Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (3)

In zijn bijlage bij het rapport dat hij samen met de hoofdaccountant G.C. van Waveren schreef in opdracht van de Nederlandse regering, stond M.A. van Roggen ook uitgebreid stil bij de kolonisatie van de nog jonge Nederlandse kolonie op de Fazenda Ribeirão. Ten tijde van hun bezoek in augustus 1950 bevonden zich op de fazenda 689 Nederlanders: 355 mannen en 334 vrouwen. Toen de kolonie eind 1948 van start ging, was het percentage vrijgezellen nog hoog, maar later waren het vooral gezinnen met soms een groot aantal kinderen die zich op de fazenda vestigden. Volgens Van Roggen maakten jonge kinderen (tot 15 jaar) maar liefst 47% van de bevolking uit. Door het hoge percentage vrouwen en kinderen was het productieve element in de bevolking gering. Ten tijde van het bezoek waren er op de kolonie slechts 195 actieve personen aanwezig, wat neerkwam op 28% van de gehele Nederlandse bevolking.

IMG_2744a
HUA, Archief Aartsbisdom Utrecht, inv. no. 260.

Na het noemen van deze cijfers gaf Van Roggen een uitgebreide beschrijving van de plaats van de jonge Nederlandse kolonie in de Braziliaanse samenleving. ‘Men dient te beseffen dat deze familie-emigratie zeer zeker niet berust op een soort “Wanderlust” of zucht naar avontuur, noch op een innerlijke drang naar geestelijk ruimere sferen van de zijde der emigrerende Hollandse boeren. Het moet worden gezien als de noodzaak van het zoeken naar bodemexpansie, nodig voor het continueren van het Hollandse boerenbedrijf elders (…). Aanlokkelijk als dit idee van een bedrijfsoverplaatsing moge zijn voor de groot-Nederlandse expansie, is deze geestelijke instelling zeker niet zonder bezwaarlijke consequenties gebleken t.a.v. de noodzakelijke snelle aanpassing van de emigrant aan de nieuwe omgeving. Te Ribeirão voelt men zich geplaatst in een stuk (voorlopig inferieur) Holland en niet, wat uit sociale, technische en politieke overwegingen veel juister ware, in een stuk (superieur) Brazilië. De agrarische en sociale acclimatisatie is nog zeer gering, juist ook door het enorme en voor deze lieden zo moeilijk te overbruggen verschil op landbouwgebied tussen de Nederlandse en Braziliaanse standaarden.
Voor het doen slagen van een dergelijke onderneming moet men zich nu eenmaal aanpassen – vooral op het gebied van landbouw en veeteelt – aan de geheel andere eisen, die bodem en klimaat stellen, eisen waaraan niet te ontkomen valt, wil men behoed blijven voor ernstige mislukkingen en teleurstellingen. Deze aanpassing blijkt moeilijk te zijn en in een te traag tempo tot stand te komen. Enkele oorzaken:
a) Het sterk ‘isolerende’ karakter van zelfstandig en technisch selfsupporting bedrijf. Men doet en kan en ‘weet het’ alles zelf.
b) Door de grote massa werk welke tot dusverre werd verzet, hebben de boeren en ook hun leiders weinig gelegenheid gehad zich op andere Braziliaanse bedrijven te oriënteren, waardoor het contact met de agrarische wereld buiten de kolonie zeer beperkt is gebleven.
c) De sociale en ideologische instelling van de leiding.
d) De specifieke karaktertrekken van de Hollandse boer.
e) Het gebrek aan mensen met tropische ervaring.

Wel lijkt het thans, dat men bezig is zich meer aan de toestanden aan te passen, in het bijzonder op veterinair gebied onder de deskundige invloed van de, helaas eerst recent aangetrokken, veearts, die over een ruime tropische ervaring beschikt. Maar een oeroude boerenmentaliteit is nu eenmaal uiterst moeilijk in andere banen te leiden. Zeer bepaald werd de indruk verkregen, dat in dit opzicht de leiding ernstig in gebreke is gebleven. Men verdedigde het gebrek aan contact van de boeren met de buitenwereld door aan te voeren, dat er weinig gelegenheid was geweest en dat men alle werkers steeds voor de ontginning en opbouw nodig had. (…) Ook de aanpassing van de leiding zelve aan de Braziliaanse verhoudingen en het contact met de autoriteiten is lang niet wat het zou moeten zijn. Men heeft kennelijk (…) te veel gesteund op de goede diensten van de Nederlandse emigratiedienst ter plaatse. (…)

