Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ’t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Overschat Uzelf niet!

In augustus 1950, net op het moment dat op de Fazenda Ribeirão in opdracht van de Nederlandse regering een onderzoeksteam bezig was om de economische situatie van de jonge emigrantengemeenschap in kaart te brengen – hetgeen leidde tot een vernietigend rapport over de leiderscapaciteiten van Geert Heymeijer – verscheen in Nederland een themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren. De bedoeling was duidelijk: in Brazilië werd iets groots verricht en daarbij kon men gerust nog wat jonge kerels die konden aanpakken gebruikten. Daarnaast was het blad bedoeld om negatieve sentimenten, waaraan de emigranten in hun brieven naar het thuisfront uiting gaven, te weerspreken.

Ontginning 1950Illustratief voor het van bovenaf opgelegde positivisme om onderhuidse onlustgevoelens te neutraliseren is het artikel ‘Overschat Uzelf niet!’ van de geestelijk leider van de Fazenda Ribeirão, pater Godfried Sijen OPraem. Volgens Sijen hing de kans van slagen van emigranten vooral af van de sterke en gezonde geest. Hij herhaalde daarbij de woorden die Heymeijer tijdens de voorbereiding had gebruikt: ‘als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt.’ Ook hield hij de lezers voor om vertrouwen te houden in de leiding, ook al begreep men niet alles van het gevoerde beleid. Ook hield hij de emigranten voor doof te zijn voor stokerij en roddelpraatjes, die vriendschap verstoorde en die in een vreemde omgeving een nog betere voedingsbodem zou vinden. ‘Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren?’ Gezien de grote vertrouwenscrisis, die de jonge kolonie van 1951 tot en met 1953 totaal verscheurde, hadden deze wijze woorden een grote voorspellende kracht. Ook Sijen slaagde er niet in om de geest goed te houden. Op zondag 21 december 1952 kwam hij niet opdagen voor de H. Mis. Hij werd dood aangetroffen op zijn bed.

De man, die in Nederland rondloopt met het plan om te emigreren, heeft enige gelijkenis met de bestuurder op een legerwagen in de dagen der bevrijding. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor een kostbare vracht naar een onbekend land. In die dagen dan, toen de autocolonnes van de geallieerde bevrijders door ons land raasden, werden niet zonder reden langs de wegen speciale borden geplaatst, die waarschuwden tegen het gebruik van sterke drank. Een dronken chauffeur ziet niet goed de weg, die yóór hem ligt en is daarbij de beheersing kwijt over eigen hoofd en hand. Het gevaar bestaat, dat vele van onze boeren en tuinders, op zoek naar nieuw land in een nieuwe wereld, te werk gaan als in .een roes, gelijk aan die dronken chauffeurs. In één punt komen ze er in ieder geval mee overeen: ze zien de weg niet goed,.die voor hen ligt en ze kunnen die ook niet overzien .. Niemand in Nederland, die het niet heeft ondervonden, beseft ten volle wat dit is: emigreren. En ook kan iemand, die het zelf heeft meegemaakt, dit niet precies vertellen aan een ander. Dagelijks ontvangen wij en onze mensen brieven uit het vaderland met vragen om inlichtingen en raad. De beantwoording van die vragen kan de doorslag geven voor de levenskwestie:zal ook ik emigreren met mijn gezin of niet? Maar niemand onzer, die nu werkelijkheid ondervindt, durft het aan: te vertellen wat het is. De weg die de emigrant voor zich heeft, is niet duidelijk te beschrijven. En raad geven is zeer moeilijk en gevaarlijk. Het zal, als ge in het nieuwe land zijt, telkens anders zijn dan anderen U vertellen kunnen.

Zonder een goed beeld te krijgen van zijn toekomst, moet de emigrant zich toch een oordeel vormen; waarop een verstandig besluit kan volgen. En uit eigen ervaringen van nu en vroeger is het vanuit Nederland even onmogelijk om goed te oordelen. Ge kunt de weg niet overzien, die ge af zult moeten leggen. In dit punt lijkt ge dus op een chauffeur, die door het grote bord moet worden gewaarschuwd.

Maar de omstandigheden in Nederland brengen ook nog gevaar mee de beheersing te verliezen over eigen hoofd en hand, zoals de roes doet bij de dronkeman. De nood benevelt het verstandig oordeel en doet eigen krachten overschatten. Dit laatste misschien nog wel het meest. En als het zo is, wordt emigreren een uiterst gevaarlijke onderneming. Want de kans tot slagen bij emigratie hangt op de eerste en voornaamste plaats af van een gezonde en sterke geest. Wantrouw gerust de macht van uw handen, de degelijkheid van uw vakmanschap, de kracht van uw machines, wantrouw vooral ook de macht van uw kapitaal! Maar overtuig u van de adel en de sterkte van uw geest. Ir. Heymeyer heeft het destijds telkens weer herhaald op de bijeenkomsten in De Steeg: als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt. We beseften toen ook niet geheel wat dat betekende. Nu weten wij het en kunnen wij zijn woorden slechts herhalen voor degenen, die na ons komen willen.

Als ik nu trachten zal dit even nader voor u uit te werken, denk ik verder slechts aan emigratie naar dit onmetelijke land, Brazilië, met zijn ‑ zoals wij hier zeggen ‑ grote mogelijkheden en even grote onmogelijkheden. Elk land vraagt van de vreemdeling een eigen geesteskracht: de eenzaamheid van Canada, de jeugd van Australië, de tradities van Z. Afrika, Ribeirão in Brazilië vraagt van ieder onzer en van ieder die komen zal, een eigen geesteskracht en een eigen geestesadel.

Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)
Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)

Aan niemand zal ‑ dat vertrouwen we ‑ die geest van Geloof en trouw aan God en Kerk ontbreken, die allen juist deze vorm van emigratie in groepsverband kiezen doet. Voor henzelf en voor hun kinderen achten zij die geestelijke waarden zo het best gewaarborgd, die ons dierbaar zijn vóór alle andere belangen. Voordat men dan het grote besluit neemt, is vóór alles wijs en voorzichtig beraad noodzakelijk. Daarbij moet ge goed bedenken, dat alle inlichtingen voor uzelf van zeer betrekkelijke waarde zijn, dat de toekomst anders zijn zal dan ge u in verbeelding voorstelt, anders het leven in de nieuwe gemeenschap, anders de kerk waarin ge bidden zult, de school ,waarin uw kinderen worden opgevoed, het kleine huis, waarin ge wonen zult, het voedsel dat ge eet, anders de gewoonten op het werk, met het vee en met het land, dat ge bebouwen zult. Vooral van de ouderen zal een aanpassingsvermogen worden gevraagd, dat op hun leeftijd meer dan normaal is. Onderzoek, wat de motieven zijn, die U uiteindelijk bewegen. Is het vooral de zorg voor uw geld, dat ge met zoveel vlijt gespaard hebt, blijf dan thuis. Zijn het vooral uw kinderen, waarvoor gij alles over hebt, bedenkt dan, dat dit offers vraagt, niet gedurende enkele dagen, maar gedurende enkele jaren, misschien heel uw verder leven: offers, die ge niet zelf kiest, maar die U worden opgedrongen en waarvan ge de zin niet altijd begrijpen zult. Overschat uzelf niet!Onderzoek, of ge bereid zijt mee te bouwen aan iets groots, dat verder reikt dan uw eigen belangen en die van uw gezin, want ook deze zijn uiteindelijk alleen gediend, wanneer ge standvastig mee wilt werken ‑ let op “werken” ‑ aan de opbouw van deze gemeenschap. Die gemeenschap moet sterk zijn, voordat ge eraan denken moogt zelf sterk te kunnen worden. Zult ge daarvoor afstand kunnen doen van uw zelfstandigheid, die aan uw boerenhart zo dierbaar is en die ge hier nooit zo verlangen kunt zoals. voorheen? Zult ge vertrouwen kunnen hebben in hen, die leiding geven, ook wanneer ge niet alles begrijpt in hun beleid? Zult ge geen smaad werpen op de goede naam van mensen, die niet denken en niet leven zoals gij? Zult gij hen niet verdenken verkeerd te zijn, terwijl ze slechts anders zijn dan gij ? Zult gij dan doof zijn voor stokerij, die vriendschap verstoort, voor de kleine roddelpraatjes, die ook onze dorpen in het vaderland zo ontsieren, maar die in een nieuwe vreemde omgeving nog een betere voedingsbodem vinden? Zult ge tien keer kunnen zwijgen, wanneer ge spreken wilt en als ge éénmaal spreekt, zal het dan altijd een wijs woord zijn, altijd verhelderend en verheffend? Hoe staat uw vrouw met deze eis. Zij heeft een grote rol te spelen en moet hier vooral de steun zijn voor uw geest. Maar zij zal zich eenzamer voelen dan gij en behoefte hebben om zich uit te praten. Zal ze het gebrek aan werkelijk nieuws niet vervangen door opgeblazen nieuwtjes of nieuws in haar verbeelding, waarvan andere mensen het slachtoffer worden ? Dan zoudt gij schuldig zijn aan wanbegrip en twist en afbreuk aan de liefde, die ook hier de band is onzer gemeenschap. Als ge werkelijk kritiek meent te hebben, zult ge die uiten op de juiste plaats en op de juiste toon? Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren? Zullen dit ook de beproevingen niet doen, die langdurig zullen zijn ? Jarenlang zult ge u ook behelpen moeten metprimitieve middelen, terwijl ge in Nederland met vele dingen zo verwend zijt. Hebt ge aanleg tot droefheid en neerslachtigheid, waaraan ge te gronde kunt gaan, tot tobberij waarmee ge uw geestkracht verliezen kunt?

Als ge, na dit alles met zorg te hebben onderzocht, meent toch temoeten emigreren, laat dan uw besluitstandvastig zijn. Durf dan de konsekwenties aan van uw besluit, de konsekwenties, die ge kent en .die ge niet kent, maar die U hier verrassen zullen. Wees dan grootmoedig, begeesterd voor de grote taak, waaraan ge mee wilt werken, gewapend met vertrouwen en met geduld, sterk door verdraagzaamheid en door volharding.

Wanneer ik nu tenslotte nog uw begrijpelijke nieuwsgierigheid voldoen moet naar het antwoord op de vraag: hoe staat het in werkelijkheid met dit alles op Ribeirão, dan kan ik U geruststellen. En met u allen, die in Nederland wellicht verward zijn in geruchten en halve berichten. Een emigrant ‑ en zeker een boerenemigrant ‑ is nu eenmaal geen briefschrijver. En als hij behoefte heeft om zich te uiten, is hij als ieder mens geneigd om langer bij zijn moeilijkheden stil te staan dan bij zijn geluk. Hij drukt de bedoeling niet uit, waarmee hij schrijft, evenmin als hij de fantasieën zal beseffen, die hij kan oproepen bij de grage lezers. De geest op Ribeirão is goed! Maar die goede geest is bescheiden en niet spraakzaam; hij spreekt zich uit in het werk en in de prestaties, die hier in één jaar tijds verricht zijn. Hij spreekt vooral tot degenen, die ons jonge dorp hier persoonlijk bezoeken kunnen en vol bewondering weer vertrekken. Hij spreekt zich weinig ‑ te weinig ‑ uit in brieven naar Nederland. Al wat ge anders hebt gehoord, verdenk dat van eenzijdigheid of ondoordachte geruchtmakerij.

Alle dagen wat nieuws

Lange tijd was het schrijven van brieven voor emigranten het enige middel om het contact te onderhouden met de familie in Nederland. Voor het onderzoek naar de stemming onder de mensen die zich in de beginjaren in Holambra vestigden zijn deze brieven een onmisbare bron. Zij vormen een belangrijke correctie van het beeld dat de leiding van de nog jonge kolonie wilde uitdragen in Nederland. De bedoeling was duidelijk. Positieve verhalen waren een belangrijk propagandamiddel om nieuwe emigranten aan te kunnen trekken. Ook het publiceren van brieven in dag- en weekbladen had deze bedoeling. Een van de briefschrijvers was Jan Nabuurs uit Venray, die met zijn echtgenote behoorde tot de eerste grote groep emigranten die zich in Holambra vestigde. Op 7 mei 1949 publiceerde Boer en Tuinder de navolgende brief.

Fazenda Ribeirão, 13 februari 1949.

Geachte vrienden,

Gauw wil ik nog even U allen een briefje schrijven, dat ik in zal sluiten bij een brief van thuis. Wij zijn nu enkele weken in ons nieuwe vaderland en nu weten we nog niets, want het is een land waar alles en nog wat mogelijk is. Eén ding is zeker: als het niet veel slechter meer wordt willen wij niet meer naar Holland terug. Het is ons hier in grote trekken goed bevallen. Het is hier mooi en alle dagen zien wij weer wat nieuws. De ene dag goed, de andere dag minder goed.
Ik heb hier naast me liggen een kaart van de Fazenda en dan is het een uitgestrekt gebied met een groot bos en enkele kleinere bossen, wat riviertjes en wat zandwegen. Nu deze kaart zult U misschien ook al wel hebben gezien. Maar als we dan de werkelijkheid zien dan is dat weer heel anders. De Fazenda bestaat uit verschillende heuvels en als we tegen zo’n heuvel staan dan zien we niets dan een groot perceel vlak land met tegenover ons ook weer zo’n perceel van een andere heuvel en we worden niet gewaar dat het een heuvel is, alleen als we er tegen op of af moeten.
                Toen we dezer dagen een keer rondreden met de tractor en een vierwielige wagen er achter, vroeg Miltenburg ons, wat we van het land dacht toen we ongeveer op zo’n heuvel en eenparig was het antwoord “goed” en ook goed te bewerken, het is mooi gelijk. Toen we een uurtje gereden hadden vroeg er eentje, of die berg daar ook van de Fazenda was, want die zullen we toch wel niet goed kunnen bewerken. Het antwoord was: ‘Ja daar hebben we straks op gestaan en toen werd er door U beweerd het mooi en goed land was.’ Zo zien we hier dat het oog nogal bedriegt.

Het klimaat
Het klimaat is hier goed. De warmte is goed te dragen, al zijn wij niet in de warmste tijd hier geweest. Al is het zo warm dat we op de trekker de hand niet kunnen leggen van de zon, toch voelt men het nog niet zo erg. Als we zweten dat het water langs het lijf loopt, dan voelt men dit niet zo als in Nederland; maar ook onze huid verbranden doen we makkelijk en voor we het weten. Dit kan in 10 minuten gebeurd zijn.
                Wat de slangen aangaat, we hebben er al een hele boel opgeruimd ± 20, maar meestal met het ploegen. Ook wordt er zo nu en dan een gevangen, maar het gevaar is niet zo groot. Vliegen zijn er ongeveer als in Holland. Je wordt ze echter niet veel gewaar, wel van die kleine muggetjes, die kunnen nog wel eens vervelend zijn.
                Nu iets dat zeker van belang is. Wijst de emigranten maar goed op de volgende punten. Er is wel niet veel nodig, maar als ge een goed huis gewoon bent, dan valt het niet mee om in een slecht te gaan wonen. Dan, ze komen niet bij het Fazendahuis, wat het middelpunt is, maar tot op 5 km. afstand toe. Dit is ook wel niet zo erg, maar ze moeten er toch goed aan denken, want een buurpraatje houden gaat niet altijd en het is er altijd even stil en eenzaam, tenminste als ge een dorpsleven gewoon zijt.

Moeilijk voor de vrouwen
Dan vooral voor de vrouwen is het moeilijk, daar de man gewoonlijk de hele dag is op zijn werk. Ik zeg wel eens, we zijn nu wel getrouwd, maar we kunnen nog niet zoveel en zo rustig samen praten als in Holland in de verkeringstijd en toen zagen wel elkaar maar eens in de week. Dit moeten vooral de jongeren zoveel in de oren knopen. Nu zien we elkaar wel meer, maar als we thuis komen gaan we graag direct na het eten rusten.
                Dan, ge mist hier alle comfort en dit is wel gauw gezegd, maar denkt er maar eens goed over na, want als ge hier bent dan is het niet erg, als ge het maar eerst goed hebt overdacht, anders valt het heus niet mee, dat hoor ik wel van verschillende anderen.
                Dan het knecht zijn voor zelfstandige boeren dat is ook nogal moeilijk; het is zich neerleggen bij het besluit van een ander en het bewustzijn dat dit noodzakelijk is voor het algemeen belang. Het bewustzijn van het algemeen belang te dienen is bij enkelen ook zo dat ze denken dat dit goed is als het in hun kraam te pas komt. Over onze Limburgers zijn ze hier goed te spreken, laten we hopen dat dit zo zal blijven.
                Nu wil ik U allen nog eens bedanken voor de samenwerking die we hebben gehad en voor de medewerking die ik heb gehad om hier te komen. Vooral zou ik van hier uit nog bijzonder willen bedanken Vader Bisschop, waar wij ook veel te danken hebben. Ik hoop dat U deze brief in de beste gezondheid moogt ontvangen en teken met de vriendelijke groet aan U allen.
                Mag ik misschien ook nog eens iets van de gang van zaken horen?

J.A.M. Nabuurs, Campinas.

Reisindrukken van een oud-planter (8)

In het zesde deel van zijn reisindrukken, verschenen in het Indische weekblad De Bergcultures van 6 augustus 1938, vertelt Roeland Vermeulen over de laatste vorderingen van de bouw en inrichting van zijn nieuwe boerderij en de deelname van Carambeí aan de landbouwtentoonstelling te Ponta Grossa. Ook maakt hij melding van het feit dat de Nederlandse kolonie op 22 mei 1938 door een cycloon werd getroffen. In Curitiba waren die dag 23 slachtoffers te betreuren. In Carambeí bleef het beperkt tot materiële schade, maar het stenen woonhuis van de familie Borger en de bijgebouwen werden totaal verwoest.

Wij zijn weer een maand verder en ik kom volgens belofte wederom het een en ander van hier vertellen. De nachten zijn helder en frisch en de temperatuur schommelt tusschen de 5 en 10° Celsius. Werkelijke vorst hebben we nog niet gehad. Overdag is het stralend weer, met strak blauwen hemel en stijgt de thermometer tot hoogstens 10° C. Het is dan als het mooiste voorjaarsweer in Holland. De mensch gevoelt zich “fit” en gezondheid doorstraalt het lichaam. Er wordt met vreugde en groote animo gewerkt. Ook onze “opzet” groeit met den dag en men ziet alles zienderoogen vooruitgaan. Over een week trekken we naar onze eigen bezitting, d.w.z. we betrekken eerst de nieuw gebouwde knechtenwoning, welke thans geheel gereed is. Het hoofdgebouw nadert zijn voltooiing, doch het afwerken zal nog eenigen tijd in beslag nemen en het zal wel Augustus worden, alvorens we daar onzen intrek zullen kunnen nemen. De stallen zijn eveneens gereed en ons vee heeft een eigen “home” gekregen. Met mijn volgenden reisbrief zal ik eenige photo’s zenden, welke U een beeld zullen geven, hoe we thans hier in Brazilië gehuisvest zijn.

19381101-1
Vader, zoon en dochter Vermeulen in de moestuin

En zoo arbeiden we verder en bouwen op en t.z.t. zullen de diverse photo’·s U een beeld geven van hetgeen in korten tijd uit een met weinig kapitaal ontgonnen kamp in een georganiseerd, gemengd buitenverblijf herschapen werd. Trouw werd ik hierin bijgestaan door mijne vrouw en kinderen. Het was wel een groot waagstuk op onzen leeftijd naar dit vreemde land te trekken en zeker was de moed mijner eega te bewonderen, die mij hierheen met vertrouwen vergezelde. Moeilijkheden waren en zijn er nog steeds te overwinnen, maar wordt men soms al eens door treurige gedachten en herinneringen afgeleid, dan brengt het liefdevolle vrouwenhart ons weer het gareel. We hebben doorgebeten en overwonnen, al zullen zorgen niet uitblijven. Als vreemdeling betraden we dit zonnige, reuzengroote land. We moesten er ons in veel aanpassen en gewoon raken aan vele ongemakken. Doch, waar tijdens den arbeid, gedurende het geheele jaar, bij een wonderblauwen hemel meestal de zon schijnt, sterkt dit den mensch in zijn willen en kunnen. We hebben in den korten tijd van ons verblijf hier deze omgeving reeds lief gekregen en het land leeren waardeeren, dat ons in de gelegenheid stelde ons evenwicht terug te vinden. Toch vertoeven we in gedachten vaak in Indië en we zullen ons mooie Insulinde nooit vergeten en het steeds dankbaar blijven gedenken. Wij zullen het van hier uit misschien beter kunnen waardeeren, dan de meesten Uwer, die daar nog vertoeven, omdat we het kunnen herdenken zonder een zweem van kleinzieligheid.

Wij maakten in de afgeloopen maand de eerste vee- en landbouwtentoonstelling mede, welke door de Regeering in Ponta Grossa gehouden werd. Deze tentoonstelling verdient allen lof en al vielen bij de organisatie ervan nog oneffenheden te constateeren, toch was het succes groot. Wij mogen niet uit het oog verliezen, dat het de eerste maal was, dat een dergelijke tentoonstelling op touw werd gezet. Volgens onze opvattingen haperde het hier en daar, doch de tentoonstellingscommissie heeft bij deze eerste poging veel geleerd en in Februari 1939, wanneer wederom een dergelijke expositie georganiseerd zal worden, zal het succes stellig nog grooter zijn. De inzendingen lieten niets te wenschen over en overtroffen verre onze verwachtingen. Ook de voor de ingezonden dieren beschikbare stallen en gebouwen waren vakkundig en zeer modern uitgevoerd. De koeien- en varkensstallen muntten uit door keurige afwerking en waren volgens Noord-Amerikaansche opvatting tot in de puntjes en volgens de nieuwste eischen gebouwd. De permanente gebouwen waren inderdaad een sieraad voor deze tentoonstelling, terwijl ook ,de tijdelijke gebouwen in elk opzicht aan de gestelde eischen voldeden. Echter was het aantal inzendingen véél te groot voor de beschikbare ruimte en moesten vele mooie koeien en paarden onder den blooten hemel in onvoldoende afgewerkte stallen worden ondergebracht. Hier had de commissie uit onervarendheid beslist gefaald. De inzendingen waren overigens schitterend en wat er aan raspaarden en prima melkvee, rasvarkens, schapen, geiten, pluimvee enz. werd tentoongesteld, was een lust voor de oogen en diverse dieren vertegenwoordigden een kapitaal op zichzelf.

Ook onze kolonie Carambéhy was niet achtergebleven. Wij hadden nl., behalve enkele mooie paarden, een twintigtal Hollandsche melkkoeien naar de tentoonstelling gezonden. Helaas konden onze dieren, wegens te weinig plaatsruimte, geen onderdak in de permanente stallen krijgen en moesten ze onvoldoende verzorgd onder den blooten hemel overnachten. Hierdoor konden de verzorgers ook niet die zorg aan de dieren besteden, welke een tentoonstellingsinzending vereischt en werd daardoor het aanzien der dieren geschaad. Dit was wel heel jammer. We kregen een diploma met eervolle vermelding voor ons vee, doch had het betere stalling en verzorging gehad, dan hadden we zeker een zilveren of gouden medaille veroverd. Doch ook wij hebben bij deze inzending geleerd en zullen voor de volgende tentoonstelling onze voorbereidende maatregelen beter treffen, waardoor het prima Hollandsche melkvee die bekroning zal veroveren, welke het daadwerkelijk verdient. Wij hadden er groot succes met onze inzending zuivelproducten, boter en kaas, en smaakten de voldoening, dat deze inzending een gouden medaille met eerediploma in de wacht sleepte. Dat deze bekroning op deze voor het eerst gehouden tentoonstelling voor onze kolonie van veel waarde is, behoeft geen betoog. Onze marktproducten zullen daardoor nog meer in waarde stijgen en onze omzetkansen zullen zeker grooter worden.

Neerlandia1938-145
Emigranten in klederdracht op de Hollandse dag tijdens de tentoonstelling in Ponta Grossa op 1 juni 1938. Links Muis Vermeulen en naast haar mevrouw Muller. Foto uit Neerlandia, aug. 1938.

Als bijzonderheid kan ik nog vermelden, dat namens den Interventor (Gouverneur) van den staat Parana aan onze tentoonstellingscommissie (waarvan o.g. de Voorzitter was) verzocht werd, of de Hollanders van Carambehy niet een typisch Hollandsch programma ten beste konden geven, ter opluistering van de tentoonstelling. Ons jongens- en meisjes-zangkoor onder leiding van Ds. Muller en zijn echtgenoote, hebben toen een in elk opzicht keurig programma afgewerkt, allen in typisch nationaal Hollandsch boerencostuum met klompen. Zang-, muziek- en dans·nummers wisselden elkaar af en het werd een daverend succes. Een enorm publiek woonde deze uitvoering bij en het geheel werd door de Braziliaansche autoriteiten en het publiek hooglijk geapprecieerd. Tijdens de pauze serveerden enige jonge dames, in nationaal costuum, hompjes kaas aan de autoriteiten en aan het publiek, welke geste ten zeerste werd gewaardeerd. Tijdens de uitvoering namen vele photografen opnamen voor diverse couranten en tijdschriften, terwijl ook een film gemaakt werd voor de bioscoop. Een en ander is wel een bewijs, dat de Hollander hier goed staat aangeschreven, want juist in dezen tijd zijn de maatregelen, welke de Regeering treft ten opzichte der vreemde nationaliteiten, zeer verscherpt. Het was een mooi geslaagd programma en het deed ons Hollandsche hart goed, dat dit succes bereikt werd door onze jeugdige Iandgenooten.

Op 22 Mei werd deze streek geteisterd door een geweldigen cycloon. Het werd ’s avonds tusschen 8 en 9 uur zwart aan den horizon en de bliksem was niet van den hemel. De natuur was . dreigend en stemde mensch en dier angstig. Circa half negen loeide een orkaan en de nieuwsbladen van den volgenden dag berichtten vele ongelukken. Overal waren menschen en dieren gedood en verwoestingen aangericht. Vooral de hoofdstad Curityba werd zwaar geteisterd. Er vielen daar 23 slachtoffers te betreuren. Helaas werd ook onze kolonie niet gespaard en vooral de familie Borger werd zwaar getroffen. Haar massief steenen woonhuis (het mooiste huis der kolonie) alsmede alle stallen en andere gebouwen weiden practisch totaal vernietigd. Het was een ontzettende ruïne, welke zich den volgenden morgen aan ons oog voordeed. Een droevig restje van een prachtbezit, in enkele momenten totaal weggevaagd en verwoest…. Voor den bezitter een geweldige slag, zoowel -financieel als moreel. Het resultaat van drie-jarigen stuggen arbeid, weg, verdwenen in enkele minuten; het is een harde slag. Men pinkt een traan weg, slikt even en…. denkt na…. Ook andere families werden min of meer getroffen en leden materieele schade, doch vergeleken bij het door de familie Borger geleden verlies waren dit slechts kleinigheden. Den volgenden dag was het schitterend weer en was de storm uitgeraasd. Als men dan zijn oog Iaat gaan over die oneindige vlakte, treft de rust en voelt men, dat de natuur bevredigd is na het opeischen harer offers. Het leven gaat weer ongestoord verder, alleen de getroffenen blijven achter met hunne zorgen en vragen ‑ Such is life ‑. Welk een kracht zulk een cycloon kon ontwikkelen, toonde ons o.a. het hier in de buurt gelegen “wolvenbosch”, dat na den orkaan als een afgemaaid bouwland neergeveld lag. Bij zulke natuurrampen gevoelt de mensch zich wel heel klein en nietig!

De ellende in Brazilië (3)

Het bezoek van Gerardus Kuyk aan Gonçalves Júnior.

Na zijn verblijf in Ponta Grossa kwam voormalig kolonist Gerardus Kuyk op 22 februari 1910 aan in de kolonie Gonçalves Júnior. Zijn verslag aan de Nederlandse gezant te Rio de Janeiro, G.D. Advocaat, bevat een uitgebreide opsomming van ellende en misstanden. Volgens Kuyk woonden er in de kolonie 104 Nederlandse en 132 Duitse families.

“Den 22sten februari kwam ik in Goncalves Jr. aan. Ik logeer hier bij een Hollander, Lettow genaamd, die hier een danszaal en herberg houdt. Zijn huis is voor ongeveer een jaar geleden afgebrand, maar met de opbrengst van een gehouden collecte is hij er weder bovenop gebracht. Hij is anderhalf jaar geleden aangesteld als postrijder. Drie maal per week rijdt hij de 18 km heen en terug naar Iraty om de post te halen en brieven weg te brengen.

Ik heb reeds een bezoek gebracht aan de nieuwe kolonie Porta Grande, ruim twee uur gaans van deze kolonie verwijderd. Porta Grande is geene zelfstandige kolonie, maar slechts eene uitbreiding van Goncalves Jr. Dit nieuwe deel van deze kolonie is nog niet vol. Er wonen drie Hollandsche families. Vier of vijf maanden geleden zijn die uit Holland vertrokken. Van één gezin genaamd Van Doornen zijn reeds twee kinderen gestorven, terwijl er twee kinderen ziek zijn. Deze menschen hadden veel reden tot klagen. Langen tijd hadden zij in de barak van Goncalves Jr. doorgebracht, omdat hun perceel niet was afgemeten en hun huis niet gereed was, ja zelfs de weg naar de nieuwe kolonie was nog niet gemaakt. Weinig zaad hebben die menschen gekregen, ook zijn ze zonder medische hulp, omdat de dokter zoo ver niet loopt.

De huizen zijn ellendig. Ze zijn zes meter lang en vier meter breed en van gekloofde (ongezaagde) planken opgetrokken. Slechts één vertrek heeft zoo’n huis. ‘t Is niets meer dan een schuur en dan nog zeer onsolide gebouwd. Het centrum van de kolonie Goncalves Jr. ziet er zeer aardig uit. Het kantoor en het woonhuis van den directeur zijn werkelijk mooi te noemen, met de uitgezaagde lijsten en de aardige kleuren waarmede deze huizen beschilderd zijn. Ook een paar huizen van ambtenaren zien er goed uit. Ik ben nu ongeveer een week in Goncalves Jr. Wat heb ik alreeds gezien en vooral gehoord in die ééne week. Diefstal, prostitutie, haat, afgunst, ja met welke gebreken zijn ambtenaren en kolonisten al niet behept. De meest wonderlijke staaltjes zijn mij ter oore gekomen van diefstal door ambtenaren gepleegd om hunne begeerten naar kolonisten – vrouwen en meisjes te voldoen, die zich, schande over hen, tot zulke lage handelingen laten omkoopen met het gestolen geld.

Ik zal daaromtrent eenige feiten mededeelen, die mij door kolonisten zijn medegedeeld en die U als betrouwbaar aan kunt nemen. Arnoldo, de secretaris is een sexueele ploert van het eerste water. Hij heeft, niettegenstaande hij gehuwd is, in deze kolonie een Duitsch meisje tot liefje en onderhoudt haar en haar ouders. Een poos geleden heeft hij voor den vader van zijn bijzit een stuk land laten bearbeiden en beplanten. De arbeiders die dit stuk land gereed hebben gemaakt zijn door Arnoldo niet met geld maar met vale’s[1] betaald, zoodat hij dus met van de regeering gestolen geld zijne uitspattingen betaalt. De feitor Clito bracht aan eene Hollandsche familie een z.g. bij-vale (extra coupon voor de winkel) terwijl verscheidene families – wanneer men hun ondersteuningsbedrag berekent tegen 500 reis voor menschen boven 7 jaar en 250 reis voor kinderen van 3 tot 7 jaren per dag – eene som van tien, vijftien, ja zelfs twintig milreis per maand te weinig ontvangen. Dit zijn dan families waar geen knappe vrouwen of meisjes in huis zijn of die zich niet laten koopen. Het spreekt vanzelf dat de menschen daarmede niet kunnen rondkomen wanneer het ondersteuningsbedrag nog blijft beneden de som van bovengenoemde berekening. De beambten, welke belast zijn met het uitreiken van zaad, hielden paarden en voederden die dieren met de voor de kolonisten bestemde plant-mais.

Een vorige dokter, genaamd Mello, gaf aan de mooie jonge meisjes, die niet ziek waren, melk, terwijl hij het de zieken weigerde. ’t Is gebeurd dat door Duitsche meisjes de van den dokter als belooning voor lachjes gekregen busjes melk, werden verkocht tegen 500 reis per stuk. Een Hollander, genaamd Wilkenburg [moeilijk leesbaar], vroeg den directeur waarom de regeering niet zorgde voor melk voor de zieken want bijna geen enkele kreeg een busje. De Heer Beltrão liet toen eene rekening van de maand mei zien, waaruit bleek dat alleen in die maand aan de commissão van Gonçalves Jr. voor een bedrag van ruim zeven honderd (700) milreis aan busjes melk was geleverd. Een zekere Cazais heeft de administratie van de kolonie gecontroleerd en later aan de kolonisten gezegd dat de fiscaal Arnoldo gedurende zijne aanstelling als zoodanig een bedrag van 40 contos de reis heeft verduisterd. Arnoldo werd ontslagen, maar later weder in zijn ambt van fiscaal hersteld. Thans is hij secretaris. De chef van deze kolonie Francisco Guteirer Beltrão is òf een karakterzwak en dom persoon die van administratie geen het minste verstand heeft òf hij is een even grote schurk als zijne ondergeschikten. De haat en tweedracht is onder de kolonisten ook enorm.

Ik zal U thans een punctueel verslag geven van mijne waarnemingen in deze kolonie.

1e. De rechtsverhoudingen zijn van de aller kromste soort. Verlangt men recht van den directeur dan valt men in ongenade, wordt men te lastig dan krijgt men kosteloos maar gedwongen zij have en goed naar eene plaats buiten de kolonie getransporteerd.

2e De medische hulp is totaal onvoldoende. Naar ik gehoord heb is de tegenwoordige dokter, Dr. Frevisani, wel een tamelijk bekwaam dokter, maar aangezien hij hier niet als dokter is aangesteld, getroost hij zich niet veel moeite. Dr. Frevrisani is de schoonvader van directeur Beltrão. Hij is militair-dokter geweest en doet zijn dokterswerkzaamheden in deze kolonie zonder daarvoor door het gouvernement betaald te worden. In de barak komt hij wel eens, maar toch niet dikwijls, hoewel dit gebouw maar vijf minuten gaans van zijne woning verwijderd ligt Diengeen, welke hem komt bezoeken of komt wanneer hij consult geeft, helpt hij. Overal in alle deelen van de kolonie liggen zieken, die niet door den dokter worden bezocht en geheel of gedeeltelijk van alle medische hulp zijn gespeend. Of gedeeltelijk d.w.z. wanneer een der verwanten van een zieke naar de dokter gaat en opgeeft wat de patiënt mankeert, dan wordt een recept geschreven en bekomt men medicijnen.

3e De voeding van de meeste kolonisten is ook ellendig. Gedurende den tijd dat zij ondersteuning krijgen kunnen de menschen nauwelijks rondkomen, maar is de termijn van arbeid aan de wegen verstreken, dan begint de ellende eerst recht. Ik heb gezien dat zieke kinderen die zeer leden aan diarrhée zich moesten voeden met zwarte boonen omdat er niets anders was.

4e De gezondheidstoestand is miserabel in deze kolonie. Vele menschen en vooral kinderen zijn gestorven. Ik telde op het kerkhof 97 graven.[2] Diarrhée en typhus zijn de veel voorkomde ziekten. Ook pokken hebben hier menschen ten grave gebracht.

5e De woningen die in Gonçalves Jr. zijn gebouwd, hebben een lengte van 8 en een breedte van 4 meter. Zij zijn van hout opgetrokken en met plankjes gedekt. In den regel zijn ze verdeeld in twee afdeelingen. Geen glasvenster, geen zolder, geen stookplaats en alles ongeverfd. De huizen in de nieuwe kolonie Porta Grande zijn veel slechter dan die in Gonçalves Jr. Zij zijn daar 6 m. lang en 4 m. breed en van gekloofde planken gebouwd. Het dak rust op vier dunne hoekbalken, die met de horizontaal liggende balken het geheele geraamte uitmaken. Slechts een vertrek heeft zoo’n huis. Wanneer deze huizen een paar jaar staan, zullen ze reeds onbewoonbaar zijn.

6e Het drinkwater haalt de een uit een beekje, een ander heeft een put gemaakt. Zij die ver van een beekje verwijderd wonen, zijn genoodzaakt een put te graven. Zij worden daarin niet van regeeringswege geholpen. Er is in deze kolonie evenals in Miguel Calmon veel water. Verscheidene wellen vindt men hier. Wanneer het geregend heeft krijgt het water der beekjes een bruin kleurtje dat evenwel spoedig weer verdwijnt.

7e De prijzen der levensmiddelen zijn enorm hoog. Het grootste inconveniënt is evenwel de veelvuldige schaarschte van levensmiddelen in de winkels. Er zijn dagen voorbijgegaan dat menschen uit ver afgelegen plaatsen der kolonie gekomen om waren te halen, zoo goed als met ledige handen weder konden vertrekken. Er was geen meel, geen rijst, geen aardappelen, geen spek, geen vleesch, er was ongeveer niets. Diegene, welke dicht bij de winkel woont, kan, zoodra er weder iets is aangevoerd, zijne inkoopen doen, maar voor de ver weg wonenden zijn zulke toestanden een ware misère. Vooral in dezen tijd, waarin veel regen valt, heeft men tengevolge van de slechte wegen dikwijls stagnatie in den aanvoer van levensmiddelen.

8e De kwaliteit der waren is niet te roemen. De rijst is slecht, de suiker niet goed, het zout is vuil en grof, de koffie is ook niet altijd best. De zeep is wel geen eetwaar, maar tocht wordt ook daaraan door de Hollandsche vrouwen zekere eischen gesteld, waaraan het artikel evenwel niet beantwoordt. Ze is in één woord slecht.

9e De beleefdheid van de winkelbedienden is hier beneden critiek. De bediening gaat langzaam.

10e Met het debiet der landbouwproducten is het ook treurig gesteld. Veel is er evenwel nog niet te verkoopen geweest, omdat de in de maand september van het vorige jaar geplante maïs en rogge geheel is opgegeten door ratten en vogels die in november en december voor deze streek een ware plaag geweest zijn. Er zijn evenwel kolonisten, die eene hoeveelheid rapen of kool zagen verrotten omdat er geen koopers voor te vinden waren. Hoe het met een volgenden oogst zal gaan wanneer die tenminste gespaard blijft voor ratten en vogels, is mij een raadsel. Aan de twee in de kolonie gevestigde winkeliers kunnen de kolonisten niets verkoopen. Het op een afstand van 18 km verwijderd liggende plaatsje Iraty is nog te onbeduidend om zelf een flinke hoeveelheid te consumeeren. Het transporteeren met den spoorweg van Iraty naar Ponta Grossa kost: maïs, boonen aardappelen 6.100 reis per 1000 KG, kool, prei 10.700 reis per 1000 KG. Van Iraty naar Ponta Grossa is ongeveer 90 km. Het transporteeren van af de kolonie naar het station kost 300 reis per 15 KG.

11e Het aan de kolonisten laatstelijk verstrekte zaad is voor de meeste totaal onvoldoende geweest. De anderhalf jaar geleden aangekomenen hebben ontvangen toendertijd: Rogge 10 à 15 L., Tarwe ½ L., Gerst ½ L., Haver ½ L., Tabak 4 cm³, Maïs 4 à 12 L., Diverse groenten 6 halve pakjes, Aardappelen 2 à 4 L., Wijnstokken 15 stuks, Manioca 2 stokken. Boonen werden niet verstrekt. Er waren er die meer en ook die minder hebben ontvangen: Maïs 14 L., Diverse groenten 6 pakjes, Aardappelen 5 à 10 Kg. Het schijnt dat de regeering de verbouwing van rogge heeft willen bevorderen, daaruit verklaar ik tenminste de ruime uitgifte van dit zaad. Door zakken en vogels is evenwel bij iederen kolonist de rogge die zeer mooi stond opgegeten. De gereedschappen welke iedere kolonist heeft ontvangen zijn: 1 foucinha (soort snoeimes), 1 houwel, 1 inchada (hak), 1 bijl, 1 spade of schop. Voor iedere vijf gezinnen op wier loten veel bosch en vooral pinheiro’s staan; één groote trekzaag.

12e De terreinen zijn hier verbazend heuvelachtig. De hellingen der heuvelen zijn zeer steil, eene omstandigheid, die later op de bebouwing van den bodem, wanneer met ploegen gearbeid moet worden, een zeer nadeelige invloed zal uitoefenen. Of men moet beginnen met het aanleggen van wijngaarden. Langs de hellingen der heuvelen zullen de druiven hier zeker goed groeien. Vooral met het oog op de wegen is deze heuvelachtigheid een zeer nadeelige factor. Zoolang het weder droog en de weg dus goed is, gaat het maar zoodra een regen gevallen is, zijn de wegen voor wagens onberijdbaar, ten eerste omdat de paarden dan zelve nauwelijks kunnen loopen op den vetten gladden weg en ten tweede omdat de dieren een wagen dan niet tegen eene helling kunnen optrekken. Ik heb hellingen gezien waarvan ik den hoek schat op 45°, ja zelfs op 50°. Vijf paarden zijn noodig om een lichtgebouwden wagen beladen met 3000 à 4000 pond van Iraty naar Gonçalves te brengen (18 KM). Toch heeft ieder lot wel een meer of minder vlak stuk maar deze stukken zijn niet te vergelijken bij de vlakke stukken in João Pinheiro.

13e De bodem bestaat hier grotendeels uit leem, hier en daar zandig leem met steenen. De kleur van de grond wisselt af van bruin en geel tot grijsachtig. De denneboom is hier niet zoo sterk vertegenwoordigd als in de kolonie Miguel Calmon. Daarentegen groeit hier veel bamboe. De heuvelhellingen zijn met dicht bosch en kreupelhout bedekt. De vruchtbaarheid van den bodem is ook hier bevredigend, tenminste met de eerste plantingen.

14e Het klimaat is hier inden zomer heet, in den winter vriest het ’s nachts soms, maar op den dag is het dan ook warm. De regenval is dit voorjaar zeer groot geweest, terwijl het in de maanden januari en februari van het vorige jaar zeer droog is geweest.

15e De ondersteuning verdient ook hier dien naam niet. Men is verplicht voor de ondersteuning aan de wegen te arbeiden. Het loon  is 4½ milreis per dag, waarvoor gewerkt wordt van 8 tot 11 en van 1 tot 4 uur. Men maakt de wegen 3 à 4 meters breed. De arbeiders staan onder het opzicht van een feitor (opzichter) die zo nu en dan eens komt kijken of de kolonisten wel werken. Wanneer men niet ver van het terrein der werkzaamheden verwijderd woont, dan heeft men heeft men nog gelegenheid vóór en na afloop der werkzaamheden aan den weg op het eigen lot te arbeiden. Ik ken echter kolonisten die 1½ uur moeten loopen om op hun werk te komen, dus voor deze menschen blijft er gedurende de dagen van wegenarbeid geen tijd over om op het eigen terrein te werken. De feitor schrijft op hoeveel dagen men heeft gearbeid. Gedurende den tijd van één jaar wordt den kolonisten wegenarbeid verschaf, na dien tijd moet men zich zelf redden.

16e Tweemaal per maand den eersten en den vijftienden worden vales uitgegeven. De gunstelingen krijgen meer dan diegenen, welke zich niet inde gunst hebben weten te brengen. Aan het einde der maand worden bij-vales uitgegeven.

17e Men bearbeidt ook hier den bodem zooals men dat in Miguel Calmon doet, t.w. boomen, struikgewas en gras worden omgehakt en afgehakt (met bijl en fouchinha), een poosje gedroogd en daarna verbrand. Zijn de zaden gezaaid, dan wordt er niet meer naar omgekeken. Het onkruid staat dan even hoog als of hooger dan de gewassen. Een hoogst enkele kolonist zuivert zijn land van onkruid. De tuintjes met groenten en aardappelen zijn evenwel anders. De omgespitte grond wordt van onkruid zuiver gehouden. Dit zijn evenwel maar kleine stukjes bij het woonhuis aangelegd.

18e De gewassen welke hier groeien zijn: maïs, boonen, aardappelen, kool, groenten, rogge, tarwe, haver, gerst, tabak, manioca, tomaten, meloenen en hier en daar rijst. De ratten en vogels hebben verleden jaar veel schade aan de gewassen toegebracht. Mieren heeft men ook hier, maar niet in groote getale.

19e Een stuk land voor de eerste aanplantingen wordt niet in gereedheid gebracht. Wel wordt op de plaats waar het huis van den kolonist gebouwd zal worden in een kleinen omtrek het hout gekapt. Boomen die door hun val het huis in gevaar zouden brengen, worden omgehakt. Kolonisten, die zelven deze werkzaamheden verricht hebben, kregen daarvoor betaald (met vale’s meestal) van 20 tot 35 milreis al naar gelang van de dichtheid van het bosch waarin een open plek gemaakt wordt. Een akkermeester heeft men hier niet.

20e De prijs van het land wordt berekend tegen 2 reis per M², 25 H.a. kosten dus 500 milreis. De prijs van een huis met afmetingen 8 x 4 M is 450 milreis met afmetingen 6 x 4 M is 350 milreis. De prijs van een stadslot wordt berekend tegen 18 reis per M². De oppervlakte van zulk een lot is 2700 M², de prijs 48 milreis. Verscheidene kolonisten hebben reeds hunne voorloopige eigendomspapieren. Er zijn kolonisten die met october a.s. hunne eerste afbetalingen moeten doen (ongeveer 100 milreis) terwijl ze zelfs niet genoeg hebben om van te leven, zoodat van afbetalen natuurlijk niets kan komen.

21e Een kerk heeft men hier niet, een school is in aanbouw. Dit wordt evenwel maar een klein gebouwtje en zal totaal onvoldoende zijn voor de vele Duitsche en Hollandsche kinderen die onderwijs behoeven.

22e Mijn opinie over de ambtenaren is zeer ongunstig. De secretaris Arnoldo is een schurk, de feitores en andere ambtenaren zijn niet veel beter. De directeur is, wanneer hij de knoeierijen niet ziet, te dom en wanneer hij ze niet wil zien, te slecht om directeur te zijn.

23e De beambte die de brieven haalt en wegbrengt van en naar Iraty is een Nederlander. ’s Maandags en ’s Woensdags en ’s Vrijdags haalt hij brieven. Op het kantoor van den directeur kunnen de brieven afgehaald worden. Er wordt iederen postdag een lijst met namen van personen voor wie er brieven zijn aangekomen, buiten de deur van het directiegebouw gehangen.

24e Van organisatie der kolonisten is niet veel te bespeuren. Wel heeft men reeds pogingen aangewend tot stichting van een Nederlandsche Vereeniging, maar tot nog toe zonder resultaat. De tweedracht is groot, vooral tusschen de Hollandsche kolonisten. De Duitschers hebben eene vereeniging maar die moet niet veel waard zijn. Eenige dagen geleden hielden de kolonisten eene slecht bezochte vergadering waarop werd besloten een deputatie van vier personen naar Dr. Beltrão te zenden om dezen te verzoeken: 1) Een goeden dokter voor de kolonisten; 2) Verlenging van den termijn van arbeid aan de wegen, en 3) het steeds in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn van levensmiddelen in de winkels. Tot nog toe is de deputatie niet naar Dr. Beltrão geweest.

25e De apotheker is een nette man, die ook over eenige chirurgische kennis beschikt. De apotheek ziet er netjes uit. Naar ik van kolonisten gehoord heb, ging Dr. Leal weg, ten eerste omdat het klimaat niet gezond was in die streek en ten tweede omdat de apotheek niet voldoende medicijnen bevatte.

26e De tolk is een Duitscher. Hij spreekt uitstekend Portugeesch, maar geen woord Hollandsch. Hij heeft een gemakkelijker taak dan zijn collega in Miguel Calmon.

27. Men heeft hier eene bakkerij, eene slagerij, twee winkels, eene danszaal en drie kroegen. De danszaal wordt ’s Zondags druk bezocht. Er vallen wen eens ongeregeldheden voor. Politie heeft men hier wel, maar de ordebewaarders zijn niet in uniform gestoken en lawaaien nog harder dan de kolonisten.

Bron: Nationaal Archief (Den Haag), archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, A-dossiers, 2.05.03, no. 291.


[1] Een vale is een papier waarop een bedrag vermeld staat waarvoor men in den winkel kan inkoopen. Het woord ‘vale’ is afgeleid van het woord valor = waarde.

[2] Er moeten evenwel meer dooden zijn, want in sommige graven liggen meer personen naar ik gehoord heb.

Vaarwel en tot weerziens

In het afgelopen decennium zijn in Nederland veel kranten gedigitaliseerd en op het internet verschenen. Naast de krantensite van de Koninklijke Bibliotheek hebben diverse regionale archiefinstellingen kranten op hun website geplaatst. Hoewel de zoekmogelijkheden en het gebruiksgemak sterk uiteenlopen, bieden deze websites de gelegenheid om in te zoomen op het vertrek van emigranten naar de Fazenda Ribeirão. Eén van de kranten die veel informatie bevat is het Venrayse weekblad Peel en Maas. Behalve algemene berichten die zijn overgenomen uit landelijke dag- en weekbladen komen we in het blad berichten tegen over het vertrek van emigranten.

P&M 1949-02-26In de editie van 26 februari 1949 werd gemeld dat Theo van Ass uit IJsselstein vanwege zijn vertrek naar Brazilië zijn pacht van zijn 22 hectare grote bedrijf ging opzeggen. In dezelfde krant bood hij ook vee en machines te koop aan. Enkele maanden later plaatste hij samen met Harrie Lamers een advertentie waarin zij hun familie, vrienden en kennissen een hartelijk vaarwel en weerziens toewensten.

P&M 1949-07-30
Peel en Maas, 30 juli 1949
P&M 1950-02-11
Peel en Maas, 11 februari 1950

Een jaar na Van Ass bood Wim Jeuken uit Overloon zijn boerderij in Peel en Maas te koop aan. Een half jaar later wist het blad te melden dat de familie Jeuken met 14 kinderen met de ms. Alioth naar Brazilië ging vertrekken.

Peel en Maas hield de achterblijvers met enige regelmaat op de hoogte van de ontwikkelingen op de Fazenda Riberão. Tegenover de interne moeilijkheden waarmee de jonge nederzetting van 1951 tot en met 1953 stond de krant opvallend neutraal. Zowel zij die het saneringsbeleid op de kolonie van harte ondersteunden, zoals Jan Nabuurs, als critici die de Fazenda verlieten, zoals Theo van Ass, kregen de gelegenheid om visie op de gang van zaken naar voren te brengen. Ook besteedde Peel en Maas aandacht aan het bezoek dat vier opa’s eind 1952 brachten aan hun kinderen in Brazilië. Over dit bezoek later meer.

N.B. Over enkele dagen vertrek ik voor enkele weken naar Brazilië. Wil je op de hoogte blijven kijk dan op mijn weblog en mijn fotosite.

De ellende in Brazilië (2)

In 1910 reisde Gerardus Kuyk, die kolonist was geweest in João Pinheiro in Minas Gerais, door de staat Paraná om zich daar op de hoogte te stellen van de ellendige toestand waarin de Nederlandse landverhuizers verkeerden. Na een bezoek aan Nederlandse gezinnen in de kolonie Miguel Calmon – niet te verwarren met de plaats Calmon in Santa Catarina – bezocht hij Ipiranga en Ponta Grossa. Na Ponta Grossa ging hij naar Gonçalves Juniór, waar hij zich uitgebreid op de hoogte stelde van de misstanden aldaar. Kuyk rapporteerde zijn bevindingen aan de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, G.D. Advocaat. In dit eerste deel van zijn verslag beschrijft hij de toestand in de kolonie Tago bij Ipiranga, ongeveer 55 kilometer ten westen van Ponta Grossa.

“Op mijn terugtocht van Calmon naar Ponta Grossa ben ik vier dagen in Ipyranga gebleven. De voorman, welke mij wegbracht, had nog geene lading toen wij in Ipyranga aankwamen. Toch is mij dit oponthoud zeer gelegen gekomen, aangezien ik gelegenheid kreeg om kennis te nemen van den toestand der kolonisten, welke in Ipyranga verblijf hielden. De toestand der in de barakken verblijf houdende kolonisten in genoemde plaats is meer dan treurig. De huizen in de kolonie Tago zijn nog geen van allen gereed, integendeel, men is pas aangevangen te bouwen. De gezondheidstoestand is ellendig in de krotten die als verblijfsplaatsen der kolonisten dienst doen. Barakken noemt men ze. De menschen moeten zich te slapen leggen op den vloer, de wanden dezer krotten zijn van vele naden voorzien, door enkele waarvan men zijne hand kan doorsteken.

Een dokter is in Ipyranga, dat toch reeds een tamelijk flinke plaats is, niet. Eens in de twee weken komt de dokter uit de kolonie Miguel Calmon (een afstand van 33 km) doch in dien tusschentijd moeten de zieken ‘t maar zonder dokter stellen. De apotheker fungeert dan als zoodanig. Van een Hollander is een kindje gestorven, van een Duitscher enveneens, en dat is in hoofdzaak door ‘t gemis aan geneeskundige behandeling. Eene Duitsche vrouw viel toen zij uit een wagen wilde stappen en brak haar arm. De apotheker heeft den arm verbonden, wie weet wat er nog terecht komt.

In Ipyranga wordt aan gezinnen, welke meer dan drie personen boven 7 jaar tellen, 450 reis per dag en per persoon uitgereikt. Zaden krijgt men ook daar zeer onvoldoende, 20 liters aardappelen en eenige liters mais en boonen.

Ik woonde zondag den 13 februari eene bijeenkomst van Duitsche kolonisten in Ipyranga bij. De vergadering werd gepresideerd door een Duitschen onderwijzer die in samenwerking met de bijeen gekomenen eene school wilde stichten. Voorloopig zou in Ipyranga een huis als school worden ingericht om later wanneer de huizen in de kolonie gereed zouden zijn, daar definitief te worden gevestigd. Door den onderwijzer zou een verzoek om subsidie aan de Duitsche regeering worden gericht, wijl volgens hem de Duitsche regeering de Duitsche scholen in Brazilie met geldelijke toelagen steunt. De voorwaarde waaronder ieder kind ter school kan gaan zijn: zelf aanschaffen van leermiddelen en twee milreis per kind en per maand schoolgeld. Zoo de ouders eventueel niet bij machte zouden zijn het schoolgeld baar te betalen, dan zou de onderwijzer genoegen nemen met de ontvangst van het bedrag in natura. Voorloopig zou hij bij het onderwijs de Duitsche taal bezigen, maar wanneer hij zelf voldoende Portugeesch zou kennen, dan zou hij ook in het Portugeesch onderricht geven. Of men het plan zal kunnen of willen doorzetten weet ik niet. Ik betwijfel het, omdat de kolonisten door de slechte toestanden in de kolonie weinig aan de plaats gebonden zijn. Een paar Duitsche families zijn reeds uit Ipyranga vertrokken, meerdere zullen m.i. volgen.

De Braziliaansche school te Ipyranga is niet veel waard. Gedurende een paar uren per dag wordt het onderricht gegeven door de vrouw van de secretaris die zich evenwel meer met haar baby dan met de leerlingen bemoeit.

De onderdirecteur of ‘sucarregado’ Goncalves Jr. zoals hij zichzelf teekent, is weinig bemind bij de kolonisten. Voor een paar jaren geleden was deze man volgens getuigenis van inwoners van Ipyranga, straatarm, thans is het een van de gegoeden van de plaats. Dezen vooruitgang zal zijn traktement hem niet aangebracht hebben. De vrouwen hebben steeds de uiterste moeite busjes melk van hem los te krijgen voor hare kinderen.

Na mij van deze treurige toestanden op de hoogte te hebben gesteld vertrok ik naar Ponta Grossa. De reis van Miguel Calmon naar Ponta Grossa duurde door het oponthoud te Ipyranga 7 dagen. De wegen waren met droog weer goed, maar wanneer het regent kunnen de paarden den wagen nauwelijks langs den gladden, rijzenden en dalenden weg voorttrekken. In Ponta Grossa ben ik twee en een halven dag geweest. Ik ben niet naar de barak gegaan om te probeeren voor rekening der regeering naar Goncalves Jr. getransporteerd te worden. Ik wilde mijn neus niet stooten bij den directeur der barak, Snr Amantino Varga. Wij hebben wederkeerig erg veel te grooten haat tegen elkander, zoodat ik stellig niet op hulp van Snr Amantino behoefde te rekenen.”

Bron: Nationaal Archief (Den Haag), archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, A-dossiers, 2.05.03, no. 291.

Reisindrukken van een oud-planter (6)

In het vierde deel van zijn reisindrukken, verschenen in De Bergcultures van 2 april 1938, gaat Roeland Vermeulen in op de ontginning van de gronden op de hoogvlakte van Paraná. Zijn advies is duidelijk. Wie zich in Brazilië wil vestigen, kan dat het beste doen op deze wijdse hoogvlakte. Hij eindigt met een korte beschrijving van de feestelijkheden naar aanleiding van de geboorte van prinses Beatrix.

Na het verschijnen mijner eerste reisindrukken in De Bergcultures, no. 52 dd. 25 December 1937 bereikten mij verschillende brieven van oud-collega’s en nog in functie zijnde planters, zoowel uit Holland uit Indië, om nadere inlichtingen. Waar me dus dat het contact gevonden is en mijn brieven de noodige belangstelling ondervinden, moedigt dit aan om nogmaals het een en ander van hier te vertellen. Intusschen neem ik aan, dat mijn vorige brieven No. 2 en 3 reeds vele gegevens bevatten, welke verschillenden Uwer gevraagd werden. Het is voor mij niet doenlijk, elken brief persoonlijk te beantwoorden, doch zal ik in briefvorm in De Bergcultures zooveel mogelijk alle vragen beantwoorden, zoodat ieder voor zich daaruit het voor hem gewenschte kan lezen.

M’n werk neemt veel tijd in beslag, daar de ontginningswerkzaamheden van het “kamp”, benevens de bouw van ons huis, benevens stallen en knechtenwoning, veel van ons vergen. Alles schiet echter langzaam maar zeker op en men krijgt een duidelijk beeld van hetgeen het worden moet. We snakken naar het moment, dat we onze “eigen” woning kunnen betrekken, doch ’t zal wel Juli worden, alvorens het zoover is. Werkkrachten zijn hier op het land nu eenmaal schaars en “paciencia” (geduld) is een woord, waaraan men hier dagelijks herinnerd wordt. Teneinde U een duidelijk beeld te geven van ons verblijf hier, stel ik me voor t.z.t. bij één mijner volgende brieven eenige photo’s bij te voegen, welke U in staat zullen stellen meer met ons mee te leven.

Ik maakte als lid van een commissie tot voorbereiding van het bouwen eener nieuwe zuivelfabriek in januari een oriëntatiereis door Santa Catherina. Deze reis was voor mij buitengewoon interessant, omdat ik profiteerde van het gezelschap van den leider dezer kolonie, den heer Jac. Voorsluys, die een ervaren vakkundige is op het gebied van kaas- en boterfabricatie. Het ligt niet in mijne bedoeling te vervelen met uitvoerige beschouwingen over kaasfabrieken en wat daarmee in direct verband staat, het zij voldoende U mee te deelen, dat wij op onzen schitterenden tocht 8 grootere en kleinere zuivelfabrieken bezochten, welke alle volgens Gouvernementsvoorschriften en op zeer moderne wijze zijn ingericht. Bedrijven, waar tot 30.000 liters melk per dag verwerkt kunnen worden, kunnen volgens den heer Voorsluys zeker den toets van vergelijking met de groote bedrijven in Holland doorstaan. Het doel, waarvoor we deze reis maakten, werd volkomen bereikt.

Voor U lijkt het me echter meer interessant het een en ander te vertellen van het klimaat, den bodem en het land zelve. Alvorens hieraan te beginnen zal ik eerst het een en ander van hier behandelen, waarmee dan tevens diverse door U gestelde vragen beantwoord zullen zijn. Om een eigen stuk grond te verwerven, staan hier twee wegen open en wel de aankoop van een reeds ontgonnen stuk land met alle zich daarop bevindende gebouwen, o.a. woonhuis, schuur, stallen; landbouwmaterialen en dikwijls ook paarden, koeien, pluimvee enz., of de aankoop van een zich nog in meer of min maagdelijken, ongecultiveerden staat bevindend landcomplex. Wat het beste is, hangt geheel af van persoonlijke inzichten, maar ook van beschikbare geldmiddelen. Gemakkelijker is vanzelfsprekend het reeds bestaande voort te zetten, want het vordert veel inspanning en energie tegeiijk met de voorbereidende ontginningswerkzaamheden, d.w.z. met het bouwklaar maken van den bodem, tevens allerlei “bouwerij” te moeten entameeren. Mij persoonlijk trekt het aan, ook uit sportiviteitsoogpunt, alles van·den aanvang af zelf op te bouwen en te doorleven, al ben ik er me ten volle van bewust, dat mijn moeite en arbeid zeker ook teleurstellingen met zich zullen brengen. Wat den koopprijs van zoo’n bestaande bezitting betreft, deze hangt in hoofdzaak af van den ouderdom van het bedrijf en van de vorderingen, welke cultuur-technisch reeds bereikt zijn op het oogenblik van verkoop. Men bood hier. o.a. te koop aan een aardige boerderij met ca. 80 ha kampland, waarvan ca. 15 à 20 ha reeds bewerkt akkerland en kunstweiden, met boomgaard en gebouwen, zonder levende have, voor 40 contos de reis (thans ± f 4000.-). Het woonhuis is echter niet veel waard en zou alleen als knechtenwoning kunnen dienen. Veel billijker is natuurlijk land, dat zich nog in zijn oertoestand bevindt en nog niet in cultuur is gebracht (oerbosch en kampland). Teneinde niet in herhalingen te vervallen, verwijs ik naar hetgeen ik o.a. over de grondprijzen e.d. vermeld heb in mijne vorige brieven.

Ik adviseer iedereen, die naar Brazilië zou willen komen, zich “hier” op deze ruime, mooie en wijde hoogvlakte van Paraná te vestigen. Al is de kwaliteit van boschgrond aanmerkelijk beter dan van het “kamp”, de klimaatsomstandigheden en het arbeidsprobleem spelen een dermate groote rol, dat de aankoop van “ploegbaar terrein” zeker is aan te bevelen. Hier·wordt veel reclame gemaakt voor het koloniseeren op boschgrond en inderdaad is er veel meer boschgrond dan·ploeggrond te koop. De ontginning der oerbosschen kan m.i., het best aan de hier geborenen overgelaten worden. Ploegbare kampgrond stijgt met toepassing van behoorlijke stalbemesting en kunstmest snel in waarde en werkt zichzelf spoedig omhoog, daar op deze mooie hoogte van ± 1050 meters, met een gemiddelde temperatuur van 16°C een jaarlijkschen regenval van 12 tot 1500 mm landbouwgewassen kunnen gedijen, terwijl het een ideaal land is voor veeteeltbedrijf. Ernstige candidaten zal ik gaarne individueel duidelijke en uitvoerige adviezen geven en elke gestelde vraag naar beste weten beantwoorden.

Liefhebbers voor Carambehy zullen zich moeten haasten, daar de beschikbare gronden snel verminderen. Zoo kocht o.a. een actief Hoofd-Officier in het Indische Leger reeds nu door bemiddeling van een medebewoner hier (eveneens gepensioneerd Hoofdofficier v.h. Ned.-Ind. Leger) 200 ha kampland voor zij zoons, terwijl de familie eerst in 1941 hier zal arriveeren. Voor meer kapitaalkrachtige gegadigden zijn in de onmiddellijke nabijheid van hier nog mooi gelegen fazenda’s te koop.Wat de mogelijkheden betreft om zich hier blijvend te kunnen vestigen, de wettelijke bepalingen zijn momenteel zeer verward en het is vrij lastig de vestigingspapieren in orde te krijgen. Er zijn echter nieuwe bepalingen in bewerking, welke binnenkort het binnenkomen van vreemdelingen aanmerkelijk zullen vergemakkelijken. De vrees voor het communisme zit er hierbij dehuidige Regeering in en het is te begrijpen, dat de immigratiemaatregelen verscherpt werden. Het verkrijgen der benoodigde papieren voor blijvende vestiging is betrekkelijk gemakkelijk, als men den weg eenmaal weet, doch dit is niet de juiste plaats hierover verder uit te wijden, daar de censuur hier eveneens zeer verscherpt is. Ik stel me echter voor iederen belanghebbende geheel disponibel om hem volkomen in te lichten en gerust te stellen.

Wat betreft het totaal aantal Hollanders in deze contrijen moge dienen, dat op het feest, dat hier te Carambehy gevierd werd ter eere van de heuglijke gebeurtenis in onze Prinselijke Familie [gedoeld wordt op de geboorte van prinses Beatrix op 31 januari 1938] zeker 200 deelnemers en deelneemsters, groot en klein, aanwezig waren. Dit handjevol vaderlandslievende Hollanders is niet achtergebleven en heeft spontaan aan zijn vreugde uiting gegeven. Het is een schitterend geslaagd feest geworden, dat zeker niet minder zal zijn geweest dan dat van andere feestvierende groepen Nederlanders in alle uithoeken der wereld. De feestrede en het dankgebed van Dominé Muller maakten diepen indruk op ons allen en toen onder het zingen van ons “Wilhelmus” onze Hollandsche driekleur naast de Braziliaansche vlag geheschen werd door den oudsten hier woonachtigen Hollander, den 80-jarigen oud-Officier der Grenadiers en Jagers, den heer Leegstra, werd het de meesten onzer te machtig en beleefden wij een diep ontroerend oogenblik. Wij voelden toen, dat we “Hollanders” zijn en ook zullen blijven.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.

 

“Wij zullen slagen”

Op vrijdag 4 maart 1949 werd op het boerencentrum ‘Ons Erf’ van de KNBTB afscheid genomen van emigranten die op het punt stonden om te vertrekken naar Brazilië en Canada. Hoofdgast op de bijeenkomst was kardinaal Johannes de Jong, die bij die gelegenheid aan hen missiekruizen uitreikte. ‘Emigreer onder Gods zegen voor Kruis en Ploeg’ stond op de achterzijde van deze kruizen geschreven. ‘Een staal van onze beste mensen, die ’n prachtig boerenideaal aan een vlammend missieideaal paren, maakte op De Steeg ’n onvergetelijke dag mee,’aldus het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder van 12 maart 1949.

Toespraak van de kardinaal
In zijn toespraak stond mgr. De Jong allereerst stil bij het waarom van de emigratie. ‘Iedere tijd heeft zijn eigen problemen. Enige jaren vóór de oorlog heerste er een verschrikkelijke werkloosheid bij de jonge werkman, en hier in De Steeg werd het eerste jeugdwerklozenkamp gesticht om deze nood te lenigen.
Kardinaal de Jong                Thans na de oorlog doet zich in ons land een soortgelijke moeilijkheid voor bij jonge boeren en tuinders, die weliswaar nog wel werk hebben, maar zo uiterst moeilijk kunnen komen tot datgene waarvoor zij zich jaren lang bekwaamd hebben en waarnaar zij steeds weer zijn gaan verlangen: een gezin te stichten op eigen erf. Voor zover menselijke berekening van de toekomst mogelijk is, is het te verwachten dat dit probleem nog jaren lang zal blijven bestaan. Zodoende dat ook gevestigde boeren en tuinders met vooruitziende blik zich bezorgd maken over de toekomstmogelijkheden van hun kinderen. De overgang naar de industrie en andere beroepen is een der oplossingen van dit vraagstuk. Behalve dat dit echter voor sommige jonge boeren bijna onoverkomelijke moeilijkheden oplevert, is het een grote vraag of deze beroepen en industrieën zich in de toekomst zo sterk kunnen blijven uitbreiden, dat ze voor een plaats kunnen blijven bieden.

In het koetshuis van Rhederoord was van 1948 t/m 1951 de Volkshogeschool ‘Ons Erf’ van de KNBTB gevestigd. Veel aspirant-emigranten werden hier voorbereid op hun vertrek. Foto: Wikimedia

Alle mogelijkheden uitbuiten
Wijs beleid is het ook naar andere mogelijkheden o.a. de agrarisatie uit te zien. Al degenen in Nederland die dit enigszins kunnen, dienen te bevorderen dat door ontginning, inpoldering, juiste indeling en verdeling der gewonnen gronden de mogelijkheden die er liggen voor onze jonge boeren en tuinders binnen de grenzen van ons vaderland ook werkelijk worden uitgebuit. Een exploitatie van onze Nederlandse bodem die niet voldoende rekening houden met dit sociale probleem, zou te kort schieten t.a.v. de eisen die de sociale rechtvaardigheid en liefde stellen.
                De oplossing door emigratie is een feit geworden waarvan de realiteit het best tot ons doordringt, wanneer we ons bevinden te midden van een groep durvende mensen die hun vaderland vaarwel zeggen om voor een kroostrijk nageslacht tot in lengte van jaren ruimte te vinden. Ondanks alle moeilijkheden en gevaren aan deze stap verbonden, willen wij toch onze zegen daarover geven, mits de nodige maatregelen worden genomen om de gevaren te ondervangen. Evenals voor de jongens en meisjes uit onze boerenstand die zich als missionaris en missiezuster naar vreemde landen begeven, is ook voor emigranten voorbereiding op allerlei terrein, heel bijzonder ook op godsdienstig gebied, een eerste vereiste. (…)
                Betekent emigratie dan geen ontrouw aan het oude moederland, ons dierbaar Nederland? Neen, geliefde emigranten, ook heengaan kan goed zijn voor de achterblijvers. Daarbij denk ik niet uitsluitend aan het feit dat uw heengaan een bijdrage betekent aan de oplossing van het jonge boerenprobleem. Juist wanneer uw komst in het nieuwe land ook een zegen betekent voor dit land is het mogelijk, dat emigratie gaat uitgroeien tot een beter begrip tussen de volkeren der wereldgemeenschap.’

Wij zullen slagen
Tijdens de emigratiedag op ‘Ons Erf’ richtte kardinaal zich speciaal tot ir. J.G. Heymeijer: ‘Zeer groot respect en bewondering heb ik voor uw initiatief, ir. Heymeijer, en ik waardeer het bijzonder dat U nu zelf op 11 maart vanuit Rotterdam naar de kolonie in Brazilië vertrekt. Ik hoop dat God U, uw familie en de emigranten rijkelijk zal zegenen’.
                Heymeijer antwoordde hierop: ‘Ik dank U eminentie voor deze woorden, die me niet alleen ’n extra steun geven maar nog meer moet om ’t werk in Brazilië aan te pakken. Deze onderneming heeft als basis en krachtbron het gezegende kruis. Om dit kruis te vinden moet de emigrant over ’n kleine Calvarieberg.
Heymeijer en kardinaal                Wij jachten niet naar goud en roem, ons enig doel is de toekomst van onze kinderen niet materieel maar godsdienstig te verzekeren. De fabriek blijft ’n gevaarlijk terrein en wij willen onze kinderen in een geest opvoeden zoals wij zelf opgevoed zijn. Soms is onze vrees voor deze emigratie groter dan nodig. Wij kunnen er niets aan doen dat wij weg moeten, Nederland is te klein en wij worden eruit geperst. Maar wij namen voor deze zo belangrijke stap de uiterste voorzorgen en is ’t dan niet doodeenvoudig, dat Onze Lieve Heer voor de rest zorgt? De Brazilië-emigratie stellen wij op een volkomen religieus plan. Wij zullen werken, gelukkig zijn en onze kinderen degelijk opvoeden. Daarom werd ondanks alle moeilijkheden, gevaren en risico’s, steeds doorgezet. Daarbij bleef de overtuiging dat wij Gods hulp hebben herhaaldelijk mochten wij dit in concrete en sprekende voorvallen ondervinden. Mits allen overtuigd zijn, dat de basis waarop wij gaan ’n godsdienstige basis is, zullen we slagen en in Brazilië iets groots en moois bouwen.’