Wij zochten land in Brazilië (III)

Na de muzikale break ging Heymeijer in zijn radiopraatje in op de vraag of Brazilië een geschikt emigratieland was voor de Nederlandse boeren. Hij was kritisch, maar zag wel mogelijkheden, mits er aan een aantal voorwaarden zou worden voldaan. Hij citeerde de Zuid-Amerikakenner Willem Julius van Balen (1890-1984) die kort daarvoor had geschreven dat de bodem van het continent gedrenkt was met het zweet, de tranen en het bloed van tienduizenden.

Na dit muzikale uitstapje, luisteraars, keeren wij terug naar ons uitgangspunt: wij zochten land in Brazilië: boerenland. Men zou zoo zeggen (…) dat dit niet zoo moeilijk geweest zal zijn en wel overal te vinden en dat het verder zeer aantrekkelijk moet zijn in dit land te leven en gemakkelijk om er geld te verdienen. Zoo eenvoudig is het echter niet, luisteraars, want iedere medaille heeft een keerzijde en zoo zijn er omstandigheden, die ik in het begin noemde en die zoo gunstig leken – en het inderdaad ook zijn – evenzoo vele factoren, die de vestiging als landbouwer kunnen bemoeilijken. Ik wil een paar voorbeelden noemen.

De geweldige uitgestrektheid van het land en de dunne bevolking, die eenerzijds de ruimte voor onze boeren waarborgen, zijn anderzijds weer oorzaak van een zeer moeilijk en zeer kostbaar verkeer. De afzet van de producten naar de consumptiegebieden levert in vele gevallen zulke ernstige moeilijkheden op, dat het niet de moeite loont om die producten te gaan verbouwen. Die geweldige ruimte is ook aanleiding geweest tot die groote bedrijven (…) maar ook door het beoefenen van roofbouw. En dat heeft weer tot gevolg, dat de bodem in vele streken uitgeput en verarmd is. Men heeft toch grond genoeg! Maar het gevolg daarvan is, dat de goede grond steeds verderaf gezocht moet worden.

Het prachtige klimaat, dat het leven daar zeer veraangenaamt, kan echter den boer in sommige gevallen leelijk parten spelen, omdat de regenval niet zoo goed verdeeld is als hier, maar maandenlang geheel kan ophouden. In die periode groeit er dus geen gras voor het vee en soms kan de periode zoo lang aanhouden, dat ook andere gewassen verdrogen. Daarbij zijn er ook uitgestrekte gebieden, waar het zóó warm is, dat het voor den Nederlandschen boer niet mogelijk is om te werken.

Allen bij elkaar moesten wij dus zeer goed uitzien om geschikten grond te vinden voor onze boeren en tuinders, want ook in den tuinbouw zitten wel mogelijkheden. Wij zochten dus naar terreinen, die in een goed klimaat waren gelegen, die behoorlijke verbindingen hebben en dus goede afzetgebieden bieden en waar de grond goed was. Wij hebben nu enkele gebieden op het oog en daarvan wordt de grond door een van ons [ir. W.F. van Beers, MS] nader onderzocht. Definitieve resultaten moeten we dus nog afwachten. Ook andere moeilijkheden moeten nog worden opgelost, maar daarover kan ik U in de 10 minuten, die mij zijn toegemeten, niet praten. Slechts een wil ik er noemen en dat is, dat wij niet vergeten mogen, dat wij ons geld niet naar Brazilië mogen meenemen en dat wij dus voor onze bedrijfscredieten geheel op Brazilië zijn aangewezen. En verder wil ik U wel zeggen, wat onze conclusie is. In het kort komt dit erop neer, dat wij niemand durven aanraden op zijn eentje naar Brazilië te emigreeren. Daarvoor zijn de moeilijkheden te groot en te velerlei. Practisch gesproken is het voor onze boeren alleen mogelijk in Brazilië te slagen, indien dit geschiedt in groepsverband onder goede leiding en met een staf van lieden, die de moeilijkheden op het gebied van den landbouw, van het vervoer en van den verkoop en de verwerking van het Nederland en de ABC-statenproduct mede helpen oplossen. Voor hen, die meenen op eigen beenen te kunnen staan en in een geheel vreemde omgeving succes te hebben met werkmethoden, waaraan men in eigen land gewend is, wil ik de harde woorden herhalen die, Mr. Van Balen in zijn boek Nederland en de A.B.C.-staten, woorden, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten. Van Balen schrijft dan: ‘Om het nu maar eens heel kras uit te drukken: de bodem van Zuid-Amerika is gedrenkt met het zweet, de tranen en bloed van tienduizenden, die aldus gemeend hebben, zich wel op den duur omhoog te kunnen werken. Enkelen zijn geslaagd en hun schitterend voorbeeld heeft vele anderen verblind, doch het overgroote meerendeel is op den Zuid-Amerikaanschen akker ondergeploegd als mest, waarvan op zijn gunstigst volgende generaties het voordeel zullen trekken.’