Bij het rustig praten met de nieuwere emigranten komt vaak de gedachte naar voren dat men gelukkig is uit het onzekere West-Europa weg te zijn en hier de mogelijkheid heeft gevonden een vreedzamer toekomst te kunnen opbouwen voor zichzelf en de kinderen. Ook de pas aangekomen emigrant voelt met zijn gezond boerenverstand wel aan, dat hier goede kansen bestaan voor een ondernemend en vakkundig man. De oudere emigranten, dus meer de groep der aanstaande zelfstandige boeren, hebben uiteraard vooral het oog gericht op het hun lang beloofde “onafhankelijk bestaan”, opgebouwd op de door de coöperatie gelegde grondslagen. Deze lieden lijken weinig gevoel of begrip te hebben voor de thans bestaande financiële situatie en de eventuele gevolgen voor die coöperatie en zichzelf.
Was bij de aankomst van de commissie in augustus de algemene stemming nog vrij goed, al spoedig bleek deze gaandeweg minder te worden. Het was duidelijk, dat dit in direct verband kon worden gezien met de recen
t ingevoerde “krap-geld politiek” van de leiding en met het plotseling (…) opgekomen besluit van de directeur om, tezamen met de pater als geleide, naar Nederland te vliegen.
Van verscheidene zijden werd de indruk verkregen, dat de boeren steeds onwetend waren gehouden van de benarde liquiditeitspositie en ter zake nog niet waren ingelicht tot vlak voor het vertrek van de directeur, noch over het eigenlijke doel van deze overhaaste en kostbare reis. Juist tegenover de ten aanzien van de boeren betrachte zuinigheid in de besteding van de resterende kasmiddelen, maakte dit een weinig gelukkige indruk. Het is begrijpelijk, dat in een kleine gemeenschap als deze de geruchten plotseling hevig opbloeiden, hetgeen in een stemming van onzekerheid, onrust en angst resulteerde. Deze stemming liet op haar beurt niet na het vertrouwen en daarmede de werklust ongunstig te beïnvloeden.
Helaas lag er intern, mede door de eigenaardige machtsverhoudingen in deze kolonisatie, geen bevredigende oplossing voor de hand. Toch is het zonder meer duidelijk, dat in deze hoogst ongewenste onzekerheid over de voortzetting van een groot bedrijf in den vreemde waaraan het wel en wee van een 700-tal Nederlanders ten nauwste is verbonden, zo spoedig mogelijk moet worden ingegrepen.
Als gunstige factor, in het bijzonder in deze kritieke maanden, moet worden gezien het feit, dat alle kolonisten onderling krachtig verbonden zijn door hun kerk en geloof.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (2)

Naast de spijkerharde conclusies over het onder leiding van Geert Heijmeijer gevoerde beleid van de Cooperativa Holambra, bevatte het rapport van M.A. van Roggen en G.C. van Waveren van oktober 1950 ook twee bijlagen waarin zij – ieder vanuit hun eigen expertise – een analyse geven van de situatie op de Fazenda Ribeirão. Vooral het rapport van de landbouwkundige Van Roggen bevat interessante observaties.

Van Roggen stelde dat behalve ernstige kritiek er ook uiting diende te worden gegeven aan ‘een oprecht gevoelde waardering voor het vele werk dat door een klein aantal Nederlanders in een vreemd land en in den beginne onder primitieve omstandigheden, in korte tijd werd tot stand gebracht. Ernstig wordt gehoopt, dat bij deze eerste kolonisatiepoging op grote schaal in Brazilië gemaakte fouten in opzet en uitvoering niet zullen leiden tot een teniet doen van de kans en de hoop van deze ernstig willende boerengezinnen, zich in dit land een redelijke toekomst te verzekeren. Voor vakkundige en ijverige werkers bestaan in dit dynamische land ongetwijfeld grote mogelijkheden en wanneer men dan tevens (…) constateert de goodwill en waardering van Braziliaanse zijde voor de prestaties van speciaal de Nederlandse boeren, dan ontkomt men niet aan de overtuiging dat kolonisatie hier, mits goed voorbereid en goed geleid, succes moet hebben. (…)
In dit verband zij hier nog opgemerkt, dat de gevolgen van een eventuele mislukking dezer kolonie verre zouden uitgaan boven het persoonlijk lot van het 700-tal Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen en ernstige schade zou betekenen voor de algemene Nederlandse reputatie en belangen in geheel Brazilië.’

Van Roggen gaf een schets van de bijzondere rol die de coöperatie vervulde. Deze moest de bedrijfsopbouw van de grond af financieren. Ook rustte op haar de plicht, gedurende de niet-productieve periode, het levensonderhoud van de toekomstige zelfstandige boeren en hulppersoneel met hun vaak zeer grote gezinnen te bekostigen. Naarmate de uitgifte van de bedrijven zou vorderen zou het functionele karakter t.o.v. de leden veranderen van productie- tot een in- en verkooporganisatie. Wel diende de coöperatie dan enige nevenbedrijven, min of meer ten bate van het algemeen belang, te blijven uitoefenen.
Op 1 september1950 was begonnen met de uitgifte van 27 bedrijven, tot een totaal van 580 ha. Uit de stukken kwam echter niet naar voren hoe de juridische en financiële verhoudingen en verplichtingen zouden liggen tussen de coöperatie en de vrije bedrijven en ook had de leiding nog geen helder beeld voor ogen van een definitieve en bevredigende regeling, hoewel de ontbinding inmiddels was begonnen. ‘Het behoeft geen betoog, dat deze gang van zaken als een ernstige nalatigheid moet worden gezien.’

