‘Eene smart zonder tranen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (8)

In het tweede deel van de brief van 25 december 1891, geschreven vanuit Itapira in Brazilië, beschrijft Antko Drenth de lotgevallen van zijn gezin tijdens de reis vanuit Alderete in Argentinië terug naar Buenos Aires. Het gezin was getroffen door pokken en wist nog maar net het vege lijf te redden. Drenth had nog weinig hoop dat het nog goed zou komen en gaf te kennen graag naar Nederland terug te willen keren.

Toen dan eindelijk FREDERIK weer loopen kon, braken wij spoedig op, om te trachten opnieuw aan ‘t werk te komen. Nadat wij na eene vermoeiende reis bij een andere kolonie waren aangekomen, werd ons dadelijk arbeid aangewezen. Die scheen werkelijk niet slecht te zijn, daar wij eenig meer loon zouden erlangen dan in de vorige kolonie en ieder huisgezin voor zich in ‘t genot zou worden gesteld van eene vrije woning. Echter moesten wij zelf de woning timmeren, waarvoor het benoodigde materieel uit het bosch konde worden gehaald. Aan alle ellende gewoon en verhard door zooveel slagen van het noodlot, pakten wij vlijtig aan, om toch maar spoedig onder dak te komen.

Zoo gelukte het dan, dat wij in zes dagen tijds, door vier man, negen huisjes timmerden, die toen onmiddellijk werden betrokken. Ik geef u de verzekering, dat wij, hoe sober deze woningen er ook uitzagen, blijde waren toch maar verlost te zullen worden van dat samenwonen in massa, dat toch tot niets anders leidde dan tot totale verdierlijking. Tijdens de zesdaagsche bearbeiding der woningen moesten wij de diepste ellende wedervaren. Het was nl. juist tot overmaat van ramp regentijd, die in deze streken allergeweldigst kan zijn. Wel nu, een lang afdak of soort loods aan de zijden open, veel overeenkomende met bij u een bijenstal, diende ons die zes dagen tot gezamentlijke woning, waar wij gelijk varkens in den stal nederlagen. Daar het dak dezer loods bestond uit lang gras, dat steeds de regen met stroomen doorliet, kunt ge u wel voorstellen, wat wij te verduren hadden. Nog was dit alles niets, nog kon deze ellende voor niets noemenswaard geheten worden bij den ernst, die maar al te wel zou volgen. Te midden dan in dezen poel van jammer en ellende werd mijne vrouw aangetast door de zoozeer gevreesde pok-ziekte en daarna ons kleinste kind. – Neen, hier is mijn pen niet in staat u dezen toestand te beschrijven: zóó mijne geliefden te zien heenliggen en hun letterlijk niets tot verlichting hunner smarten te kunnen aanbieden, dan zooveel mogelijk mijn best te doen hen tegen de altijd doorslaande regen te dekken.
Gelukkig hadden wij een geneesheer, die ons trouw ter zijde stond.

‘t Was God, de alomtegenwoordige, die ons ook in dezen nieuwe kracht ten strijde gaf. Ja wij streden en spoorden elkander aan tot het gebed, waarin wij altijd onze troost vonden en opwekking om den strijd te voleinden, die van ons gevraagd werd. Hier zal het woord van den dichter wederom op zijn plaats zijn, waar hij zoo naar waarheid zingt :
“Stort ge tranen bij ‘t verhalen
“Van ‘t vergallen uwer vreugd,
“O, verzamel ‘t geen u restte:
“Doe veeleer gelijk de jeugd;
“Is het speeltuig eens gebroken,
“‘t Hindert ‘s kinds genoegen niet,
“Daar men ‘t met gebroken speeltuig
“Toch opnieuw weer spelen ziet”.

Ja, de Heer onze God gaf verlichting, toen wij na drie dagen in de bovengenoemde loods op de afschuwelijkste wijze hadden moeten verblijven. Onder groote bezwaren, zoo gij begrijpen kunt, had toen de overbrenging plaats van de zieken naar het houten huisje, dat eindelijk voor ons in gereedheid was. Dit geschiedde echter zonder ongelukken, waarbij wij ons zeer gelukkig gevoelden en dankbaar. Nadat ons verblijf zoo’n vier weken geduurd had in de eigen of liever vrije woning, waren mijn vrouw en kind oogenschijnlijk het grootste gevaar voorbij; zij waren echter uiterst zwak, en hadden dus nog groote behoefte aan goede zorg. En wederom bleek dat er nieuwe zwarigheden zouden opdoemen, wederom geleek het, dat wij als ‘t ware een stuk wild gelijk waren, die nergens en nooit rust zouden vinden. Op zekeren morgen dan kwam de chef of opzichter ons zeggen, dat wij ons aan een nieuw accoord moesten onderwerpen en wel zóó, dat ons loon minder zoude bedragen. Algemeene schrik, zoo gij denken kunt, overstelpte ons, daar ons bestaan tegen het zware werken toch al zoo uiterst karig was. Wat moesten wij wel beginnen? Met het oog toch op de zieken en zwakken kon er geen sprake zijn op het oogenblik, om te trachten te vertrekken naar eene andere kolonie en bleven wij genoodzaakt ons aan de willekeur van onzen meester te onderwerpen, hoe het dan ook mocht uitloopen.

