Heilig Hart (MSc), met een eigen kerk en school. Verder lag er in de nabijheid van de fazenda een station met een goede treinverbinding met São Paulo.
Het land was weliswaar heuvelachtig, maar alle hellingen waren geschikt voor bewerking met paard en ploeg. De grond en de watervoorziening was goed. Een deel van het land was met koffiestruiken beplant, maar deze struiken leverden door de crisis en de ouderdom van de struiken geen winst meer op en dienden te worden vervangen door andere gewassen. Er waren goede afzetmogelijkheden. Verder had een melkveebedrijf met een kleine zuivelfabriek alle kans van slagen. De melk kon in de omliggende steden, of gepasteuriseerd in de stad São Paulo worden verkocht. Ook de productie van boter en kaas bood goede winstmogelijkheden. Verder was het een goede streek voor het vetmesten van varkens met maïs. Aan Nederlandse emigranten, ook zij die minder kapitaalkrachtig waren, zou de mogelijkheid worden geboden om in betrekkelijk korte tijd een eigen bedrijf te verwerven. Om vertrouwd te raken met de Braziliaanse landbouw en om van het begin af aan verzekerd te zijn van een bestaan, zouden net gearriveerde emigranten te werk worden gesteld op het centrale bedrijf. Verder zou de kolonist de beschikking krijgen over een vrije overtocht vanuit Rotterdam via Santos naar de Fazenda en een vrije woning voor de tijd dat hij werkzaam was als arbeider. Ook zou hij van meet af aan de beschikking krijgen over een stuk land voor het verbouwen van rijst, mais en aardappelen en een weiland voor het houden van enkele stuks vee.
Van Haastert noemde het kolonisatieplan ‘in het algemeen zeer goed en aantrekkelijk’. Hij was dan ook voornemens het bestuur van de R.K. Emigratievereeniging bijeen te roepen om een beslissing te nemen en eventueel te beginnen met de selectie van emigrantenfamilies. Zover kwam het niet. De R.K. Emigratievereeniging moest in eigen kring opboksen tegen negatieve opvattingen over emigratie. Bovendien had de vereniging geen geld. Tijdens een partijvergadering van de R.K. Staatspartij op 10 december 1938 verklaarde de missionaris pater Charles Donker , dat de vereniging voor 150.000 gulden een ‘prachtkans’ laten lopen. ‘Maar ’t geld was niet te krijgen!’ Volgens pater Donker had het de eerste vaste voet kunnen zijn voor een kolonisatie op grote schaal. ‘Het geïnvesteerde kapitaal kon hier langzamerhand terugvloeien en dienen voor aankoop van nieuwen grond voor uitzending van nieuwe kolonisten. Blijvende werkverschaffing, met een heerlijken achtergrond van eigen bezit en eigen gezin.’
Bronnen:
– H. van Haastert, Nota betreffende een plan tot het stichten van een kolonisatie-centrum in Brazilië in Gemeente Pirassununga in de staat São Paulo, 6 maart 1937. KDC, Archief KNBTB, inv.no. 7553.
– Inleiding ter gelegenheid van de Kringvergadering Kring Limburg der RKSP, 10 december 1938, KDC, Losse archivalia (LARC), inv.no. 7198.
– Nieuwe Venloosche Courant, 12 december 1938.
150 jaar groepsmigratie tussen integratie en identiteit
Over de Nederlandse groepsmigratie is in de afgelopen decennia al veel literatuur verschenen. Zowel historici – waaronder ikzelf -, antropologen, sociologen, landbouwkundigen en geografen hebben dit verschijnsel dat zich nergens anders in die omvang heeft voorgedan, aan een serieuze studie onderworpen. Bovendien hebben ook de emigranten zelf hun geschiedenis te boek gesteld en zijn er ook enkele journalistieke werken over de Nederlandse groepsvestigingen verschenen.
Opvallend is dat er nauwelijks pogingen ondernomen zijn voor een integrale benadering van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië. Het boek Praktijk en patroon van recente Nederlandse groepsmigraties van Willem van der Mast is een uitzondering, maar dateert alweer van 1963. Ook Kees Wijnen’s rapport De Nederlandse agrarische groepsvestigingen in Brazilië uit 2001 is een integrale studie, maar focust zich vrijwel uitsluitend op landbouwkundige ontwikkelingen. Alle andere studies hebben in de regel één of enkele groepsvestigingen tot studieobject. Inmiddels is de omvangrijke reeks boeken verder verrijkt met nieuwe werken over Carambeí, Gonçalves Junior, Holambra I en Campos de Holambra (Holambra II). Hoewel nieuw onderzoek in Nederland en in Brazilië meer licht zal werpen op de afzonderlijke groepsvestigingen en ongetwijfeld ‘untold stories’ aan het licht zal brengen, is er alle aanleiding om een geïntegreerde geschiedschrijving van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië te entameren. In het navolgende wil ik daarvoor een korte opzet schetsen aan de hand van reeds verschenen literatuur. Daarna zal ik mijn bijdrage afsluiten met enkele opmerkingen over de integratie van de Nederlandse groepsvestigingen in de Braziliaanse samenleving.
De geschiedenis van de Nederlandse emigratie naar Brazilië sinds de onafhankelijkheid in 1822 omvat drie fasen:
Groepsmigratie als resultaat van het opereren van Braziliaanse propagandacommissies in Nederland (1858-1940).
Georganiseerde groepsmigratie als resultaat van nauwe samenwerking tussen Nederlandse en Braziliaanse overheden (1940-1970).
Spontane vestiging (1970-heden).
1858-1940 De eerste fase begint in 1856 als vanuit de deelstaat Espírito Santo de Associação Central de Colonização (ACC) met behulp van het emigratiekantoor Steinmann & Co uit Antwerpen inschakelde om propaganda te maken voor nieuwe landbouwkolonies. Met beloftes van een vrije overtocht en een stuk grond tegen aantrekkelijke voorwaarden werden tussen 1858 en 1862 Zeeuwse landarbeiders naar Brazilië gelokt. Van enkele vestigingen in Espirito Santo zijn 150 jaar na dato amper sporen van Nederlandse aanwezigheid terug te vinden. De betrokken families zijn óf verder getrokken of volkomen geassimileerd en hoogstens herkenbaar aan verbraziliaanste achternamen. Alleen de kolonie Holanda, waar zich nazaten van emigranten van emigranten uit Zeeuws-Vlaanderen bevinden, heeft de tand des tijds weten te doorstaan. De groep wist amper het niveau van zelfvoorziening te ontstijgen en wist wonderwel zijn Nederlandse identiteit te handhaven. Heden ten dage spreken nog enkele nazaten een Zeeuws-Vlaams dialect. Hun lotgevallen zijn in 2008 opgetekend door Ton Roos en Margje Eshuis onder de titel Op een dag zullen ze ons vinden.
In 1908 kwam een nieuwe propagandacommissie – ditmaal opgezet door de Braziliaanse federale overheid ‑ met vergelijkbare verhalen naar Europa en wist in de periode 1908-1910 ruim tweeduizend Nederlandse emigranten naar Brazilië te lokken. De emigratie werd bovendien gestimuleerd door de geregelde bootdienst die de Hollandsche Lloyd net begonnen was met bestemming Zuid-Amerika. De emigranten vestigden zich in de centrale deelstaat Minas Gerais en de twee zuidelijke deelstaten Rio Grande do Sul en Paraná. De bekendste nederzetting waar Nederlandse emigranten zich vestigden was Gonçalves Junior in de deelstaat Paraná. De berichten over misstanden in de kolonies waren voor de Nederlandse regering aanleiding om ongeveer 1000 emigranten te repatriëren. Voor veel emigranten kwam dit te laat. Zij waren al door ziekten en slechte voeding gestorven en van het opzetten van een eigen landbouwbedrijf kwam meestal niets terecht in een nog onontgonnen en geïsoleerd gebied. Gonçalves Junior kreeg bij de Nederlandse emigranten de dubieuze naam ‘het vrouwenkerkhof’. Over deze emigratiegolf publiceerden Ruth en Willem Kiewiet uit Carambeí in 2011 een rijk geïllustreerd boek.
De stichting van Carambeí vloeide voort uit het mislukken van Gonçalves Junoir. Enkele families, aangevuld met nieuwkomers uit het Zuidhollandsche ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer, begonnen in 1911 een nieuwe vestiging op grond die voor hen beschikbaar was gesteld door de ‘Brasil Railway Company’. Carambeí, door Kees Wijnen gerekend tot de projectvestigingen, was van oorsprong een spontane vestiging, die door zijn homogene karakter – de meeste emigranten waren van gereformeerde komaf en hebben een eigen kerk, eigen scholen en later ook een coöperatie gesticht – na 1945 werd gerekend tot de grote Nederlandse landbouwkolonies.
