Emigrantenleed in Itapira

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (1)

Afgelopen jaar bracht ik tijdens mijn Braziliëreis een bezoek aan Itapira. De reden voor het korte bezoekje aan dit stadje, 40 kilometer ten noordoosten van Holambra, was een

Itapira in 2013
Itapira in 2013

Nederlands emigrantendrama dat zich tussen 1891 en 1893 in Itapira heeft afgespeeld. Op 25 september 1889 was de landarbeider Antko Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen, zijn vrouw Rijna Dijk en hun drie kinderen Gezina, Frederik en Udo met de ms ‘Schiedam’ naar Argentinië geëmigreerd. Drenth verbleef in Argentinië op verschillende plaatsen, maar wist daar geen geregeld bestaan op te bouwen. In maart 1891 – het gezin was inmiddels uitgebreid met de in Tucumán (Argentinië) geboren Christiaan – vertrok de familie Drenth over zee naar Brazilië, ten einde op de koffieplantages te gaan werken. De hoop op een herkansing werd echter de bodem ingeslagen. Het gezin Drenth bleef zowel in Argentinië als in Brazilië ziektes niet bespaard. Moeder Rijna wist wonderwel te herstellen, maar hun zoon Udo en ook Antko lieten het leven. Met behulp van geld uit Nederland konden de weduwe Rijna, de oudste dochter Gezina (17 jaar) en de zoon Frederik (13 jaar) in september 1893 naar Nederland terugkeren. Over het lot van de kleine Christiaan is niets bekend.

Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)
Rijna Dijk in 1906 op Ellis Island (New York)

Met de terugkeer was het emigratievirus nog niet geweken. In 1905 emigreerde zoon Frederik Drenth naar de Verenigde Staten, om zich te vestigen in Kalamazoo, Michigan. Een jaar later volgde zijn zus Gezina, haar man Jan Hensens en hun vier kinderen en ook de weduwe van Antko Drenth. Allen vestigden zich in Kalamazoo in Michigan, in de nabijheid waarvan zich heden ten dage nog nazaten van Antko Drenth en Rijna Dijk woonachtig zijn. Dit zijn nazaten van Jan en Gezina, die uiteindelijk negen kinderen kregen, zeven dochters en twee zonen.

De reden dat ik aandacht besteed aan de lotgevallen van de familie Drenth is gelegen in het feit dat enkele jaren geleden in het nalatenschap van Trijntje Rens, een vrouw die zelf in 1909 met haar gezin naar Brazilië emigreerde en via Argentinië weer terugkeerde naar Nederland een boekje werd aangetroffen met brieven van de familie Drenth. Dit boek Brieven van emigranten uit Argentina en Brazilië en andere gegevens bevat brieven die Antko en Rijna schreven aan hun familie in Nederland. De komende tijd wil ik deze brieven op mijn website publiceren.

Reeds vóór het verschijnen van dit boek verscheen in diverse kranten het volgende bericht over de terugkeer van de weduwe Drenth en haar twee overgebleven kinderen.

Brieven emigranten“De weduwe van Antko Drenth, een arbeider die voor vier jaren met vrouw en vier kinderen van Westerlee naar Buenos-Ayres vertrok, is met twee kinderen, een jongen van pl.m. 14 en eene dochter van 17 jaren, vandaar teruggekeerd. Zij hangt een verschrikkelijk tafereel op van de ellende, de gevaren en de ontberingen, die de emigranten zich daar moeten getroosten. De dood ontnam haar in Brazilië eerst haar oudsten zoon, daarna stierf Drenth aan de gevolgen van de doorgestane ellende en later stierf nog een kind van 2½ jaar oud, dat op hare zwerftochten geboren was. Volgens haar blijkt de Europeaan ten eenemale ongeschikt voor den arbeid in die streken, want zwaar gebouwde mannen — en daaronder zelfs Italianen — zag men binnen weinige weken tot schimmen veranderen. De Asser Ct. deelt bovendien nog het volgende mede:

De woningen der emigranten waren slecht, niet beter dan hokken, en van meubelen was geen sprake, zelfs stoelen en tafel ontbraken en de vloer diende te gelijk tot legerstede. Eerst scheen het nogal dragelijk te zullen worden, maar toen de crisis kwam en de geldnood zich openbaarde, werden ze van de eene provincie naar de andere gezonden, zoodat ze eindelijk na een voetreis van een maand, met pak en zak — wat trouwens niet veel was — weder op het punt van uitgang terugkwamen. Het binnenland is bergachtig en het reizen aldaar moeilijk en vol ontberingen; logementen zijn er voor de emigranten op hun reis bijna niet te vinden en dikwijls moeten zij onder den blooten hemel overnachten. Het eten bestond in hoofdzaak uit maïsbrood en rijst. Eens scheen er voor haar uitkomst te zullen komen, want door eenige vrienden was een zekere som naar een broeder van Drenth te Chicago gezonden, welke som daar werd aangevuld en toereikend was om de familie naar Noord-Amerika te doen verhuizen, maar Drenth was inmiddels overleden en ofschoon de weduwe wist dat het geld naar den consul was opgezonden, kon zij niet, te weten komen wie het in bezit had, tot zij eindelijk, na wel een half jaar zoeken, bij den Nederlandschen consul te Santos (een Duitscher) kwam, die haar in hare opsporing bijstond en door wiens bemiddeling het gevonden werd. Het was echter al geslonken tot een bedrag, niet toereikend voor de lange reis naar Noord-Amerika. Maar ook de rest kon zij niet ontvangen, want de consul te Santos eischte daarvoor een bewijs van overlijden van haren man, doch daar de Argentijnen er geene registers van den burgerlijken stand op na houden, was dat bewijs natuurlijk door haar niet te geven, ’t Geluk diende haar, want geruimen tijd daarna ontving zij te Buenos-Ayres een bezoek van een landsman, een Amsterdammer, die haar man had uitgedragen, en die zich verwonderde haar daar nog aan te treffen. Deze bood haar aan met haar naar Santos te gaan. Daar bezwoer deze het overlijden van Drenth en nu verschafte de consul haar vrijen overtocht naar Bremen en een weinig reisgeld naar haar vroeger vaderland. Zij is arm en heeft een veelbewogen leven van vier bange jaren achter den rug.”

Bron: Algemeen Handelsblad, 28 september 1893.
Met dank aan Trinida de Kraker en de nazaten van de familie Drenth in de V.S.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (6)

Naast hun rapport stuurden M.A. van Roggen en G.C. van Waveren in oktober 1950 ook een afzonderlijke brief aan het Ministerie van Sociale Zaken. Daarin gingen zij uitvoerig in op het optreden van Geert Heijmeijer, het appèl dat hij deed op het katholieke sentiment in Nederland en de door hen geconstateerde misstanden, waarvoor in het rapport geen plaats was. Hieronder de hoofdpunten van de harde kritiek die beiden hierin in naar voren brachten tegen het beleid van Heijmeijer.