Wij werkten door en bleven afwachten, wat ons boven den gewonen kost zoude worden uitbetaald. Weerloozen, die we waren, wisten en konden we als slaven gelijk zijnde niet weten, wat ons opnieuw te wachten stond. Eenigen tijd dan werkten wij door, altijd nog met hoop bezield, dat alles wel wat mee zou kunnen vallen. Doch na eenigen tijd, toen wij op een Zondag, dat is hier de betaaldag, bij den meester kwamen, om ons dagloon te mogen ontvangen, kregen wij eenvoudig het voor ons zoo verpletterend bericht, dat er niet werd uitbetaald. De reden hiervan werden ons kort en bondig te kennen gegeven en wij konden gaan, ons aan het lot overlatende. Was hier de oorzaak dezer wreedheid, omdat wij slecht werk leverden of onwillig waren zult ge wellicht zeggen – of wel kon het zijn, dat er geen arbeid meer was, neen, goede vrienden, de oorzaak was gelegen in iets, dat gewoonlijk een grooten invloed uitoefent op den gang der maatschappelijke zaken: ‘t Was in dezen de politiek die sprak. – Niet minder toch werd ons gezegd, dan dat de Nationale bank zijne betalingen had gestaakt. – Dat dit een verpletterende boodschap voor ons was, kunt gij wel denken. De staat zijne betalingen gestaakt, waarvan wij slaven gelijk waren. De staat niet bij machte, om zijne huishouding te onderhouden, hoe moest het dan nu wel met ons worden. Het spreekt van zelf, dat wij in de eerste oogenblikken geen gezond idee hadden en waarom toch men ons zoo hard durfde behandelen. Dat een staat, of regeering liever, geen onfeilbaar en onkreukbaar lichaam was over zijn onderdanen, dat konden wij in geenen deele bevatten.

En toch bleek het maar al te waar te zijn: wij moesten ons nu maar voor goed zelf zien te redden. – Gij zult zeker wel in de Hollandsche couranten vernomen hebben, hoe of het hier eigenlijk stond ten opzichte van verschillende politieke stroomingen, die revolutie uitlokten en bij gevolg alle dagelijkschen arbeid ondermijnden. Thans weder ten prooi van alle wisselvalligheden, moesten wij onze kluis verlaten en waren wij genoodzaakt opnieuw een zwerftocht te aanvaarden. Wij gingen. Wederom zwoegde ik onder den last van eenig beddegoed, gereedschappen en ander plunje in gezelschap mijner zwakke vrouw en kinderen, om nog niet te spreken van de andere familiën, die in gelijke benarde omstandigheden verkeerden dan wij. De tocht ging in de richting van Rosario, de hoofdstad van Santa Fé. Ik zal u de moeite maar niet geven te lezen wat ook deze tocht ons voor inspanning gaf. Met één woord: het ging onder de bitterste omstandigheden. Toch kwamen wij te Rosario, waar wij al spoedig lotgenooten aantroffen, herkomstig uit Friesland, die hetzelfde lot gelijk wij hadden ondervonden en na de vreeselijkste beproevingen te hebben doorstaan, ook in Rosario waren aangekomen. Het tafereel, dat ook zij ter aanschouwing gaven, was hartverscheurend. Deze had het verlies te betreuren zijner vrouw, gene van vrouw en kind, terwijl een andere gewaagde van meer. Eén o.a., dit was een gewezen bakker uit Leeuwarden, treurde over ‘t verlies zijner vrouw en zes kinderen ….. de man was radeloos. Verder werd ons verhaald, dat er in een kolonie van de vijf-en-twintig Hollanders slechts zes waren overgebleven. Deze waren allen vrijgezellen. Wanneer gij u eene voorstelling kunt maken van al deze ellende en het beeld kunt scheppen , alsof gij er mede in betrokken waart, gij zoudt bezielend uitroepen: “dat alles is te veel!” Ook wij deden dezelfde uitroep hooren, doch aan het bitterste lijden gewoon was het, alsof het als ‘t ware eene smart geleek te zijn zonder tranen en wij ons steeds trachtten op te beuren en onze lijdensgeschiedenis te beschouwen voor een noodzakelijkheid, die de Voorzienigheid ons had opgelegd.

Ja, wij hebben tot dusverre altijd getracht ons staande te houden door immer bemoedigend het lot, wat voor ons was geordineerd, te aanvaarden en te dragen. Dit durf ik naar waarheid te zeggen, dat wij alle krachten inspanden, om tot een goed einde te komen, doch de verwarring en algemeene ellende was zoo groot, dat er niet te denken viel voor een huisgezin het soberste onderhoud te kunnen veroveren. Zelfs vrijgezellen liepen er in groote menigte om, die letterlijk niets konden verdienen. O.a. ontmoetten wij nog eenen Duitscher en eenen Engelschman, die ook aan alles gebrek hadden. Zij bleken anders wel dappere mannen te zijn, daar zij nagenoeg naakt en zonder eenig redmiddel ver uit het binnenland waren gekomen langs ongebaande wegen, om zoo mogelijk in de een of andere zeehaven een schip te vinden, dat koers zoude zetten naar Europa, onverschillig naar welke streek van het oude werelddeel, zoo zij maar slechts aan Europeeschen wal kwamen. Tot overmaat van ramp, die veroorzaakt was door honger en uitputting, hadden deze ongelukkigen nog met een anderen vijand te kampen, die in de gegeven omstandigheden niet te overwinnen was, waarvan wij tot toen nog verschoond waren gebleven. In de eerste plaats waren hun beenen ontzettend opgezwollen, tengevolge het aanhoudend marcheeren op bloote voeten langs rotswanden, berghellingen en ongebaande wegen door somwijlen ondoordringbare bosschen. Op dergelijke tochten en onder dergelijke omstandigheden wordt de reiziger veelal aangevallen door een insekt, dat in die bergstreken welig tiert en wee dengene, die er door wordt aangetast. Het is een soort vloo, zandvloo, in de landtaal genoemd Pikus. Het diertje huist zich ‘t liefst in enkele deelen van het menschelijk lichaam en wel het eerst zet het zich bij voorkeur onder de nagels der teenen, eveneens onder die der vingers. Het monster, hoe klein ook, overrompelt den mensch veelal in den slaap en eenmaal in zijn begeerde woning gehuisvest zijnde, laat het zich door geen kleinigheid verdrijven.
Niet meer als het in ‘t vleesch zit, veroorzaakt het aan den mensch een geweldige jeukte, waarna opzwelling en het leggen van een eitje is geschied. Dan volgt zwering en afschuwelijke etterbuilen die erge pijnen veroorzaken, blijven den lijder bij.
Slechts rust en de uiterste zindelijkheid zijn in staat deze kwaal weg te maken, doch dan ook nog slechts met groote nauwgezetheid.

Als gij nu weet, dat op zulke zwerftochten noch van onderdak in den nacht, noch van geregeld voedsel, noch van rust sprake kan zijn, zult ge u eenigszins kunnen verplaatsen in het leed, dat zulke zwervers ondervinden. – Zoo ziet gij dan, dat het hier in genen deele is uit te houden en onmogelijk is gebleken te zijn, dat wij – dat – wie ook, als emigrant der Europeanen langer tegen den stroom kunnen opwerken. ‘t Is dan ook daarom en gegrond op het volle bewustzijn, clan wij allen onze uiterste krachten en goeden wil immer ten beste hebben gegeven, ik mij niet schaam op uw vraag om naar het vaderland terug te willen keeren, volmondig antwoord: Ja, van ganscher harte. – Want gij moet weten, dat niet alleen de slechte vooruitzichten omtrent brood te verdienen mijn krachten beginnen te ondermijnen, maar als ik het oog sla op de vale en uitgeputte gezichten van vrouw en kinderen, die ten gevolge de slechtste voeding of dikwijls zonder voedsel er uit zien als wandelende dooden, dan wordt het mij bang om ‘t hart en gevoel ik mij zoo voor goed afgemat, dat ik niet in staat meer ben het zware werk, dat ik vroeger zoo gaarne aanpakte en uitvoerde, te kunnen verrichten. Echter blijf ik in zekeren zin nog al goed gezond, dat wij als een groote zegen beschouwen. Dat mijn spierkrachten zich begeven beschouw ik voor geen ziekte zoozeer, want zoo ik maar goed voedsel kreeg, zoude mijn gespierde vuist van voorheen wel spoedig terug keeren. Hoe sterk en vaardig was ik vroeger niet waar? Voor genen arbeid terugdeinzende, gevoelde ‘k geen afmatting gelijk nu, nu mijn stramme beenen mij steeds in herinnering brengen, dat ik er minder op word.

Moge dan de Heere uwe pogingen zegenen om ons uit de ellendigste omstandigheden te verlossen. Zende uw gebeden gelijk ook wij doen, tot den Almachtigen op ter onzer redding, opdat wij elkander nog eenmaal op vaderlandschen bodem mogen terug zien.

 


Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *