Reisindrukken van een oud-planter (4)

In zijn tweede brief in het Indische weekblad De Bergcultures beschreef Roeland Vermeulen het onstaan van Carambeí en de situatie op de kolonie, zoals hij die bij zijn aankomst aantrof. ‘Het ligt hier in het hartje van Zuid-Brazilië als een typisch stukje Holland, zóó mooi en zóó rustig en met zulke door en door kerngezonde en oprechte Hollanders, dat onwillekeurig de harten warmer kloppen,’ aldus Vermeulen.

Carambehy
In dezen brief wil ik trachten een zoo nauwkeurig mogelijk beeld te geven van de geschiedenis, den huidigen stand van zaken en de toekomstmogelijkheden van deze Nederlandsche boerenkolonie. De gegevens zijn gebaseerd op eigen indrukken, opgedaan tijdens m’n drie maanden verblijf in deze kolonie, gecombineerd met verschillende mededeelingen van den leider der kolonie, den heer Jac. Voorsluys, en tevens geput uit een rapport van den Nederlandschen consul te São Paulo van 14 November 1933.

brazilrailwaycompanyDe eerste kolonisten arriveerden circa 26 jaar geleden uit de omgeving van Dordrecht in Brazilië en kochten land van de Southern Brazil Lumber en Colonisation Company, welke tot de Brasil Railway groep behoorde [1]. Zij ondervonden vele teleurstellingen en hadden met groote moeilijkheden te kampen, doch dank zij de goede en degelijke eigenschappen van ons ras, welke juist onder zware omstandigheden het beste naar voren treden, overwon men tenslotte alles en ontstond langzaam maar zeker een mooie, bloeiende kolonie, welke thans aan een 30-tal families op eigen grond een behoorlijk bestaan geeft.

Waar de oudste kolonisten als veeboeren in hoofdzaak naar grasland zochten, vonden zij dit te Carambehy en ontwikkelde zich het melkbedrijf snel, naast landbouw voor veevoeder en voedselgewassen voor eigen gebruik. Voor het verwerken der melkproductie werd eene coöperatieve zuivelfabriek opgericht, welke reeds thans te weinig capaciteit bezit en ook niet aan de eischen van een eenigszins modern zuivelbedrijf voldoet, doordat gaandeweg de melkproductie zich in zeer stijgende lijn beweegt door het gestaag uitbreiden der kolonie en de systematische selectie van het melkvee. De afzet der geproduceerde melk, boter en kaas heeft grootendeels plaats in het nabij gelegen Ponta Grossa op ± 20 km afstand en met ca 30.000 inwoners en in de hoofdstad van den staat Parana (Curityba) met ca 140.000 inwoners.

Vooral door de verbetering van den veestapel in de kolonie is de melkproductie aanzienlijk gestegen en voldoet het min of meer primitieve gebouwtje, waarin de zuivelbereiding werd ondergebracht, niet meer aan de eischen der moderne bedrijven, te meer daar in São Paulo, Santa Catherina en Minas Geraes o.a. onder buitenlandsche leiding meerdere up to date inrichtingen voor boter- en kaasbereiding werden opgericht, welke vlotte afname van hun producten vinden op de markten van Rio de Janeiro, São Paulo, Bahia en Penambuco, groote steden met respectievelijk 3.000.000, 1.400.000, 300.000 en 400.000 inwoners.

Toch valt hetgeen door onze Hollandsche kolonisten werd bereikt alleszins te loven. De boter en kaas van Carambehy heeft een zeer goeden naam en wordt in Ponta Grossa en Curityba grif verkocht. Het zou zeker aanbeveling verdienen, dat een en ander bij de Nederlandsche Regeeringsautoriteiten werd onder het oog gebracht, zoodat meer aandacht aan deze Hollandsche kolonie werd geschonken. Het werk, verricht door een handjevol rasechte Hollanders, verdient zeker meer belangstelling, te meer daar het de bewoners dezer kolonie gelukt is in elk opzicht hunne nationaliteit hoog te houden en te bewaren. De vorige Gezant, Zijne Excellentie Mr. B.J. Hubrecht, die de kolonie persoonlijk bezocht heeft, zal dit desgevraagd zeker spontaan beamen. Het heeft ons, den heer W.F. Bisschoff, gepensionneerd luitenant-kolonel van het Indische Leger en mij, dan ook ten zeerste bevreemd, dat deze kolonie zoo weinig bekendheid geniet. Het ligt hier in het hartje van Zuid-Brazilië als een typisch stukje Holland, zóó mooi en zóó rustig en met zulke door en door kerngezonde en oprechte Hollanders, dat onwillekeurig de harten warmer kloppen en de gedachten teruggaan naar onze bakermat in ‘t hooge Noorden.

Ik breng dit speciaal naar voren, omdat deze kolonie nog zoovele mogelijkheden biedt. De afzet in den vorm van consumptiemelk, boter en gepasteuriseerde kaas kan voor een ettelijke malen grootere melkproductie worden gevonden, terwijl daarnaast zeker ook de mogelijkheid bestaat van fabricatie van gecondenseerde melk en melkpoeder, waarvoor eveneens ruime afzet is. Concurrentie van het buitenland is uitgesloten, daar de invoerrechten dezer artikelen hooger zijn dan de engros-prijzen van het eigen fabrikaat. Boter en gecondenseerde melk worden dan ook niet geïmporteerd, kaas slechts in speciale kwaliteiten, welke echter peperduur zijn en uitsluitend door de meer gegoeden worden gekocht. Nieuwelingen kunnen dus met een markt rekening houden, welke meer dan beschermd is tegen buitenlandsche concurrentie, terwijl bovendien het bevolkingscijfer door den natuurlijken groei en de immigratie snel stijgt.