1940-1970 De tweede fase van de Nederlandse emigratie naar Brazilië begint na 1945 als kerkelijke en maatschappelijke groeperingen in Nederland op zoek gaan naar mogelijkheden voor groepsvestigingen. De katholieken waren de eersten die hierin slaagden met de stichting van Holambra I in 1948 in de deelstaat São Paulo. Gereformeerde boeren uit Noord-Nederland, mede geholpen door de Christelijke Emigratie Centrale en de bestaande kolonie Carambeí volgden in 1951 met de stichting van Castrolanda op circa 35 kilometer afstand van Carambeí. In beide projectvestigingen vormde naast de kerk de door hen opgerichte coöperatie het middelpunt van de gemeenschap. In 1960 werd vanuit Carambeí en Castolanda een vervolgnederzetting opgezet nabij Arapotí, waar zich ook nieuwe emigranten uit Nederland vestigden. Dit gebeurde nog hetzelfde jaar ook vanuit Holambra I, wat leidde tot de stichting van Holambra II.
Eén projectvestiging komt amper meer ter sprake en dat ligt vooral aan het feit dat deze in het begin van de jaren zeventig is opgeheven. In 1949 stichtte een groep vrijgemaakt-gereformeerde boeren in de deelstaat Paraná de groepsvestiging Monte Alegre. De emigranten hadden de grond die zij bewerkten niet in eigendom en moesten toen de papierfirma Klabín de pacht opzegde, de kolonie verlaten. Pogingen om een nieuwe vestigingsplaats te vinden liepen op niets uit, waarna de groep zich gedwongen zag terug te keren naar Nederland. Ook de lotgevallen van deze emigranten vragen om serieus historisch onderzoek.
Molen “Povos Unidos”, Holambra.
Ook in deze tweede fase was sprake van spontane vestiging. Deze kwamen voort uit de interne moeilijkheden die Holambra I in de eerste tien jaar heeft moeten doorstaan. Een grote groep vestigde zich tussen 1951 en 1953 in Rio Grande do Sul in de nabijheid van Não Me Toque. Een deel van de emigranten keerde later terug, terwijl anderen een grote materiële welvaart wisten te realiseren. Van grote onderlinge samenhang was geen sprake. Met een coöperatie hadden ze slechte ervaring. In 1953 vestigde zich een kleine groep voormalige katholieke Holambra-boeren zich in Tronco, in de nabijheid van Carambeí en Castrolanda terwijl in 1959 een groep zich in het kustgebied van de zuidelijke deelstaat Santa Catarina vestigde.
1970-heden Na 1970 begon een nieuwe fase van spontane vestiging. Hier ging het om boeren die verspreid in de nabijheid van een stad bedrijven stichten. Ze kenden in de regel weinig of geen gemeenschappelijke verenigingen of instellingen. Vaak zijn het kinderen van emigranten in de oudere groepsvestigingen die hun vleugels uitslaan, soms aangevuld met nieuwe emigranten. De oudste van dit type vestigingen waren Maracajú in de deelstaat Mato Grosso do Sul en Paracatú in Minas Gerais, beide opgericht in 1972. In 1985 volgden Rio Verde in de deelstaat Goias en Brasolândia in de deelstaat Minas Gerais, en in 1995 Balsas in de noordelijke deelstaat Maranhão. De groep boeren van Nederlandse komaf in Maracajú kent een gemengde komaf. Hierbij waren emigrantenkinderen betrokken uit zowel Não Me Toque, de Paraná-kolonies en de Holambra’s. Paracatú werd opgezet vanuit Não Me Toque. In Rio Verde vestigden zich emigrantenkinderen uit de beide Holambra’s terwijl in bij de vestiging Balsas emigranten uit Carambeí, Castrolanda en Arapotí waren betrokken. De vestiging Brasolândia (Unaí) verdient bijzondere aandacht, omdat het hier gaat om een groep vrijgemaakt-gereformeerden, waaronder familieleden en kennissen van de groep emigranten die eerder gevestigd waren in de opgeheven nederzetting Monte Alegre.
Vergelijking Door in plaats van geschiedenissen te schrijven van afzonderlijke groepsvestigingen of uit te gaan van de religieuze gezindheid van groepsvestigingen – dus alleen een geschiedenis van de protestantse vestigingen in Paraná of de katholieke Holambra’s in de deelstaat São Paulo, ontbreekt de mogelijkheid om vergelijkingen te maken tussen nederzettingen die in dezelfde periode zijn ontstaan en die desalniettemin een andere ontwikkeling hebben doorgemaakt. Zelf heb ik 25 jaar geleden onderzoek gedaan naar de bewogen ontstaansgeschiedenis van Holambra I. Castrolanda werd in dezelfde tijd gesticht maar is interne scheuringen bespaard gebleven. Ligt dit in de verschillen in aanpak van de selectie van emigranten, de homogeniteit van de groep of speelde de factor religie hierin een doorslaggevende rol? Feit is wel dat in beide groepsvestigingen sprake was van aanvangsmoeilijkheden, waarbij Castrolanda kon steunen op kennis, ervaring en financiële ondersteuning van Carambeí. Ook de ontwikkelingen in Arapotí en Holambra II lenen zich voor een vergelijking.
Integratie en identiteit De wijze waarop een groepsvestiging was georganiseerd, de sociaal-economische status en ook vooral de kerkelijke denominatie van de emigranten waren in belangrijke mate bepalend voor de integratie in de Braziliaanse samenleving. Het sociaal-economische isolement stelde de nazaten van de Zeeuwse emigranten in Holanda, Espirito Santo in staat hun Nederlandse identiteit na zes generaties in stand te houden. De verbetering van de infrastructuur en de stichting van sociale voorzieningen, zoals onderwijs, zorgt ervoor dat heden ten dage die identiteit onder druk komt te staan en het dus onwaarschijnlijk is dat er over enkele decennia in de binnenlanden van Espirito Santo nog een Zeeuws-Vlaams dialect wordt gesproken.
Voor de latere vestigingen geldt dat de Nederlandse identiteit het sterkst wordt beleefd in de coöperatief georganiseerde landbouwvestigingen en in mindere mate op de verspreide vestigingen, zoals Não Me Toque en de meeste spontane vestigingen van na 1970. De emigranten in deze vestigingen maken deel uit van een grotere gemeenschap van mensen met een uiteenlopende herkomst. In enkele vestigingen is sprake van enkele gemeenschappelijke activiteiten, maar de infrastructuur die de vijf projectvestigingen kennen, ontbreekt.
In de vijf projectvestigingen zijn de emigranten en hun kinderen niet alleen sociaal-cultureel met elkaar verbonden, maar ook zijn zij economisch op elkaar aangewezen. Bovendien wordt het wij-gevoel versterkt door eigen kerken, winkels, sportvoorzieningen, scholen e.d. Tussen de coöperatieve landbouwvestigingen is bovendien een verschil waarneembaar tussen de katholieke Holambra’s en de protestants-christelijke kolonies in Paraná. Heden ten dage beroepen zij nog steeds Nederlandse dominees, terwijl de tijd dat het religieus leven op de Holambra’s bepaald werd door Nederlandse paters en zusters al enkele decennia achter ons ligt. Voor de Holambra’s geldt overigens dat al vanaf de jaren zeventig gemengde huwelijken tussen emigrantenkinderen en Brazilianen gemeengoed zijn geworden; in de protestants-christelijke groepsvestigingen ligt dit gezien het religieuze verschil gevoeliger. Ook de Nederlandse taal weet zich hierdoor beter te handhaven dan op de katholieke Holambra’s.
Voor de meeste Nederlandse groepsvestigingen geldt bovendien dat het sociaal-economisch succes een kloof gecreëerd heeft. De emigranten zijn vaak eigenaar van grote landbouwbedrijven, terwijl de Brazilianen als landarbeider of werknemer bij hen in dienst zijn. Pas met de komst van goedopgeleide Brazilaanse werknemers ontstond er een meer gelijkwaardige positie tussen de Nederlanders en een deel van de Braziliaanse bevolking. Het ligt in de verwachting dat deze kloof langzaam gedicht wordt. Toen ik 25 jaar geleden een jaar op Holambra I verbleef constateerde ik dat de oude generatie nog duidelijk Nederlands was, maar de tweede generatie een mengelmoes was van Nederlandse en Braziliaanse invloeden, een verschijnsel dat we in Nederland ook aantreffen bij de tweede generatie allochtonen.
Campos de Holambra
Terwijl in spontane vestigingen de Nederlandse identiteit langzaamaan minder zichtbaar zal worden, is dit op de vijf projectvestigingen nog niet het geval. Integendeel, uit commerciële overwegingen wordt die identiteit juist opgepoetst. Mede aangespoord door Braziliaanse politici, worden de groepsvestigingen getransformeerd tot toeristische trekpleisters, waarbij ook Brazilianen zich een Nederlandse identiteit aanmeten. Het zou me niets verbazen als zij ook deelnemen aan het klompendansen en allerlei Nederlandse attributen, zoals Delfts blauw, klompen en molentjes verkopen. De Nederlandse identiteit wordt daarmee deel van de culturele diversiteit die de Braziliaanse samenleving kenmerkt.
Kerkelijke ontwikkelingen Tot slot nog enkele opmerkingen over de Nederlandse protestantse inbreng in Brazilië. Carambeí, Castrolanda en Arapotí stonden aan de wieg van de Braziliaanse zusterkerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Igrejas Evangelica Reformadas do Brasil (IER). Binnen het enorme land is het maar een kleine religieuze entiteit van 2500 lidmaten, die bovendien nauw gelieerd is aan de Nederlandse agrarische groepsvestigingen. Buiten deze vestigingen zijn er inmiddels enkele zendingskerken ontstaan.
De Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) kenden in Brazilië een heel bewogen geschiedenis. De in de jaren zeventig opgeheven nederzetting Monte Alegre nam zowel in de Braziliaanse samenleving als ook binnen de Nederlandse groepsvestigingen een geïsoleerde positie in. Aangezien de vrijmaking in Nederland nog vers in het geheugen lag, was aansluiting van hun kerk bij de IER niet aan de orde. De houding binnen de emigrantengroep tegenover integratie was ronduit negatief. Illustratief is waren de woorden van hun dominee Los: ‘Wie naar Brazilië emigreert, blijve Nederlander!’ De groep beschouwde zich als een op zichzelf staande gemeenschap, wier leden op elkaar waren aangewezen. Omgang met de inheemse bevolking werd niet mogelijk geacht. Net als de andere projectvestigingen heeft ook Monte Alegre eind jaren vijftig pogingen ondernomen om een vervolgnederzetting op te zetten. Begin jaren zeventig werd de kolonie zoals gezegd opgeheven. Van der Mast concludeerde in zijn studie over groepsmigraties dat deze groep emigranten het verkeerde land van vestiging heeft gekozen.
Kerk in Castrolanda
Bij de stichting van de Brasolândia in 1985 hebben de vrijgemaakte geloofsgenoten gekozen voor een meer open nederzetting temidden van de Braziliaanse bevolking. Ook de kerk die zij in 1991 gesticht hebben was minder geïsoleerd. Allereerst heeft men een Braziliaanse predikant aangesteld; bovendien heeft de kerk zich in 2002 aangesloten bij de Igreja Reformada do Brasil, een vrijgemaakt-gereformeerd kerkgenootschap, die het resultaat was van de zendingsactiviteiten van Nederlandse en Canadese zusterkerken in het noorden en en zuiden van Brazilië. Toch vormt ook de IRB met ongeveer 500 lidmaten een kleine geloofsgemeenschap die nog veel zendingswerk zal moeten verrichten om dieper te wortelen in de Braziliaanse samenleving.
Besluit In het voorgaande heb ik willen aantonen dat integratie in de Braziliaanse samenleving afhankelijk is van drie factoren, namelijk de mate van geslotenheid van een groepsvestiging, de religieuze identiteit van de emigrantengroep en de sociaal-economische positie. Van geslotenheid is momenteel nauwelijks meer sprake, wel kan een combinatie van materiële welvaart en een afwijkende religieuze identiteit remmend werken op het integratieproces. Anderzijds biedt Brazilië voldoende ruimte voor uiteenlopende nationale en religieuze tradities. Het land is immers een toonbeeld van culturele diversiteit. Daarin is uit commerciële en toeristische overwegingen volop ruimte voor het oppoetsen van het Nederlandse karakter van de groepsvestigingen.
Deze bijdrage is een geactualiseerde versie van een lezing gehouden tijdens een studiedag van de Christelijke Emigratie Centrale op 24 april 2009 te Utrecht.