Bedelen of vergaan

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (11)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het tweede deel van deze brief beschrijft hij de reis vanuit Rosario in Argentinië naar zijn nieuwe woonplaats Itapira.

Hervormde_kerk_en_toren_in_Westerlee_-_4
St. Joriskerk te Westerlee

’t Was dan ook eene landstreek die wij doortrokken, zoo aangenaam, en voor ons, die de moeitevolle berglanden hadden bereisd met de minst mogelijke hulpmiddelen, zoo verrukkelijk, dat wij ons waanden in ’t geliefde vaderland te zijn. Ja, wij hadden de bergen en bosschen achter den rug en zagen een groote schoone, voor het oog onmetelijke vlakte voor en om ons, hier en daar begroeid met eenig kreupelhout, dat ons zoo opwekkend deed denken aan ons geliefd dorpje. Zullen wij ooit uw klein torenspitsje dat zich nauw verheft boven de toppen der boomen, die u omringen, wederzien? Zullen we ooit uw kerkje weder betreden, om Gods woord te hooren verkondigen? Zullen wij ooit weder als voorheen, toen wij nog bij u waren, gezellig met u vereenigd zijn? Wij willen het hopen; maar mocht onze wensch niet worden vervuld, toch in welke omstandigheden wij ook mogen komen, nimmer o heilige geboorteplaats zullen wij u vergeten.

Zoo trokken wij dan steeds verder deze landstreek door. De bodem is hier zeer vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken. Naar men ons verklaarde zoude men voor duizend peso’s (twee duizend en vijfhonderd gulden) vijf-en-twintig hectare van dat heerlijke land kunnen koopen. Gij begrijpt, dat zoo iets voor ons onmogelijk was en wij er natuurlijk niet aan konden denken, zoo’n voordeelige koop te doen, omdat wij ontbloot waren van alles, wat waarde had, geldig voor de maatschappij, behalve alleen onzen goeden wil en daar het voortdurend bleek, dat die goede wil luttele waarde had, bleven wij arm en verlaten en leden gebrek aan alles.

Van ons bovenbeschreven voorgevoel gesproken, ben ik verplicht u hier te doen weten, dat er iets gebeurde, wat op ons, die zoo weinig meer aan menschelijke deelneming gewoon waren, een diepen en nooit te vergeten indruk maakte. Het smart ons, dat we niet in staat zijn de namen dier edele menschen te kunnen vermelden, die ons zoo hulpvaardig tegemoet kwamen. ’t Was bij aankomst aan een voor ons onbekend gebleven station, dan, waar wij zoodanig uitgeput waren en niets bezaten om iets te koopen, dat de chef en zijn schrijvers, Duitschers, zich over ons ontfermden. Die braven – zij gaven ons van alles te eten en te drinken, schonken aan de kinderen vele kleedingstukken en aan mijne vrouw schoenen. Deze laatstgenoemde gift kwam zeer te stade, daar wij allen barrevoets liepen, wat voor de vrouw onmogelijk bleek te zijn. Het scheen ons toe, dat deze goede menschen de heerlijke spreuk omhelsden: “Doe goed en zie niet om,” want waarlijk zij waren het goeddoen aan ons blijkbaar nog niet moede, waarvan het feit getuigde, dat zij ons kosteloos lieten mederijden in een goederenwagen van des morgens elf tot den daaropvolgenden nacht twaalf uur. Wij arriveerden toen bij oen station en moesten daar des nachts overblijven. Wederom werd ons gegund daar in een goederenloods te mogen slapen om den volgenden morgen de nog acht kilometer afstand tot Rosario te voet beginnen af te leggen. Zeker tengevolge wij den vorigen dag gereden hadden en dus uitgerust, kwamen wij des avonds niet erg vermoeid aan te Rosario.

Dit was het punt, waar wij gaarne wilden wezen, om persoonlijk den consul te spreken. Nooit genoeg kunnen wij de bovengenoemde Duitsche spoorweg-ambtenaren prijzen, die ons zoo veel goed hadden gedaan. Wij vergaten dan ook nimmer hen in het geheel gedachtig te zijn, dat we nooit verzuimden tot den Allerhoogste op te zenden.
Te Rosario dan zijnde begaf ik mij den volgenden morgen onmiddellijk naar den consul om raad te vragen en hulp in te roepen. Ik mocht hem ontmoeten. Het hart klopte mij hoorbaar in den boezem, toen ik voor hem stond, en mijn onderdanig verzoek tot hem richtte, om ons te redden òf aan arbeid òf ons terug te willen zenden naar Europa. Hij bleek een gepantserde gelijk te zijn. Alles stuitte op dien man af, zoowel een redelijk woord als wanhopig smeeken. Met de meeste koelheid antwoordde hij: ik kan niets voor u doen. Slechts van één ding kon hij zich zeker niet onttrekken en wel om ons onderdak te geven in het emigrantenhuis, waar wij echter geen het minste voedsel kregen, noch iets, dat ons zoo zwaar beproefden konde opwekken. Nog dankten wij den hemel voor ons onderdak, want wij hadden al zoo dikwijls buiten moeten slapen.

Lieve vrienden! Ik moet u zeggen, dat hoeveel wij ook al reeds hadden ontbeerd wij, wij allen hier op proef werden gesteld en hier moesten ondervinden, wat onze karakters in ’t geheel niet toelieten: wij moesten… bedelen. Aan wanhoop ten prooi ging ik – wij gingen allen bedelen, want het scherpe zwaard – de honger – dreigde ons te vernietigen. Ja, wij gingen allen, zelfs mijne vrouw met het kleinste kind op den arm. Dit was te veel. Doch arbeid was er niet: de staat had zijn kinderen verlaten. Had men mij slechts den zwaarsten arbeid aangeboden waar ik, zoo gij weet in ’t vaderland ook niet tegen op zag, hoe gaarne zoude ‘k hebben aangepakt, ware het dan ook slechts alleen ten voordeele van mijne vrouw en het kleinste kind. Niets echter baatte, noch mijn goeden wil, noch vragen, zelfs smeeken om werk; het wachtwoord heette: bedelen of vergaan. Dit trof ons op ontzettende wijze, doch wij moesten berusten in het noodlot, door te bedelen konden wij toch eten. Wij zochten troost in het geloof. Wij mochten nog heimelijk –heimelijk vermoeden: wij zullen nog wel gered worden, omdat eenvoudig onze goede wil steeds zoo vast streefde naar beter. ’t Was tevens ook, dat wij gesterkt werden door het woord van Job:
“De Heer heeft gegeven:
“De Heer heeft genomen,
“De naam des Heeren zjj geloofd.”

Wij bedelden. Ik huurde eene kleine woning in de stad voor 7 peso’s per maand. Deze betrokken wij hoofdzakelijk ’s nachts, daar wij over dag natuurlijk op straat moesten gaan. In dezen toestand verkeerden wij ruim eene maand. Dat in dergelijke omstandigheden het spreekwoord : “buurman’s leed troost” waar is en als ’t ware eigen leed vergemakkelijkt, mag ik niet ontkennen, in weerwil echter, dat het wel wat zweemt naar ongeoorloofde zelfzucht. Bij het vernemen toch, dat er zoo’n 600 personen rondliepen als bedelaars was het ons beter te moede en konden dus het schaamtegevoel, dat ons zoo diep geschokt had, beter onderdrukken. Deze 600 bedelaars waren mannen, die hier niet gekomen waren als bedelaars van beroep, maar om een eerlijk stuk brood te verdienen, waarvan hen zoo veel goeds was voorspeld. Er waren vele Hollanders onder. Men verklaarde, dat er tal van Hollanders in deze stad waren, die in geen zes maanden werk hadden kunnen bekomen en enkel van bedelen hadden moeten bestaan. – Doch wederom kwam er eenig licht: wederom schoot er een vonk in de ziel, die nieuwe hoop opwekte. Op zekeren morgen toch werd aan alle hoeken der straten en pleinen het aangename bericht aangeslagen, dat de emigratie naar Brazilië open was. ’t Was ons te moede alsof die aankondiging zóó uit den hemel viel en alléén ten dienste van ons, gedwongen bedelaars, in leven werd geroepen. Wij namen zonder eenig beraad deel aan de inschrijving, gelijk ook de grootste massa deed. Den 27 Augustus verlieten wij Rosario met den trein naar Buenos-Ayres en van daar ging het per stoomboot tot Santos, eene zeehaven in Brazilië. Gij zult u wellicht herinneren,dat Santos nog al vrij algemeen bekend is als een belangrijke haven, waar veel beste soort koffie gescheept wordt, bestemd voor Europa. De arbeid, die ons zoude worden opgedragen, bestond dan ook in de koffieplantage.

Santos 1890
Santos 1890

Intusschen moet ik u nog even doen opmerken, dat wij vóór onze afreis van Rosario onder alle die vreemdelingen een nauwe bekende aantroffen en wel CHRISTOFFEL SPRENGER van Heiligerlee. Dit was voor ons een aangename verrassing en we drukten elkander onstuimig de hand. Tal van vragen en verhalen omtrent toekomst en wedervaren kruisten elkander, wij werden het vragen niet moede, toen SPRENGER ons verhaalde al reeds in Brazilië geweest te zijn, en het ons eenvoudig afraadde daar naar toe te gaan. Helaas, wij hadden reeds een contract geteekend en moesten, ’t mocht loopen zoo bet wilde, vertrekken. Welnu, wij waren immers toch in de eerste plaats geen bedelaars meer. Wij kwamen immers in dienst van den staat en zouden wij zoo iets niet gretig aanvaarden? Het afscheid nemen van onzen vriend SPRENGER viel ons hard. De uitdrukking die wij ons in ’t vaderland wel eens veroorloofden :
“Vrienden in den nood
“Honderd op een lood.”

Was bij deze ontmoeting niet op de rechte plaats: wij waren als ’t ware één ziel en één zin. O, wat een handdruk is van een vriend in verre landen en in den nood, geliefden, dat is met geen pen te beschrijven – in geen woorden uit te drukken. Ze wekt den moedeloozen zwoeger op gelijk een heldere zonnestraal opwekkend is na den regen en verkwikt ons als een milde regen na gloeiende zonnehitte. Ze verkoelt ons het brandende voorhoofd na vele inspanning en moedig schraagt haar sterke arm ons op het glibberigste pad. Ze deelt met ons in leed en gevaren en zoo ons welvaart bejegent, juicht ze oprecht met ons mede. O reine, trouwe vriendenblik, driewerf gezegend! Steun in den nood – redder, waar de wanhoop ons dreigde te vermeesteren, kom aan ons naar deelneming smachtend harte. Bode uit hoogere sfeeren – zalige vriendschapsband omsluit ons steeds vaster: word’ met ons harte één.
“Wat ons dan ook moog’ ervaren
“’t Zij ons moeite, wacht of strijd,
“Bij het klimmen der gevaren,
“Aan Uw trouwe borst gevlijd:
“Zal ons harte niet verkwijnen,
“Staat de Poolstar in ’t verschiet,
“Moge om ons ’t al verdwijnen,
“Trouwe vriendschap, gij slechts niet !”

Ter eere dient gezegd, dat het Leger des Heils hier ook zeer veel goeds deed. Het belaste zich niet alleen met onvermoeid troostende en bemoedigende woorden te richten tot de naar beterschap hakende massa zwervelingen, maar vergat daarbij niet op te treden ook aan hongerige magen voldoening te geven. Met de meeste toewijding na zang en gebed deelde het geheel kosteloos brood, soep en vleesch uit aan allen, die het slechts verlangden. Ik geef u de verzekering dat deze wijze van handelen door zeer velen gretig en onder dankbaarheid werd aanvaard. Ook wij genoten mee. Ik kan echter niet ontkennen, dat het mij tegen de borst stuitte, dat wij, na reeds zoolang bedelaar geweest te zijn, ’t welk ons zoo diep gegriefd had, weder op nieuw bij aankomst in een andere, zoo het heette betere plaats, zouden profiteren en van gegeven brokken. En toch, met het oog op de bleeke, afgematte en moedelooze vrouw en kinderen, nam ik alles in dank aan wat de leden van het Leger des Heils ons zoo minzaam toereikten.

Zoo bevonden wij ons dan in Santos en moesten daar weder voorloopig in een emigrantenhuis worden geherbergd. Dit ging wederom onder groote moeilijkheden gepaard, daar het huis, hoe groot het ook is, veel te klein bleek te zijn voor de groote massa emigranten. Wonderlijk niet waar? ’t Was alsof een kwade demon ons vervolgde en ons steeds bij den minsten schijn van hoop de pas afsneed. In plaats wij ons dan dachten uit te rusten werden de deuren voor ons gesloten, omdat het huis reeds overvol was, zoodat wij ons des nachts onder den blooten hemel moesten behelpen. Nadat wij daar vier dagen geweest waren, braken we op in de richting van St. Paul [São Paulo], steeds zoekende en trachtende om langs den weg van arbeid redding te verschaffen.
Ten slotte moet ik u nog melden, dat, hoe sterk ook altijd vroeger mijn levendige hoop mij bijbleef, zelfs onder de slechtste vooruitzichten, ik begon te wanhopen aan welslagen. Ik vrees voor ’t ergste. Niet vrees ik voor den dood of wat ook dat tot verontrusting kan leiden aan kleinzieligen, maar de vrees bevangt mij in hooge mate dat er een tijd kan komen, dat het mij niet meer gegeven is troost in te spreken aan mijn hulpbehoevend huisgezin. Intusschen zal ik doen wat de hand vindt om te doen en mocht alles, wat wij aanvangen, steeds vruchtloos blijken te zijn, welnu, wij hebben ons dan geen zelfbeschuldiging te verwijten. Tot slotte nog dit: wij blijven heimelijk hopen, dat het u gegeven moge zijn ons uit dit land te verlossen.

Uw toegenegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

‘Ook wij hebben een kruis te dragen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (10)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het eerste deel van deze brief beschrijft hij wat zij moesten doorstaan tijdens de reis vanuit Tucuman naar Rosario.

Geliefde familie, vrienden en bekenden en allen, die deze brief zullen zien en lezen, u allen wensch ik het slotvers van de openbaring van Johannes: “De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen! Amen.” Het was hedenmorgen, dat mij in ’t bijzonder trof, het 24e vers uit Mattheus 16, Toen Jezus tot zijne discipelen zeide: “Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en volge Mij.” Hoe troostend is dit woord uit Jezus’ eigen mond voor ons zoo zwaar beproefden – voor ons, die niet meer zijn dan droeve zwervers. Doch laat het heerlijke woord van Jezus ons voldoende zijn en wat ons ook ontmoete, wij staande zullen blijven door de kracht van zijn woord en een onwankelbaar geloof.

Ja, ook wij hebben een kruis te dragen, dat, wij gevoelen het, alleen mogelijk is door Jezus’ troostwoord. Buiten en behalve de slechte vooruitzichten, die hier voor ons open staan op ’t gebied van maatschappelijke zaken hebben wij door den dood het verlies te betreuren van onzen geliefden zoon Udo, die onverwacht heenging tot zijn Heer. Hoe zwaar ons dit ook treft in het voor ons zoo vreemde land, moeten wij echter zwijgen en berusten in den wil des Heeren – moeten wij zwijgen – ook omdat onze Udo de toekomst goed inzag. Tot het laatst genoot hij, hoewel twee dagen sprakeloos zijnde, een vol verstand en gaf op levendige wijze te kennen tot zijn Jezus te zullen gaan. De gedachte – die wetenschap liever, dat hij vol vertrouwen zoo kalm en rustig henen ging, doet ons in hooge mate berusten in den wil van Hem, wiens doen enkel wijsheid is en liefde, en deed ons nog dankbaar voor zijn gezegend aandenken vol vertrouwen ons dierbaar kleinood aan de groeve afstaan, wetende, dat Hij, die nimmer plaagt uit lust tot plagen, alles doet ten goede voor zijn kinderen.
“Wie heeft verworven die leere te lijden,
“Hecht niet aan de aardsche bezitting uw hart;
“Wie heeft genoten die leere te Jijden,
“Wenkt u de vreugd, zij verwijst naar de smart.”

Ziehier onze levensloop verder. Gelijk gij reeds weet hebben wij het laatst verloopen jaar te Tukuman doorgebracht, na dan hier en daar gezworven te hebben, zoodat gij in langen tijd geen bericht van ons hebt gehad, want het is iemand, overmand van zwarigheden en droefenis, op zulke zwerftochten niet maar zoo gegeven en de gelegenheid is niet altijd daar om te kunnen schrijven. Toen wij dan eindelijk niet meer in Tukuman konden zijn, gingen we vertrekken naar Santiago, eene stad in de provincie Santiago [Santiago del Estero, MS], dat is een afstand van 865 kilometers. Deze reis ondernamen wij te voet en behoef ik u dus niet te zeggen hoe moeitevol dat ging, als ge bedenkt, dat wij nagenoeg zonder geld waren. Met een zak, waarin eenig beddegoed, op den rug, ging het steeds voort. Mijne vrouw droeg het kleinste kind, terwijl de andere kinderen belast waren met het ons nog overgebleven plunje. Wellicht zult gij zeggen: hoe is het mogelijk zoo’n hopelooze reis te ondernemen. Laat ik u in de eerste plaats doen opmerken, dat wij vooraf schreven aan den consul te Rosario met beleefd verzoek ons te hulpe te willen komen om te kunnen vertrekken op zijn order, doch we kregen in ’t geheel geen antwoord. Een tweede brief, mede onderteekend door tien Hollanders werd afgezonden, waarop eindelijk na lang wachten een antwoord inkwam, luidende, dat hij (de consul) geen vrije overtocht konde geven.

De consul Leonard van Riet

Hij gaf ons echter den raad ons verzoek te richten tot den consul-generaal, den heer Van Riet, wellicht, dat deze raad konde geven. Dit geschiedde: wij schreven onmiddellijk en het antwoord, dat wij weldra ontvingen luidde, dat hij niets voor ons konde doen, daar hij wel de emigratie naar het binnenland bevorderde, maar in ’t geheel niet naar buiten, alzoo niet terug. Daar nu de ondervinding ons voor goed geleerd had niets van autoriteiten te hopen te hebben en wij steeds bedrogen uitkwamen en in weerwil onzer goeden wil steeds verarmden en verzwakten, bleef er niets anders over dan al onzen moed en krachten te verzamelen en te voet de oogenschijnlijk onmogelijke reis te aanvaarden. Reeds waren er al vijf familiën op weg, toen ook wij in gezelschap van een familie lotgenooten, herkomstig uit Zeeland, ons op zekeren dag op reis begaven. Na vijf dagen gezwoegd te hebben bij het gebruik van zeer slechte voeding, de nachten doorbrengende in open lucht, of bij buitengewoon geluk in de eene of andere loods, waren de vrouwen en kinderen in ’t bijzonder uitgeput, zoodat zij niet meer voort konden en dus de toestand nog hopeloozer werd. Gevoelden wij allen groote afmatting, de vrouwen waren letterlijk niets meer. Opgezwollen beenen als zij hadden, stonden hunne oogen hol, waaruit dikwijls tranen te voorschijn kwamen, als zij den blik sloegen op de kinderen, waaraan zij als moeders zoo gaarne hulp en troost hadden verleend. Gelukkig konden wij nog enig geld bij elkander brengen om een spoorkaart te koopen voor dertig kilometer afstand, ten dienste der vrouwen en kleinste kinderen.

Ofschoon in de laatste dagen niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk diep geschokt door de soms bijna onmenschelijke behandeling, die wij ondervonden, zagen we hier toch, dat er in dit vreemde land nog edele harten vol van liefde en menschenmin klopten bij het aangenaam verrassend feit, dat het spoorwegpersoneel de vrouwen en kinderen nog een aanzienlijke afstand kosteloos lieten meerijden. Wij, de mannen en de grootste kinderen mochten toen slapen in een goederenloods van het station Ruisch en hebben daar ook gegeten. Des anderen daags begaven wij ons weder vroeg op reis en kwamen na groote vermoeienis weder bij de vrouwen aan te Labanda, eene kleine stad in de provincie Santiago. Wij merkten spoedig op, dat daar veel drukte heerschte, door het bouwen van loodsen en andere aanverwante zaken aan het nieuwe station behoorende. Onmiddellijk zagen wij dan ook om naar arbeid, die wij daar tot aller blijdschap kregen. Hoe behoeftig het u wellicht ook moge toeschijnen, wij zagen hier de grootst mogelijke uitredding door vóór onze arbeid aanving eene woning te verkrijgen, bestaande in een goederenwagen, die de spoorwegdirectie ons in gebruik afstond. O ’t was dan ook zoo hoog tijd, dat er eenige verpoozing kwam. Uitgeput naar lichaam en ziel als wij allen waren, begon de moed zoodanig bij den dag te zinken, dat er al zeer weinig veerkracht meer over was, om elkander tot moedhouden aan te kunnen sporen. En toch onzen waarden – toch, toen wij gezamentlijk den wagen betrokken hadden, bezield met de gedachte eenige rust te zullen erlangen en morgen en vele achtereenvolgende dagen werk en brood, zongen wij uit volle borst, doch met verzwakte stem ter eere van onzen God: Gezang 7, vers 1:
“Op bergen en in dalen,
“En overal is God!
“Waar wij ook immer dwalen,
“Of zitten, daar is God ;
“Waar mijn gedachten zweven,
“Of stijgen daar is God;
“Omlaag en hoog verheven,
“Ja overal is God !”

Na versterkt te zijn, tevens door een gebed, dat wij tot den Allerhoogste opzonden en het genot van een diepen slaap genoten hebbende, gingen wij aan den arbeid. Twee maanden hebben we aan bovengenoemde gebouwen gewerkt tot genoegen van de directie: het werk was toen voltooid. Helaas, er werd ons toen als ’t ware een wachtwoord toegeroepen, dat ons deed opschrikken en maar al te veel herinnerde aan den tijd van werkeloosheid, bijgevolg armoede en wellicht wederom zwerven. Het zoogenaamde wachtwoord heette: “Tramwage Conklade” dat is: ’t Werk is gereed.

ArgentinaNu hadden wij voor ons huisgezin weer eenig geld over verdiend en wel vijftien gouden peso’s (deze hebben eene waarde naar Hollandsche munt van twee gulden en vijftig cents. Een rijksdaalder dus). Er bestonden ook peso’s in papier, die slechts eene waarde hadden van een gulden. Onder deze bedrijven waren er weder twee Hollandsche familiën aangekomen uit Tukuman, eveneens te voet en doodelijk uitgeput als ook wij bij onze aan komst. Ik kan u de verzekering geven, dat hun lot ons in hooge mate trof en wij allen onze krachten en gegevens, die we bezaten in goud zoowel als in ziel, ten beste gaven, onze lotgenooten te helpen steunen – die armen en bedroefden. Wij waren immers zóó rijk, niet waar? Het scheen na alle deze bedrijvigheden, dat ons lijden werkelijk voorbij was• en wij onzen goeden wil beloond zouden zien, bij de ontmoeting van eenen Hollander, die de landtaal goed machtig was en niet spaarzaam bleek te zijn in het geven van goeden raad en daad tevens, wijl hij ons hielp aan het station te komen en vele en velerlei raadgevingen gaf omtrent datgene te doen wat in onze positie het beste scheen te zijn. Nadat wij onzen dank aan dien goeden vriend gebracht hadden, namen wij reiskaarten naar het station Ceres in de provincie Santa Fe.Deze spoorreis, die den geheelen dag duurde, kostte ons per familie zeven en een halve peso – de helft dus van onzen verdiende en bezittende schat. Eindelijk des avonds laat te Ceres aankomende, waren we wel eenigszins opgewekt om, na eenige rust genomen te hebben, morgen verder te gaan in de richting van Rosario. Zoo begon dan weder een voetreis, waarvan wij tusschen Itapira en Labanda nog zoo’n toonbeeld van ellende in ’t geheugen hadden. In hooge mate moesten wij dus eerstens op spaarzaamheid bedacht zijn en daarbij zooveel mogelijk elkander moed in boezemen, opdat we toch de reis zouden volbrengen om weder op een plaats te zijn, waar werk en brood zoude worden gevonden. Nadat wij dan twee dagen hadden gemarcheerd, natuurlijk alle onze bezittingen op den rug, kon mijne vrouw niet meer. Met ons kleinste kind van 10 maanden dat zij op den arm droeg, viel ze flauw, waarbij wij dachten, dat het met haar gedaan was. Groote barmhartige God, zoo het met Uwe rechtvaardigheid overeenstemt, help dan ook nog voor ditmaal in den nood!

Zoo was mijn gebed, terwijl onze kinderen het zwijgend doch in tranen badend aanhoorden. God hoorde en verhoorde: Hij gaf het bewustzijn aan mijn vrouw terug. Mijne vrouw was toen zeer zwak en uitgeput en moest dus noodzakelijk rust hebben. Slechts één dag rust genoot ze, toen de noodzakelijkheid dáár weder was verder te moeten gaan. Nu nam ik een spoorwegkaart voor haar en de kleinste kinderen tot een eerstvolgend station, waarna wij, Gezina en ik wederom te voet de reis vervolgden. Over Gezina gesproken, deze wordt al vrij groot en forsch en draagt dan ook zoo veel mogelijk het kleinste kind. Zoo kwamen wij dan na een langen dagmarsch bij het station Placio, waar mijne vrouw met ons kleinste kind reeds was aangekomen.

In de nabijheid van dit station is eene kolonie gelegen, bestaande uit Russische joden. Daar deze stambeoefenaars zijn van landbouw en veeteelt, waar ik, zoo gij weet, het best in thuis behoor, zag ik den volgenden dag dadelijk rond om daarbij te kunnen worden geplaatst. En waarlijk: ik kreeg arbeid, of liever ik kreeg op mijn vraag om arbeid een toestemmend antwoord, zonder voorloopig te weten te komen of het al dan niet een kostwinning zoude geven. Mijn werk, dat mij later werd opgedragen, bestond in ploegen en wel met ossen. Welnu, dat ging mij goed af; een ploeg loopt door ossen getrokken regelmatiger dan paarden, vooral als paarden wat wild zijn. Ook kregen wij eene woning, waaraan echter nog veel getimmerd moest worden. ’t Was slechts eene ruwe massa, waarvan vier muren de eenige goede deelen waren. Nu moest ik maar zien hierop een dak te plaatsen, waar ik in geen geval tegen op zag, zoo het mocht gebleken hebben, dat het te verdienen dagloon zoodanig was, dat wij er eenigszins van konden bestaan. Dit bleek echter onmogelijk te zijn, daar het dagloon slechts bestond in drie kilogram vleesch en twee kilogram brood. Onhoudbare toestand. Gij zult wellicht zeggen: drie kilogram rundvleesch, gerekend bij u te lande per 5 ons naar den prijs van zes, zeven, acht stuivers of meer, wordt een bedrag van aanzienlijke geldswaarde en zoude men eenvoudig minstens de helft van het vleesch verkoopen om voor dat geld wat het opbracht andere huishoudelijke zaken te koopen. – Met deze veronderstelling rekent ge mis. – Het is wederom de omstandigheid van den eigenaardigen toestand des lands en bij goed doorzien laat dit zich zeer goed begrijpen, als gij weet, dat het vleesch wat hier wordt aangeboden, komt van het ongemeste rund, dat graast op de prairie en in de bergstreken en hoogstwaarschijnlijk meer ter wille der huid dan wel om het vleesch wordt gehouden, vandaar ook, dat er massa’s koeien rondloopen, die zelfs duizendtallen bedragen. Zoo kunt ge u dus wel voorstellen, dat het vleesch dezer dieren erg taai is, met één woord slecht, en bij u onder gezeten burgers eenvoudig zoude worden gestempeld met de woorden : “als zoolleder zoo taai.”

Zoo zijn wij dan ook maar drie dagen daar geweest, omdat het eenvoudig onmogelijk was te bestaan. En weder gingen wij op reis , al weder te voet, totdat we op zekeren avond bij een klein station aankwamen. Het scheen ons toe dat er nog wel redding zoude opdagen, waarvoor wij echter geen reden hadden, wijl er in genen deele eenig uitzicht op bestond. Ik geloof heimelijk, dat deze zoete hoop zijn oorsprong vond in het feit, dat wij op dien avond niet zoo erg vermoeid waren. ’t Was alsof wij, ja, hoe zal ik het uitdrukken, bezield waren door een niet te beschrijven voorgevoel, dat ons zeide : houd moed, eenmaal zal uw vaste wil zegevieren !