De ellende in Brazilië (3)

Het bezoek van Gerardus Kuyk aan Gonçalves Júnior.

Na zijn verblijf in Ponta Grossa kwam voormalig kolonist Gerardus Kuyk op 22 februari 1910 aan in de kolonie Gonçalves Júnior. Zijn verslag aan de Nederlandse gezant te Rio de Janeiro, G.D. Advocaat, bevat een uitgebreide opsomming van ellende en misstanden. Volgens Kuyk woonden er in de kolonie 104 Nederlandse en 132 Duitse families.

“Den 22sten februari kwam ik in Goncalves Jr. aan. Ik logeer hier bij een Hollander, Lettow genaamd, die hier een danszaal en herberg houdt. Zijn huis is voor ongeveer een jaar geleden afgebrand, maar met de opbrengst van een gehouden collecte is hij er weder bovenop gebracht. Hij is anderhalf jaar geleden aangesteld als postrijder. Drie maal per week rijdt hij de 18 km heen en terug naar Iraty om de post te halen en brieven weg te brengen.

Ik heb reeds een bezoek gebracht aan de nieuwe kolonie Porta Grande, ruim twee uur gaans van deze kolonie verwijderd. Porta Grande is geene zelfstandige kolonie, maar slechts eene uitbreiding van Goncalves Jr. Dit nieuwe deel van deze kolonie is nog niet vol. Er wonen drie Hollandsche families. Vier of vijf maanden geleden zijn die uit Holland vertrokken. Van één gezin genaamd Van Doornen zijn reeds twee kinderen gestorven, terwijl er twee kinderen ziek zijn. Deze menschen hadden veel reden tot klagen. Langen tijd hadden zij in de barak van Goncalves Jr. doorgebracht, omdat hun perceel niet was afgemeten en hun huis niet gereed was, ja zelfs de weg naar de nieuwe kolonie was nog niet gemaakt. Weinig zaad hebben die menschen gekregen, ook zijn ze zonder medische hulp, omdat de dokter zoo ver niet loopt.

De huizen zijn ellendig. Ze zijn zes meter lang en vier meter breed en van gekloofde (ongezaagde) planken opgetrokken. Slechts één vertrek heeft zoo’n huis. ‘t Is niets meer dan een schuur en dan nog zeer onsolide gebouwd. Het centrum van de kolonie Goncalves Jr. ziet er zeer aardig uit. Het kantoor en het woonhuis van den directeur zijn werkelijk mooi te noemen, met de uitgezaagde lijsten en de aardige kleuren waarmede deze huizen beschilderd zijn. Ook een paar huizen van ambtenaren zien er goed uit. Ik ben nu ongeveer een week in Goncalves Jr. Wat heb ik alreeds gezien en vooral gehoord in die ééne week. Diefstal, prostitutie, haat, afgunst, ja met welke gebreken zijn ambtenaren en kolonisten al niet behept. De meest wonderlijke staaltjes zijn mij ter oore gekomen van diefstal door ambtenaren gepleegd om hunne begeerten naar kolonisten – vrouwen en meisjes te voldoen, die zich, schande over hen, tot zulke lage handelingen laten omkoopen met het gestolen geld.

Ik zal daaromtrent eenige feiten mededeelen, die mij door kolonisten zijn medegedeeld en die U als betrouwbaar aan kunt nemen. Arnoldo, de secretaris is een sexueele ploert van het eerste water. Hij heeft, niettegenstaande hij gehuwd is, in deze kolonie een Duitsch meisje tot liefje en onderhoudt haar en haar ouders. Een poos geleden heeft hij voor den vader van zijn bijzit een stuk land laten bearbeiden en beplanten. De arbeiders die dit stuk land gereed hebben gemaakt zijn door Arnoldo niet met geld maar met vale’s[1] betaald, zoodat hij dus met van de regeering gestolen geld zijne uitspattingen betaalt. De feitor Clito bracht aan eene Hollandsche familie een z.g. bij-vale (extra coupon voor de winkel) terwijl verscheidene families – wanneer men hun ondersteuningsbedrag berekent tegen 500 reis voor menschen boven 7 jaar en 250 reis voor kinderen van 3 tot 7 jaren per dag – eene som van tien, vijftien, ja zelfs twintig milreis per maand te weinig ontvangen. Dit zijn dan families waar geen knappe vrouwen of meisjes in huis zijn of die zich niet laten koopen. Het spreekt vanzelf dat de menschen daarmede niet kunnen rondkomen wanneer het ondersteuningsbedrag nog blijft beneden de som van bovengenoemde berekening. De beambten, welke belast zijn met het uitreiken van zaad, hielden paarden en voederden die dieren met de voor de kolonisten bestemde plant-mais.

Een vorige dokter, genaamd Mello, gaf aan de mooie jonge meisjes, die niet ziek waren, melk, terwijl hij het de zieken weigerde. ’t Is gebeurd dat door Duitsche meisjes de van den dokter als belooning voor lachjes gekregen busjes melk, werden verkocht tegen 500 reis per stuk. Een Hollander, genaamd Wilkenburg [moeilijk leesbaar], vroeg den directeur waarom de regeering niet zorgde voor melk voor de zieken want bijna geen enkele kreeg een busje. De Heer Beltrão liet toen eene rekening van de maand mei zien, waaruit bleek dat alleen in die maand aan de commissão van Gonçalves Jr. voor een bedrag van ruim zeven honderd (700) milreis aan busjes melk was geleverd. Een zekere Cazais heeft de administratie van de kolonie gecontroleerd en later aan de kolonisten gezegd dat de fiscaal Arnoldo gedurende zijne aanstelling als zoodanig een bedrag van 40 contos de reis heeft verduisterd. Arnoldo werd ontslagen, maar later weder in zijn ambt van fiscaal hersteld. Thans is hij secretaris. De chef van deze kolonie Francisco Guteirer Beltrão is òf een karakterzwak en dom persoon die van administratie geen het minste verstand heeft òf hij is een even grote schurk als zijne ondergeschikten. De haat en tweedracht is onder de kolonisten ook enorm.

Ik zal U thans een punctueel verslag geven van mijne waarnemingen in deze kolonie.

1e. De rechtsverhoudingen zijn van de aller kromste soort. Verlangt men recht van den directeur dan valt men in ongenade, wordt men te lastig dan krijgt men kosteloos maar gedwongen zij have en goed naar eene plaats buiten de kolonie getransporteerd.

2e De medische hulp is totaal onvoldoende. Naar ik gehoord heb is de tegenwoordige dokter, Dr. Frevisani, wel een tamelijk bekwaam dokter, maar aangezien hij hier niet als dokter is aangesteld, getroost hij zich niet veel moeite. Dr. Frevrisani is de schoonvader van directeur Beltrão. Hij is militair-dokter geweest en doet zijn dokterswerkzaamheden in deze kolonie zonder daarvoor door het gouvernement betaald te worden. In de barak komt hij wel eens, maar toch niet dikwijls, hoewel dit gebouw maar vijf minuten gaans van zijne woning verwijderd ligt Diengeen, welke hem komt bezoeken of komt wanneer hij consult geeft, helpt hij. Overal in alle deelen van de kolonie liggen zieken, die niet door den dokter worden bezocht en geheel of gedeeltelijk van alle medische hulp zijn gespeend. Of gedeeltelijk d.w.z. wanneer een der verwanten van een zieke naar de dokter gaat en opgeeft wat de patiënt mankeert, dan wordt een recept geschreven en bekomt men medicijnen.

3e De voeding van de meeste kolonisten is ook ellendig. Gedurende den tijd dat zij ondersteuning krijgen kunnen de menschen nauwelijks rondkomen, maar is de termijn van arbeid aan de wegen verstreken, dan begint de ellende eerst recht. Ik heb gezien dat zieke kinderen die zeer leden aan diarrhée zich moesten voeden met zwarte boonen omdat er niets anders was.

4e De gezondheidstoestand is miserabel in deze kolonie. Vele menschen en vooral kinderen zijn gestorven. Ik telde op het kerkhof 97 graven.[2] Diarrhée en typhus zijn de veel voorkomde ziekten. Ook pokken hebben hier menschen ten grave gebracht.

5e De woningen die in Gonçalves Jr. zijn gebouwd, hebben een lengte van 8 en een breedte van 4 meter. Zij zijn van hout opgetrokken en met plankjes gedekt. In den regel zijn ze verdeeld in twee afdeelingen. Geen glasvenster, geen zolder, geen stookplaats en alles ongeverfd. De huizen in de nieuwe kolonie Porta Grande zijn veel slechter dan die in Gonçalves Jr. Zij zijn daar 6 m. lang en 4 m. breed en van gekloofde planken gebouwd. Het dak rust op vier dunne hoekbalken, die met de horizontaal liggende balken het geheele geraamte uitmaken. Slechts een vertrek heeft zoo’n huis. Wanneer deze huizen een paar jaar staan, zullen ze reeds onbewoonbaar zijn.

