Wij boeren best in Brazilië

Naast kranten hebben ook publiekstijdschriften aandacht besteed aan de wederwaardigheden van Holambra. Op 25 juni 1960 besteedde het damesblad Margriet onder bovenstaande titel uitgebreid aandacht aan de Nederlandse groepsvestiging. Bijzonder is vooral het feit dat het blad kleurenfoto’s publiceerde.

In Holambra heeft het vaderland een filiaal

In de onmetelijke uitgestrektheid van het Braziliaanse rijk ligt een klein stukje Nederland, geschapen door een groepje landgenoten, die daar, dank zij hun onverzettelijke wilskracht, een nieuw bestaan hebben opgebouwd. Zelfs het landschap wisten zij een vaderlands tintje te geven! Margriets verslaggevers genoten er enkele dagen gastvrijheid.

WIE vanuit São Paulo een goede honderd kilometer de binnenlanden van Brazilië intrekt, vindt daar tot zijn grote verbazing een nederzetting, die zó Nederlands is, dat hij er ’n ogenblik de overdonderende schoonheid van het Braziliaanse land door vergeet.

Nu moet eerlijk gezegd worden dat zelfs het landschap ertoe bijdraagt die indruk te bevestigen, want de golvende heuvels, de rijk-groene weiden en de uitgestrekte korenvelden geven de bezoeker de indruk, dat hij zich in Zuid-Limburg-in-de-zomer bevindt. Maar wellicht zijn het toch vooral de witte huisjes met de rode daken; de opgeruimde indruk van een Gelders stadje op zondagmiddag of de propere aanblik van zand-geschuurde melkbussen, die hem dit fata-morgana van zijn vaderland voor ogen doet komen. En als hij dan ook nog een blik werpt op de naambordjes, die de huizen sieren, dan is zijn droom compleet. Want staat daar niet duidelijk Beckers of Litjens, Groot, Kors, of — kan het Nederlandser — van der Heyden?

Maar zijn verbazing zal niet lang op de proef worden gesteld, want de bewoners van de Fazenda Ribeirão zijn gastvrij en vooral een bezoeker uit het land, waar nog een groot gedeelte van hun hart woont is welkom. Tien tegen één dat hij zal worden begroet in een onvervalst Nederlands, wellicht nog versmakelijkt door de neerslag van een dialect. Dan zal hij op zijn vragen dat wonderbaarlijke verhaal te horen krijgen; het verhaal dat van Holambra (de naam die de Nederlanders aan hun Fazenda hebben gegeven) zo iets bijzonders maakt.

Gevecht met de natuur

Het zijn immigranten ja, net zoals er zovelen naar Canada. Nieuw Zeeland of de Verenigde Staten zijn getrokken. Maar de mannen die hier in 1948 als pioniers de lang verlaten koffieplantage in bezit namen kunnen ternauwernood onder deze naam gevangen worden. Zij troffen een gebied aan. waar de dictatoriale natuur van het Zuid-Amerikaanse continent de macht hernomen had. Dat was de grond, die het dagelijks voedsel zou moeten opleveren voor de gezinnen, die in Nederland wachtten op het sein van overkomst; daar was het gebied, dat zij hadden gekozen voor een nieuwe toekomst van hun kinderen; dat was de aarde, die zij met eigen handen en met machines op de natuur hadden te bevechten. Maar deze moeilijkheden konden hun strijdvaardigheid niet terneerslaan. Tenslotte hadden zij dit geweten voor ze afscheid namen van alle dierbaren thuis. Nee, het waren ‘ de ogenblikken dat ze hun eerste teleurstellingen moesten slikken, toen bleek dat de grond niet zo goed was als ze hadden verwacht, omdat hij „vermoeid” was, zoals de vakterm luidt. Natuurlijk kon dat wel hersteld worden, maar dat vereist veel zorg en energie, veel moeite, die zonder aarzeling werd opgebracht.

Zelfs die enorme omschakeling van Europese cultures naar tropische heeft mogen lukken, hoewel dat waarschijnlijk de meeste hoofdbrekens heeft gekost. En reeds een jaar later konden de eerste gezinnen overkomen! Langzaamaan groeide toen die Nederlandse sfeer daar in het hartje van Brazilië. Met de paplepels hadden ze ook dat onverwoestbare gevoel voor orde uit het vaderland meegenomen en daar op het Braziliaanse leven geprojecteerd. Op de weiden verscheen het eerste vee, roodbont of zwartbont en regelrecht afkomstig uit de sappige Friese of Noord-Hollandse weiden. De verfkwast werd zodanig gehanteerd en de hamer gezwaaid dat het een aard had. En als bij de verwanten thuis de herfstwind om de hof waaide, begon bij hen op de akkers de oogst te groeien: wel niet de gewassen, die ze hadden leren verbouwen op- de vertrouwde grond van het waterland, maar rijst en cassave of katoen, of soja. Meer en meer gaf de subtropische natuur blijk van capitulatie, hoewel zij klaar stond om toe te springen als de wolken statig voorbij zeilden, zonder hun kostbare last op de Fazenda achter te laten.

Steeds talrijker werd ook het aantal immigranten, dat zich aansloot bij de intieme gemeenschap van de kolonie, die al spoedig de naam van HOLAMBRA had gekregen. U begrijpt al waar die naam vandaan komt: Holland (en heus, hiermee wordt Nederland bedoeld), Amerika, dat financiële steun verleende bij de aankoop van het land en natuurlijk Brazilië, het enorme rijk, waarvan men nu een welkom deel was geworden. Zo hadden zich in 1951 reeds meer dan honderd families bij de pioniers aangesloten en inmiddels is dit aantal al gegroeid tot over de zeshonderd!

Sinterklaas in Brazilië

Toen de aanvankelijke teleurstellingen, mislukkingen en tegenslagen achter de rug waren, wendde de voorspoed zich tot overwinnaar. Juist omdat ze geboren waren in dat zelfde land, voelden zij zich één, omdat ze allen de mist hadden gekend, die ’s morgens vroeg over de velden lag en de populieren aan de horizon had versluierd. Dat had velen de kracht gegeven vol te houden en de goede tradities, die zij als kostbare erfenis hadden meegenomen in ere te houden.

Zo verschijnt daar midden in Brazilië ieder jaar Sinterklaas, die in een luchtig gehouden tabberd zijn gaven rondstrooit onder de Nederlandse en Braziliaanse kinderen. Zo steekt men zich op feestdagen nog graag in een wat gewijzigd “nationaal kostuum” om de Driekusman te dansen. En zo gaan de vrouwen — ondanks de afstanden — een kopje koffie drinken bij elkaar, als het werk in huis gedaan is en het manvolk ergens op de uitgestrekte landerij het werk der Braziliaanse knechts keurt. Want natuurlijk hebben de Brazilianen ook deel aan de voorspoed. Honderden werken als landarbeider op de velden en genieten van de sociale ideeën, die hun werkgevers uit het vaderland hebben meegenomen. Maar ook als administratieve of onderwijskrachten zijn ze werkzaam en leveren ze een belangrijk aandeel in de totale welvaart van Holambra.

In ruil daarvoor staat onder andere de goed uitgeruste medische afdeling van de fazenda te hunner beschikking. Vijf gediplomeerde verpleegsters en een Braziliaanse dokter hebben er een soort polikliniek gevormd, waar iedereen welkom is. En één van de verpleegsters bezoekt twee maal per dag de bedlegerige patiënten. Wie het rapport leest, dat Charles Hogenboom, de president van de nederzetting heeft geschreven, kan dan ook tussen de regels een soort triomf lezen als er staat: „De gezondheidstoestand van de Nederlanders en de Brazilianen mag dan ook uitstekend genoemd worden.” Hij vertelt er bij dat de Brazilianen, die buiten de fazenda wonen, ook graag van deze voor Brazilië zo buitengewoon goede service gebruik maken, hoewel zij vaak te arm zijn om ervoor te kunnen betalen. Zo gaat het ook vaak met de school. Een der eerste dingen, die georganiseerd moest worden was natuurlijk een onderwijsinstelling voor de kinderen. Op voorschrift van de regering moest het onderwijs in het Portugees — de voertaal van het land — gegeven worden, zodat Braziliaanse onderwijzers nodig waren. Nu staan er twee scholen in Holambra. Eén voor de Nederlandse en één voor de Braziliaanse kinderen. Nee, dit is geen kwestie van sociale scheiding, maar heeft gewoon tot reden, dat de immigrantenkinderen meer moeite hebben met het Portugees dan met de andere vakken, terwijl dat natuurlijk bij de imheemse scholiertjes juist andersom is. De lagere school duurt er maar vier jaar en daarna wordt een aanvullende cursus gegeven voor de jongens, waar zij Portugees, Nederlands, wiskunde, scheikunde en landbouwkunde gedoceerd krijgen.

School uit dank

Dat de regering van het gastvrije land tevreden is over de werklust en de energie van de nieuwkomers blijkt wel uit het feit, dat ze begonnen zijn met het bouwen van een heel nieuw schoolgebouw, zodat binnen korte tijd op de gehele fazenda geen enkele analfabeet meer te vinden zal zijn.

Zo vindt de bezoeker thans Holambra. Een welvarend stukje Nederland in de immense uitgestrektheid van het Zuid-Amerikaanse continent: een emigratiegebied, waar de nieuw aangekomene ’n kant-en klaar gebouwd huis voor zich gereed ziet staan en waar de grond ligt te wachten op het zaaigoed. Hij hoeft slechts het werk voort te zetten, dat anderen voor hem mogelijk maakten; het werk dat ook hem voorspoed zal brengen, mits hij dezelfde ijver en hetzelfde doorzettingsvermogen kan opbrengen als de pioniers.
Natuurlijk zal ook hij offers moeten brengen. De grond is er hard en het vereist een intense bewerking om hem vruchtbaar te maken. Hij zal moeten beseffen dat zijn leven grotendeels gericht zal zijn op het werk en dat ontspanning pas later komt, voor zover men in Holambra van ontspanning kan spreken. Voor de ouderen is er slechts het contact met elkaar, op zondagen als men ze — gezeten in hun karretje — naar elkander op de visite ziet gaan. Voor de kinderen is er de padvinderij, die in deze omgeving wellicht beter tot zijn recht komt dan waar ook ter wereld, want als de jongens erop uit trekken, doen zij dat op heuse paarden en kom daar eens om in Nederland.

Zij waren ook de allereersten, die Prins Bernhard zag, toen hij voor de eerste maal Holambra bezocht. Fier gezeten op hun paard vormden zij een erehaag bij zijn aankomst. Die dagen mogen gerust het hoogtepunt genoemd worden uit het bestaan van de kolonie. Tweemaal heeft onze prins de fazenda bezocht. De eerste maal was hij een beetje koortsig en kon hij onmogelijk het programma afwerken dat hij zich ten doel had gesteld. Maar bij zijn volgende bezoek aan Brazilië bewees hij weer dat Nederland zijn landgenoten in de vreemde niet vergeet. Zelfs Prins Jan en Prinses Charlotte van Luxemburg brachten een dag in Holambra door als geëerde gasten van de hele gemeenschap. En zonder twijfel hebben zij in hun land met verbazing verteld over de mensen, die een soort filiaal van het vaderland wisten te vestigen onder de tropenzon.

Neen, over bezoek hebben ze daar in Holambra niet te klagen. Het zou ondoenlijk zijn al die voorname gasten op te noemen, die door een trotse heer Hogenboom werden rondgeleid. En de Nederlander, die het land aandoet, zal nooit vergeten de fazenda te bezoeken en te genieten van de gastvrijheid, zoals de immigranten genieten van zijn verhalen over Nederland en van het weerzien met een landgenoot.

Plannen genoeg

Gelooft U niet, dat men nu klaar is in Holambra. Plannen zijn er natuurlijk genoeg, denkt U alleen maar eens aan de vijfhonderd kinderen van de fazenda. Eens zullen die ook weer een eigen bedrijf moeten stichten; hun eigen strijd moeten leveren om het bestaan. Daarom denkt Charles Hogenboom nu al aan een tweede Holambra, waar nieuwe gezinnen een plaats zullen kunnen vinden en zijn plannen worden nu reeds met grote voortvarendheid uitgewerkt. De regering van Brazilië juicht dit initiatief niet alleen toe, maar werkt ook daadwerkelijk mee met geldleningen en voorlichting. „Wij zijn trots op deze werkers,” zegt ze, „omdat ze zich gelukkig voelen in ons land. En in een land, dat zo groot is en waar de mogelijkheden nog zo enorm zijn is ruim plaats voor ieder, die zijn handen en zijn verstand kan gebruiken.”

En dan is er dat grote plan, dat ook zeker eens verwezenlijkt zal worden, maar waar nog menig nachtje piekeren aan vooraf zal gaan. De grenzen van de fazenda worden op drie punten gevormd door kleine riviertjes, die zelfs in de droge tijd (van april tot oktober) niet droog komen te staan. Het plan is nu met behulp van dit water een irrigatiesysteem te maken, dat de harde grond vruchtbaar zal maken en nieuwe cultures zal doen ontstaan. Dat dit idee werkelijkheid wordt is men daar in Holambra wel aan zijn roep verplicht, want zelfs in Zuid-Amerika geldt de Nederlander als de waterbedwinger bij uitstek. Dit is Holambra. Een stukje Nederland aan de andere zijde van de wereld, waar de klompen kletteren op de rotsige bodem.

Waar de nationale driekleur waait op een sub-tropische wind naast de Braziliaanse vlag.
Dit is Holambra, waar honderden harten kloppen op het ritme van de wilskracht.
Dit is Holambra, dat U van harte groet vanuit Brazilië!

Het gaat goed in Brazilië

Een bezoek aan de boerenkolonie Ribeirao. Na een harrewarrig begin een veelbelovend vervolg. Braziliaanse lof voor Nederlandse boeren! Voor jonge boeren mooie kansen. Zo begint een artikel in de Katholieke Illustratie van 29 mei 1954. De eerste crisisjaren zijn dan voorbij en het artikel blikt terug op de voorbije jaren en getuigt van het optimisme die heerst in de nog jonge Nederlandse gemeenschap in Brazilië.

De familie Walravens met de tractor

meer “Het gaat goed in Brazilië”

De eerste uit Zuid-Limburg

Onlangs kreeg ik een reactie van iemand die in de krantendatabase Delpher was gestuit op het de term “Nieuw Bieze”, dat zou moeten slaan op een Nederlandse gemeenschap in Brazilië. De term kwam voor in een artikel in het Limburgs Dagblad van 23 februari 1949 waarin Albert Josef Souren uit Schaesberg vertelt over zijn aanstaande emigratie. Ook al lag de grote boerderij van zijn ouders nog vrij in het landschap, hij wilde vrij zijn en zocht daarom met zijn kersverse echtgenote een nieuwe toekomst in Brazilië.

Boerderij De Rouenhof. Foto: Heemkundevereniging Landgraaf

meer “De eerste uit Zuid-Limburg”

Bestaande kolonies behoeven aanvulling

Goede mogelijkheden voor doorzetters

In 1957 bezocht Prof. Jan de Quay, commissaris van de Koningin in Noord-Brabant en voorzitter van de Raad voor de Emigratie, het adviesorgaan van de Nederlandse regering, Brazilië om na te gaan hoe het ging met de Nederlandse landbouwkolonies in de deelstaten São Paulo en Paraná. Tijdens een bijeenkomst van de Katholieke Emigratie Stichting in Brabant deed hij hiervan verslag. Hier volgt het relaas van het dagblad De Tijd.

De Quay als minister-president in 1962 Foto CC Anefo

“Voor goed geselecteerde mensen biedt Brazilië in kolonies zoals Holambra goede mogelijkheden.” Tot deze conclusie voerde de Inleiding, die de Brabantse Commissaris der koningin, prof. dr. J. E. de Quay, donderdag heeft gehouden voor de Katholieke Emigratie Stichting voor de bisdommen Breda en Den Bosch.

Prof. De Quay, die vorig jaar een reis van drie weken door Brazilië heeft gemaakt, schetste Brazilië als een land, dat in al zijn aspecten verschilt van Nederland: het is katholiek, maar de godsdienstige beleving is heel anders; allerlei gewoonten en gebruiken wijken totaal af van de onze en de zon staat er in het noorden.
Hoe gaat het nu de Nederlanders, die naar dit land geëmigreerd zijn? Het was prof. De Quay gebleken, dat zij bij de Brazilianen een bijzonder goede naam hebben gekregen, ook bij de burgerlijke en kerkelijke autoriteiten. Waarschijnlijk is men zo op hen gesteld, omdat ze iets complementairs hebben. De waardering betreft vooral Holambra, de nederzetting, die na de oorlog een streek van uitgemergelde grond tot een welvarend landbouwgebied heeft gemaakt.
Brazilië is het enige land, dat collectieve immigratie in kolonies toestaat. Het is dank zij dit systeem, dat een aantal Nederlanders er een bestaan heeft gevonden. De individuele immigratie daarentegen stelt bijzonder hoge eisen en houdt grote gevaren in.
Prof. De Quay gaf hierna zijn indruk weer van de drie Nederlandse kolonies, die hij heeft bezocht. Carambeí, de oudste, die in 1911 is gesticht, is nog altijd een gesloten, Nederlandse gereformeerde eenheid van rijkere boeren. De kinderen huwen onder elkaar. De kolonie heeft één grote zorg: komen er mensen bij uit Nederland? Van na de oorlog dateert de nederzetting Castrolanda, ook een stukje Nederland, waar integratie nog nauwelijks waarneembaar is: zelfs In het economische vlak is deze nog betrekkelijk beperkt. Eveneens naoorlogs is Holambra, de katholieke nederzetting. Helaas zijn thans de naweeën nog aanwezig van de mislukkingen, die deze kolonie heeft gehad in de beginjaren, toen twee groepen zich hebben afgescheiden. De afgescheiden groepen: Tronco en Nao Me Toque, staan beide zwak, maar teruggaan naar Holambra is blijkbaar niet mogelijk. Wellicht kan de volgende generatie de kloof overbruggen. De sanering in Holambra zelf, waaraan ir. Hogeboom “met terecht harde hand” leiding heeft gegeven, heeft tot goede resultaten geleid. Hoewel de mensen ‑ als alle emigranten ‑ enig heimwee blijven houden, zijn ze wel tevreden. Zij hebben succes behaald met de subtropische produkten. Ook Holambra is echter een volkomen Nederlandse gemeenschap, die zich wellicht pas over 40 jaar met de Braziliaanse zal vermengen. Deze vermenging is voor de katholieken gemakkelijker dan voor de gereformeerden, maar ze zal voor allen maar langzaam verlopen. Ook voor de bewoners van Holambra is aanvoer van nieuwe mensen daarom van groot belang.
Een moeilijkheid voor de emigratie naar Brazilë blijft, dat men er als boer niet kan beginnen zonder een kapitaal, dat gewoonlijk op ƒ 20.000 wordt gesteld. Werken met Nederlandse leningen is niet mogelijk en in Brazilië is er grote kapitaalschaarste. Toch zal Brazilië, dat zo graag Nederlandse nederzettingen ziet, dat kapitaal moeten verschaffen. De emigranten, die naar Brazilië gaan, zullen een groot doorzettingsvermogen moeten hebben, niet te sentimenteel moeten zijn en geen ruzie moeten maken over kleinigheden. Het maakt weinig verschil of ze van het zand of van de klei komen, aangezien ze toch op heel andere cultures moeten overschakelen.

Stukjes Brazilië in Nederland

Bijna tien jaar geleden gaf ik een lezing over de Nederlandse landbouwgemeenschappen in Brazilië onder de titel “Stukjes Nederland in Brazilië”. De tekst van deze lezing is sinds de start van deze website het meest geraadpleegde bericht. En niet zonder reden; het is een beknopte schets van de ontwikkeling van de Nederlandse emigratie naar Brazilië in de twintigste eeuw.

meer “Stukjes Brazilië in Nederland”

Herinnering aan Kees Wijnen (1936-2018)

Toen ik in 1990 mijn eerste boek over Holambra publiceerde kwam ik al snel in contact met Kees Wijnen. Zijn rapporten over Holambra I en II kende ik en daar heb ik ook dankbaar gebruik van gemaakt bij het schrijven van mijn boek. Nadien kwam ik hem vooral tegen tijdens bijeenkomsten die iets met emigratie te maken hadden en mijn contacten met hem werden intensiever zo’n tien jaar geleden toen ik door Jos van Campen werd gevraagd een rol te spelen bij de Katholieke Emigratie Centrale en de Katholieke Vereniging van Ouders en Familieleden van Geëmigreerden. Met zijn overlijden op 30 april 2018 kwam helaas definitief een einde aan dit contact.

Cornelis Johannes Maria Wijnen werd op 11 december 1936 geboren op de Mariahoeve in de Sint Maartenspolder (gemeente Hoeven). Hij was de jongste in een gezin van vier kinderen. Kees ging in Oudenbosch naar de lagere school en daarna in Roosendaal naar de middelbare school. Na het voltooien van de HBS en zijn militaire dienstplicht ging hij studeren aan de Landbouwhogeschool Wageningen. Tijdens zijn studie ging hij op stage in Brazilië en leerde hij de Nederlandse groepsvestigingen kennen. meer “Herinnering aan Kees Wijnen (1936-2018)”

Op weg naar Monte Alegre (7 – slot)

In het laatste deel van zijn reisverslag beschrijft Rinke Slump sr. de aankomst in de kolonie en zijn eerste indruk van de nieuwe woning. Het artikel verscheen op 4 april 1950 in het Gereformeerd Gezinsblad. Amper vijf weken later eindigde het pioniersleven van Rinke Slump op noodlottige wijze. Hij liep ernstige brandwonden op toen hij bezig was de tractor bij te vullen met benzine. Op vrijdag 12 mei overleed hij. Daarmee verloor de nog jonge en kleine kolonie zijn leider. meer “Op weg naar Monte Alegre (7 – slot)”

Op weg naar Monte Alegre (4)

In zijn vierde bijdrage aan het Gereformeerd Gezinsblad – nu gepubliceerd onder de titel “Gereformeerde pioniers in Brazilië” – vertelt Rinke Slump sr. over de gang van zaken bij de aankomst in Rio en de gang van zaken met de bagage. En hij wordt geconfronteerd met een zakkenroller. meer “Op weg naar Monte Alegre (4)”

Compleet dorp in aanbouw

Onder de titel “Nederlandse boeren bouwen huis en hofstede in Brazilië” publiceerde De Volkskrant op 4 augustus 1949 een artikel over de opbouw van de Nederlandse gemeenschap op de Fazenda Ribeirão, nu beter bekend onder de naam Holambra. Aanleiding is het bezoek van de Nederlandse vertegenwoordiger van Holambra, Gerard Duijsens, aan Brazilië. De sfeer is nog zeer optimistisch, maar legt ook de zwakte van het project bloot: de opbouw van de kolonie werd voor een groot deel gefinancierd uit de financiële inbreng van de emigranten. Ook laat het zien dat Holambra voor de Brazilianen een voorbeeldfunctie vervulde. Dit is ondanks de crisis die een jaar later begon niet veranderd.

meer “Compleet dorp in aanbouw”

Op weg naar Monte Alegre (3)

Na Recife legde de “Aphard” aan in Barra een voorstad van Salvador de Bahia. Daar gingen enkele pioniers aan wal en kochten ze op de markt een grote tros bananen. Ook kregen de kolonisten van Monte Alegre te horen dat hun reisplannen waren gewijzigd. In Rio zou de zeereis eindigen en niet in Santos, zoals de bedoeling was. Ook hier keken de pioniers hun ogen uit.

Salvador de Bahia

meer “Op weg naar Monte Alegre (3)”