1. Bij zijn financiële beschouwingen voor de toekomst, heeft de heer Heijmeijer kennelijk gespeculeerd op sentiments- dan wel humaniteitsoverwegingen bij de Nederlandse regering. Wanneer het kapitaal van de opgenomen leningen verbruikt was, zou men die arme boerengezinnen toch niet zonder meer laten verhongeren? (Dat een eventuele liquidatie dit bij de bestaande toestanden in de Braziliaanse landbouw inderdaad voor vele kolonisten ten gevolge zou hebben, is helaas met vrij grote zekerheid te verwachten).
Fazendaplein met kantoren2. Zijn voorstelling van het eigenlijke karakter dezer kolonie tegenover de Braziliaanse regering is een geheel andere dan die in vaderlandse kringen naar voren wordt gebracht. In Nederland, onder andere bij de KNBTB, wordt uiteraard vooral het zuiver katholieke element van deze emigratie als propaganda gebruikt mede ten gevolge waarvan de Nederlandse regering dit ten rechte beschouwd heeft als een particuliere onderneming, waarvoor zij geen verantwoordelijkheid kon dragen.
Tegenover de autoriteiten in Brazilië – een praktisch geheel katholiek land, waar dus het katholieke element vanzelfsprekend is – wordt dit karakter evenwel nooit naar voren gebracht (Het zou deze autoriteiten waarschijnlijk ook slechts weinig interesseren). In Brazilië wordt doel en opzet uitdrukkelijk voorgesteld als Nederlandse emigratie. De heer Heijmeijer heeft ten volle geprofiteerd van alle faciliteiten en voorrechten, waarover de officiële Nederlandse Emigratiedienst aldaar beschikt. Hierdoor is min of meer opzettelijk de schijn gewekt, dat de Nederlandse regering volkomen achter dit streven staat en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat deze legalistische voorstelling van zaken niet heeft nagelaten de Nederlandse legatie en haar emigratiedienst in Brazilië in een enigszins scheve positie te brengen, is ook bij geringe kennis van de verhoudingen in dat land, geheel duidelijk.
3. Het (…) algemeen Nederlandse karakter van de kolonie (met welke gedachte de heer Heijmeijer zich in Brazilië heeft vereenzelvigd), is voor hem aanleiding, deze kolonie ook nog te beschouwen in een ander licht, nl. als de eerste nucleus voor alle verdere emigratie van landbouwers (en ook voor andere vaklieden) uit Nederland. Afgezien van het feit, dat dit praktisch – mits goed georganiseerd – zeer wel mogelijk zou zijn, worden in de gedachtegang van de heer Heijmeijer zijn kansen op verdere geldelijke steun van Nederlandse zijde belangrijk versterkt.
4. De heer Heijmeijer mist blijkbaar de eigenschappen en/of de neiging om bij de Braziliaanse regeringsinstanties voor Ribeirão op te treden en met succes te onderhandelen. Deze – inderdaad hoogst belangrijke en essentiële – werkzaamheden werden tot dusverre gaarne, maar principieel minder juist, overgelaten aan de goeden diensten van de Nederlandse Emigratie-attaché. Uit eigen inzicht, zowel op grond van uit goede bronnen verkregen informatie, kwam de Commissie tot de mening, dat de persoon van de president inderdaad voor representatieve doeleinden minder geschikt is. (…)
6. In het rapport is al gewezen op de – gezien het feit, dat nog geen enkele bestaanszekerheid verkregen was – enigszins luxueuze woningbouw. Toch is, juist in de laatste maanden, waarin de bodem van de geldkist angstig zichtbaar werd, voor het gezin Heijmeijer een nieuw huis van ca. 10 kamers gebouwd. Hoewel de heer Heijmeijer dit verklaart door te zeggen, dat de kolonisten hem dit als leider min of meer hebben “opgedrongen”, neemt dit niet weg, dat dit een belangrijke uitgave betekent, die wellicht beter uitgesteld had kunnen worden tot het bedrijf in productie zou zijn gekomen.
7. Ieder lid van de Coöperatie is verplicht bij toetreding in Nederland alle hem ter beschikking staande gelden ter leen te verstrekken aan de Coöperatie (Stichting Holambra). De heer Heijmeijer, die ook lid is, heeft daar evenwel niets in gestoken, niettegenstaande hij bij genoemde stichting per ultimo 1949 een saldo had van bijna ƒ 9000,-.
8. Op de fazenda lopen diverse lieden rond, waarvan men zich afvraagt, welke functie zij eigenlijk hebben en met welk doel zij zijn aangetrokken (…)
9. Een aantal “wilde” plannen, dat de Commissie tijdens haar verblijf te Ribeirão van de leiding mocht vernemen, is groot. Zo waren er behalve de chemische fabriek, de textielfabriek en het gymnasium, ook nog een hotelplan, een bioscoopplan, een meubelfabriek, een constructiewerkplaats, voorts het stuwmeerplan met annex een plan voor buitenverblijven van Brazilianen, een plan om het Nederlandse vee alsnog te vervangen door Argentijns vee, een plan voor een milkbar in São Paulo enz. Zo heeft men het hoofd vol van toekomstbeelden, maar de realiteit van het heden ontvangt te weinig aandacht.
10. De disciplinaire verhoudingen laten veel te wensen over. Men was het er algemeen over eens – en dit was ook duidelijk zichtbaar – dat de arbeidsproductiviteit in de laatste maanden gestadig was teruggelopen en bij het vertrek der Commissie ontstellend gering was. De geruchten (in een zo kleine gemeente natuurlijk tot de vreemdste vormen opgeblazen) over een aanstaande financiële debacle, zullen hieraan veel hebben bijgedragen. Men heeft de mensen niet in de hand. Zo lijkt de gedachte te bestaan: “alle voertuigen zijn van alle leden”. Iedereen rijdt maat met was zo voor de hand komt, of dit nu een jeep is of een tractor of een truck. Hierop is blijkbaar geen controle. Als symptoom zij hier vermeld, hoe de Commissie bij de woning van één der stafleden een tractor aantrof, die daar met een cirkelzaag en overbrenging was geïnstalleerd voor… het klein zagen van wat privé brandhout.
11. Het gebrek aan activiteit op financieel gebied, juist in deze tijd, is verbazend. De Coöperatie heeft sinds vele maanden een belangrijke vordering wegens geleverde tarwe op de staat São Paulo. Pogingen om deze vordering betaald te krijgen, zijn door de leiding zelf nauwelijks gedaan.
12. Kort voor het vertrek der Commissie werd door de Veehouderijleiding een goed gefundeerd voorstel gedaan, nl. om enkele boerderijen met goede stallen, waarin juist het meest belangrijke vee was ondergebracht, toe te wijzen aan boeren met grote ervaring en verstand van stamboekvee. Hierop werd door de heer Heijmeijer afwijzend beschikt; deze boerderijen moesten aan bepaalde vriendjes toegewezen worden. De Veehouderijcommissie, onder leiding van de veearts, heeft daarop en bloc haar ontslag ingediend.

