Documentaire ‘Novo Começo’ in première

Op zondag 15 juni a.s. gaat de documentaire ‘Novo Começo’ in première. Dit werk van de jonge filmmaker Martijn van Eijck handelt over de bewogen beginjaren van Holambra en het vertrek van Holambra-boeren naar Paraná. Van Eijck is zelf kleinkind van voormalige Brazilië-emigranten. Zelf heb ik ook aan de film meegewerkt in mijn rol als ‘historisch deskundige’. Hieronder volgt een voorproefje van de film.

http://vimeo.com/95267526

‘Velen hebben geen hart voor de zaak’

In het tweede deel van zijn brief van 14 december 1950 ging de anonieme briefschrijver uit Diessen in op de moeilijkheden waarin de Fazenda Ribeirão verkeerde. Hij staat ook stil bij de opmerkelijke rol die tijdens de afwezigheid gespeeld werd door Jan Geurtsen. Samen met zijn broer Gerard Geurtsen was hij in juli 1950 op de fazenda gearriveerd met de intentie om te kijken of ze er een machinefabriek zouden kunnen beginnen. Na een aantal maanden keerden de broers terug naar Deventer om daar hun machinefabriek voort te zetten. Veel emigranten op de fazenda betreurden het snelle vertrek van de broers. In hun ogen hadden zij de zieltogende groepsvestiging van de ondergang kunnen redden. Tijdens de moeilijkheden in de jaren 1951-1953 ontvingen zij veel brieven van emigranten die problemen hadden met het saneringsbeleid van Charles Hogenboom.

Jan Geurtsen
Jan Geurtsen

“Dat er hier moeilijkheden zijn, wat de ontwikkeling van de coöperatie belemmert, is volkomen juist. Schrik maar niet. Wat zijn eigenlijk moeilijkheden en wat is er de oorzaak van en hoe zijn ze te verhelpen. Dit zijn drie grote vragen, maar afijn ik zal ze trachten te beantwoorden. Moeilijkheden is iets, wat uit menselijk oogpunt bezien anders moet zijn, wat hen direct tegenstaat, misschien in persoonlijk geval enz. enz. (…) De hier bestaande moeilijkheden zijn: een groot gebrek aan geld of crediet, grove fouten in de leiding, de boer in dienst van de coöperatie, de slechte sortering in Holland, zodat hier mislukkelingen zitten die duizenden guldens in de kelder hebben gejaagd, gebrek aan materialen en degelijke goede werkkrachten, ik bedoel mannen en vrouwen uit een stuk.
Zeker Dorus er is gebrek aan geld en veel ook, het is veel te groots opgezet, er is gesmeten met geld. Afdelingschefs die diploma’s die theorie en geen, maar dan ook helemaal geen praktijk hadden of hebben zijn hier meest de oorzaak van, die door de hoge oomes de hand boven het hoofd worden gehouden, toen en nu nog, ook al is de hele zaak er lijnrecht tegen.
Toen J. Geurtsen hier het hoofd op stak, die leiding nam, een kerel uit één stuk, die reëel en recht door zee ging, die in de bestuursvergaderingen zich noch voor Heijmeijer noch voor Miltenburg enz. stil hield, die er op hamerde en doorzette, werd nadien stil en stiekem des nachts bij Litjens naast de dagvergaderingen vergadert, zodat hij er vanzelf niet bij was. Het is al zover geweest, dat ze tegen Heijmeijer een motie van wantrouwen hebben ingediend. Maar gelukkig is hij op de direct daarop volgende algemene vergadering met alle stemmen plus een blanco als leider van onze Fazenda herkozen. De stemming onder de mensen hier is geheel zoek geweest en nog maar gedeeltelijk terug. Die is alleen terug te krijgen wanneer ze hier het particuliere initiatief snel en veelvuldig toepassen. (…) Velen zijn der die lijn trekken, om 6 uur is de dagtaak ten einde, maar om drie uur staan ze al met het horloge in de hand. Velen hebben geen hart voor de zaak wat uiteindelijk heel logisch is, doordat mijn inziens de ‘BOER’ en de coöperatie lijnrecht met elkaar in strijd zijn, en ik meen dat dit alles alleen op te vangen is door het eigen zelfstandigheid, dan moeten ze of ze willen of niet. Alles is duur of liever het wordt duur gemaakt, doordat de coöperatie er grote winst op zet. Verschillende landbouwproducten en materialen komt 30-40-45% boven op en dan praten ze nog van winst.
Afijn hier zitten ook nog verstandige mensen die het zo maar niet nemen en ook dat zal zich wijzigen. Hoe de toestand werkelijk is, is niet te schrijven, deze verandert met de dag of week. Vat alles maar niet te zwaar op Dorus, ik ben ervan overtuigd, dat het hier gaat, er zijn zooveel mogelijkheden, maar ze kosten zweet en doorzettingsvermogen en dat niet alleen in Holland beloven maar hier ook doen.
(…)
Dorus, wil je meer weten dan vraag het toch, ik kan overal niet aan denken en heb heus geen tijd om zo vaak nutteloze brieven te schrijven. Ik heb in de week noch zondags haast vrij in verband met mijn werk en dat geeft ook niets, ik doe het met plezier. Mijn kipjes zorgen wel voor kracht en ik kan met iedereen goed opschieten, zelfs de karnemelk is mijn trouwe vriend. Annie, volgende keer krijg jij je deel en precies hoe ik over je denk en hoe je hier moet staan als vrouw van een pionier, die werkt nog heel anders dan in Holland. Het kan mooi zijn maar niet gemakkelijk. Hou je goed, help Dorus, wees goed voor de buren, ik bid voor je dat alles goed gaat.

Bron: KDC, Archief Van Beers, inv.no. 10.
Foto: Familysearch.org, Brazil Immigration Cards 1900-1965.

‘Het weer is alle dagen even mooi’

Een belangrijke bron om na te gaan hoe emigranten hun eerste jaren op Holambra hebben ervaren en hoe zij aankeken tegen de interne problemen tijdens de eerste jaren, waren de brieven die zij naar het thuisfront schreven. Deze brieven zijn voor de historicus die pobeert zich een beeld te vormen wat er gedurende die jaren in de jonge emigrantengemeenschap heeft plaatsgevonden een waardevolle aanvulling op de verslagen van de leiding van Holambra en de reactie hierop vanuit officiële instanties in Brazilië en Nederland. In de brieven die emigranten uit het Brabantse Diessen naar huis stuurden, kwam de teleurstelling over de gang van zaken wel heel duidelijk naar voren. Deze brieven kwamen ook onder ogen bij lokale vertrouwenspersonen die zich zorgen maakten over het lot van de Diessense emigranten. In een anonieme brief, gedateerd 14 december 1950, vertelt de schrijver over zijn indrukken van het leven op de Fazenda Ribeirão, maar geeft hij ook voorzichtig uiting aan zijn kritiek op de gang van zaken. Deze keer het eerste deel van deze brief.

“Zo zal mijn schrijfinstrument het wel eens zwaar hebben te verduren. Ja, zeg maar niks hoor, ik schrijf van eens. Jullie hebben mij onderhand al wel heel machtig veel toegewenst hebben, zo samen bij de tafel of ’s avonds met de orden nog onder de dekens heen, maar ik hoor er lekker niks van en heb je meer te vertellen, dan zeg ik op mijn beurt, kom maar op jochie, ik lust je wel al is het op de nuchtere maag.
Fazendaplein met kantorenDe nieuwe emigranten beginnen goed te wennen, enkele lopen nog met de lip op de derde vestjesknoop, maar ook dat gevalletje zal met de tijd wel optrekken. Het weer is alle dagen even mooi, hoewel er geen dag zonder regen voorbijgaat en dan komt er regen zoals je het in Holland nooit meemaakt. Een angstig gevolg hiervan is de spoelingen door de akkers en de gewassen die hier voorheen op stonden verdwijnen even snel als het water de helling af. Dit is weer te verhelpen door tussenplanting van suikerriet en hiermede wat beworteling betreft overeenkomende gewassen. In de toekomst en ook nu zal iedere particuliere boer hieraan graag zijn zorgen besteden. Ook de trekkers en auto’s schuiven met gevaarlijke variaties na dergelijke regens de helling af. De grote verkeerswegen die niet gemaakt zijn van asfalt zijn soms dagen niet berijdbaar. Zo kan het gebeuren dat er in verschillende dagen geen post komt of gaat en zo vele dingen meer.
De gewassen van de coöperatie en de boeren groeien met verbazend tempo, daar sta je paf van. Zo waren er streken waar ik in verband met mijn werk in geen maanden geweest was, ik zag het een dezer dagen terug bij een zondagswandeling. Ik was er nog verbaasd over, wat ik toen zag. Ik kende er niet maar dan ook helemaal niets van terug. Waar nu de boerderijen staan heb ik toen met de vrachtauto de stenen nog gebracht. Dat was ongeveer 15 m. van de zogenaamde weg af en wanneer je op de weg stond kun je de auto niet zien, zo’n wilde begroeiing en nu is het precies een stuk Holland, en misschien nog mooier. Grote kippenhokken, stamvol kippen, het vee in een prachtweide, die zeer eiwitrijk is en waarin zich het zwartbont vee als iets edels in aftekent.
De maïs, rijst, bonen, kwandoe etc. etc. wat op tijd gezaaid is, staan er prachtig voor, zonder bemesting of wat dan ook. Neen, hoe het is, is met geen pen te beschrijven. De grond is in doorsnee zeer moeilijk te bewerken, geen ploegrister kun je blank krijgen en veel grond wordt alleen maar met zware schijven bewerkt, door het vele hout dat de bodem nog bevat. Hier staat tegenover, dat wanneer de grond op de eerste plaats beter in structuur is, het hout er uit is ook de bewerking in de kortst mogelijke tijd beter gaat. Dit is een ondervonden feit.
Het Hollandse vee doet het goed, maar best is anders. Het is voor hier haast te edel, te ver doorgefokt in de melkrichting. Wanneer het een paar dagen donker weer is, klimt direct de melkproductie omhoog. De zon is hier een moordtuig voor veel dingen. Toch zijn hier dagproducties van 20-25 liter per dag geen zeldzaamheid. Het Hollandse vee stelt ten onzent hoge eisen aan verzorging. Wanneer het dier maar ook het geringste mankeert, is direct de melk weg. Zeer goede resultaten worden ook verkregen door de kruising van de Hollandse met de Argentijnse koe, en wanneer men zo telkens doorgaat met kruisen krijgt men automatisch weer een Hollands stuk vee met Argentijns bloed wat beter is dan het Hollandse. Hiermede is in de toekomst misschien iets goed te bereiken. Zo moet men hier op alle gebied leren en de zaak uitkienen. Het vee is hier gauw verwond en ben je bij dergelijke wonen niet gauw bij, dan zitten ze stikvol maden binnen de kortst mogelijke tijd en het vlees wordt gewoon weggevreten en hoe het met de genezing dan gaat kan een kind begrijpen. Alle dergelijke dingen worden als particulier eigenaar stukken beter behartigd dan op het ogenblik coöperatief.”

Bron: KDC, Archief Van Beers, inv.no. 10.

‘Men ziet er weer gat in’

Eind 1950 besloot de Nederlandse regering in samenspraak met de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) financiële steun aan de in nood verkerende kolonie Fazenda Ribeirão (Holambra) mogelijk te maken. Voorwaarde voor het verlenen van die steun was het aanstellen van een nieuwe leider, die de aanbevelingen van de regeringscommissie Van Roggen-Van Waveren moest gaan uitvoeren. Voor deze functie werd Charles Hogenboom aangezocht, een man met een grote ervaring in het voormalige Nederlands-Indië. Op 6 januari 1951 arriveerde Hogenboom op de fazenda met de opdracht een inventarisatie te maken van de toestand op de kolonie en om de vraag te beantwoorden of de voorgestelde lening van 2,5 miljoen gulden verantwoord was. Een maand na zijn aankomst schreef  regeringscommissaris Hogenboom de volgende brief aan zijn opdrachtgever, minister van Sociale Zaken Dolf Joekes:

Hogenboom‘(…) In het kort genomen mag gezegd worden, dat de situatie op de Fazenda zich zeer snel in gunstige zin blijft ontwikkelen. De getroffen saneringsmaatregelen worden in begrijpende zin aanvaard. Er wordt door vrijwel alle mensen wederom hard en met plezier gewerkt. (…)
Wat mij het meest verontrust met het oog op de verdere opbouw van deze kolonie en de eis om door snelle productie tot rentabiliteit te komen, is de liquide positie, waarin de kolonie verkeert. Reeds zeer spoedig na mijn komst op de fazenda was het mij duidelijk, dat, wil men tot een goed resultaat komen, er bliksemsnel ingegrepen moet worden wat het zelfstandig maken van alle boeren betreft, die nu nog collectieve arbeid verrichten.
De meesten onder de aanwezige boeren hebben in Nederland jarenlang een zelfstandig bestaan geleid. Hoewel hun leven in het moederland dikwijls hard was, werd door hen het koffie-uurtje, het gaan naar de markt, enz. toch zelf bepaald. Zij waren, dit in juiste zin bedoeld, vrij in handel en wandel. Collectieve arbeid wordt door hen niet met de juiste instelling verricht. Wordt in Nederland het levensonderhoud op de boerderij door het gezin gezamenlijk verdiend, waarbij ieder gezinslid zijn taak krijgt toegewezen, hier verdient de boer/huisvader allen zijn loon en ontvangt kinderbijslag, terwijl de kinderen met meer vrije tijd dan in Nederland over de Fazenda zwerven en degenen die de geestelijke verantwoording dragen het hoofd doen breken om de eerste tekenen van verwildering tegen te gaan.
Hoewel het loon van de nog collectief werkende boeren een sober bestaan inhoudt, is dit tesamen met de bijslag voor de grote kinderrijkdom op de Fazenda voor de economische gang van zaken fnuikend te noemen. De tegenzin in collectief te verrichten arbeid, die door velen zeer zeker op te respecteren wijze overwonnen wordt, leidt echter, gemiddeld genomen, tot niet voldoende productiviteit. Alle boeren moeten daarom zo snel mogelijk met hulp van hun gehele gezin zelfstandig produceren. Uit deze constatering is het 70-boerderijenplan, hetwelk voor 31 december van dit jaar uitgevoerd dient te zijn, geboren. (…)
Intussen wordt gewerkt aan de definitieve opstelling van het 20-ha.-plan der heren Van Waveren-Ir. Rogge, hetwelk aan de veranderde omstandigheden wordt aangepast, begonnen zal worden, zodat (…) aan het einde van dit jaar de 70 boerderijen met de 5 ha.-ontginning gereed zijn. Reeds thans wordt op dit plan vooruit gewerkt. De langzame liquiditeitsbegroting houdt de bouw in van 3 nieuwe boerderijen met de daarbij behorende 5 ha.-ontginning in. Het ontginningswerk wordt geheel volgens het door mij aangegeven systeem uitgevoerd. De boerderijen worden volgens een grondtype gebouwd, waaraan geen enkele verandering, die een snelle seriebouw tegenhoudt, aangebracht mag worden, komen meteen op niveau te staan. In het land wordt den wegen reeds op niveau uitgezet en aangelegd, terwijl de 5 ha. volgens de niveaulijn worden geploegd. In geen enkel opzicht mag ergens worden afgeweken.
Voor mij staat en valt echter alles met de toevloeiing der geldmiddelen vanuit Nederland. Mijn medewerkers hier werken vrijwel allen vol enthousiasme en op top-capaciteit. Men ziet er weer gat in, voelt dat op de snelst mogelijke wijze tot de grootste productie te komen de enigste redding betekent. Dit enthousiasme, waarmede dit jaar de moeilijkste periode van de te weinig en te duur product overbrugd moet worden, mag geen enkel moment verstoord of verslapt worden.
Enkele regeringsautoriteiten van Brazilië die op zeer tactische wijze door ons Gezantschap van mijn plannen mededeling is gedaan, hebben de veranderde situatie op de Fazenda Ribeirao goed aangevoeld. Zij hebben blijken van waardering gegeven m.b.t. de door de Nederlandse regering aan de kolonie Ribeirao toegestoken hand. Dit zal het juridisch-technisch regelen van mijn positie als Nederlands regeringsfunctionaris, hetgeen door de in dit land heersende nationale tendens anders moeilijkheden zou medebrengen, vergemakkelijken. Des te meer moet ik er daarom van verzekerd kunnen zijn, dat mijn programma ongestoord uitgevoerd kan worden. Zou het zijn, dat ik hieraan zou moeten twijfelen, dan zal het mij onmogelijk zijn mijn taak voort te zetten. (…)
Deze zaak dient zo gesteld te worden, omdat ik enerzijds om te kunnen slagen het vertrouwen van alle goedwillenden op de Fazenda Ribeirão moet behouden en anderzijds omdat het hier niet enkel gaat om de belangen van een aantal gedupeerde boeren, doch om een zaak van zeer groot Nederlands belang. De Brazilianen hebben het vertrouwen in de hier werkende Nederlanders, die zij door hun houding niet als indringers beschouwen, niet verloren. Uit het oogpunt van een gezond Nederlands eigenbelang hebben wij dit vertrouwen geheel te herstellen, hetwelk niet beter kan geschieden dan door de Fazenda Ribeirão cultuur-technisch zowel als sociaal-cultureel in de kortst mogelijke tijd tot een modelkolonie te maken. Daarna zijn een aantal andere voor Nederland van even zo groot belang zijnde aspecten hier gemakkelijker te verwezenlijken. De grote en vele voor ons in Brazilië liggende mogelijkheden mogen in geen enkel opzicht verwaarloosd worden. (…)’

Bron: Nationaal Archief, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1459

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (6)

Naast hun rapport stuurden M.A. van Roggen en G.C. van Waveren in oktober 1950 ook een afzonderlijke brief aan het Ministerie van Sociale Zaken. Daarin gingen zij uitvoerig in op het optreden van Geert Heijmeijer, het appèl dat hij deed op het katholieke sentiment in Nederland en de door hen geconstateerde misstanden, waarvoor in het rapport geen plaats was. Hieronder de hoofdpunten van de harde kritiek die beiden hierin in naar voren brachten tegen het beleid van Heijmeijer.