6e Het drinkwater haalt de een uit een beekje, een ander heeft een put gemaakt. Zij die ver van een beekje verwijderd wonen, zijn genoodzaakt een put te graven. Zij worden daarin niet van regeeringswege geholpen. Er is in deze kolonie evenals in Miguel Calmon veel water. Verscheidene wellen vindt men hier. Wanneer het geregend heeft krijgt het water der beekjes een bruin kleurtje dat evenwel spoedig weer verdwijnt.

7e De prijzen der levensmiddelen zijn enorm hoog. Het grootste inconveniënt is evenwel de veelvuldige schaarschte van levensmiddelen in de winkels. Er zijn dagen voorbijgegaan dat menschen uit ver afgelegen plaatsen der kolonie gekomen om waren te halen, zoo goed als met ledige handen weder konden vertrekken. Er was geen meel, geen rijst, geen aardappelen, geen spek, geen vleesch, er was ongeveer niets. Diegene, welke dicht bij de winkel woont, kan, zoodra er weder iets is aangevoerd, zijne inkoopen doen, maar voor de ver weg wonenden zijn zulke toestanden een ware misère. Vooral in dezen tijd, waarin veel regen valt, heeft men tengevolge van de slechte wegen dikwijls stagnatie in den aanvoer van levensmiddelen.

8e De kwaliteit der waren is niet te roemen. De rijst is slecht, de suiker niet goed, het zout is vuil en grof, de koffie is ook niet altijd best. De zeep is wel geen eetwaar, maar tocht wordt ook daaraan door de Hollandsche vrouwen zekere eischen gesteld, waaraan het artikel evenwel niet beantwoordt. Ze is in één woord slecht.

9e De beleefdheid van de winkelbedienden is hier beneden critiek. De bediening gaat langzaam.

10e Met het debiet der landbouwproducten is het ook treurig gesteld. Veel is er evenwel nog niet te verkoopen geweest, omdat de in de maand september van het vorige jaar geplante maïs en rogge geheel is opgegeten door ratten en vogels die in november en december voor deze streek een ware plaag geweest zijn. Er zijn evenwel kolonisten, die eene hoeveelheid rapen of kool zagen verrotten omdat er geen koopers voor te vinden waren. Hoe het met een volgenden oogst zal gaan wanneer die tenminste gespaard blijft voor ratten en vogels, is mij een raadsel. Aan de twee in de kolonie gevestigde winkeliers kunnen de kolonisten niets verkoopen. Het op een afstand van 18 km verwijderd liggende plaatsje Iraty is nog te onbeduidend om zelf een flinke hoeveelheid te consumeeren. Het transporteeren met den spoorweg van Iraty naar Ponta Grossa kost: maïs, boonen aardappelen 6.100 reis per 1000 KG, kool, prei 10.700 reis per 1000 KG. Van Iraty naar Ponta Grossa is ongeveer 90 km. Het transporteeren van af de kolonie naar het station kost 300 reis per 15 KG.

11e Het aan de kolonisten laatstelijk verstrekte zaad is voor de meeste totaal onvoldoende geweest. De anderhalf jaar geleden aangekomenen hebben ontvangen toendertijd: Rogge 10 à 15 L., Tarwe ½ L., Gerst ½ L., Haver ½ L., Tabak 4 cm³, Maïs 4 à 12 L., Diverse groenten 6 halve pakjes, Aardappelen 2 à 4 L., Wijnstokken 15 stuks, Manioca 2 stokken. Boonen werden niet verstrekt. Er waren er die meer en ook die minder hebben ontvangen: Maïs 14 L., Diverse groenten 6 pakjes, Aardappelen 5 à 10 Kg. Het schijnt dat de regeering de verbouwing van rogge heeft willen bevorderen, daaruit verklaar ik tenminste de ruime uitgifte van dit zaad. Door zakken en vogels is evenwel bij iederen kolonist de rogge die zeer mooi stond opgegeten. De gereedschappen welke iedere kolonist heeft ontvangen zijn: 1 foucinha (soort snoeimes), 1 houwel, 1 inchada (hak), 1 bijl, 1 spade of schop. Voor iedere vijf gezinnen op wier loten veel bosch en vooral pinheiro’s staan; één groote trekzaag.

12e De terreinen zijn hier verbazend heuvelachtig. De hellingen der heuvelen zijn zeer steil, eene omstandigheid, die later op de bebouwing van den bodem, wanneer met ploegen gearbeid moet worden, een zeer nadeelige invloed zal uitoefenen. Of men moet beginnen met het aanleggen van wijngaarden. Langs de hellingen der heuvelen zullen de druiven hier zeker goed groeien. Vooral met het oog op de wegen is deze heuvelachtigheid een zeer nadeelige factor. Zoolang het weder droog en de weg dus goed is, gaat het maar zoodra een regen gevallen is, zijn de wegen voor wagens onberijdbaar, ten eerste omdat de paarden dan zelve nauwelijks kunnen loopen op den vetten gladden weg en ten tweede omdat de dieren een wagen dan niet tegen eene helling kunnen optrekken. Ik heb hellingen gezien waarvan ik den hoek schat op 45°, ja zelfs op 50°. Vijf paarden zijn noodig om een lichtgebouwden wagen beladen met 3000 à 4000 pond van Iraty naar Gonçalves te brengen (18 KM). Toch heeft ieder lot wel een meer of minder vlak stuk maar deze stukken zijn niet te vergelijken bij de vlakke stukken in João Pinheiro.

13e De bodem bestaat hier grotendeels uit leem, hier en daar zandig leem met steenen. De kleur van de grond wisselt af van bruin en geel tot grijsachtig. De denneboom is hier niet zoo sterk vertegenwoordigd als in de kolonie Miguel Calmon. Daarentegen groeit hier veel bamboe. De heuvelhellingen zijn met dicht bosch en kreupelhout bedekt. De vruchtbaarheid van den bodem is ook hier bevredigend, tenminste met de eerste plantingen.

14e Het klimaat is hier inden zomer heet, in den winter vriest het ’s nachts soms, maar op den dag is het dan ook warm. De regenval is dit voorjaar zeer groot geweest, terwijl het in de maanden januari en februari van het vorige jaar zeer droog is geweest.

15e De ondersteuning verdient ook hier dien naam niet. Men is verplicht voor de ondersteuning aan de wegen te arbeiden. Het loon  is 4½ milreis per dag, waarvoor gewerkt wordt van 8 tot 11 en van 1 tot 4 uur. Men maakt de wegen 3 à 4 meters breed. De arbeiders staan onder het opzicht van een feitor (opzichter) die zo nu en dan eens komt kijken of de kolonisten wel werken. Wanneer men niet ver van het terrein der werkzaamheden verwijderd woont, dan heeft men heeft men nog gelegenheid vóór en na afloop der werkzaamheden aan den weg op het eigen lot te arbeiden. Ik ken echter kolonisten die 1½ uur moeten loopen om op hun werk te komen, dus voor deze menschen blijft er gedurende de dagen van wegenarbeid geen tijd over om op het eigen terrein te werken. De feitor schrijft op hoeveel dagen men heeft gearbeid. Gedurende den tijd van één jaar wordt den kolonisten wegenarbeid verschaf, na dien tijd moet men zich zelf redden.

16e Tweemaal per maand den eersten en den vijftienden worden vales uitgegeven. De gunstelingen krijgen meer dan diegenen, welke zich niet inde gunst hebben weten te brengen. Aan het einde der maand worden bij-vales uitgegeven.

17e Men bearbeidt ook hier den bodem zooals men dat in Miguel Calmon doet, t.w. boomen, struikgewas en gras worden omgehakt en afgehakt (met bijl en fouchinha), een poosje gedroogd en daarna verbrand. Zijn de zaden gezaaid, dan wordt er niet meer naar omgekeken. Het onkruid staat dan even hoog als of hooger dan de gewassen. Een hoogst enkele kolonist zuivert zijn land van onkruid. De tuintjes met groenten en aardappelen zijn evenwel anders. De omgespitte grond wordt van onkruid zuiver gehouden. Dit zijn evenwel maar kleine stukjes bij het woonhuis aangelegd.

18e De gewassen welke hier groeien zijn: maïs, boonen, aardappelen, kool, groenten, rogge, tarwe, haver, gerst, tabak, manioca, tomaten, meloenen en hier en daar rijst. De ratten en vogels hebben verleden jaar veel schade aan de gewassen toegebracht. Mieren heeft men ook hier, maar niet in groote getale.