Bron: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945-1954, inv.no. 11944.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (5)

Vorige keer publiceerde ik een brief van Roeland Vermeulen uit Carambeí waarin hij zijn steun uitsprak aan Geert Heijmeijer. Op dezelfde dag, 10 oktober 1950, stuurde hij met als toevoeging ‘Vriendschappelijk en vertrouwelijk’ nog een brief waarin hij die steun nogmaals onderstreepte. Hieronder de letterlijke weergave van die brief.

Beste vriend Heijmeijer,

Bijgaand stuur ik je het antwoord op je schrijven van 5 October j.l. en ik hoop, dat je hiermee geholpen zult zijn. Als bijlage voeg ik je deze aparte regels bij. Bah, wat eene intriges en vunze politiek overal!! Je kunt echter op mij vertrouwen en sta ik met volle overtuiging achter je, dat weet je wel. Het spijt me echter alleen, dat ik niet geheel op de hoogte ben van alle resultaten van jullie tot op heden verrichte arbeid. Daardoor moet ik vaak zwijgen, waar ik zou willen spreken, doch ik sta te veel buiten jullie interne aangelegenheden om een uitgesproken meening te ‘kunnen’ en te ‘mogen’ uiten. Inderdaad weet ik, dat er buitenaf zeer veel kritiek in afbrekende zin op jou persoonlijk wordt uitgeoefend, meestal door onbevoegden uit zucht tot kletsen, doch vooral naar mijn meening uit: ‘jaloezie’. Laat je niet ontmoedigen, want zonder kritiek zou je geen persoonlijkheid zijn. Dit zij je een troost. Doch vooral ook daarom had ik je gaarne terzijde gestaan, daar ik de overtuiging heb, dat dit een groote steun voor je geweest zou zijn en menig foutief oordeel in den oorsprong zou hebben gedood. Je bent tenslotte ook maar een mensch, beste kerel, en de zaak is dermate uitgegroeid en je taak wordt dermate zwaar, dat een beetje oprechte vriendschap zeker niet misplaatst zou zijn, noch iets behoeft af te doen aan jouw prestige en eergevoel.

Vergeef mijne oprechtheid, maar ik acht het eerlijk en noodig je dit in het huidige stadium te zeggen, zoodat je er voordeel mee kunt doen. Het is nooit te laat en mogelijk zul je eene beslissing nemen bij je terugkeer. Ik laat het hierbij en hoop je heel gauw persoonlijk te ontmoeten.

Met oprechte gevoelens van vriendschap,
steeds je toegenegen,

R.A.M. Vermeulen

Bron: Nationaal Archief, Archief Heijmeijer, inv.no. 6.

 

 

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (4)

Toen Geert Heijmeijer in 1950 in Nederland aanklopte voor nieuwe financiële steun en de regering besloot een onderzoekscommissie naar Brazilië  te sturen, verloor hij veel steun van veel mensen die hij tot dan toe tot zijn persoonlijke vrienden rekende. Ook in Brazilië had hij binnen de Nederlandse gemeenschap inmiddels veel krediet verspeeld. Een van de weinigen die hem nog bleef steunen was Roeland Vermeulen, de oud-planter die zich in 1937 vanuit Nederlands-Indië in Carambeí had gevestigd en gold als één van de leiders van deze kolonie. In een brief van 14 oktober 1950 schreef hij over het bezoek dat Van Roggen en Van Waveren twee maanden eerder aan hem hadden gebracht. De kritiek van beide heren deelde hij niet. Hieronder een weergave van deze brief.

Amice,

Roeland Vermeulen te midden van de pioniers van Carambeí

Ik heb je brief van 5 dezer gisteren hier ontvangen en met verontwaardiging nam ik kennis van den inhoud. Ik haast me dan ook onmiddellijk aan je verzoek te voldoen en ik hoop, dat mijn schrijven je nog bijtijds zal bereiken. Tijdens het bezoek van de Commissie Hrn. Van Roggen-Van Waveren in gezelschap der Heeren Schwartzenau en Ds. W.M.V. Muller ten mijne huize werd vanzelf ook over de kolonie Ribeirão gesproken en constateerde ik, dat de Commissieleden en vooral de heer Van Waveren een zeer conservatief “voorlopig” oordeel velden over jullie mooie en grootsche opzet. Ik nam daartegen onmiddellijk stelling en heb ik getracht hen duidelijk te maken, dat naar veler en ook mijne meening in korten tijd met een handjevol Nederlandsche boeren een kranig stuk werk was verzet, dat de bewondering heeft van een ieder, die eenigszins op de hoogte is van het opbouwen van dergelijke gecompliceerde organisaties in een vreemd land onder vaak moeilijke omstandigheden. Ik ben niet bevoegd de gevoerde administratie en financiering te beoordelen, omdat ik tijdens mijne diverse bezoeken uitsluitend de cultuur-technische werkzaamheden observeerde. Dat hierbij ook tegenvallers en teleurstellingen ondervonden werden is vanzelfsprekend, omdat bij een dergelijk snellen opbouw nu eenmaal leergeld betaald moet worden. Het is en blijft echter mijne uitgesproken meening, dat jij als leider en organisator de volle waardering en eer verdient van de tot op heden verkregen resultaten. De leiding en organisatie kan niet in betere handen zijn toevertrouwd, want je taak en de te overbruggen moeilijkheden waren geen sinecure, doch zoals altijd staan “de beste stuurlui aan de wal”. Elke wijziging in de leiding zou m.i. eene onherstelbare fout kunnen beteekenen. Wel zul je langzamerhand gebruik dienen te maken van adviezen van bekwame medewerkers, omdat je werk dermate veelomvattend geworden is, dat het ondoenlijk wordt voor één man alléén.
                De Heer van Roggen voelde na mijne uiteenzetting de situatie beter aan, doch van de Heer v. Waveren kreeg ik de indruk, dat hij alles uitsluitend door een ambtelijke en accountantsbril bekeek.
                Je kent mijn enthousiasme voor immigratie van Nederlandse boerengezinnen naar dit veelbiedende land en Ribeirão heeft mijne volle bewondering. Jullie zijn zoover reeds geslaagd, doch je moet nog veel verder slagen. Als rechtgeaard Nederland gevoel ik dit min of meer als een Nederlandsch en nationaal belang. Het oog van vele vooraanstaande Brazilianen is op jullie werk gevestigd en het zou een blamage voor onze naam betekenen, als de groei van dit opbouwende werk niet met volle animo en energie werd voortgezet. Zelfs een gedeeltelijke mislukking zou ook mij persoonlijk treffen, even goed als jou.
                Mij werd o.a. de vraag gesteld, waarom ik daadwerkelijk niet meer tijd besteedde aan jullie arbeid. Je kent mijn standpunt en good-will en inderdaad betreur ik het nu des te meer, dat je niet verder ingegaan bent op mijne voorstellen. Ik blijf echter ten volle bereid, want bij mij geldt uitsluitend jullie succes in het belang van nog vele Nederlandse gezinnen, voor wie het in Patria te eng wordt. Jou komt de eer toe, maar toch zou ik gaarne “onopvallendnaast je mijne medewerking willen geven.
                Je aangekondigde brief met cheque heb ik tot op heden niet ontvangen en meld je dit voor de goede orde, opdat je er werk van kunt maken, waar deze brief ergens uithangt.
                In de hoop spoedigst na je terugkeer meer van je te mogen vernemen je verder toewensend met de verdere opbouw van Ribeirão, teken ik als steeds,