1. Bij zijn financiële beschouwingen voor de toekomst, heeft de heer Heijmeijer kennelijk gespeculeerd op sentiments- dan wel humaniteitsoverwegingen bij de Nederlandse regering. Wanneer het kapitaal van de opgenomen leningen verbruikt was, zou men die arme boerengezinnen toch niet zonder meer laten verhongeren? (Dat een eventuele liquidatie dit bij de bestaande toestanden in de Braziliaanse landbouw inderdaad voor vele kolonisten ten gevolge zou hebben, is helaas met vrij grote zekerheid te verwachten).
Fazendaplein met kantoren2. Zijn voorstelling van het eigenlijke karakter dezer kolonie tegenover de Braziliaanse regering is een geheel andere dan die in vaderlandse kringen naar voren wordt gebracht. In Nederland, onder andere bij de KNBTB, wordt uiteraard vooral het zuiver katholieke element van deze emigratie als propaganda gebruikt mede ten gevolge waarvan de Nederlandse regering dit ten rechte beschouwd heeft als een particuliere onderneming, waarvoor zij geen verantwoordelijkheid kon dragen.
Tegenover de autoriteiten in Brazilië – een praktisch geheel katholiek land, waar dus het katholieke element vanzelfsprekend is – wordt dit karakter evenwel nooit naar voren gebracht (Het zou deze autoriteiten waarschijnlijk ook slechts weinig interesseren). In Brazilië wordt doel en opzet uitdrukkelijk voorgesteld als Nederlandse emigratie. De heer Heijmeijer heeft ten volle geprofiteerd van alle faciliteiten en voorrechten, waarover de officiële Nederlandse Emigratiedienst aldaar beschikt. Hierdoor is min of meer opzettelijk de schijn gewekt, dat de Nederlandse regering volkomen achter dit streven staat en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat deze legalistische voorstelling van zaken niet heeft nagelaten de Nederlandse legatie en haar emigratiedienst in Brazilië in een enigszins scheve positie te brengen, is ook bij geringe kennis van de verhoudingen in dat land, geheel duidelijk.
3. Het (…) algemeen Nederlandse karakter van de kolonie (met welke gedachte de heer Heijmeijer zich in Brazilië heeft vereenzelvigd), is voor hem aanleiding, deze kolonie ook nog te beschouwen in een ander licht, nl. als de eerste nucleus voor alle verdere emigratie van landbouwers (en ook voor andere vaklieden) uit Nederland. Afgezien van het feit, dat dit praktisch – mits goed georganiseerd – zeer wel mogelijk zou zijn, worden in de gedachtegang van de heer Heijmeijer zijn kansen op verdere geldelijke steun van Nederlandse zijde belangrijk versterkt.
4. De heer Heijmeijer mist blijkbaar de eigenschappen en/of de neiging om bij de Braziliaanse regeringsinstanties voor Ribeirão op te treden en met succes te onderhandelen. Deze – inderdaad hoogst belangrijke en essentiële – werkzaamheden werden tot dusverre gaarne, maar principieel minder juist, overgelaten aan de goeden diensten van de Nederlandse Emigratie-attaché. Uit eigen inzicht, zowel op grond van uit goede bronnen verkregen informatie, kwam de Commissie tot de mening, dat de persoon van de president inderdaad voor representatieve doeleinden minder geschikt is. (…)
6. In het rapport is al gewezen op de – gezien het feit, dat nog geen enkele bestaanszekerheid verkregen was – enigszins luxueuze woningbouw. Toch is, juist in de laatste maanden, waarin de bodem van de geldkist angstig zichtbaar werd, voor het gezin Heijmeijer een nieuw huis van ca. 10 kamers gebouwd. Hoewel de heer Heijmeijer dit verklaart door te zeggen, dat de kolonisten hem dit als leider min of meer hebben “opgedrongen”, neemt dit niet weg, dat dit een belangrijke uitgave betekent, die wellicht beter uitgesteld had kunnen worden tot het bedrijf in productie zou zijn gekomen.
7. Ieder lid van de Coöperatie is verplicht bij toetreding in Nederland alle hem ter beschikking staande gelden ter leen te verstrekken aan de Coöperatie (Stichting Holambra). De heer Heijmeijer, die ook lid is, heeft daar evenwel niets in gestoken, niettegenstaande hij bij genoemde stichting per ultimo 1949 een saldo had van bijna ƒ 9000,-.
8. Op de fazenda lopen diverse lieden rond, waarvan men zich afvraagt, welke functie zij eigenlijk hebben en met welk doel zij zijn aangetrokken (…)
9. Een aantal “wilde” plannen, dat de Commissie tijdens haar verblijf te Ribeirão van de leiding mocht vernemen, is groot. Zo waren er behalve de chemische fabriek, de textielfabriek en het gymnasium, ook nog een hotelplan, een bioscoopplan, een meubelfabriek, een constructiewerkplaats, voorts het stuwmeerplan met annex een plan voor buitenverblijven van Brazilianen, een plan om het Nederlandse vee alsnog te vervangen door Argentijns vee, een plan voor een milkbar in São Paulo enz. Zo heeft men het hoofd vol van toekomstbeelden, maar de realiteit van het heden ontvangt te weinig aandacht.
10. De disciplinaire verhoudingen laten veel te wensen over. Men was het er algemeen over eens – en dit was ook duidelijk zichtbaar – dat de arbeidsproductiviteit in de laatste maanden gestadig was teruggelopen en bij het vertrek der Commissie ontstellend gering was. De geruchten (in een zo kleine gemeente natuurlijk tot de vreemdste vormen opgeblazen) over een aanstaande financiële debacle, zullen hieraan veel hebben bijgedragen. Men heeft de mensen niet in de hand. Zo lijkt de gedachte te bestaan: “alle voertuigen zijn van alle leden”. Iedereen rijdt maat met was zo voor de hand komt, of dit nu een jeep is of een tractor of een truck. Hierop is blijkbaar geen controle. Als symptoom zij hier vermeld, hoe de Commissie bij de woning van één der stafleden een tractor aantrof, die daar met een cirkelzaag en overbrenging was geïnstalleerd voor… het klein zagen van wat privé brandhout.
11. Het gebrek aan activiteit op financieel gebied, juist in deze tijd, is verbazend. De Coöperatie heeft sinds vele maanden een belangrijke vordering wegens geleverde tarwe op de staat São Paulo. Pogingen om deze vordering betaald te krijgen, zijn door de leiding zelf nauwelijks gedaan.
12. Kort voor het vertrek der Commissie werd door de Veehouderijleiding een goed gefundeerd voorstel gedaan, nl. om enkele boerderijen met goede stallen, waarin juist het meest belangrijke vee was ondergebracht, toe te wijzen aan boeren met grote ervaring en verstand van stamboekvee. Hierop werd door de heer Heijmeijer afwijzend beschikt; deze boerderijen moesten aan bepaalde vriendjes toegewezen worden. De Veehouderijcommissie, onder leiding van de veearts, heeft daarop en bloc haar ontslag ingediend.

Bron: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945-1954, inv.no. 11944.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (5)

Vorige keer publiceerde ik een brief van Roeland Vermeulen uit Carambeí waarin hij zijn steun uitsprak aan Geert Heijmeijer. Op dezelfde dag, 10 oktober 1950, stuurde hij met als toevoeging ‘Vriendschappelijk en vertrouwelijk’ nog een brief waarin hij die steun nogmaals onderstreepte. Hieronder de letterlijke weergave van die brief.

Beste vriend Heijmeijer,

Bijgaand stuur ik je het antwoord op je schrijven van 5 October j.l. en ik hoop, dat je hiermee geholpen zult zijn. Als bijlage voeg ik je deze aparte regels bij. Bah, wat eene intriges en vunze politiek overal!! Je kunt echter op mij vertrouwen en sta ik met volle overtuiging achter je, dat weet je wel. Het spijt me echter alleen, dat ik niet geheel op de hoogte ben van alle resultaten van jullie tot op heden verrichte arbeid. Daardoor moet ik vaak zwijgen, waar ik zou willen spreken, doch ik sta te veel buiten jullie interne aangelegenheden om een uitgesproken meening te ‘kunnen’ en te ‘mogen’ uiten. Inderdaad weet ik, dat er buitenaf zeer veel kritiek in afbrekende zin op jou persoonlijk wordt uitgeoefend, meestal door onbevoegden uit zucht tot kletsen, doch vooral naar mijn meening uit: ‘jaloezie’. Laat je niet ontmoedigen, want zonder kritiek zou je geen persoonlijkheid zijn. Dit zij je een troost. Doch vooral ook daarom had ik je gaarne terzijde gestaan, daar ik de overtuiging heb, dat dit een groote steun voor je geweest zou zijn en menig foutief oordeel in den oorsprong zou hebben gedood. Je bent tenslotte ook maar een mensch, beste kerel, en de zaak is dermate uitgegroeid en je taak wordt dermate zwaar, dat een beetje oprechte vriendschap zeker niet misplaatst zou zijn, noch iets behoeft af te doen aan jouw prestige en eergevoel.

Vergeef mijne oprechtheid, maar ik acht het eerlijk en noodig je dit in het huidige stadium te zeggen, zoodat je er voordeel mee kunt doen. Het is nooit te laat en mogelijk zul je eene beslissing nemen bij je terugkeer. Ik laat het hierbij en hoop je heel gauw persoonlijk te ontmoeten.

Met oprechte gevoelens van vriendschap,
steeds je toegenegen,

R.A.M. Vermeulen

Bron: Nationaal Archief, Archief Heijmeijer, inv.no. 6.

 

 

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (4)

Toen Geert Heijmeijer in 1950 in Nederland aanklopte voor nieuwe financiële steun en de regering besloot een onderzoekscommissie naar Brazilië  te sturen, verloor hij veel steun van veel mensen die hij tot dan toe tot zijn persoonlijke vrienden rekende. Ook in Brazilië had hij binnen de Nederlandse gemeenschap inmiddels veel krediet verspeeld. Een van de weinigen die hem nog bleef steunen was Roeland Vermeulen, de oud-planter die zich in 1937 vanuit Nederlands-Indië in Carambeí had gevestigd en gold als één van de leiders van deze kolonie. In een brief van 14 oktober 1950 schreef hij over het bezoek dat Van Roggen en Van Waveren twee maanden eerder aan hem hadden gebracht. De kritiek van beide heren deelde hij niet. Hieronder een weergave van deze brief.