Dit is inderdaad kras uitgedrukt en naar mijn meening gelden deze woorden niet uitsluitend voor Zuid-Amerika. Ook in Frankrijk en andere emigratielanden zijn er vele, zeer vele mislukkelingen ten onder gegaan, omdat zij niet voldoende waren voorbereid. Maar die woorden mogen een waarschuwing zijn voor onverantwoordelijke optimisten – wij hebben er ontmoet in Brazilië – die meenen, dat emigreeren een plezierreis is. En aan den anderen kant houdt het een les in voor ons om goed uit te zien en niet over ijs van één nacht te gaan. Laat ons hopen en ook bidden, luisteraars, dat wij erin slagen zullen door goed onderzoek, door een goede organisatie en door taaie volharding in Brazilië een gelukkige toekomst te scheppen voor een groot aantal Nederlandsche boeren en tuinders.

Bronnen: KDC, Archief KNBTB, inv.no. 3390; J.W. van Balen, Nederland en de ABC-staten (Amsterdam 1945), pp. 247-248.

Wij zochten land in Brazilië (I)

In november 1946 vertrok in opdracht van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) een commissie bestaande uit oud-secretaris Geert Heymeijer, het hoofd van de landbouwkundige afdeling van de Wieringermeerdirectie Chris van Steen en bodemkundige Wim van Beers naar Brazilië met als opdracht de mogelijkheden voor vestiging van Nederlandse katholieke jonge boeren te onderzoeken. Op 19 maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug in Nederland. In zijn rapport sprak Heymeijer over moeilijkheden, maar ook over mogelijkheden. In het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder deed hij verslag van zijn bevindingen. In de eerste aflevering van 12 april 1947 zette hij uiteen waarom het noodzakelijk was om alleen goed voorbereid en in groepsverband naar Brazilië te trekken. Hij wees daarbij op de teleurstellende ervaringen die een Nederlandse emigrant eerder in Brazilië had opgedaan.

‘Gisteren kreeg ik een brief van een Gelderschen boer. Een goede brief, een verstandige brief. Die boer is een oude pionier die 13 jaar in Brazilië geweest is. Hij vertrok in 1909 met een groep. “Wij werden met een 50-tal gezinnen in een stuk oerwoud neergezet en met 20 gezinnen in een barak gestopt,”schrijft hij. “Ieder moest maar zien hoe hij op het land (oerwoud) dat hem werd toegewezen een hut bouwde. Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak daar zeker geslaagd zijn en dan zou er niet zooveel ellende en honger geleden zijn.. En dan vraagt men mij waarom ik zelf zoo enthousiast ben om te emigreeren. En dan is mijn antwoord: omdat ik heimwee heb naar Brasil…”

Ik kan mij dat voorstellen, heimwee naar Brasil, ondanks de geleden ellende. Daar is iets in dat land, dat je vast houdt als je het verlaten gaat. Wat dat is, wie kan het precies zeggen? Maar het zal de zon zijn, de prachtige lucht, het eewige groen, de ruimte, de vrijheid… Het is een goed land, Brazilië maar er wordt veel ellende geleden, heel veel en toch… het schijnt wel, dat de ellende daar beter te dragen is dan elders, of dat de Brazilianen het beter verdragen kunnen dan wij verwende Hollanders kunnen begrijpen!

“Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak zeker geslaagd zijn,” zegt mijn briefschrijver. Daarmee slaat hij den spijker op zijn kop. Emigreeren naar Brazilië zonder uiterst degelijke voorbereiding en zonder voorlichting en organisatie loopt bijna steeds op een mislukking uit. De kolonie van onzen Gelderschen boer bestaat niet meer, verschillende pogingen van Nederlandsche kolonisaties in deze eeuw zijn mislukt. Slechts één groep heeft zich weten te handhaven en leeft thans in zekeren welstand. Maar tal van andere emigratiepogingen van buitenlanders leden jammerlijk schipbreuk. De fouten, die vroeger gemaakt zijn, dienen te worden voorkomen en dan zal Brazilië inderdaad kansen bieden op een redelijk bestaan en een gelukkig leven voor den Nederlandschen boer.

B&T120447Ik heb in de bijna 4 maanden, die wij in Brazilië doorbrachten, verschillende mislukkingen gezien van kersversche emigranten, die meenden op eigen beenen te kunnen staan en met hun Nederlandse werkwijze in een geheel andere omgeving gemakkelijk succes te zullen betalen. Het moge een waarschuwing inhouden voor al-te-grage en ongeduldige candidaat-emigranten. Dat ongeduld kan ik mij voorstellen, maar het is beter een jaar te wachten en goed terecht te komen in dit verre en vreemde land, dan de onmiddellijke wenschen vervuld te zien en spoedig op de boot te zitten om straks in ellende onder te gaan.

Daarbij hebben heel veel candidaat-emigranten geen flauwe notie wat emigreeren beteekent en een totaal onjuiste voorstelling van het land, waar zij hun toekomst hopen op te bouwen. Aan de hand van de zeer schaarsche gegevens, die in ons land over Brazilië te krijgen zijn, bouwen zij in hun phantasie een droomenland op, dat waarschijnlijk wel aan hun wenschen, maar heelemaal niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Voor hen die zóó vertrekken zal de ontgoocheling bitter zijn.
Emigreeren naar welk land dan ook doet men niet voor zijn plezier, maar het is voor velen een harde noodzaak. Maar het is in het belang van den emigrant en tenslotte ook in het belang van ons land, dat de emigrant zoo goed mogelijk voorbereid vertrekt. Voorbereid op een hard leven gedurende eenige jaren, voorbereid op tegenslag, voorbereid op moeilijkheden, bereid en in staat om dit alles te dragen en te weerstaan.

Laat dit genoeg zijn voor degenen, die meenen in Brazilië gemakkelijk en snel rijk te worden; zij kunnen die illusie gerust uit hun hoofd zetten. Maar voor den vakbekwamen boer, die liefst van vele markten op het agrarisch terrein thuis is, die zich aan vreemde toestanden en gewoonten weet aan te passen, ligt er in Brazilië een goede kans, die echter naar mijn meening in het algemeen alleen gegrepen kan worden, indien in groepsverband geëmigreerd wordt. Slechts aan weinigen met een speciaal karakter zal het lukken, als enkeling te slagen. De voorbereiding van een groepsemigratie kost echter veel tijd, zorg, geld en geduld. Hoe dringend de emigratie van onze boeren ook is, wie verantwoordelijkheid moet dragen voor de toekomst van velen, die hun heil in het buitenland zullen moeten zoeken, moet eischen, dat deze dingen zorgvuldig worden voorbereid en goed georganiseerd. Er staan te groote belangen op het spel.

Wij zochten land in Brazilië! Het is niet zoo eenvoudig om de ervaringen en indrukken, die wij ginds opdeden, in enkele woorden te vertellen en nog moeilijker om een antwoord te geven op de vraag, die velen op de lippen brandt: Is Brazilië een emigratieland voor onze boeren? Er zijn vele moeilijkheden en het “neen” zou eenvoudig zijn, ware het niet, dat onze verantwoordelijkheid ons er van weerhield om door dat “neen” een groot land met naar onze meening op den langen duur nog zeer groote mogelijkheden voor onze boeren af te sluiten. Anderzijds verbiedt onze verantwoordelijkheid ons ook om op deze vraag een onbevangen “ja” te antwoorden. Dat zou den ondergang van velen kunnen beteekenen.’