Je toegenegen, w.g. R.A.M. Vermeulen

Bron: NA, Archief Heijmeijer, inv.no. 7.

Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (3)

In zijn bijlage bij het rapport dat hij samen met de hoofdaccountant G.C. van Waveren schreef in opdracht van de Nederlandse regering, stond M.A. van Roggen ook uitgebreid stil bij de kolonisatie van de nog jonge Nederlandse kolonie op de Fazenda Ribeirão. Ten tijde van hun bezoek in augustus 1950 bevonden zich op de fazenda 689 Nederlanders: 355 mannen en 334 vrouwen. Toen de kolonie eind 1948 van start ging, was het percentage vrijgezellen nog hoog, maar later waren het vooral gezinnen met soms een groot aantal kinderen die zich op de fazenda vestigden. Volgens Van Roggen maakten jonge kinderen (tot 15 jaar) maar liefst 47% van de bevolking uit. Door het hoge percentage vrouwen en kinderen was het productieve element in de bevolking gering. Ten tijde van het bezoek waren er op de kolonie slechts 195 actieve personen aanwezig, wat neerkwam op 28% van de gehele Nederlandse bevolking.

IMG_2744a
HUA, Archief Aartsbisdom Utrecht, inv. no. 260.

Na het noemen van deze cijfers gaf Van Roggen een uitgebreide beschrijving van de plaats van de jonge Nederlandse kolonie in de Braziliaanse samenleving. ‘Men dient te beseffen dat deze familie-emigratie zeer zeker niet berust op een soort “Wanderlust” of zucht naar avontuur, noch op een innerlijke drang naar geestelijk ruimere sferen van de zijde der emigrerende Hollandse boeren. Het moet worden gezien als de noodzaak van het zoeken naar bodemexpansie, nodig voor het continueren van het Hollandse boerenbedrijf elders (…). Aanlokkelijk als dit idee van een bedrijfsoverplaatsing moge zijn voor de groot-Nederlandse expansie, is deze geestelijke instelling zeker niet zonder bezwaarlijke consequenties gebleken t.a.v. de noodzakelijke snelle aanpassing van de emigrant aan de nieuwe omgeving. Te Ribeirão voelt men zich geplaatst in een stuk (voorlopig inferieur) Holland en niet, wat uit sociale, technische en politieke overwegingen veel juister ware, in een stuk (superieur) Brazilië. De agrarische en sociale acclimatisatie is nog zeer gering, juist ook door het enorme en voor deze lieden zo moeilijk te overbruggen verschil op landbouwgebied tussen de Nederlandse en Braziliaanse standaarden.
Voor het doen slagen van een dergelijke onderneming moet men zich nu eenmaal aanpassen – vooral op het gebied van landbouw en veeteelt – aan de geheel andere eisen, die bodem en klimaat stellen, eisen waaraan niet te ontkomen valt, wil men behoed blijven voor ernstige mislukkingen en teleurstellingen. Deze aanpassing blijkt moeilijk te zijn en in een te traag tempo tot stand te komen. Enkele oorzaken:
a) Het sterk ‘isolerende’ karakter van zelfstandig en technisch selfsupporting bedrijf. Men doet en kan en ‘weet het’ alles zelf.
b) Door de grote massa werk welke tot dusverre werd verzet, hebben de boeren en ook hun leiders weinig gelegenheid gehad zich op andere Braziliaanse bedrijven te oriënteren, waardoor het contact met de agrarische wereld buiten de kolonie zeer beperkt is gebleven.
c) De sociale en ideologische instelling van de leiding.
d) De specifieke karaktertrekken van de Hollandse boer.
e) Het gebrek aan mensen met tropische ervaring.

Wel lijkt het thans, dat men bezig is zich meer aan de toestanden aan te passen, in het bijzonder op veterinair gebied onder de deskundige invloed van de, helaas eerst recent aangetrokken, veearts, die over een ruime tropische ervaring beschikt. Maar een oeroude boerenmentaliteit is nu eenmaal uiterst moeilijk in andere banen te leiden. Zeer bepaald werd de indruk verkregen, dat in dit opzicht de leiding ernstig in gebreke is gebleven. Men verdedigde het gebrek aan contact van de boeren met de buitenwereld door aan te voeren, dat er weinig gelegenheid was geweest en dat men alle werkers steeds voor de ontginning en opbouw nodig had. (…) Ook de aanpassing van de leiding zelve aan de Braziliaanse verhoudingen en het contact met de autoriteiten is lang niet wat het zou moeten zijn. Men heeft kennelijk (…) te veel gesteund op de goede diensten van de Nederlandse emigratiedienst ter plaatse. (…)

Bij het rustig praten met de nieuwere emigranten komt vaak de gedachte naar voren dat men gelukkig is uit het onzekere West-Europa weg te zijn en hier de mogelijkheid heeft gevonden een vreedzamer toekomst te kunnen opbouwen voor zichzelf en de kinderen. Ook de pas aangekomen emigrant voelt met zijn gezond boerenverstand wel aan, dat hier goede kansen bestaan voor een ondernemend en vakkundig man. De oudere emigranten, dus meer de groep der aanstaande zelfstandige boeren, hebben uiteraard vooral het oog gericht op het hun lang beloofde “onafhankelijk bestaan”, opgebouwd op de door de coöperatie gelegde grondslagen. Deze lieden lijken weinig gevoel of begrip te hebben voor de thans bestaande financiële situatie en de eventuele gevolgen voor die coöperatie en zichzelf.
Was bij de aankomst van de commissie in augustus de algemene stemming nog vrij goed, al spoedig bleek deze gaandeweg minder te worden. Het was duidelijk, dat dit in direct verband kon worden gezien met de recen
t ingevoerde “krap-geld politiek” van de leiding en met het plotseling (…) opgekomen besluit van de directeur om, tezamen met de pater als geleide, naar Nederland te vliegen.
Van verscheidene zijden werd de indruk verkregen, dat de boeren steeds onwetend waren gehouden van de benarde liquiditeitspositie en ter zake nog niet waren ingelicht tot vlak voor het vertrek van de directeur, noch over het eigenlijke doel van deze overhaaste en kostbare reis. Juist tegenover de ten aanzien van de boeren betrachte zuinigheid in de besteding van de resterende kasmiddelen, maakte dit een weinig gelukkige indruk. Het is begrijpelijk, dat in een kleine gemeenschap als deze de geruchten plotseling hevig opbloeiden, hetgeen in een stemming van onzekerheid, onrust en angst resulteerde. Deze stemming liet op haar beurt niet na het vertrouwen en daarmede de werklust ongunstig te beïnvloeden.
Helaas lag er intern, mede door de eigenaardige machtsverhoudingen in deze kolonisatie, geen bevredigende oplossing voor de hand. Toch is het zonder meer duidelijk, dat in deze hoogst ongewenste onzekerheid over de voortzetting van een groot bedrijf in den vreemde waaraan het wel en wee van een 700-tal Nederlanders ten nauwste is verbonden, zo spoedig mogelijk moet worden ingegrepen.
Als gunstige factor, in het bijzonder in deze kritieke maanden, moet worden gezien het feit, dat alle kolonisten onderling krachtig verbonden zijn door hun kerk en geloof.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (2)

Naast de spijkerharde conclusies over het onder leiding van Geert Heijmeijer gevoerde beleid van de Cooperativa Holambra, bevatte het rapport van M.A. van Roggen en G.C. van Waveren van oktober 1950 ook twee bijlagen waarin zij – ieder vanuit hun eigen expertise – een analyse geven van de situatie op de Fazenda Ribeirão. Vooral het rapport van de landbouwkundige Van Roggen bevat interessante observaties.

Van Roggen stelde dat behalve ernstige kritiek er ook uiting diende te worden gegeven aan ‘een oprecht gevoelde waardering voor het vele werk dat door een klein aantal Nederlanders in een vreemd land en in den beginne onder primitieve omstandigheden, in korte tijd werd tot stand gebracht. Ernstig wordt gehoopt, dat bij deze eerste kolonisatiepoging op grote schaal in Brazilië gemaakte fouten in opzet en uitvoering niet zullen leiden tot een teniet doen van de kans en de hoop van deze ernstig willende boerengezinnen, zich in dit land een redelijke toekomst te verzekeren. Voor vakkundige en ijverige werkers bestaan in dit dynamische land ongetwijfeld grote mogelijkheden en wanneer men dan tevens (…) constateert de goodwill en waardering van Braziliaanse zijde voor de prestaties van speciaal de Nederlandse boeren, dan ontkomt men niet aan de overtuiging dat kolonisatie hier, mits goed voorbereid en goed geleid, succes moet hebben. (…)
In dit verband zij hier nog opgemerkt, dat de gevolgen van een eventuele mislukking dezer kolonie verre zouden uitgaan boven het persoonlijk lot van het 700-tal Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen en ernstige schade zou betekenen voor de algemene Nederlandse reputatie en belangen in geheel Brazilië.’

Van Roggen gaf een schets van de bijzondere rol die de coöperatie vervulde. Deze moest de bedrijfsopbouw van de grond af financieren. Ook rustte op haar de plicht, gedurende de niet-productieve periode, het levensonderhoud van de toekomstige zelfstandige boeren en hulppersoneel met hun vaak zeer grote gezinnen te bekostigen. Naarmate de uitgifte van de bedrijven zou vorderen zou het functionele karakter t.o.v. de leden veranderen van productie- tot een in- en verkooporganisatie. Wel diende de coöperatie dan enige nevenbedrijven, min of meer ten bate van het algemeen belang, te blijven uitoefenen.
Op 1 september1950 was begonnen met de uitgifte van 27 bedrijven, tot een totaal van 580 ha. Uit de stukken kwam echter niet naar voren hoe de juridische en financiële verhoudingen en verplichtingen zouden liggen tussen de coöperatie en de vrije bedrijven en ook had de leiding nog geen helder beeld voor ogen van een definitieve en bevredigende regeling, hoewel de ontbinding inmiddels was begonnen. ‘Het behoeft geen betoog, dat deze gang van zaken als een ernstige nalatigheid moet worden gezien.’