Maar ook, dat een aantal van deze “vrije” boeren door hun kort verblijf in Brazilië (soms 1 jaar of minder) zich onvoldoende hebben kunnen aanpassen, lijkt, ‘dit moment voor een ontvoogding wel erg praematuur en weinig gelukkig gekozen. De leiding bleek het met deze opvatting wel eens te zijn doch stelde daar tegenover haar overtuiging, dat ambitie en prestatie der boeren door zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, zeer gunstig gestimuleerd zullen worden. Hierover nader gehoord, gaf de leiding uiting aan de erkenning, dat de arbeidslust en prestatie in collectief verband van deze, overigens op reputatie en karakter scherp geselecteerde boeren, bepaald was tegengevallen, uiteraard met gunstige uitzonderingen. Vele van oudsher in Nederland zelfstandige en onafhankelijke boeren hebben bij hun aanmelding voor emigratie, ondanks de voorlichting ter zake, zich blijkbaar niet kunnen realiseren, wat het zou betekenen, enkele jaren in vreemde omgeving – en niet door directe levensnood gedwongen – in loonarbeid (!) en onder andere Nederlanders (!), pioniersarbeid te moeten verrichten. (…)
Hoe dan ook, de coöperatie heeft dus, mede daartoe gedwongen door het ongeduld van enkele kapitaalkrachtige boeren naar “een eigen bedrijf”, moeten toegeven aan de uit de algemene vergadering der kolonisten opgekomen wens, om met de verkaveling een begin te maken. Wat de gevolgen van deze beslissing zullen zijn, zal de naaste toekomst leren, maar, teneinde ernstige interne moeilijkheden te voorkomen, moet een spoedige definitieve regeling op juridische basis en conform de Braziliaanse wetten, worden gezien als een onafwijsbare noodzaak. Het is niet duidelijk, waarom op dit kardinale punt niet veel vroeger (…) afdoend overleg is gepleegd met Braziliaanse deskundigen op coöperatie- en juridisch gebied. Van de zijde v/d Nederlandse emigratiedienst in Brazilië is op de urgentie van een definitieve regeling reeds geruime tijd en bij herhaling gewezen.
Uit het bovenstaande feit, dat de coöperatie thans door enkele kapitaalkrachtige emigranten in een dwangpositie is geraakt, zou blijken, dat bij de opzet niet zijn voorzien de consequenties van een ongelijke en in dit geval zelfs bijzonder sterk variërende inbreng door alle participanten. Degenen, die een relatief zeer hoog bedrag hebben gestort voor hun vertrek uit Nederland, eisen thans “waar voor hun geld”. Dit is niet onbegrijpelijk, doch komt juist op dit moment van geringe liquiditeit der coöperatie, wel zeer ongelegen.
De ideologische gedachte van “alles voor allen”, die bij de opzet van deze emigratie blijkbaar heeft voorgezeten, is bij een aantal dezer nuchtere boeren ietwat verwaterd.
De gang van zaken is geweest, dat de emigranten bij toetreding in Nederland hun geldmiddelen in leen afstonden aan de Stichting Holambra. Hieruit worden passage en andere eerste kosten voldaan, waarna het saldo wordt overgeschreven naar Brazilië, alwaar het tegen de geldende koers op naam wordt gecrediteerd in cruzeiros. De emigranten hebben over dit saldo niet direct de beschikking, doch kunnen boven de door hen in collectieve arbeid verdiende lonen, een gering bedrag opnemen voor eerste levensbehoeften en kleine aankopen. Opbrengsten van door de boeren in eigen bedrijf gekweekte producten, welke moeten worden verkocht door bemiddeling van de coöperatie, vloeien momenteel nog alle terug in de kas van het bedrijf en komen dus niet te hunner beschikking voor verdere verbetering van de eigen bedrijfsmiddelen.
De slechte liquiditeit noopt de coöperatie tot deze starre houding, welke echter vanzelfsprekend aanleiding geeft tot felle kritiek en een neiging bij de betroffen boeren, zich “bekocht” te voelen. Ook hier dient zo spoedig mogelijk een bevredigende oplossing te worden getroffen.

Bron: NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (1)

Terwijl met het themanummer van Ontginning in Nederland het beeld werd verspreid dat er in Brazilië groots werk werd verricht, was de situatie op de Fazenda Ribeirão op dat moment verre van rooskleurig. Al in augustus 1949 klopte Geert Heijmeijer bij de Nederlandse minister van Sociale Zaken Dolf Joekes aan voor financiële steun. Het bestuur van de Cooperativa Holambra was tot de conclusie gekomen dat tot dusverre beschikbaar gekomen financiële middelen ontoereikend waren om de kolonie te kunnen afbouwen. Eind 1949 bezocht hij Nederland en diende hij bij de Nederlandsche Bank een aanvraag in voor een nieuw krediet ter waarde van  2,8 miljoen gulden. Deze kredietaanvraag vormde aanleiding voor overleg tussen Nederlandse ministeries en de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), wat leidde tot het zenden van een onderzoekscommissie bestaande uit de landbouwkundige Ir. M.A. van Roggen en G.C. van Waveren, hoofdaccountant op het ministerie van Financiën. Beiden bezochten de Fazenda in augustus 1950. De conclusies van hun rapport waren onthutsend en zouden leiden tot een drastische reorganisatie van de jonge kolonie met verstrekkende gevolgen.

Conclusies
In oktober 1950 rapporteerden Van Roggen en Van Waveren hun bevindingen aan de Nederlandse regering. Hun conclusie was dat de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra “thans” niet rendabel was, maar dat onder zekere voorwaarden voor het bedrijfsjaar 1952-1953 een “voorlopig matige rentabiliteit” kon worden verwacht. Voor het bereiken van die matige rentabiliteit moest wel worden voldaan aan vier voorwaarden: 1) dat de cooperativa, verdeeld over het tijdvak 1950/1952, in totaal de beschikking zou krijgen over een bedrag van 12 miljoen cruzeiros; 2) dat de president van de Cooperativa, ir. J.G. Heijmeijer, zou worden vervangen door iemand met meer organisatorisch en commercieel inzicht; 3) dat verdere emigratie naar de kolonie Ribeirao zou worden stopgezet, totdat een matig bestaan zonder hulp van buitenaf verzekerd was; 4) dat het administratieve en technische beheer onder geregelde controle zou komen van een ter plaatse uit deskundige Nederlanders samen te stellen commissie, die tevens toezicht zou uitoefenen op de naleving van de voorwaarden waaronder een eventueel krediet zou worden verstrekt.

“Niet de juiste persoon”
Ter toelichting van de tweede voorwaarde velden Van Roggen en Van Waveren het volgende oordeel over Heijmeijer: “Naar het inzicht der commissie is de emigratie naar en de oprichting van de kolonie Ribeirão voor een zeer belangrijk deel te danken aan het initiatief van de heer Heijmeijer, die met groot enthousiasme en optimisme deze zware taak is begonnen. Het is daarom uitermate te betreuren dat de commissie moet vaststellen dat voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.
Dit was ook moeilijk te verwachten. Voor het nemen en uitvoeren van een dergelijk emigratie-initiatief zijn ongetwijfeld een zekere mate van idealisme en enthousiasme onmisbaar. Voor de commerciële en zakelijk-technische voering van een bedrijf onder bijzondere omstandigheden, zijn evenwel geheel andere karaktertrekken gewenst. Zelden worden deze divergerende eigenschappen tegelijk in één persoon aangetroffen.”

Grove fouten
Vervolgens gaf de commissie Van Roggen-Van Waveren een opsomming van grove fouten en tekortkomingen die de leiding konden worden aangerekend:
“a) Uit de totstandkoming en de praktische uitvoering van de kolonie blijkt duidelijk dat de voorbereiding en planning veel te weinig zorg en aandacht hebben gehad.
b) Ook de financiële opzet van het bedrijf was weinig doordacht; vrijwel bij de aanvang moet reeds duidelijk zijn geweest dat de coöperatie – ook bij een gunstige rentabiliteit – spoedig in liquiditeitsmoeilijkheden zou geraken.
c) Van enig weloverwogen plan, hoe de kolonie zich moest ontwikkelen en welke de middelen van bestaan zouden zijn, is tot aan de komst der commissie geen sprake geweest. De leiding is bij haar bedrijfspolitiek blijkbaar volkomen opportunistisch en optimistisch te werk gegaan. (…)
d) Belangrijke bedragen zijn geïnvesteerd in objecten die niet of eerst in de toekomst een rendement zullen afwerpen. Vooral de bouwerij is duur geweest. Men had in vele gevallen kunnen volstaan met semi-permanente uitvoering en/of het gebruik van minder dure materialen, waardoor grote bedragen zouden zijn bespaard voor productieve doeleinden.
Ditzelfde geldt ook voor de machines, bij de aanschaf waarvan meer beleid en zuinigheid betracht had kunnen worden. (..)
e) De belangrijkste functies van de coöperatie, speciaal in de toekomst, zijn de verkoop en de inkoop. Ook hier, zelfs voor wat betreft voedingsmiddelen in Brazilië, geldt, dat produceren gemakkelijker is dan verkopen. Tot op heden is aan de organisatie van deze beide functies vrijwel niets gedaan. (…)
f) Met het grote en zeer gunstig ‘gestemde’ landbouwproefstation te Campinas is betreurenswaardig weinig contact opgenomen. Terwijl noch de leiding, noch de boeren zelf, enige ervaring hadden op agrarisch gebied in sub-tropische streken, is men grotendeels naar eigen inzicht gaan werken, terwijl deskundige voorlichting zo nabij is en ook gaarne werd gegeven. Zelfs de komst van een jong landbouwkundig ingenieur heeft hierin geen verbetering gebracht, daar deze direct aan geheel ander werk werd gezet. (…)
g) Het bovenstaande geldt in versterkte mate voor de veebelangen. Ook hier is zonder voldoende gebruik te maken van de desbetreffende Braziliaanse instanties en zonder dat enige veterinaire hulp aanwezig was, de veestapel van Nederland naar een sub-tropisch klimaat, deels zelfs in het ongunstige jaargetijde, overgebracht. Door onervarendheid, onvoldoende voeding en slechte verzorging, zijn een groot aantal dieren gestorven, waarvan een belangrijk deel bij goede behandeling behouden had kunnen blijven. Niet alleen de grote sterfte onder het vee, doch ook de ernstige vertraging in voortplanting en productie (in september 1950 niet meer dan gem. 6 liter per dag per koe), is aan deze onoordeelkundige behandeling in de beginperiode te wijten. (…)
h) Van verschillende zijden moest de commissie vernemen dat de leiding van Ribeirão, die toch geheel nieuw en vreemd was in Brazilië, praktisch nooit raad kwam vragen aan de reeds lang in dat land gevestigde Nederlanders, die de typische verhoudingen en toestanden uitstekend kennen en gaarne en belangeloos hun raad zouden hebben gegeven.
De uit hoofde van zijn functie door de emigratie-attaché (een man met grote tropische landbouw- en irrigatie-ervaring) gegeven adviezen werden wel aangehoord maar voor het grootste deel niet opgevolgd.
i) Zo is van de aanwezige mogelijkheden inzake watervoorziening veel te weinig gebruik gemaakt. Men had met enige kosten maar vooral met enige goede wil, vrij behoorlijke stukken bouwgrond met behulp van irrigatie direct voor intensieve landbouw geschikt kunnen maken. Instede daarvan heeft men zich geworpen op de uit Brabant zo welbekende ontginning van droge arme gronden, die weliswaar goedkoper is, maar slechts zeer matige en riskante cultures kan dragen. Bij een juiste plaatskeuze van boerderijen en het graven van eenvoudige leidingen had men bij vele stallen en erven waarschijnlijk steeds lopend water kunnen krijgen. (…)
j) De keuze en benoeming van de technische afdelingsleiders, praktisch geheel in handen van de heer Heijmeijer, is niet altijd juist en gelukkig geweest. Bij de beoordeling behoren in ieder geval bekwaamheid en flinkheid de doorslag te geven. Voorts werden verscheidene figuren aangetroffen wier aanwezigheid en functie in dit specifiek agrarisch bedrijf niet goed verklaarbaar was.
k) De commissie verkreeg de indruk dat de dagelijkse leiding en de uitvoering van de werkzaamheden vrijwel uitsluitend in handen liggen van de president, hetgeen voor een groot bedrijf niet juist kan zijn. Vrijwel niemand anders heeft de bevoegdheid een beslissing te nemen.

Bron: Rapport Van Roggen/Van Waveren, okt. 1950. NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

 

 

Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-1971)

Aan de stichting van Holambra in 1948 en de aankoop van de Fazenda Ribeirão gingen twee jaren van onderhandelingen met Braziliaanse overheidsinstanties en ook moeizame contacten met de Nederlandse overheid vooraf. Een sleutelrol daarbij speelde Pieter Cornelis van Scherpenberg, die van 1946 tot 1950 aan het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro was verbonden als emigratie-attaché.

meer “Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-1971)”

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

In de Braziliaanse pers

Op 10 mei 1950 publiceerde het dagblad O Estado de São Paulo artikel over de Nederlandse boeren op de Fazenda Ribeirão. Auteur van deze bijdrage was Edgar Fernandez Teixeira, in het dagelijks leven hoofd van de Divisão de Fomento Agrícola van de deelstaat São Paulo,  een functie die te vergelijken was met die van Directeur van de Landbouw in Nederland.
Teixeira was vol waardering over hetgeen er op de fazenda gepresteerd werd. Het maandblad van de katholieke jonge boeren Ontginning publiceerde een eigen vertaling van dit artikel.

Replica van de oude bushalte van de Fazenda Ribeirão

Van meet af aan hebben wij met belangstelling het experiment gevolgd, dat in de gemeente Mogi Mirim ondernomen wordt. Dit experiment beoogt de vestiging van kerngroepen Nederlandse landbouwers in Brazilië, specialisten in het fokken van melkvee en in de zuivelindustrie en bovendien van tuinders en deskundigen op het gebied van de landbouw. Eind 1947 maakten Nederlandse experts een rondreis door Brazilië en kwamen daarbij tot de bevinding, dat zowel in Minas Gerais als in São Paulo en de overige zuidelijke staten de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijk project alsmede voor de vestiging van coöperatieve bedrijven. Hier zouden de emigranten in groepsverband geleidelijk kunnen wennen aan onze methoden, onze gronden en onze cultures en een eigen zuivelindustrie kunnen beginnen, gebaseerd op de hier bestaande omstandigheden en tegelijk even modern als in Nederland.

De uitslag van hun onderzoek was tenslotte, dat de Fazenda Ribeirão thans de “Granjas Holandezas Reunidas” ‑ aan de minimum eisen voldeed om enige duizenden Nederlanders onder te brengen. Voornoemde fazenda werd door de Federale regering van “Amour”[1] gekocht en daarna weer van de hand gedaan aan de Nederlanders, tegen afbetaling op lange termijn. Vervolgens organiseerde men, met de steun en onder toezicht van de Nederlandse regering, een coöperatie, die de gronden verdeelde en de eerste maatregelen begon te treffen om tot een rationele exploitatie te komen. De “Granjas Holandezas Reunidas” liggen op ongeveer 42 km van de stad Campinas, aan de weg van Mogi-Mirim, en behoren tot het grondgebied van die gemeente.

De eerste maal, dat wij daar een bezoek hebben gebracht, was in 1948, niet lang nadat de nieuwe eigenaren hun goed in bezit hadden genomen. Later zijn we er nog twee of drie keer terug geweest en nog heel onlangs, j.l. Zondag, hebben we een tocht gemaakt over de velden en langs de bedrijven. Indertijd het was toen eind 1948 ‑ schreef O Estado het volgende: “Sinds de fazenda in Nederlandse handen is overgegaan, zijn er al twee families aangekomen en bovendien een econoom, die tevens landbouwkundig-ingenieur[2] is. Deze maakte een begin met de verdeling van het land in percelen. Het plan beoogt de productie van ongeveer 20.000 liter melk per dag, die op de fazenda gepasteuriseerd zal worden en zal worden afgeleverd aan São Paulo, Campinas en andere steden in de omgeving.
Behalve melk zal men natuurlijk
ook boter, kaas en verschillende bijproducten gaan fabriceren. Ook de tuinderij en de aanleg van weiden hebben een belangrijke taak te vervullen bij het verwezenlijken van dit plan. In dit verband moet ons een opmerking van het hart! Vele kenners van de streek hebben er hun bevreemding over uitgesproken, dat juist deze fazenda voor immigratiedoeleinden door de Nederlanders is uitgekozen, want de grond ervan zou betrekkelijk arm zijn. Het schijnt echter, dat de Nederlanders zich niet vergist hebben in de landbouwkundige waarde van de aangekochte gronden en men mag verwachten, dat de toekomst de mogelijkheid zal bevestigen om die “slechte” gronden te herscheppen in akkers, die economisch rendabel zijn.”

Inkuilen van groenvoer
Inkuilen van groenvoer

Wij zijn dus bevoegd om een oordeel uit te spreken over hetgeen er te zien was eind 1948 en over wat op dit ogenblik bereikt is, vooral in het laatste jaar. Naar onze mening is het verrassend te zien wat hier door noeste arbeid tot stand is gebracht en met een gerust hart durft men nu reeds de uitslag van dit experiment optimistisch beoordelen. Een landbouwbedrijf van een dergelijke structuur is wellicht een unicum op ons grondgebied. De eerste kolonisten zijn nu al een groep van meer dan 500 personen[3]: mannen, vrouwen en kinderen. De “Granjas Holandesas Reunidas” vormen een klein, maar vooruitstrevend boerendorp, waar alle arbeid steunt op het coöperatieve principe. Men vindt er een kerk, scholen, magazijnen, ruime en goed ingerichte · werkplaatsen, zoals een timmermanswinkel, een smederij, een garage voor de reparatie der landbouwmachines; bovendien een modern machinepark voor alle soorten werkzaamheden, vanaf tien grote tractoren tot z.g. “combines”, om tarwe te oogsten en andere graansoorten, alsmede een “combineom maïs te oogsten. De coöperatie beschikt ook over machtige sproeiers, die in een paar uren tijds tientallen hectaren aardappelland kunnen besproeien.Bij ons bezoek was men juist bezig 75 ha tarweland, in maart bezaaid, te besproeien om een hevige rupsenplaag te bestrijden, die in een paar dagen was opgekomen en het gewas van dat bouwland in ernstig gevaar bracht.

Dit jaar hebben de “Granjas Holandesas Reunidas” reeds meer dan 700 ha beplant, waarvan 200 met maïs, 100 met tarwe, 30 met aardappelen van zes verschillende uit Holland geïmporteerde soorten, vooral die, welke geschikt zijn voor ons land, 80 ha guando, 35 mucuna en kleinere percelen met andere gewassen, zoals erwten, waarmee men hier proeven neemt en die een van de belangrijkste teelten zal gaan uitmaken. De “slechte” gronden ontsluiten zich langzamerhand voor de kennis van de Nederlandse boeren (van wie velen in het bezit van een diploma zijn op het gebied van de landbouwkunde, de veefokkerij, de veeartsenij, economie)[4], enz. Daar men een intensieve bemesting toepast en de modernste. methoden op landbouwkundig gebied toepast, en de arbeid vanaf het gereedmaken van de bodem tot aan de oogst zoveel mogelijk met behulp van machines verricht wordt, slaagt men erin een bevredigende opbrengst te verkrijgen. Naar men ons inlichtte, is men ook voornemens de inrichting van stallen te bevorderen, waar men compost zal kunnen verkrijgen, omdat de organische meststoffen een ideale oplossing zullen betekenen voor deze gronden, zodat ze n.l. weer geschikt zullen worden gemaakt voor iedere soort gewas.

Het program van deze uitgebreide werkzaamheden wordt uitgestippeld door de coöperatie, die het toezicht houdt over alle takken van dienst en hoofdzakelijk beoogt grassoorten, maïs en andere granen te winnen om er het melkvee mee te voeren. Tot nu toe zijn er al ongeveer 1.000 stuks vee[5]door de boeren zelf meegebracht hij hun overtocht naar Brazilië. Er is zowel zwart-bont als rood-bont vee. Voor groenvoer en groenbemesting is de keus voornamelijk op guando en mucuna gevallen, omdat deze gewassen het voordeel bieden, dat ze de grond vruchtbaar maken en tegelijk uitstekend dienst kunnen doen als veevoer en als hooi.

Maar de grondslag van deze Nederlandse kolonie berust op de melkbedrijven. Deze hebben een uniforme omvang van 15 ha.[6] Naar de aard van de grond heeft men hiervoor overwogen decultuur van maïs, rijst en aardappelen, de aanleg van kleine tuinen en van een tamelijk groot oppervlak weiland. Dit oppervlak van 15 ha laat bij een gunstige ontwikkeling een veestapel van 30 melkkoeien toe. De stal bevindt zich vlak bij het woonhuis van de kolonist en sommige van die woonhuizen zijn hoogst comfortabel ingericht. Vele boeren zullen zelf boter en kaas produceren, maar men gaat ook een modelzuivelfabriek bouwen om bepaalde standaardtypen kaas en boter te kunnen vervaardigen. Men vindt hier velenieuwigheden, die men in het binnenland, zelfs in de steden, nog niet kent, o.a. een wasserij (reeds in uitvoering), die alle personen van de Nederlandse kolonie zal bedienen.

De vooruitgang, die hier practisch in anderhalf jaar geboekt is, laat ons voorzien, dat over nog één jaar op zijn hoogst[7] de “Granjas Holandesas Reunidas” een modelcentrum zullen vormen, dank zij hun hoog organisatiepeil en dank zij de methoden, die hier op het gebied van de landbouw en de veeteelt worden toegepast. Men zal er een leerzaam voorbeeld kunnen vinden, dat hopelijk anderen zal aansporen om het na te volgen, tot grotere bloei van ons land.

Bron: Ontginning, augustus 1950


[1] Frigorífico Armour do Brasil S/A, Braziliaanse dochteronderneming van het Amerikaanse vleesconcern Armour & Company uit Chicago.
[2] Ir. J.G. Heymeijer.

[3] Dit getal was aan de hoge kant.
[4] Gedoeld werd op de kleine staf van deskundigen, die er al aanwezig was of binnenkort werd verwacht.
[5] In werkelijkheid waren het er 500.
[6] De bedoeling was om vooral 15 ha.-bedrijven te stichten; daarnaast was voorzien in enkele bedrijven met een grotere omvang.
[7] Commentaar van de vertaler in Ontginning: ‘De eerlijkheid gebiedt ons te erkennen, dat de schrijver zich wat al te complimenteus uitlaat. Wij zullen intussen ons best doen om aan zijn hoge verwachtingen zoveel mogelijk te beantwoorden.’

Holambra in opbouw (II)

Het Centrum.

Wat thans het “Centrum” heet, is het fazendaplein (met het fazendahuis) en de onmiddellijke omgeving daarvan. Hier klopt het hart van de coöperatie. Afgezien van enige woonhuizen, die wij er vinden, staat daar de kerk, het fazendahuis, de kantoren, het vrijgezellenhuis en de school, allemaal gebouwen, die in het leven der emigranten een voorname rol spelen. Over al die gebouwen zou heel wat te vertellen zijn, maar we moeten ons tot enige hoofdzaken beperken.

De kapel werd vorig jaar van Maart tot Mei (oorspronkelijk met een andere bedoeling) gebouwd en in Juli werd de achterwand ervan door Pater Dr. G. Sijen, de pastoor der parochie, met een fraaie voorstelling van de Verrijzende Christus getooid. · Men probeert hier doelbewust de grondslagen te leggen voor een liturgische gemeenschapsvorming en het spreekt vanzelf, dat de zeven zusters, Kanunikessen van het H. Graf, voor deze geestelijke opbouw uiterst waardevolle bijdragen leveren. De kapel is op dit ogenblik al te klein, de pater is nu al genoodzaakt iedere Zondag drie H.H. Missen te lezen. Op de duur zal deze situatie de bouwafdeling voor een nieuw probleem stellen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Het fazendahuis vereist eveneens omvangrijke reparaties en uitbreidingen. Het is weliswaar een royaal ingericht woonhuis met vrij veel ruime vertrekken, maar als men hoort, welke bestemmingen dit huis zoal heeft, zal men onmiddellijk begrijpen, dat het toch weer veel te klein is. Het bergt onder zijn herbergzaam dak de familie Heymeyer (6 personen) de zusters (thans 7, binnenkort 9 personen) en de pater. Bovendien gebruiken er tot nu toe dagelijks ruim 30 vrijgezellen hun maaltijden. En tenslotte heeft Ir. Heymeyer er zijn kantoor.

Binnenkort komen er een paar van deze bestemmingen te vervallen, wat niet anders dan noodzakelijk is, omdat noch van een behoorlijk kloosterleven, noch van een behoorlijk familieleven binnen deze al te enge muren sprake kan zijn. De vrijgezellen zullen zeer binnenkort gaan verhuizen naar een speciaal voor hen ingericht tehuis, waar ze de maaltijden kunnen gebruiken, waar ze kunnen vergaderen, zich ontspannen, lezen, schrijven, enz. De Heer en Mevrouw Slegers hebben zich met de taak belast te zorgen voor de materiële en hogere belangen van deze vrijgezellen. En voor de directie wordt thans aan de andere kant van het fazendaplein een kantoorruimte ingericht, zodat ook in dit opzicht het fazendahuis meer ontlast zal worden.

Over het kantoor der administratie en de school zullen we vandaag maar niet langer spreken. Hopelijk komen deze beide instellingen een volgende keer nog eens aan de beurt.

 

Groei van het bedrijf.

De bouwafdeling heeft al drie dochterbedrijven onder haar hoede. In de eerste plaats de timmermanswerkplaats, die zonder meer een modelinrichting kan worden genoemd, al kan ze het steeds toenemende werk niet bijhouden. Vervolgens de houtzagerij, die nog niet zo heel lang geleden ertoe is overgegaan eigen hout van de fazenda te zagen en voor verder gebruik te bewerken. Tenslotte is er de steenfabriek, die over enige tijd 30.000 stenen per week zal kunnen produceren. Deze dochterbedrijven betekenen een enorme deviezenbesparing voor de fazenda, en hun belangrijkheid zal in de volgende maanden nog· steeds toenemen. Wanneer we bedenken, dat een jaar geleden de spanten nog uit Campinas betrokken moesten worden en dat tienduizenden stenen uit. de omliggende plaatsen geleverd moesten worden, zal men begrijpen, dat deze bedrijven hier absoluut noodzakelijk zijn.

Toch blijven de moeilijkheden nog zeer groot en ze zijn van velerlei aard. Zand moet b.v. gehaald worden op een afstand van 13 km aan de rivier en hier kan men eigenlijk alleen in de droge tijd terecht. De voorziening van kalk en cement loopt maar zeer stroef, en het transport, dat het uiterste vraagt van het beschikbare materiaal, is een probleem op zich.

De snelle groei van de kolonie stelt de bouwafdeling iedere maand, we zouden ·haast zeggen, iedere dag, voor een nieuwe puzzle. Van half mei tot half augustus moeten er 25 boerderijen worden gebouwd met de daarbij behorende stallen; voorts 6 huizen in het centrum, drie kalverstallen en vier stallen voor volwassen vee. En tenslotte moet een gedeelte van de grote zuivelfabriek worden opgebouwd, het z.g. A-melkbedrijf. Daarnaast komen nog de kleine, dagelijks terugkerende karweitjes en men zal begrijpen, dat de Heer Hendrikx iedere maand blij·is als de nieuwe emigranten weer een dak boven hun hoofd hebben.

Er is een werkschema opgesteld, waarbij de bouwafdeling in vier ploegen verdeeld is en zonder al te grote tegenslagen hoopt men inderdaad met de verschillende projecten gereed te komen. En het moet gereed komen, want vóór half Augustus worden hier weer een dertig (meestal grote) families verwacht, die ergens ondergebracht moeten worden. In de uitvoering van dit programma ligt voor alle personen, die erbij betrokken zijn, iets spannends: komen de leveranties wel op tijd? Ondervindt het transport geen al te grote strubbelingen? Zullen de timmerlieden, de metselaars wel kunnen bijhouden?

Deze en dergelijke vragen hoort men hier dagelijks. Maar tot nu toe is men, ondanks alles, geneigd deze vragen optimistisch te beantwoorden. Want het is nog altijd klaargekomen, de emigranten hebben nog altijd een huis gevonden, er kwam nog altijd een oplossing, ook al leek ze aanvankelijk onmogelijk. Wij vertrouwen dus op het goede gesternte, dat ons tot nu toe nog altijd vergezeld heeft. We bouwen verder en zien hier een dorp verrijzen, dat ons dagelijks meer tot voldoening stemt en ons aanspoort ·steeds verder en hoger te streven.

Uit: Ontginning, augustus 1950

Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ’s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.

Film Braziliaanse Koorts komt er

Een half jaar geleden presenteerden twee Nederlandse documentairemakers, Arjan van Westen en Monique Schoutsen hun plannen voor het maken van een nieuwe documentaire over de nazaten van de Zeeuwse emigranten in Espírito Santo. Het geld hoopten zij bijeen te krijgen door middel van crowdfunding. Via hun website www.braziliaansekoorts.nl kon je een financiële bijdrage storten, waarbij de hoogte van de donatie bepalend was voor wat je er als donateur voor terug zou krijgen. Afhankelijk van de hoogte van de bijdrage kreeg je na verschijning een exemplaar van de DVD toegestuurd, een exemplaar van het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis, vermelding van je naam op de aftiteling of een uitnodiging voor de première. Arjan en Monique hebben de afgelopen zomer op talloze markten in Zeeland gestaan om hun project te promoten. Daarnaast waren ze geregeld te gast in regionale en landelijke media. En met succes! Momenteel is 19.000 van de benodigde 25.000 euro binnen. Ze hebben daarom besloten de film te maken in de wetenschap dat de komende maanden de resterende 6000 euro nog binnen zal komen.

Komende maanden start het filmen in Zeeland en in maart gaan Arjan van Westen en Monique Schoutsen naar Brazilië. Hun streven is om de documentaire net voor het WK voetbal af te hebben.

Om alvast in de stemming te komen, volgen hier nogmaals de twee korte films die Eline Jongsma en Kel O’Neill in 2012 maakten in Holanda, Espírito Santo. Ongetwijfeld wordt de nieuwe documentaire veel informatiever dan deze filmische impressies.