Amice,

Roeland Vermeulen te midden van de pioniers van Carambeí

Ik heb je brief van 5 dezer gisteren hier ontvangen en met verontwaardiging nam ik kennis van den inhoud. Ik haast me dan ook onmiddellijk aan je verzoek te voldoen en ik hoop, dat mijn schrijven je nog bijtijds zal bereiken. Tijdens het bezoek van de Commissie Hrn. Van Roggen-Van Waveren in gezelschap der Heeren Schwartzenau en Ds. W.M.V. Muller ten mijne huize werd vanzelf ook over de kolonie Ribeirão gesproken en constateerde ik, dat de Commissieleden en vooral de heer Van Waveren een zeer conservatief “voorlopig” oordeel velden over jullie mooie en grootsche opzet. Ik nam daartegen onmiddellijk stelling en heb ik getracht hen duidelijk te maken, dat naar veler en ook mijne meening in korten tijd met een handjevol Nederlandsche boeren een kranig stuk werk was verzet, dat de bewondering heeft van een ieder, die eenigszins op de hoogte is van het opbouwen van dergelijke gecompliceerde organisaties in een vreemd land onder vaak moeilijke omstandigheden. Ik ben niet bevoegd de gevoerde administratie en financiering te beoordelen, omdat ik tijdens mijne diverse bezoeken uitsluitend de cultuur-technische werkzaamheden observeerde. Dat hierbij ook tegenvallers en teleurstellingen ondervonden werden is vanzelfsprekend, omdat bij een dergelijk snellen opbouw nu eenmaal leergeld betaald moet worden. Het is en blijft echter mijne uitgesproken meening, dat jij als leider en organisator de volle waardering en eer verdient van de tot op heden verkregen resultaten. De leiding en organisatie kan niet in betere handen zijn toevertrouwd, want je taak en de te overbruggen moeilijkheden waren geen sinecure, doch zoals altijd staan “de beste stuurlui aan de wal”. Elke wijziging in de leiding zou m.i. eene onherstelbare fout kunnen beteekenen. Wel zul je langzamerhand gebruik dienen te maken van adviezen van bekwame medewerkers, omdat je werk dermate veelomvattend geworden is, dat het ondoenlijk wordt voor één man alléén.
                De Heer van Roggen voelde na mijne uiteenzetting de situatie beter aan, doch van de Heer v. Waveren kreeg ik de indruk, dat hij alles uitsluitend door een ambtelijke en accountantsbril bekeek.
                Je kent mijn enthousiasme voor immigratie van Nederlandse boerengezinnen naar dit veelbiedende land en Ribeirão heeft mijne volle bewondering. Jullie zijn zoover reeds geslaagd, doch je moet nog veel verder slagen. Als rechtgeaard Nederland gevoel ik dit min of meer als een Nederlandsch en nationaal belang. Het oog van vele vooraanstaande Brazilianen is op jullie werk gevestigd en het zou een blamage voor onze naam betekenen, als de groei van dit opbouwende werk niet met volle animo en energie werd voortgezet. Zelfs een gedeeltelijke mislukking zou ook mij persoonlijk treffen, even goed als jou.
                Mij werd o.a. de vraag gesteld, waarom ik daadwerkelijk niet meer tijd besteedde aan jullie arbeid. Je kent mijn standpunt en good-will en inderdaad betreur ik het nu des te meer, dat je niet verder ingegaan bent op mijne voorstellen. Ik blijf echter ten volle bereid, want bij mij geldt uitsluitend jullie succes in het belang van nog vele Nederlandse gezinnen, voor wie het in Patria te eng wordt. Jou komt de eer toe, maar toch zou ik gaarne “onopvallendnaast je mijne medewerking willen geven.
                Je aangekondigde brief met cheque heb ik tot op heden niet ontvangen en meld je dit voor de goede orde, opdat je er werk van kunt maken, waar deze brief ergens uithangt.
                In de hoop spoedigst na je terugkeer meer van je te mogen vernemen je verder toewensend met de verdere opbouw van Ribeirão, teken ik als steeds,

Je toegenegen, w.g. R.A.M. Vermeulen

Bron: NA, Archief Heijmeijer, inv.no. 7.

Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (3)

In zijn bijlage bij het rapport dat hij samen met de hoofdaccountant G.C. van Waveren schreef in opdracht van de Nederlandse regering, stond M.A. van Roggen ook uitgebreid stil bij de kolonisatie van de nog jonge Nederlandse kolonie op de Fazenda Ribeirão. Ten tijde van hun bezoek in augustus 1950 bevonden zich op de fazenda 689 Nederlanders: 355 mannen en 334 vrouwen. Toen de kolonie eind 1948 van start ging, was het percentage vrijgezellen nog hoog, maar later waren het vooral gezinnen met soms een groot aantal kinderen die zich op de fazenda vestigden. Volgens Van Roggen maakten jonge kinderen (tot 15 jaar) maar liefst 47% van de bevolking uit. Door het hoge percentage vrouwen en kinderen was het productieve element in de bevolking gering. Ten tijde van het bezoek waren er op de kolonie slechts 195 actieve personen aanwezig, wat neerkwam op 28% van de gehele Nederlandse bevolking.

IMG_2744a
HUA, Archief Aartsbisdom Utrecht, inv. no. 260.

Na het noemen van deze cijfers gaf Van Roggen een uitgebreide beschrijving van de plaats van de jonge Nederlandse kolonie in de Braziliaanse samenleving. ‘Men dient te beseffen dat deze familie-emigratie zeer zeker niet berust op een soort “Wanderlust” of zucht naar avontuur, noch op een innerlijke drang naar geestelijk ruimere sferen van de zijde der emigrerende Hollandse boeren. Het moet worden gezien als de noodzaak van het zoeken naar bodemexpansie, nodig voor het continueren van het Hollandse boerenbedrijf elders (…). Aanlokkelijk als dit idee van een bedrijfsoverplaatsing moge zijn voor de groot-Nederlandse expansie, is deze geestelijke instelling zeker niet zonder bezwaarlijke consequenties gebleken t.a.v. de noodzakelijke snelle aanpassing van de emigrant aan de nieuwe omgeving. Te Ribeirão voelt men zich geplaatst in een stuk (voorlopig inferieur) Holland en niet, wat uit sociale, technische en politieke overwegingen veel juister ware, in een stuk (superieur) Brazilië. De agrarische en sociale acclimatisatie is nog zeer gering, juist ook door het enorme en voor deze lieden zo moeilijk te overbruggen verschil op landbouwgebied tussen de Nederlandse en Braziliaanse standaarden.
Voor het doen slagen van een dergelijke onderneming moet men zich nu eenmaal aanpassen – vooral op het gebied van landbouw en veeteelt – aan de geheel andere eisen, die bodem en klimaat stellen, eisen waaraan niet te ontkomen valt, wil men behoed blijven voor ernstige mislukkingen en teleurstellingen. Deze aanpassing blijkt moeilijk te zijn en in een te traag tempo tot stand te komen. Enkele oorzaken:
a) Het sterk ‘isolerende’ karakter van zelfstandig en technisch selfsupporting bedrijf. Men doet en kan en ‘weet het’ alles zelf.
b) Door de grote massa werk welke tot dusverre werd verzet, hebben de boeren en ook hun leiders weinig gelegenheid gehad zich op andere Braziliaanse bedrijven te oriënteren, waardoor het contact met de agrarische wereld buiten de kolonie zeer beperkt is gebleven.
c) De sociale en ideologische instelling van de leiding.
d) De specifieke karaktertrekken van de Hollandse boer.
e) Het gebrek aan mensen met tropische ervaring.

Wel lijkt het thans, dat men bezig is zich meer aan de toestanden aan te passen, in het bijzonder op veterinair gebied onder de deskundige invloed van de, helaas eerst recent aangetrokken, veearts, die over een ruime tropische ervaring beschikt. Maar een oeroude boerenmentaliteit is nu eenmaal uiterst moeilijk in andere banen te leiden. Zeer bepaald werd de indruk verkregen, dat in dit opzicht de leiding ernstig in gebreke is gebleven. Men verdedigde het gebrek aan contact van de boeren met de buitenwereld door aan te voeren, dat er weinig gelegenheid was geweest en dat men alle werkers steeds voor de ontginning en opbouw nodig had. (…) Ook de aanpassing van de leiding zelve aan de Braziliaanse verhoudingen en het contact met de autoriteiten is lang niet wat het zou moeten zijn. Men heeft kennelijk (…) te veel gesteund op de goede diensten van de Nederlandse emigratiedienst ter plaatse. (…)

Bij het rustig praten met de nieuwere emigranten komt vaak de gedachte naar voren dat men gelukkig is uit het onzekere West-Europa weg te zijn en hier de mogelijkheid heeft gevonden een vreedzamer toekomst te kunnen opbouwen voor zichzelf en de kinderen. Ook de pas aangekomen emigrant voelt met zijn gezond boerenverstand wel aan, dat hier goede kansen bestaan voor een ondernemend en vakkundig man. De oudere emigranten, dus meer de groep der aanstaande zelfstandige boeren, hebben uiteraard vooral het oog gericht op het hun lang beloofde “onafhankelijk bestaan”, opgebouwd op de door de coöperatie gelegde grondslagen. Deze lieden lijken weinig gevoel of begrip te hebben voor de thans bestaande financiële situatie en de eventuele gevolgen voor die coöperatie en zichzelf.
Was bij de aankomst van de commissie in augustus de algemene stemming nog vrij goed, al spoedig bleek deze gaandeweg minder te worden. Het was duidelijk, dat dit in direct verband kon worden gezien met de recen
t ingevoerde “krap-geld politiek” van de leiding en met het plotseling (…) opgekomen besluit van de directeur om, tezamen met de pater als geleide, naar Nederland te vliegen.
Van verscheidene zijden werd de indruk verkregen, dat de boeren steeds onwetend waren gehouden van de benarde liquiditeitspositie en ter zake nog niet waren ingelicht tot vlak voor het vertrek van de directeur, noch over het eigenlijke doel van deze overhaaste en kostbare reis. Juist tegenover de ten aanzien van de boeren betrachte zuinigheid in de besteding van de resterende kasmiddelen, maakte dit een weinig gelukkige indruk. Het is begrijpelijk, dat in een kleine gemeenschap als deze de geruchten plotseling hevig opbloeiden, hetgeen in een stemming van onzekerheid, onrust en angst resulteerde. Deze stemming liet op haar beurt niet na het vertrouwen en daarmede de werklust ongunstig te beïnvloeden.
Helaas lag er intern, mede door de eigenaardige machtsverhoudingen in deze kolonisatie, geen bevredigende oplossing voor de hand. Toch is het zonder meer duidelijk, dat in deze hoogst ongewenste onzekerheid over de voortzetting van een groot bedrijf in den vreemde waaraan het wel en wee van een 700-tal Nederlanders ten nauwste is verbonden, zo spoedig mogelijk moet worden ingegrepen.
Als gunstige factor, in het bijzonder in deze kritieke maanden, moet worden gezien het feit, dat alle kolonisten onderling krachtig verbonden zijn door hun kerk en geloof.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (2)

Naast de spijkerharde conclusies over het onder leiding van Geert Heijmeijer gevoerde beleid van de Cooperativa Holambra, bevatte het rapport van M.A. van Roggen en G.C. van Waveren van oktober 1950 ook twee bijlagen waarin zij – ieder vanuit hun eigen expertise – een analyse geven van de situatie op de Fazenda Ribeirão. Vooral het rapport van de landbouwkundige Van Roggen bevat interessante observaties.

Van Roggen stelde dat behalve ernstige kritiek er ook uiting diende te worden gegeven aan ‘een oprecht gevoelde waardering voor het vele werk dat door een klein aantal Nederlanders in een vreemd land en in den beginne onder primitieve omstandigheden, in korte tijd werd tot stand gebracht. Ernstig wordt gehoopt, dat bij deze eerste kolonisatiepoging op grote schaal in Brazilië gemaakte fouten in opzet en uitvoering niet zullen leiden tot een teniet doen van de kans en de hoop van deze ernstig willende boerengezinnen, zich in dit land een redelijke toekomst te verzekeren. Voor vakkundige en ijverige werkers bestaan in dit dynamische land ongetwijfeld grote mogelijkheden en wanneer men dan tevens (…) constateert de goodwill en waardering van Braziliaanse zijde voor de prestaties van speciaal de Nederlandse boeren, dan ontkomt men niet aan de overtuiging dat kolonisatie hier, mits goed voorbereid en goed geleid, succes moet hebben. (…)
In dit verband zij hier nog opgemerkt, dat de gevolgen van een eventuele mislukking dezer kolonie verre zouden uitgaan boven het persoonlijk lot van het 700-tal Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen en ernstige schade zou betekenen voor de algemene Nederlandse reputatie en belangen in geheel Brazilië.’

Van Roggen gaf een schets van de bijzondere rol die de coöperatie vervulde. Deze moest de bedrijfsopbouw van de grond af financieren. Ook rustte op haar de plicht, gedurende de niet-productieve periode, het levensonderhoud van de toekomstige zelfstandige boeren en hulppersoneel met hun vaak zeer grote gezinnen te bekostigen. Naarmate de uitgifte van de bedrijven zou vorderen zou het functionele karakter t.o.v. de leden veranderen van productie- tot een in- en verkooporganisatie. Wel diende de coöperatie dan enige nevenbedrijven, min of meer ten bate van het algemeen belang, te blijven uitoefenen.
Op 1 september1950 was begonnen met de uitgifte van 27 bedrijven, tot een totaal van 580 ha. Uit de stukken kwam echter niet naar voren hoe de juridische en financiële verhoudingen en verplichtingen zouden liggen tussen de coöperatie en de vrije bedrijven en ook had de leiding nog geen helder beeld voor ogen van een definitieve en bevredigende regeling, hoewel de ontbinding inmiddels was begonnen. ‘Het behoeft geen betoog, dat deze gang van zaken als een ernstige nalatigheid moet worden gezien.’

Maar ook, dat een aantal van deze “vrije” boeren door hun kort verblijf in Brazilië (soms 1 jaar of minder) zich onvoldoende hebben kunnen aanpassen, lijkt, ‘dit moment voor een ontvoogding wel erg praematuur en weinig gelukkig gekozen. De leiding bleek het met deze opvatting wel eens te zijn doch stelde daar tegenover haar overtuiging, dat ambitie en prestatie der boeren door zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, zeer gunstig gestimuleerd zullen worden. Hierover nader gehoord, gaf de leiding uiting aan de erkenning, dat de arbeidslust en prestatie in collectief verband van deze, overigens op reputatie en karakter scherp geselecteerde boeren, bepaald was tegengevallen, uiteraard met gunstige uitzonderingen. Vele van oudsher in Nederland zelfstandige en onafhankelijke boeren hebben bij hun aanmelding voor emigratie, ondanks de voorlichting ter zake, zich blijkbaar niet kunnen realiseren, wat het zou betekenen, enkele jaren in vreemde omgeving – en niet door directe levensnood gedwongen – in loonarbeid (!) en onder andere Nederlanders (!), pioniersarbeid te moeten verrichten. (…)
Hoe dan ook, de coöperatie heeft dus, mede daartoe gedwongen door het ongeduld van enkele kapitaalkrachtige boeren naar “een eigen bedrijf”, moeten toegeven aan de uit de algemene vergadering der kolonisten opgekomen wens, om met de verkaveling een begin te maken. Wat de gevolgen van deze beslissing zullen zijn, zal de naaste toekomst leren, maar, teneinde ernstige interne moeilijkheden te voorkomen, moet een spoedige definitieve regeling op juridische basis en conform de Braziliaanse wetten, worden gezien als een onafwijsbare noodzaak. Het is niet duidelijk, waarom op dit kardinale punt niet veel vroeger (…) afdoend overleg is gepleegd met Braziliaanse deskundigen op coöperatie- en juridisch gebied. Van de zijde v/d Nederlandse emigratiedienst in Brazilië is op de urgentie van een definitieve regeling reeds geruime tijd en bij herhaling gewezen.
Uit het bovenstaande feit, dat de coöperatie thans door enkele kapitaalkrachtige emigranten in een dwangpositie is geraakt, zou blijken, dat bij de opzet niet zijn voorzien de consequenties van een ongelijke en in dit geval zelfs bijzonder sterk variërende inbreng door alle participanten. Degenen, die een relatief zeer hoog bedrag hebben gestort voor hun vertrek uit Nederland, eisen thans “waar voor hun geld”. Dit is niet onbegrijpelijk, doch komt juist op dit moment van geringe liquiditeit der coöperatie, wel zeer ongelegen.
De ideologische gedachte van “alles voor allen”, die bij de opzet van deze emigratie blijkbaar heeft voorgezeten, is bij een aantal dezer nuchtere boeren ietwat verwaterd.
De gang van zaken is geweest, dat de emigranten bij toetreding in Nederland hun geldmiddelen in leen afstonden aan de Stichting Holambra. Hieruit worden passage en andere eerste kosten voldaan, waarna het saldo wordt overgeschreven naar Brazilië, alwaar het tegen de geldende koers op naam wordt gecrediteerd in cruzeiros. De emigranten hebben over dit saldo niet direct de beschikking, doch kunnen boven de door hen in collectieve arbeid verdiende lonen, een gering bedrag opnemen voor eerste levensbehoeften en kleine aankopen. Opbrengsten van door de boeren in eigen bedrijf gekweekte producten, welke moeten worden verkocht door bemiddeling van de coöperatie, vloeien momenteel nog alle terug in de kas van het bedrijf en komen dus niet te hunner beschikking voor verdere verbetering van de eigen bedrijfsmiddelen.
De slechte liquiditeit noopt de coöperatie tot deze starre houding, welke echter vanzelfsprekend aanleiding geeft tot felle kritiek en een neiging bij de betroffen boeren, zich “bekocht” te voelen. Ook hier dient zo spoedig mogelijk een bevredigende oplossing te worden getroffen.

Bron: NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.