Maar ook, dat een aantal van deze “vrije” boeren door hun kort verblijf in Brazilië (soms 1 jaar of minder) zich onvoldoende hebben kunnen aanpassen, lijkt, ‘dit moment voor een ontvoogding wel erg praematuur en weinig gelukkig gekozen. De leiding bleek het met deze opvatting wel eens te zijn doch stelde daar tegenover haar overtuiging, dat ambitie en prestatie der boeren door zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, zeer gunstig gestimuleerd zullen worden. Hierover nader gehoord, gaf de leiding uiting aan de erkenning, dat de arbeidslust en prestatie in collectief verband van deze, overigens op reputatie en karakter scherp geselecteerde boeren, bepaald was tegengevallen, uiteraard met gunstige uitzonderingen. Vele van oudsher in Nederland zelfstandige en onafhankelijke boeren hebben bij hun aanmelding voor emigratie, ondanks de voorlichting ter zake, zich blijkbaar niet kunnen realiseren, wat het zou betekenen, enkele jaren in vreemde omgeving – en niet door directe levensnood gedwongen – in loonarbeid (!) en onder andere Nederlanders (!), pioniersarbeid te moeten verrichten. (…)
Hoe dan ook, de coöperatie heeft dus, mede daartoe gedwongen door het ongeduld van enkele kapitaalkrachtige boeren naar “een eigen bedrijf”, moeten toegeven aan de uit de algemene vergadering der kolonisten opgekomen wens, om met de verkaveling een begin te maken. Wat de gevolgen van deze beslissing zullen zijn, zal de naaste toekomst leren, maar, teneinde ernstige interne moeilijkheden te voorkomen, moet een spoedige definitieve regeling op juridische basis en conform de Braziliaanse wetten, worden gezien als een onafwijsbare noodzaak. Het is niet duidelijk, waarom op dit kardinale punt niet veel vroeger (…) afdoend overleg is gepleegd met Braziliaanse deskundigen op coöperatie- en juridisch gebied. Van de zijde v/d Nederlandse emigratiedienst in Brazilië is op de urgentie van een definitieve regeling reeds geruime tijd en bij herhaling gewezen.
Uit het bovenstaande feit, dat de coöperatie thans door enkele kapitaalkrachtige emigranten in een dwangpositie is geraakt, zou blijken, dat bij de opzet niet zijn voorzien de consequenties van een ongelijke en in dit geval zelfs bijzonder sterk variërende inbreng door alle participanten. Degenen, die een relatief zeer hoog bedrag hebben gestort voor hun vertrek uit Nederland, eisen thans “waar voor hun geld”. Dit is niet onbegrijpelijk, doch komt juist op dit moment van geringe liquiditeit der coöperatie, wel zeer ongelegen.
De ideologische gedachte van “alles voor allen”, die bij de opzet van deze emigratie blijkbaar heeft voorgezeten, is bij een aantal dezer nuchtere boeren ietwat verwaterd.
De gang van zaken is geweest, dat de emigranten bij toetreding in Nederland hun geldmiddelen in leen afstonden aan de Stichting Holambra. Hieruit worden passage en andere eerste kosten voldaan, waarna het saldo wordt overgeschreven naar Brazilië, alwaar het tegen de geldende koers op naam wordt gecrediteerd in cruzeiros. De emigranten hebben over dit saldo niet direct de beschikking, doch kunnen boven de door hen in collectieve arbeid verdiende lonen, een gering bedrag opnemen voor eerste levensbehoeften en kleine aankopen. Opbrengsten van door de boeren in eigen bedrijf gekweekte producten, welke moeten worden verkocht door bemiddeling van de coöperatie, vloeien momenteel nog alle terug in de kas van het bedrijf en komen dus niet te hunner beschikking voor verdere verbetering van de eigen bedrijfsmiddelen.
De slechte liquiditeit noopt de coöperatie tot deze starre houding, welke echter vanzelfsprekend aanleiding geeft tot felle kritiek en een neiging bij de betroffen boeren, zich “bekocht” te voelen. Ook hier dient zo spoedig mogelijk een bevredigende oplossing te worden getroffen.

Bron: NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (1)

Terwijl met het themanummer van Ontginning in Nederland het beeld werd verspreid dat er in Brazilië groots werk werd verricht, was de situatie op de Fazenda Ribeirão op dat moment verre van rooskleurig. Al in augustus 1949 klopte Geert Heijmeijer bij de Nederlandse minister van Sociale Zaken Dolf Joekes aan voor financiële steun. Het bestuur van de Cooperativa Holambra was tot de conclusie gekomen dat tot dusverre beschikbaar gekomen financiële middelen ontoereikend waren om de kolonie te kunnen afbouwen. Eind 1949 bezocht hij Nederland en diende hij bij de Nederlandsche Bank een aanvraag in voor een nieuw krediet ter waarde van  2,8 miljoen gulden. Deze kredietaanvraag vormde aanleiding voor overleg tussen Nederlandse ministeries en de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), wat leidde tot het zenden van een onderzoekscommissie bestaande uit de landbouwkundige Ir. M.A. van Roggen en G.C. van Waveren, hoofdaccountant op het ministerie van Financiën. Beiden bezochten de Fazenda in augustus 1950. De conclusies van hun rapport waren onthutsend en zouden leiden tot een drastische reorganisatie van de jonge kolonie met verstrekkende gevolgen.

Conclusies
In oktober 1950 rapporteerden Van Roggen en Van Waveren hun bevindingen aan de Nederlandse regering. Hun conclusie was dat de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra “thans” niet rendabel was, maar dat onder zekere voorwaarden voor het bedrijfsjaar 1952-1953 een “voorlopig matige rentabiliteit” kon worden verwacht. Voor het bereiken van die matige rentabiliteit moest wel worden voldaan aan vier voorwaarden: 1) dat de cooperativa, verdeeld over het tijdvak 1950/1952, in totaal de beschikking zou krijgen over een bedrag van 12 miljoen cruzeiros; 2) dat de president van de Cooperativa, ir. J.G. Heijmeijer, zou worden vervangen door iemand met meer organisatorisch en commercieel inzicht; 3) dat verdere emigratie naar de kolonie Ribeirao zou worden stopgezet, totdat een matig bestaan zonder hulp van buitenaf verzekerd was; 4) dat het administratieve en technische beheer onder geregelde controle zou komen van een ter plaatse uit deskundige Nederlanders samen te stellen commissie, die tevens toezicht zou uitoefenen op de naleving van de voorwaarden waaronder een eventueel krediet zou worden verstrekt.

“Niet de juiste persoon”
Ter toelichting van de tweede voorwaarde velden Van Roggen en Van Waveren het volgende oordeel over Heijmeijer: “Naar het inzicht der commissie is de emigratie naar en de oprichting van de kolonie Ribeirão voor een zeer belangrijk deel te danken aan het initiatief van de heer Heijmeijer, die met groot enthousiasme en optimisme deze zware taak is begonnen. Het is daarom uitermate te betreuren dat de commissie moet vaststellen dat voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.
Dit was ook moeilijk te verwachten. Voor het nemen en uitvoeren van een dergelijk emigratie-initiatief zijn ongetwijfeld een zekere mate van idealisme en enthousiasme onmisbaar. Voor de commerciële en zakelijk-technische voering van een bedrijf onder bijzondere omstandigheden, zijn evenwel geheel andere karaktertrekken gewenst. Zelden worden deze divergerende eigenschappen tegelijk in één persoon aangetroffen.”

Grove fouten
Vervolgens gaf de commissie Van Roggen-Van Waveren een opsomming van grove fouten en tekortkomingen die de leiding konden worden aangerekend:
“a) Uit de totstandkoming en de praktische uitvoering van de kolonie blijkt duidelijk dat de voorbereiding en planning veel te weinig zorg en aandacht hebben gehad.
b) Ook de financiële opzet van het bedrijf was weinig doordacht; vrijwel bij de aanvang moet reeds duidelijk zijn geweest dat de coöperatie – ook bij een gunstige rentabiliteit – spoedig in liquiditeitsmoeilijkheden zou geraken.
c) Van enig weloverwogen plan, hoe de kolonie zich moest ontwikkelen en welke de middelen van bestaan zouden zijn, is tot aan de komst der commissie geen sprake geweest. De leiding is bij haar bedrijfspolitiek blijkbaar volkomen opportunistisch en optimistisch te werk gegaan. (…)
d) Belangrijke bedragen zijn geïnvesteerd in objecten die niet of eerst in de toekomst een rendement zullen afwerpen. Vooral de bouwerij is duur geweest. Men had in vele gevallen kunnen volstaan met semi-permanente uitvoering en/of het gebruik van minder dure materialen, waardoor grote bedragen zouden zijn bespaard voor productieve doeleinden.
Ditzelfde geldt ook voor de machines, bij de aanschaf waarvan meer beleid en zuinigheid betracht had kunnen worden. (..)
e) De belangrijkste functies van de coöperatie, speciaal in de toekomst, zijn de verkoop en de inkoop. Ook hier, zelfs voor wat betreft voedingsmiddelen in Brazilië, geldt, dat produceren gemakkelijker is dan verkopen. Tot op heden is aan de organisatie van deze beide functies vrijwel niets gedaan. (…)
f) Met het grote en zeer gunstig ‘gestemde’ landbouwproefstation te Campinas is betreurenswaardig weinig contact opgenomen. Terwijl noch de leiding, noch de boeren zelf, enige ervaring hadden op agrarisch gebied in sub-tropische streken, is men grotendeels naar eigen inzicht gaan werken, terwijl deskundige voorlichting zo nabij is en ook gaarne werd gegeven. Zelfs de komst van een jong landbouwkundig ingenieur heeft hierin geen verbetering gebracht, daar deze direct aan geheel ander werk werd gezet. (…)
g) Het bovenstaande geldt in versterkte mate voor de veebelangen. Ook hier is zonder voldoende gebruik te maken van de desbetreffende Braziliaanse instanties en zonder dat enige veterinaire hulp aanwezig was, de veestapel van Nederland naar een sub-tropisch klimaat, deels zelfs in het ongunstige jaargetijde, overgebracht. Door onervarendheid, onvoldoende voeding en slechte verzorging, zijn een groot aantal dieren gestorven, waarvan een belangrijk deel bij goede behandeling behouden had kunnen blijven. Niet alleen de grote sterfte onder het vee, doch ook de ernstige vertraging in voortplanting en productie (in september 1950 niet meer dan gem. 6 liter per dag per koe), is aan deze onoordeelkundige behandeling in de beginperiode te wijten. (…)
h) Van verschillende zijden moest de commissie vernemen dat de leiding van Ribeirão, die toch geheel nieuw en vreemd was in Brazilië, praktisch nooit raad kwam vragen aan de reeds lang in dat land gevestigde Nederlanders, die de typische verhoudingen en toestanden uitstekend kennen en gaarne en belangeloos hun raad zouden hebben gegeven.
De uit hoofde van zijn functie door de emigratie-attaché (een man met grote tropische landbouw- en irrigatie-ervaring) gegeven adviezen werden wel aangehoord maar voor het grootste deel niet opgevolgd.
i) Zo is van de aanwezige mogelijkheden inzake watervoorziening veel te weinig gebruik gemaakt. Men had met enige kosten maar vooral met enige goede wil, vrij behoorlijke stukken bouwgrond met behulp van irrigatie direct voor intensieve landbouw geschikt kunnen maken. Instede daarvan heeft men zich geworpen op de uit Brabant zo welbekende ontginning van droge arme gronden, die weliswaar goedkoper is, maar slechts zeer matige en riskante cultures kan dragen. Bij een juiste plaatskeuze van boerderijen en het graven van eenvoudige leidingen had men bij vele stallen en erven waarschijnlijk steeds lopend water kunnen krijgen. (…)
j) De keuze en benoeming van de technische afdelingsleiders, praktisch geheel in handen van de heer Heijmeijer, is niet altijd juist en gelukkig geweest. Bij de beoordeling behoren in ieder geval bekwaamheid en flinkheid de doorslag te geven. Voorts werden verscheidene figuren aangetroffen wier aanwezigheid en functie in dit specifiek agrarisch bedrijf niet goed verklaarbaar was.
k) De commissie verkreeg de indruk dat de dagelijkse leiding en de uitvoering van de werkzaamheden vrijwel uitsluitend in handen liggen van de president, hetgeen voor een groot bedrijf niet juist kan zijn. Vrijwel niemand anders heeft de bevoegdheid een beslissing te nemen.

Bron: Rapport Van Roggen/Van Waveren, okt. 1950. NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

 

 

De vrouw op de Fazenda

Vorig jaar overleed in Nijmegen op 96-jarige leeftijd Ans van den Besselaar-Van der Kallen. Ans was in Nijmegen vooral bekend als oud-wethouder. Zij was de weduwe van Jef van den Besselaar, voormalig hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vóór hun politieke, respectievelijk wetenschappelijke loopbaan in Nijmegen verbleven zij tien jaar lang in Brazilië. Begin 1950 werd Jef van den Besselaar door Geert Heijmeijer naar de Fazenda Ribeirão gehaald om er een gymnasium van de grond te tillen. Toen een jaar later bleek dat er voor hem geen werk meer was op de Fazenda, ging hij werken aan Braziliaanse universiteiten. In het themanummer van Ontginning van augustus 1950 schreef Ans van den Besselaar een bijdrage over de vrouw als emigrant. Zij schetst hierin de klassieke rol van een boerin die haar echtgenoot volgt bij het realiseren van zijn emigratieplannen en de gevolgen voor haar van de veranderingen die zich in 1950 op de nog jonge emigrantennederzetting voltrokken.

 

Zelden gaat het plan om met een boerengezin te emigreren, uit van de vrouw. Dat is niet alleen omdat het meer tot de man behoort om toekomstplannen te maken. De vrouw is ook meer dan de man gehecht aan haar eigen vertrouwde omgeving. Haar familie, haar bekenden vormen voor haar een hechtere band. En zijn de kinderen nog klein, och dan is zij tevreden als ze goed zijn verzorgd en met blozende gezichtjes rond de tafel zitten. Wel gaan haar gedachten uit naar later, als ze groot zijn, maar zorgen maakt zij zich er nog niet over. Ze geniet van het geluk van nu. En dan komt de man, de sterke werklustige boer ineens voor de dag met emigratieplannen en nog wel naar Brazilië. Dat geeft haar een schok, want het leven waarmee zij zo vertrouwd is, komt in gevaar.

Vrouw Fazenda

En wil die vrouw dan emigreren? Soms kan ze de vreemde plannen niet geloven. Ze neemt ze niet au sérieux. En blijkt het dan toch ernst te zijn, dan heeft zij dikwijls moeite om haar wil met die van haar man in overeenstemming te brengen. Niet omdat zij niet in staat is te emigreren, maar omdat zij zich zo veilig en gelukkig voelt in het leven van nu en niet verlangt naar het onbekende. De vrouw moet die gedachte in zich laten rijpen. Dan gaat ze beseffen, voordat ze naar Brazilië vertrekt, dat daar een mooie toekomst ligt voor haar kinderen en dat het geluk van een eigen bedrijf hun daar ten deel zal vallen. Heeft zij dat ingezien, dan zou het geen echte vrouw zijn als ze·niet met ’n opgewekt humeur en vol frisse moed haar jonge krachten zou willen geven. En dan is dezelfde jonge vrouw in staat om zich vrijwillig los te maken uit haar milieu en haar familie zo ver achter te laten. En dit enthousiasme heeft zij ook nodig, want zij zal hier allerlei moeilijkheden aantreffen, die zelfs voor iemand, die vol goede moed vertrekt, niet altijd gemakkelijk zijn op te lossen.

Waar liggen dan die moeilijkheden? Natuurlijk zijn deze ook niet voor ieder hetzelfde, maar sommige ervaringen zijn wel algemeen. Voor hen, die in Holland een gerieflijke, degelijke boerderij achterlaten, vormt de overgang naar de pionierswoning op de Fazenda wel een groot contrast. Misschien is het contrast nog niet groot genoeg. Soms heeft men de indruk, dat het gemakkelijker is van het ene uiterste naar het andere over te gaan, als te wennen aan het betrekkelijke comfort, waarin men zich toch in veel dingen moet aanpassen. Want zijn onze woningen nog wel pionierswoningen in de strikte zin van het woord? Kwam de aanpassing in het begin, toen de emigranten in de “pau-a-piches” terecht kwamen, misschien niet vlugger tot stand dan nu? Want een vergelijking van deze hutten met een, volgens Nederlandse begrippen, bewoonbaar huis, was eenvoudig onmogelijk. Maar ook de tegenwoordige pionierswoning heeft nog zijn ongemakken, want de huizen hebben hier geen plafonds, wat in de warme tijd heerlijk koel is, maar in de wintertijd dikwijls koud. Bovendien waait het stof door de pannen binnen, zodat het kraakheldere en stofvrije Hollandse huis hier een onbereikbaar ideaal is. Ook is het in de natte tijd als de modder; hier “barro” genoemd, de wegen vervangt, een bijna onmogelijke taak het huis schoon te houden. Dan maar eens een keer meer schrobben en je er voor de rest niet druk over maken.

De natuur is hier prachtig en voor opgroeiende kinderen is het hier een paradijs. Ze kunnen er op uittrekken te paard. Ze rijden mee op trucks en leven op jongensachtige manier mee met de opbouw van de Fazenda. Maar het is weer aan de vrouw om de juiste maat van die vrijheid te bepalen en de huishoudelijke discipline te handhaven. Want de vrijheid mag geen verwildering betekenen. Daarom moet de emigrantenmoeder bij het opvoeden van haar kinderen de ;,sterke vrouwvan het evangelie zijn en haar huis besturen en de tucht bewaren.

Het eten kan niet geheel Hollands blijven en de eerste weken wordt de vrouwelijke vindingrijkheid zwaar op de proef gesteld. De emigrante, die hier aankomt, zal eerst niet weten, wat klaar te maken en hoe. De rijst ,b.v. die veel goedkoper is dan de aardappelen, zal eerst als dagelijks gerecht niet smaken. Van de vrouw hangt het af, hoe zij dit probleem aanpakt, want een goed gevoed gezin is de basis·voor een goed humeur.

De boeren werken nu nog in een straf georganiseerd coöperatief verband en voor de meesten staan de huizen nog in het centrum van de Fazenda. De boerin is niet gewend in het centrum van het dorp te wonen. Liefst woont ze in het centrum van haar bedrijf. De vrouw, die het meest thuis is, heeft hier weinig gelegenheid om kennis te maken met het grote bedrijf, en de buren wonen vlakbij. Zij zien alles van·elkaar en soms zal het ook nog een heel ander soort mensen zijn dan die waaraan zij gewend zijn. Treft zij het zo, dan is het moeilijk elkaar te waarderen; maar pakt het wel, dan zal het niet moeilijk zijn elkaar door de eerste moeilijkheden heen te helpen.

Sommige vrouwen zeggen, dat je het hier lang niet zo druk hebt als op de boerderij in Nederland. Dan moeten zij oppassen dat het praatduiveltje haar geen parten speelt, want daarmee maken zij zichzelf niet gelukkiger en de geest, die door de vrouw gemaakt moet worden, zouden zij hierdoor bederven. Want de vrouw moet verzachten ook de tegenslagen, die zijzelf en haar man zullen ondervinden van mensen en dingen.

Maar het samenwonen in het centrum van de Fazenda zal niet blijvend zijn. In september beginnen vele boeren een eigen bedrijf en de boerderijen, die nu gebouwd worden liggen soms al ver uit elkaar. In Holland zijn de afstanden zo klein, dat een kwartier gaans al een afgelegen boerderij betekent. Maar in dit grote land met zijn uitgestrekte gronden is er nog plaats genoeg en de boeren zullen dus steeds verder van het dorp aftrekken. De vrouw, die houdt van de stilte der natuur, de schone vergezichten en het vee om haar huis, zal dit niet zwaar vallen. Maar hoeveel vrouwen houden niet van wat gezellige kout met hun buurvrouw? Voor haar zullen er misschien wel eenzame ogenblikken komen.

Paarden Fazenda

Iedere vrouw moet deze dingen beseffen, maar zij moeten ook weten, dat je hier God voelt in de natuur, dat er een kerk is waar je echt devoot kunt bidden en dat je hier als vrouw een werkzaam en gelukkig leven kunt hebben. Want dan wacht haar de grote voldoening van een zichtbaar resultaat. Niet door boerderijen, machines of bebouwd land wordt een nieuwe maatschappij opgebouwd, maar door mensen en kinderen, die mensen moeten worden. En die kinderen zijn haar kinderen en die moet zij opvoeden, aangepast aan de nieuwe levensomstandigheden.

Er wordt hier van iedere vrouw gevraagd een sfeer te scheppen, die de geest van de jonge gemeenschap zal bepalen en zij moet dus alle kleinzieligheid, jaloezie en kortzinnigheid van te voren uit haar hart bannen om te genieten van “het scone ende het goede”.

Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-1971)

Aan de stichting van Holambra in 1948 en de aankoop van de Fazenda Ribeirão gingen twee jaren van onderhandelingen met Braziliaanse overheidsinstanties en ook moeizame contacten met de Nederlandse overheid vooraf. Een sleutelrol daarbij speelde Pieter Cornelis van Scherpenberg, die van 1946 tot 1950 aan het Nederlandse gezantschap te Rio de Janeiro was verbonden als emigratie-attaché.

meer “Wegbereiders: Pieter Cornelis van Scherpenberg (1903-1971)”