De kolonie ligt overigens eveneens zeer gunstig voor landbouwmogelijkheden, in een koel en aangenaam klimaat en de onmiddellijke nabijheid van de spoorlijn, welke São Paulo met Porto Alegre, de hoofdstad van den Staat Rio Grande do Sul, verbindt. Ponta Grossa breidt zich in snel tempo uit en is een middelpunt van spoor- en autolijnen. De groote moeilijkheid voor vele kolonisten in Brazilië, gelegen in de beperkte vervoersmogelijkheden hunner producten, bestaat dus voor Carambehy niet.

Ligging en klimaat
Het klimaat heeft veel overeenstemming met het Indische bergklimaat. In den zomer kan het overdag wel eens warm zijn, doch minder dan in Holland. De nachten zijn bijna steeds koel en men slaapt zelfs in den warmsten tijd practisch altijd onder een deken. Het klimaat is dan ook bijzonder aangenaam. Vriezen doet het in den winter overdag nooit. ‘s Nachts kan de thermometer wel eens enkele graden onder het nulpunt gaan. De warmste maanden zijn december tot en met februari, terwijl de drie voorafgaande en opvolgende maanden even frisch zijn als in Holland de maanden april en mei. In de zomermaanden regent het veel, terwijl het in de wintermaanden Juni tot en met Augustus overdag meestal stralend zonnig weer is. In dit gezonde klimaat degenereert het Hollandsche ras dan ook heelemaal niet, hetgeen de kinderen is aan te zien. Allen zien er blozend en welvarend uit.

De hoogteligging gaat van 1000 tot 1200 meter boven den zeespiegel op ± 26° Z.B. De zeewind (Oostenwind) is overheerschend. De gronden zijn niet rijk, met name arm aan kalk, en kunnen vergeleken worden met goede geestgronden in Holland. De bovenlaag is diep en varieert van 2 tot 13 meters en meer, is goed waterhoudend en bijzonder dankbaar voor fosforbemesting. De bodemanalyse luidt: 40% grof zand, 7% fijn zand, 41% klei of leem en 12% humus. De gemiddelde verzadigingsgraad is 26, kaligetal 10 en fosforzuurgetal 0. Met kunst- en stalmest is alles van dezen grond te maken. Het terrein is één uitgestrekte, onafzienbare, glooiende hoogvlakte.

Op de koloniegronden groeien momenteel peren, pruimen, appels, perziken, sinaasappelen, citroenen, kaki- en vijgeboomen, verder aardbeien, moerbeien en bramen, welke ‘t over het algemeen alle goed doen. Voor eigen gebruik worden verschillende groenten en aardappelen verbouwd. Tot op heden was echter de melkerij steeds de hoofdbron van bestaan en werd aan landbouw slechts weinig gedaan, daar het benoodigde veevoer zeer goedkoop kon worden ingekocht. Nu dit niet meer het geval is, verkeert de kolonie in een overgangstijdperk (meer landbouw), met alle daaraan verbonden moeilijkheden.

De heeren H. Borger (oud Java-rubberadministrateur) en J. van Raaij (gewezen Deliplanter) hebben een begin gemaakt met een tung (Aleurites fordii) aanplant en het ligt in hun bedoeling later een oliefabriek te bouwen ter bereiding der Chineesche houtolie. In hoeverre de tung het hier zal doen, zal de toekomst moeten leeren, daar “wind” hier een fatale factor is, welke vooral aan de jonge boompjes veel schade berokkent. Toch hebben beide planters het volste vertrouwen in de toekomst.

Beschikbaar land
De familie de Geus, de pioniers der voortrekkers, thans bestaande uit Arie, Leen en Jan de Geus en hunne zwagers, Hendrik Harms en Jacob Voorsluys, den huidigen leider der kolonie, bezitten behalve hunne eigen hoeven met bijbehoorend land helaas nog slechts een paar honderd ha grasland; dat nog voor verkoop bestemd is. Een aaneengesloten complex van ruim 5000 ha land werd indertijd gekocht door hun inmiddels overleden vader, respectievelijk schoonvader, wijlen den heer Aart de Geus. Met de weinige nog beschikbare gronden kan de kolonie zich nog maar weinig uitbreiden, hetgeen naar mijne meening zeer te betreuren is. Wel ligt in de onmiddellijke nabijheid dezer kolonie en aansluitend aan dit areaal de eveneens zeer gunstig gelegen fazenda “Areiao”, groot 5.697 ha netto en behoorende aan Dr. Altivo Leite te São Paulo, welke fazenda een schitterend geheel zou vormen met onze bestaande kolonie en nog gelegenheid te over zou bieden tot vestiging van diverse Hollandsche en/ of Indische families. Deze fazenda werd mij te koop aangeboden voor ± 350 contos de reis of ± f 42.000.- in Hollandsch geld. Dit zou zeker een mooie geldbelegging zijn voor een kapitaalkrachtig lichaam of persoon, die de fazenda in ± 100 deelen zou kunnen verkavelen en te koop aanbieden, waarbij zeker een mooie winst te boeken zou zijn. Ook deze aangelegenheid verdient m.i. de volle aandacht der Nederlandsche autoriteiten in het direct belang der landgenooten in deze kolonie en mede in verband met eventueele immigratiemogelijkheden hierheen.

Ik voeg hieraan toe, dat de tegenwoordige Gouverneur van Paraná, Zijne Excellentie ManueI Ribas, met volle sympathie en in elk opzicht het streven onzer kolonisten steunt. De eigendomspapieren zijn volkomen in orde. De Southern Brazil Lumber en Colonisation Company verkreeg haar landbezit bij den aanleg van den spoorweg rechtstreeks van de Regeering. De kolonisten op Carambehy zijn dan ook volkomen zeker van hun bezit.

Bewoners
Er wonen hier bijna uitsluitend Hollanders en nog enkele Duitschers, de meesten eenvoudige, doch oprechte menschen. In den laatsten tijd zijn er diverse nieuwe kolonisten bijgekomen, waaronder van zeer goede familie, o.a. een meester in de rechten, een oud-inspecteur van Onderwijs, een eigenaar eener kweekerij en hoenderpark in Holland, diverse oud-administrateurs, een oud-commissaris van Politie en een oud-hoofdofficier uit Ned.-Indië, terwijl nog enkele gepensionneerden t.z .t. uit . Indië verwacht worden. Over het algemeen belijden de kolonisten den gereformeerden godsdienst, doch men is zeer verdraagzaam tegenover andersdenkenden.

De meeste oudere kolonisten wonen in bescheiden huizen, behalve een, die zich een mooi steenen huis heeft laten bouwen, terwijl een ander met den bouw eener steenen boerderij doende is. De komst der meer intellectueele nieuwkomers heeft als gevolg gehad, dat er verschillende mooie huizen bijgekomen zijn.

Een bestaan is op Carambehy zeker mogelijk, mits men over voldoende kapitaal beschikt. Het leven is hier goedkoop, vooral als men veel, wat voor eigen gebruik noodig is, zelf gaat verbouwen. Echter dient men hiermee geduld te hebben, daar het land eerst ontgonnen en bemest moet worden en men dus pas in het tweede jaar resultaat mag verwachten. Liefhebbers van rust en natuur vinden hier een dorado. Men moet echter alle luxe opzij kunnen zetten, tenzij men over een ruimere beurs beschikt, want dan bieden de groote steden dezelfde geneugten en verleiding als overal elders in de wereld.

Verschenen in De Bergcultures van 8 januari 1938.

[1] De Brazil Railway Company, opgericht in 1906, die de pioniers van Carambeí land verschafte, had verschillende werkmaatschappijen. Eén daarvan was de Southern Brazil Lumber & Colonization Company. Toen de spoorwegmaatschappij in 1917 in bezit kwam van de Braziliaanse overheid, ging de Lumber & Colonization Company verder als zelfstandige onderneming, totdat ook dit bedrijf in 1938 werd genationaliseerd door de regering van Getúlio Vargas.

Reisindrukken van een oud-planter (3)

In het laatste deel van zijn eerste brief aan de Bergcultures gaf R.A.M. Vermeulen zijn eerste indrukken weer van de kosten van levensonderhoud in zijn nieuwe vaderland Brazilië.

Brazilië
Brazilië als land trekt ons geenszins aan. Noch ‘t land zelf, noch zijn bewoners kunnen ons bijster bekoren. Op onzen leeftijd past men zich niet zoo gemakkelijk aan. We kwamen echter niet voor Brazilië, doch voor Carambehy en dan is er slechts één loflied. ‘t Is hier zóó rustig, zóó eenvoudig en zóó mooi, met een verrukkelijk klimaat, dat we onmiddellijk bij onze eerste kennismaking hier aanvoelden, dat we den juisten weg gekozen hadden. Indië bracht ons veel moois, doch ook veel tegenslag. Hier zullen we na 35 jaar ingespannen arbeid de verdiende rust zeker vinden.Voor kapitaalkrachtige menschen zijn er hier vele mogelijkheden. Wij zullen straks met een eenvoudig opgezet vee- en landbouwbedrijf, annex groenten- en vruchtentuin met mogelijk nog een klein areaal tung (aleurites fordii) zeker een volkomen –bevredigende eindperiode van ons bestaan vinden.

Men moet in Brazilië een groot onderscheid ·maken tusschen eigen fabrikaat (nacional) en ingevoerde goederen (importade). Men constateert direct, dat ‘t eerste zeer goedkoop en het tweede even duur is als in Europa en overal elders in de wereld. In de groote zaken der groote steden ziet men bijna uitsluitend geïmporteerde goederen, welke als regel van veel betere kwaliteit zijn dan ‘t eigen fabrikaat. Een uitzondering hierop is het bier, dat zeker gelijkgesteld kan worden met het beste Duitsche bier en bovendien zeer billijk in prijs is. Uit het bovenstaande kunt U direct concludeeren, dat de tourist in dit land meestal duur uit is, terwijl degenen, die zich hier blijvend willen vestigen, zeer goedkoop kunnen leven. Een Hollander, gewezen Deli-administrateur, woont met z’n vrouw en twee kinderen reeds eenige jaren in Curityba, de hoofdstad van den staat Paraná. Curityba is een aardige stad, welke vergeleken kan worden met b.v. Haarlem of Leiden. Hij bewoont er in de buitenwijken een aardige villa. Z’n zoon bezoekt het gymnasiurn en z’n dochtertje een uitstekende zustersschool. Volgens z’n mededeelingen leeft hij daar gemakkelijk van conto per maand, dat is dus in Hollandsch geld ± f 180.-. De bewoners te Carambehy besteden ongeveer f 60.- à f 100.- per maand om te kunnen leven. Men mag dan echter niet uit ’t oog verliezen, dat zij veel zelf planten en verbouwen, eigen vee bezitten en practisch niets uitgeven aan uitgaan. Hoogstens gaan ze éénmaal per maand naar Ponta Grossa 30 km) per wagen of per fiets. De onverharde Gouvernements-hoofdwegen zijn volgens onze begrippen in de regenmaanden echter slecht.

Voor kleine renteniers zijn de levensomstandigheden hier bijzonder gunstig, daar de rentevoet hoog is. Vele banken geven direct opneembaar meestal reeds 5% en veilige staatspapieren meestal 8% rente.- In de kolonie zelf wordt, naar ik vernam, zelfs onderling geld uitgeleend tegen 10% rente. Met een kapitaaltje van 15 mille heeft men gauw een jaarlijksch inkomen van ± 10 conto’s per jaar, van welk bedrag men in de kolonie reeds eenvoudig en zorgenloos leven kan. Daarbij komt dan echter nog de reis van Indië hierheen, welke met de K. P. M. (1ste kl. tot Singapore) aansluitend op de Zuid-Amerikalijn der Osaka Shosen Kaisha Line (1ste kl.) tot aankomst op Carambehy op rond f 1000.- per volwassene gesteld dient te worden. Een eenvoudige en geriefelijke woning bouwt men van 15 tot 25 conto’s, terwijl de aankoop van eigen grond, inclusief overschrijvingskosten en omrastering op ± f 15.- per ha gesteld moet worden. Voor vele menschen zonder pensioen is dit m.i. een uitkomst. Het oprichten eener boerderij van ±50 à 60 ha, inclusief een degelijke houten woning met steenen fundament (8 X 12 m oppervlakte), houten schuur, stallen· en ‘t noodige vee en kleiner gedierte (varkens, geiten, kippen, e.d.), komt op ± f 8000.- te staan. Daarbij is dan een reserve-kapitaal van f 2000.- gewenscht. Heeft men pensioen, dan is alles natuurlijk veel eenvoudiger. Richt men alles op meer bescheiden schaal in, dan zal, volgens mijne inzichten, toch minimum 5 mille benoodigd zijn. De oudste ingezetenen hier noemen lagere bedragen, doch voor oud-Indischgasten lijken me mijn cijfers meer aan den veiligen kant. T.z.t. als ik uit eigen ervaring meer juiste gegevens ter beschikking heb, zal ik deze gaarne volledig doorgeven.

Thans vangt de nieuwe taak aan en zal ik vooral in de eerste maanden veel in beslag genomen worden. U kunt echter binnen afzienbaren tijd m’n volgenden brief tegemoet zien met uitvoerige mededeelingen over ‘t kolonie-leven, hare bewoners, het vee- en landbouwbedrijf, de tung (houtolie) -kansen en andere eigen bevindingen. Heden eindig ik. Wij hebben ‘t hier zeer naar onzen zin.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Reisindrukken van een oud-planter (2)

In de tweede helft van zijn eerste brief in het weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis door Brazilië vanaf zijn aankomst in Rio de Janeiro tot en met zijn ontvangst in Carambeí.

Rio de Janeiro
Bij het binnenvaren van de haven van Rio de Janeiro komt de mensch geheel onder den indruk, daar de entree werkelijk schitterend is. Eerst ziet men een bergachtige met bosch begroeide kustlijn, waarin diverse rotsachtige eilandjes, hetgeen ons doet terugdenken aan de kust bij Emmahaven (Padang); dan draait ‘t schip plotseling in de richting van de haven en treden, waar de groene bergen het blauwe water raken, talrijke wolkenkrabbers te voorschijn. Normaal duurt ‘t dan nog wel een uur, alvorens men aan de kade ligt.

Rio de Janeiro beslaat een oppervlakte van ca 60 vierkante mijlen en bestaat uit meerdere gedeelten, welke gescheiden zijn door een tot aan de zee doorloopenden bergrug en door een kanaal. Waar we eerst ‘s namiddags om 5 uur aan wal kwamen en den volgenden dag om 2 uur zouden vertrekken kregen we slechts een vluchtigen indruk van Rio, doch deze was alleszins gunstig. In kleur en opzet kan misschien geen tweede stad ter wereld met Rio vergeleken worden en inderdaad is ‘t voor iederen passagier een uniek gezicht de haven van deze fameuze Braziliaansche hoofdplaats binnen te stoomen.

Direct trof ons na het debarkeeren aan ‘t einde der enorme havenkade een in alle opzichten model clubgebouw, waar een tolk, die vele talen spreekt, den vreemdeling alle gewenschte inlichtingen geeft. Een keurig ingericht lokaal noodigt den bezoeker lokkend uit om; gratis een geurig kopje koffie te drinken, ten einde kennis te maken met dit voornaamste Braziliaansche uitvoerproduct. Zeer smakelijk gezet en netjes opgediend is deze wijze van reclame wel zeer origineel en zou o.i. ook op Java aanbeveling verdienen. Smakelijk gerangschikt ziet men in groote glazen bokalen alle soorten koffie, welke Brazilië oplevert, gesorteerd naar kwaliteit en grootte, als een kleine overzichtelijke tentoonstelling met duidelijke statistieken, zoodat iedere bezoeker onmiddellijk een idee krijgt van den enormen omvang dezer cultuur. Iedereen drinkt in Brazilië koffie en in groote hoeveelheden. Op de meeste plaatsen is ‘t usance minstens 4-maal per dag koffie te drinken. Zou op Java en de buitenzittingen op dezelfde wijze en in dezelfde mate koffie gedronken worden, dan zou de koffiecultuur waarschijnlijk geen crisis· doormaken. De geringe populatie van Brazilië heeft vanzelfsprekend weinig invloed op de koffiemarkt hier, daar de verhouding van het totaal aantal inwoners tot de totale koffieproductie minimaal is. M.i. zou dat in Indië een ander geval zijn. We zouden deze populaire wij ze van reclame maken onder de aandacht van het Bestuur van het Koffiefonds willen brengen.

De straten in Rio evenals de gebouwen doen de reputatie der stad alle eer aan. Evenwijdig met de zee loopt een promenade van wit marmersteen, ongeveer 5 mijlen lang. Vele gebouwen zijn geconstrueerd als paleizen. Imposante pleinen, opgeluisterd door grootsche monumenten, fonteinen en liefelijke bloemenrijke parken werken mede om het aanzien van de stad op te vroolijken. Deze snelgroeiende stad met bijna 2½ millioen inwoners met hare feërieke verlichting, comfortabele hotels, luxueuze casino’s, sprookjesachtige beaches, unieke race-terreinen en onvergetelijke panorama’s zal zeker meer en meer bezocht worden. Door den internationalen tourist. De avondverlichting der stad is meer dan schitterend, als één unieke illuminatie, en Rio moet wel een der best verlichte steden der wereld. zijn. We wisselden onmiddellijk geld bij Cook en al dadelijk bleek, dat het Engelsche bankpapier hier de meeste waarde heeft. Het Engelsche Pond wordt naar verhouding het hoogst gewaardeerd en alle wisselkantoren, o.a. Cook, geven voor bankpapier meer dan de Banken voor wissels uitbetalen. .Amerikaansche dollars zijn eveneens goed, doch ook hiervoor geldt, dat men voor bankpapier meer ontvangt dan voor een wissel. Toekomstige Rio-bezoekers kunnen dezen tip onthouden.

We lieten ons door een taxi de stad rondtoeren tegen een tarief van 20 milreis per uur. 1 Milreis was op dat moment ongeveer 12 Hollandsche centen. 1 Milreis = 1000 reis en 1000 milreis = 1 conto de reis. We bezochten o.a. de eetgelegenheden “Taberna Carioca” en “Brahma”. De maaltijden waren goed en billijk, hoewel ‘t moeilijk viel uit de Braziliaansche namen op het menu wijs te worden. Een Duitsch sprekende kelner helpt den vreemdeling echter wel op weg. Het viel ons onmiddellijk op, dat in Brazilië zooveel Duitsch gesproken wordt en in het Zuiden speelt deze taal een dermate belangrijke rol, dat b.v. in den Staat “Santa Catharina” zelfs de negers, afstammelingen der vroegere slaven, Duitsch verstaan.

Het bier in Rio, doch ook in de andere staten, welke we bezochten, is prima. Een glas vatbier, “chopp” genaamd, kost slechts 1 milreis en ‘t zijn flinke groote glazen “duplo” genoemd. Bierliefhebbers kunnen hier hun hart ophalen. We bezochten ook een bioscoop, doch Java staat, wat de film betreft, zeker bij deze wereldstad niet ten achter.

CorcovadoWe beklommen per auto, respectievelijk tandradbaan, den top van de “Corcovado”, waar ’t wereldberoemde 35 m hooge Christusbeeld, hier “Christo Redemptor” genoemd, een machtigen indruk maakt en den bezoeker tot stilzwijgen dwingt. Van hieruit ontrolt zich aan het oog één der schoonste panorama-uitzichten der geheele wereld. Ook het uit granietsteen bestaande suikerbrood (Sugar-Ioaf-mountain) ziet men overal heinde en ver te voorschijn treden. We hebben aan Rio een mooie en dankbare herinnering bewaard.

Santos
Nadat we Rio verlaten hadden voeren we na één nacht varen bij het aanbreken van den dag de haven van Santos binnen, waar we de .boot zouden verlaten. Na Rio maakte Santos op ons den indruk van een kampong en vooral bij het langzaam binnenvaren krijgt men een armoedigen indruk. Langs de kust liggen overal hutten verspreid, welke ons sterk herinnerden aan onze kamponghuisjes. Vanzelfsprekend is de stad zelf veel beter, hoewel er alles op een rommelige havenstad wijst. De reusachtige goedangs [pakhuizen] langs de kade bewijzen, dat de handel hier belangrijk is. Santos is de grootste afscheephaven van koffie.

Voor het eerst gedurende onze reis maakten we kennis·met de douaneambtenaren en deze kennismaking was verre van aangenaam. Alle koffers en kisten moesten zonder uitzondering opengemaakt worden en de wijze, waarop dit geschiedde, was meer dan ergerlijk. Keurig verpakte en gespijkerde kisten werden zonder eenige égards ruwweg opengebroken. Dankzij de hulp van een door het Consulaat te São Paulo gezonden Hollander, die ons met zijne kennis der Portugeesche taal door vele moeilijkheden heen hielp, ledigden we dezen beker en konden we om 3 uur ’s namiddags met een keurige char-à-bancs naar São Paulo vertrekken, terwijl alle bagage per vrachtauto volgde.

São Paulo
Hotel Suisso Sao Paulo
De weg van Santos naar São Paulo stijgt snel tot boven 800 m boven den zeespiegel en biedt schitterende vergezichten. São Paulo telt ± 1.300.000 inwoners en is een groote industriestad en zakencentrum in Zuid-Amerika. We namen onzen intrek in hotel Suisso, waar we per persoon en per dag 20 milreis betaalden. De kamers waren eenvoudig gemeubileerd, doch de maaltijden waren overvloedig en smakelijk. De lunch en het diner werden door een goed strijkje opgevroolijkt. Toen we met andere Hollandsche reisgenooten den eersten avond aan het diner zaten, speelde de muziek het Wilhelmus, dat natuurlijk staande door ons werd aangehoord. Deze sympathieke geste van den Zwitserschen eigenaar van het hotel werd vanzelfsprekend naar waarde geapprecieerd. We vertoefden 5 dagen te São Paulo voor bezoeken bij den Nederlandschen Consul en diverse paperassenrompslomp en maakten ter eere van de onafhankelijkheidsverklaring van Brazilië o.a. een parade mee.

São Paulo breidt zich in enorm snel tempo uit. Oude huizen en gebouwen worden overal afgebroken en vervangen door wolkenkrabbers. Straten en bruggen liggen opgebroken om opnieuw te worden geplaveid en geconstrueerd. Door al deze bouwerij ziet de stad er ongeacheveerd en rommelig uit. Over enkele jaren zal Sao Paulo zeker een zeer moderne wereldstad zijn. We bezochten o.a. de beroemde Butantan-slangenfarm, waar serums bereid worden tegen alle slangenbeten. Het geeft een griezelig gevoel tusschen al die verschillende gif- en niet-gifslangen en vooral de monsterlijke gifpadden waren zeer onooglijk. Het klimaat van dit centrum van ‘s werelds grootste koffiezaken is zeer aangenaam in dit jaargetijde, hoewel ‘t in de zomermaanden januari en februari wel eens warm kan zijn. Tijdens ons verblijf echter waren de dagen met hun blauwe luchten en veel zon koel en was ‘t er heerlijk.

Treinreis
Van São Paulo naar Ponta Grossa reisden we in een luxe slaapwagen. We vertrokken om 4 uur ’s namiddags en arriveerden den volgenden dag om 2 uur te Ponta Grossa. Deze slaapwagon is in twee helften verdeeld. In de eene helft zijn de slaapcoupé’s, terwijl de andere helft ingenomen wordt door verplaatsbare rieten fauteuils. Per volwassene betaalden we nog geen f 10.- Hollandsch geld, ‘t geen voor 22 uren sporen, inclusief slaapcoupé, toch zeker zeer billijk is. Deze spoorlijn behoort aan eene particuliere Braziliaansche Maatschappij, terwijl de totale aanleg voor een vast bedrag per km door een Engelsch concern werd aangelegd. Het gevolg was natuurlijk, dat er duizenden bochten ontstonden, daar voor de geringste oneffenheid in het terrein de lijn werd omgelegd om een kunstwerk of grondverzet te vermijden. De baan ligt slecht, terwijl de veering der wagons eveneens abominabel is. Een treinreis in dit land is dan ook bij lange na geen pretje. Bij de vele onbewaakte overwegen vindt men borden met ‘t volgende opschrift: “Pare – olhe – escute – passe”, wat beteekent: “Sta stil – kijk uit – luister en passeer”.

Ponta-Grossa
De hotels in Ponta-Grossa zijn primitief, doch uiterst billijk. De wegen in ‘t stadje (35.000 inwoners) zijn slecht geplaveid. In de buitenwijken zijn de wegen zelfs nog niet verhard. Ook de verlichting laat nog zeer veel te wenschen over. Door het stadje trekken vele huifkarren door 8 à 12 muilezels getrokken, terwijl fazendero’s (grondbezitters) of hunne geëmployeerden op met schapenvachten gezadelde paarden met fantastische shirts en dassen en breedgerande hoeden een Far-west-sfeer scheppen. Trouwens zeer veel hier in het binnenland herinnert ons aan de Cowboy-films, welke we zoo nu en dan in Indië bezochten. We werden afgehaald en begroet door verschillende leden der Hollandsche kolonie Carambehy, waaronder o.a. de leider en de dominee. De spontane hartelijkheid en geboden hulp deden warm aan, en we accepteerden deze met graagte, daar de eerste indrukken van dit primitieve stadje verre van vroolijk stemden. Integendeel, onze eerste kennismaking met ‘t hotelleven in Ponta Grossa viel geweldig tegen en met zeer gemengde gevoelens werd de eerste nacht doorgebracht.

Carambehy
Reeds den volgenden dag bezochten we Carambehy op ± 1 uur met de auto van Ponta Grossa verwijderd en onmiddellijk verbeterde de stemming, daar Carambehy een alleszins vroolijken en prettigen indruk maakte. Het land is lichtglooiend met schitterende vergezichten en men waant zich in een stukje mooi Holland. Het is de bewoners ten volle gelukt hun nationaliteit volkomen te behouden. U kunt U dus voorstellen een stukje uitgesproken mooi Nederland met ‘t verrukkelijk klimaat van Zuid-Italië.

We huurden een eenvoudige leegstaande boerenwoning voor de luttele som van 80 milreis per maand, inclusief een groot erf met schuren en stallen en een mooie boomgaard. We besloten zoo spoedig mogelijk hierheen te verhuizen tot we t.z.t. na aankoop van eigen grond ons eigen huis zullen bouwen. In m’n volgenden brief zal ik U uitvoerig over ’t ontstaan dezer Hollandsche nederzetting, het leven en · alles, wat·daarmee direct verband houdt, vertellen.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Reisindrukken van een oud-planter (1)

In de eerste aflevering van zijn brievenreeks in het Indische weekblad De Bergcultures beschrijft Roeland Vermeulen de reis vanuit Nederlands-Indië tot en met zijn aankomst in Carambeí. In het eerste deel van zijn verslag, vertelt hij over de bootreis van Java via Singapore en Zuid-Afrika tot zijn aankomst in Rio de Janeiro.

De bedoeling dezer brievenreeks is het contact te behouden tusschen oud-collega’s en vrienden- op Java en Sumatra en ons, op onze aanstaande standplaats Carambehy, eene Nederlandsche nederzetting in den Staat Paraná (Zuid-Brazilië) op ca. 25° Z.B. en ± 1050 m. boven den zeespiegel, met een aangenaam klimaat in een schitterende natuur. De zomers zijn er milder dan in Nederland, terwijl de winterdagen er zonnig en droog zijn en de thermometer ’s nachts slechts zelden onder het nulpunt komt. Volgens verkregen inlichtingen derhalve een dorado voor oud-Indischgasten. Ik zal U na grondige oriëntatie volkomen over deze kolonie inlichten en over de mogelijkheden, welke deze nederzetting aan oud-planters biedt in verband met ligging, bodem, klimaat, regenval, formaliteiten en eigendomspapieren, autoriteiten, scholen, godsdienst, opzet en voorschriften voor nieuwe kolonisten en alles, wat verder belangrijk zal blijken. Hierdoor verwacht en hoop ik suggesties te kunnen geven aan diegenen onder mijn vrienden en oud-collega’s, die evenals ik na volbrachte Indische carrière, zoekend en onbevredigd, met een klein kapitaal blijven ronddolen. Mocht ik hiermee kunnen bereiken aan enkelen onder U een nieuw levensdoel aan te wijzen, dan zal m’n moeite beloond zijn, daar ik uit eigen ervaring weet, hoe moeilijk het is den juisten weg te vinden. Ik vertrouw, dat deze brieven er het hunne toe zullen bijdragen de keuze tot het vinden van een blijvend home te vergemakkelijken en verwacht een aangename en prettige gedachtenwisseling.

Vertrek van Java
Na 30 jaar onze beste krachten aan Insulinde te hebben gegeven ving de groote reis op 31 Juli ‘s middags om 5 uur aan en verlieten we met het
m.s. “Ophir” der K.P.M. Tandjong-Priok [1]. Veel liefs msOphiren moois, doch ook veel leed, succes, doch ook teleurstellingen heeft Indië ons gebracht en nu gingen we, evenals 30 jaren geleden, nogmaals “zoekend” de wereld in. Thans zetten we onder het verleden een streep in afwachting van wat de toekomst ons·zal brengen. ‘t Was wel een toevallige samenloop van omstandigheden, dat juist de “Ophir” ons naar Singapore moest brengen. In Februari 1931 was het dezelfde boot, die ons voor de eerste maal naar Padang bracht, op doorreis naar de Ophirlanden, waar ik gedurende bijna 7 jaar het beheer voerde. Met een snik en een traan nam ik te Singapore afscheid van het mooie doek, destijds door de Directie der Koloniale Bank aan de Directie der K.P.M. aangeboden ter verfraaiing van het trappenhuis van het schip, dat denzelfden naam draagt als hare onderneming op Sumatra’s Westkust. Het schilderij geeft wel zeer sprekend de omgeving weer, waar we eenige moeilijke, doch tevens mooie jaren van ons leven hebben doorgebracht·en die herinnering pakte vanzelfsprekend even aan. Nu is alles voorbij en ligt de Java-Sumatra-episode reeds ver achter ons. We kijken nu niet meer achterom, doch onze blik is op de toekomst gericht.

De zeereis
Op 3 Augustus zetten we met het m.s. “Buenos Aires Maru” van de·Osaka Shosen Kaisha (“South American Line”) via Colombo, Durban, Kaapstad en Rio de Janeiro koers naar Santos, de haven, waar we zouden debarkeeren. Deze boot onderhoudt met het zusterschip de “Rio de Janeiro Maru” de snelverbinding met Zuid-Amerika en maakt dan verder via het Panama-kanaal – Los Angelos “een round the World” -trip. Zij heeft ± 10.000 tonnenmaat en kan een vaart ontwikkelen van ± 17 à 18 zeemijlen per uur. De boot ligt bijzonder vast in het water en niettegenstaande we over ‘t geheel genomen ruw en stormachtig weer hadden, bemerkte men hiervan betrekkelijk weinig en schoot zij rustig en statig door de hoogste golven.

Er heerschten orde en regel aan boord, hetgeen een gevoel van rust en veiligheid geeft. De tweepersoonshutten zijn ruim en comfortabel, vierkant van vorm, hetgeen zeer practisch is. De eetzaal is gezellig en in lichtgroene kleuren gehouden; de muzieksalon is eenvoudig en sober van stijlin lichtgrijze tinten en met een royale bibliotheek met Engelsche en Japansche lectuur. Overigens beschikt men over ruime wandeldekken (±150 m rond), een rooksalon met bar en een Japansche veranda met diverse Japansche planten. De maaltijden zijn voor Hollandsche magen eenigszins phantastisch en men moet in het uitkiezen der gerechten eerst de noodige routine krijgen, daar alles à la carte wordt opgediend. De prijzen der dranken zijn zeer matig gesteld; zoo kost een flesch goed Japansch bier b.v. 32½ ct. in Hollandsch geld.

Voor afleiding der passagiers wordt veel gedaan; zoo genoten we o.a. bij het passeeren van den equator van een zeer verzorgd Neptunusfeest, zooals·ik ’t op geen mijner zeereizen nog heb meegemaakt. Hierbij maakten we ook kennis met den bekenden Japanschen drank “saké”, waarvan de smaak ‘t midden houdt tusschen een goede Sherry en een slappe pait, echter zonder aroma, doch overigens niet onaangenaam van smaak.

Het reisgezelschap was internationaal en bestond uit·Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Brazilianen, Argentijnen, Portugeezen, Zuid-Afrikanen, Japanners en ons clubje Hollanders. De meesten onzer medepassagiers waren touristen, die een round-theworld-trip maakten en voor hun pleizier reisden. De onderlinge verstandhouding was uitstekend; men kende elkaar ternauwernood en toch was ‘t één groot en·gemoedelijk huishouden. Wij waren met ongeveer 50 eerste klasse passagiers; de boot bracht verder ruim 800 Japansche emigranten over naar São Paulo in Zuid-Brazilië, waar hun gronden zouden worden toegewezen voor individueele katoencultuur. Deze menschen deden veel aan sport onder elkaar, o.a. turnen, zwaardvechten, boksen en worstelen en leefden uiterst tevreden. De O.S.K.-lijn deed eveneens veel·om voor hen de lange reis te veraangenamen. Er heerschten groote orde en tucht en men bemerkte zeer weinig van dit groote aantal menschen. Drie doctoren en het noodige verplegend personeel waren speciaal te hunner beschikking gesteld, zoodat de hygiënische verzorging in goede handen was.

Durban
In den nacht van 18 op 19 Augustus kwamen we voor de haven van Durban, hetgeen een feeëriek gezicht opleverde. Bij het aanschouwen van zooveel pracht, als in de nachtelijke stilte zich de stad, een schitterende en indrukwekkende illuminatie; aan·de oogen ontrolt, wordt de mensch even stil en stemt dit grootsche tafereel onwillekeurig tot nadenken.We maakten diverse mooie ritten·in keurige electrische trams en bussen en kregen op deze wijze een goeden indruk van de stad. Het was ijzig koud en een gure wind veronaangenaamde ons verblijf in deze overigens beroemde luxe-badplaats. Het liep naar het einde van het badseizoen, doch, hoewel de groote hotels nog. vol met badgastenwaren, was er aan het strand practisch geen levend wezen te bekennen. De stad trok ons overigens onder deze omstandigheden als woonplaats geenszins aan. Onze verwachtingen waren te hoog gespannen en het geheel viel door den demoraliseerenden invloed van de kou wel eenigszins tegen.

Kaapstad
Den 21sten ‘s nachts lagen we op de reede van Kaapstad en het nachtelijk panorama van de stad en de omgeving bood nog een schooneren aanblik dan bij aankomst te Durban. Ook Kaapstad zelf met zijn wonderschoone bergenomgeving, prachtige straten en historische herinneringen beviel ons direct beter dan Durban. We genoten van de drukte op straat met het enorme auto-verkeer en gevoelden ons thuis als in een Europeesche stad. Mogelijk, dat ook het betere weer onze stemming en critiek milder maakte, doch vast staat, dat de stad met hare oudere en monumentale gebouwen meer tot ons sprak dan Durban.We maakten er een prachtige en hoogst interessante tour met een comfortabele char-à-bancs en bezochten o.a. de wereldberoemde en romantische “Kaap de Goede Hoop”. We reden aan den voet van den Tafelberg en de twaalf Apostelen en bewonderden diverse keurig aangelegde badplaatsen met schitterende rotstuinen en genoten van imposante vergezichten.

Zeer voldaan verlieten we op 23 Augustus de haven en stevenden op Rio de Janeiro aan, de hoofdstad van Brazilië en tweede stad in zielenaantal van geheel Zuid-Amerika.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Voetnoot
[1] Het schip de m.s. Ophir was in 1929 gebouwd door de Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij (NSM) in Amsterdam in opdracht van de Koninklijke Pakket Maatschappij (KPM). Tandjong Priok was de haven van Batavia (thans Djakarta).

 

De reisindrukken van Roeland Vermeulen

Kort voor de jaarwisseling 2012-2013 overleed op Carambeí Dim Vermeulen. Dim speelde niet alleen een belangrijke rol in de gemeenschap van deze oudste Nederlandse groepsvestiging in Brazilië, maar was ook van1965 tot 1987 als directeur verantwoordelijk voor de groei van de centrale coöperatie van de Paraná-kolonies. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse emigratie nam hij in het laatste jaar tezamen met Nico Kors van Holambra I uit handen van de Nederlandse minister van Sociale Zaken Lou de Graaf de Oliver van Noort-medaille in ontvangst. Vermeulen was ook de initiator van de Associação Cultural Brasil Holanda (ACBH), dat verantwoordelijk is voor de uitgave van het maandblad De Regenboog.

Roeland Vermeulen geflankeerd door de pioniers van Carambeí Arie de Geus (oom Arie) en zijn vrouw (tante Cornelie)

Dim’s vader Roeland Arnold Marie Vermeulen was niet minder belangrijk voor de ontwikkeling van Carambeí. Na 30 jaar als planter in Nederlands-Indië werkzaam te zijn geweest, besloot hij samen met zijn gezin zich in 1937 in Brazilië te vestigen in de nog jonge Nederlandse kolonie. Zijn doel was het om op zijn oudere dag het wat kalmer aan te doen. Hij volgde daarmee het voorbeeld van andere oud-Indischgasten, die zich reeds in Carambeí hadden gevestigd. Deze voormalige planters en bestuursambtenaren beschikten over een behoorlijk kapitaal en hadden geen goed pensioen. Voor hen was Carambeí een plek waar zij hoopten in een rustige landelijke, en degelijke sfeer hun verdere levensdagen te kunnen doorbrengen.

Hoewel de achtergrond van Vermeulen (net zoals ook het geval was met de andere voormalige Indiëgangers) in sociaal en religieus opzicht duidelijk verschilde van die van de oorspronkelijke koloniebevolking, belette dit hem niet om zich ten volle in te zetten voor de Nederlandse gemeenschap in Carambeí. Hij werd secretaris van de lokale afdeling van het Algemeen Nederlands Verbond, een Vlaams-Nederlandse culturele vereniging. Ook was hij enkele jaren honorair consul van Nederland in Paraná. Als secretaris van de coöperatie Batavo speelde hij een grote rol bij de totstandkoming van de nieuwe zuivelfabriek.

Cover Bergcultures KleinKort na zijn aankomst in Carambeí begon Roeland Vermeulen met het schrijven van een reeks brieven aan de redactie van De Bergcultures, het in Batavia (Nederlands-Indië) verschijnende weekblad van het Algemeen Landbouw Syndicaat. Van december 1937 tot januari 1940 werd in het uit 17 delen bestaande feuilleton ‘Reisindrukken en wat dies meer zij van een oud-planter’ aan de oud-vakgenoten in Indië verslag gedaan van de opbouw van een nieuw bestaan in Brazilië. De reeks publicaties in De Bergcultures eindigde op 25 mei 1940 met het artikel ‘Mijn reis naar en door den staat São Paulo’. Enkele delen werden geschreven voor de echtgenote van Vermeulen, Johanna Catharina van Boxtel. In haar bijdragen richtte zij zich op de plantersvrouwen in Nederlands-Indië.

In de komende maanden zullen naast episodes uit de geschiedenis van Holambra ook afleveringen verschijnen van de Reisindrukken van de heer en mevrouw Vermeulen. Deze artikelen zullen niet de gehele feuilleton uit De Bergcultures omvatten. Enkel de bijdragen die een indruk geven van het leven in Brazilië en op Carambeí zullen worden gepubliceerd. Afleveringen waarin Vermeulen stilstaat bij zuiver teeltechnische zaken, zal ik buiten beschouwing laten.