19e Een stuk land voor de eerste aanplantingen wordt niet in gereedheid gebracht. Wel wordt op de plaats waar het huis van den kolonist gebouwd zal worden in een kleinen omtrek het hout gekapt. Boomen die door hun val het huis in gevaar zouden brengen, worden omgehakt. Kolonisten, die zelven deze werkzaamheden verricht hebben, kregen daarvoor betaald (met vale’s meestal) van 20 tot 35 milreis al naar gelang van de dichtheid van het bosch waarin een open plek gemaakt wordt. Een akkermeester heeft men hier niet.

20e De prijs van het land wordt berekend tegen 2 reis per M², 25 H.a. kosten dus 500 milreis. De prijs van een huis met afmetingen 8 x 4 M is 450 milreis met afmetingen 6 x 4 M is 350 milreis. De prijs van een stadslot wordt berekend tegen 18 reis per M². De oppervlakte van zulk een lot is 2700 M², de prijs 48 milreis. Verscheidene kolonisten hebben reeds hunne voorloopige eigendomspapieren. Er zijn kolonisten die met october a.s. hunne eerste afbetalingen moeten doen (ongeveer 100 milreis) terwijl ze zelfs niet genoeg hebben om van te leven, zoodat van afbetalen natuurlijk niets kan komen.

21e Een kerk heeft men hier niet, een school is in aanbouw. Dit wordt evenwel maar een klein gebouwtje en zal totaal onvoldoende zijn voor de vele Duitsche en Hollandsche kinderen die onderwijs behoeven.

22e Mijn opinie over de ambtenaren is zeer ongunstig. De secretaris Arnoldo is een schurk, de feitores en andere ambtenaren zijn niet veel beter. De directeur is, wanneer hij de knoeierijen niet ziet, te dom en wanneer hij ze niet wil zien, te slecht om directeur te zijn.

23e De beambte die de brieven haalt en wegbrengt van en naar Iraty is een Nederlander. ’s Maandags en ’s Woensdags en ’s Vrijdags haalt hij brieven. Op het kantoor van den directeur kunnen de brieven afgehaald worden. Er wordt iederen postdag een lijst met namen van personen voor wie er brieven zijn aangekomen, buiten de deur van het directiegebouw gehangen.

24e Van organisatie der kolonisten is niet veel te bespeuren. Wel heeft men reeds pogingen aangewend tot stichting van een Nederlandsche Vereeniging, maar tot nog toe zonder resultaat. De tweedracht is groot, vooral tusschen de Hollandsche kolonisten. De Duitschers hebben eene vereeniging maar die moet niet veel waard zijn. Eenige dagen geleden hielden de kolonisten eene slecht bezochte vergadering waarop werd besloten een deputatie van vier personen naar Dr. Beltrão te zenden om dezen te verzoeken: 1) Een goeden dokter voor de kolonisten; 2) Verlenging van den termijn van arbeid aan de wegen, en 3) het steeds in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn van levensmiddelen in de winkels. Tot nog toe is de deputatie niet naar Dr. Beltrão geweest.

25e De apotheker is een nette man, die ook over eenige chirurgische kennis beschikt. De apotheek ziet er netjes uit. Naar ik van kolonisten gehoord heb, ging Dr. Leal weg, ten eerste omdat het klimaat niet gezond was in die streek en ten tweede omdat de apotheek niet voldoende medicijnen bevatte.

26e De tolk is een Duitscher. Hij spreekt uitstekend Portugeesch, maar geen woord Hollandsch. Hij heeft een gemakkelijker taak dan zijn collega in Miguel Calmon.

27. Men heeft hier eene bakkerij, eene slagerij, twee winkels, eene danszaal en drie kroegen. De danszaal wordt ’s Zondags druk bezocht. Er vallen wen eens ongeregeldheden voor. Politie heeft men hier wel, maar de ordebewaarders zijn niet in uniform gestoken en lawaaien nog harder dan de kolonisten.

Bron: Nationaal Archief (Den Haag), archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, A-dossiers, 2.05.03, no. 291.


[1] Een vale is een papier waarop een bedrag vermeld staat waarvoor men in den winkel kan inkoopen. Het woord ‘vale’ is afgeleid van het woord valor = waarde.

[2] Er moeten evenwel meer dooden zijn, want in sommige graven liggen meer personen naar ik gehoord heb.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *