Eindelijk…..Brazilië! (2 – slot)

Bij de start van de jonge nederzetting, die later beter bekend werd als Holambra was initiatiefnemer Geert Heymeijer vol vertrouwen. Vertrouwen in God en vertrouwen in de capaciteiten van de pioniers en vertrouwen in de mogelijkheden die Brazilië te bieden had. In het artikel dat Boer en Tuinder op 18 december 1948 – kort voor het vertrek van de eerste grote groep emigranten – publiceerde, bekende hij dat hoewel hij oog had voor de moeilijkheden, steeds meer de mogelijkheden was gaan zien. ‘Onze kracht ligt in de kwaliteit!’, zo besloot hij dit verslag van de werkzaamheden van de pioniers van de Fazenda Ribeirão.

Vertrouwen.
Dat zijn zo de kleine moeilijkheden van het begin, maar dat betekent niets tegenover de grote mogelijkheden die wij zien, en tegenover datgene wat wij nu al hebben. Want ik zei toch, dat wij niet helemaal zonder zitten. We hebben een kleine steenbakkerij, we hebben een waterval en tal van kleine rivieren, die bevloeiing in de droge tijd mogelijk maken. We hebben een meer met krokodillen er in, en we hebben een bos met apen. En niet te vergeten: we hebben Willem Miltenburg met zijn onverwoestbaar optimisme en met zijn jeep, die de meest onwaarschijnlijke terreinhindernissen neemt. We hebben ook nog de onderwijzeres van het Fazendaschooltje, dat op het ogenblik nog maar weinig leerlingen telt, hoofdzakelijk van de “buren”. Die onderwijzeres, een vlotte Braziliaanse, geeft iedere avond Portugese les aan de Hollanders.

Maar wat wij bovenal hebben is: vertrouwen. Vertrouwen op de eerste plaats in Gods onmisbare zegen. Een paar weken geleden hebben wij onder het afsmeken daarvan de eerste spade in het Ribeirãoland gestoken. Een dezer dagen hebben wij bezoek gehad van drie Hollandse zustertjes, die al een half jaar in São Paulo zijn om te acclimatiseren en zich straks, met nog enkele andere en een pater, op de kolonie komen vestigen. Zij hebben gebeden en wij met hen, en zij hebben het eerste zaad aan de aarde toevertrouwd.

Met Nederlandse vakkennis en Nederlandse energie.
Vertrouwen hebben wij ook in de capaciteit van onze pioniers en in de mogelijkheden, die dit land onder bepaalde omstandigheden biedt. Het is de derde maal, dat ik hier voor enkele maanden rondtrek, en ik heb mijn ogen en oren goed de kost gegeven. De eerste keer waren mijn indrukken nogal gemengd en was ik meer onder de indruk van de moeilijkheden dan van de mogelijkheden, die Brazilië oplevert. Op mijn tweede reis en thans ook op mijn derde reis zie ik de moeilijkheden niet minder, maar de mogelijkheden duidelijker. Wanneer men zie wat hier en daar, al is het slechts sporadisch vooral door Italianen en andere vreemdelingen op allerlei gebied is bereikt, dan begrijpt men, wat prima vakkennis, gepaard aan doorzettingsvermogen en organisatietalent waard is. En over deze capaciteiten zal de keurbende van onze emigranten ongetwijfeld beschikken. Een krachtige organisatie zal de inderdaad vele en grote moeilijkheden, die er te overwinnen zijn, uit de weg ruimen, al zal het in den beginne dan ook langzaam gaan. Maar op den duur moeten wij het winnen. Wij zullen ook veel moeten experimenteren en ook dat zal oorzaak zijn van een betrekkelijk langzaam vooruit gaan. Op tegenslagen en mislukkingen moeten wij dus rekenen, maar zijn wij daaroverheen, dan zullen de pioniers dankbaar kunnen neerzien op het grootste werk, wat tot stand is gebracht.

Wanneer Miltenburg en ik het terrein doorkruisen, dan zien wij al die boerderijen daar liggen, tussen de zacht glooiende heuvels in de schitterende natuur, het verbeterde land en de verbeterde wegen, het Hollandse vee, dat hier met een goede behandeling best wil gedijen, de kerk, het klooster en de zuivelfabriek, de magazijnen en de monteurswerkplaats, de steenfabriek en wie weet wat nog meer. We zien de vrachtauto’s rijden naar São Paulo over de grote weg, die al voor bijna de helft een brede betonbaan heeft, om de melk weg te brengen, die daar goede prijzen oplevert, de varkens, de slachtkippen en de eenden, de groenten en wellicht ook de bloemen en het fruit. Wij zijn er ons van bewust, dat wij dan iets gemaakt hebben, wat Brazilië nog niet heeft gezien, en evenzeer dat dit moet kunnen en zal kunnen. Maar wij staan met beide benen op de grond en weten in alle nuchterheid, dat het nog niet zo ver is, nog lang niet, en dat er nog menige zweetdruppel zal vallen op de Braziliaanse grond en dat nog menige zucht geslaakt zal worden.

Onze kracht ligt in de kwaliteit! Kwaliteit van de pioniers, van de mannen en – niet minder, zo niet meer – van de vrouwen. Er zal veel van hen geëist worden. Van het karakter op de eerste plaats: godsdienstzin en eenvoudig Godsvertrouwen, doorzettingsvermogen en optimisme, een grote saamhorigheid, verdraagzaamheid en bereidheid om eigen wensen en verlangens aan het belang van anderen of van de gemeenschap op te offeren, soberheid en eenvoud, en ten slotte harde en gestage arbeid. Op de tweede plaats aan de kennis en het technische kunnen. Veel en veelsoortig werk zal moeten worden gericht en wij zullen daarvoor allround kerels nodig hebben. Er is nog heel veel te doen, maar het werk zal beloond worden.

Eindelijk….Brazilië!

Na twee jaren van voorbereiding en onderhandelen met de Braziliaanse autoriteiten was in november 1948 de aankoop van de Fazenda Ribeirão, een verlaten veefazenda van het Amerikaanse vleesconcern ‘Armour’ eindelijk geregeld. Al vanaf juli 1948 was een groep pioniers met Nederlands stamboekvee op de fazenda aanwezig om de ontginning op gang te brengen en de komst van de eerste emigrantengezinnen voor te bereiden. Op 18 december 1948 publiceerde Boer en Tuinder een brief van Geert Heymeijer met zijn indrukken van de pionierstijd.

Fazenda Ribeirão, Brazilië.
Ik zit te schrijven aan de enige tafel, die de kleine kolonie rijk is. Door het raam zie ik op een brede rand hoge struiken met grote felrode papegaaibloemen; de witte muur van de paardenstal blinkert er doorheen en verderop wuiven de slanke eucalyptusbomen tegen een achtergrond van flauw golvende heuvels en een stuk blauwe lucht. Het is winter hier en het klimaat is thans zo ideaal als men maar wensen kan. Daar zitten wij dan met vier mannen, één vrouw en twee kinderen, met vijfduizend hectaren voor ons om te ontginnen. Eindelijk, na bijna twee jaren van zoeken, onderhandelen en voorbereiden is het er van gekomen. Vijfduizend hectaren zijn ons eigendom geworden en zij liggen te wachten op de Nederlandse boeren, het Nederlandse vee en de tractoren.
We zitten hier nogal erg primitief en de kolonisten zullen zich wel een tijdlang moeten behelpen met een minimum aan comfort; het menu is nog niet overdadig, want de productie is nog niet begonnen. Zwarte koffie met zelfgebakken brood aan het ontbijt en ’s middags het nationale voedsel: rijst met bonen, en ’s avonds…. bonen met rijst (meel is duur en schaars). De sinaasappelbomen zijn grondig leeggeplukt door de vertrekkende eigenaren; de bananen zijn nog niet rijp maar de Nunhemse worteltjes, de sla en de tomaten staan al boven de grond. En de volgende week komen de koeien, die Willem Miltenburg uit Holland meebracht en nu nog in quarantaine staan.

Tractoren ronken dag en nacht.
Als de lezers dit onder het oog krijgen, zullen de tractoren waarschijnlijk reeds ronken over het terrein. Dag en nacht zullen ze doordraaien en het land openscheuren met de machtige schijfploegen, want voor december moeten er 1000 hectaren met mais, rijst en bonen bezaaid zijn. En intussen draven de vier bruinzwarte Brazilianen, die wij vanmorgen hebben aangesteld, dag en nacht op hun kleine paardjes het terrein rond om het te bewaken. Want een pas verlaten fazenda is een begerenswaardig object voor lieden, die van jagen en vissen houden of behoefte hebben aan prikkeldraad, dat hier verschrikkelijk duur is, of aan de ijzerharde heiningpalen, die hier bij duizenden staan.

Problemen.
Denk nu maar niet, dat alles zo eenvoudig gaat in dit land. Wie het niet zelf gezien heeft, kan er zich geen beeld van vormen en zich de moeilijkheden niet voorstellen, die overwonnen moeten worden. – Neen, ons geduld zal nog dikwijls zwaar op de proef worden gesteld en wij zullen ons nog vaak moeten verbijten, alvorens wij een beetje behoorlijk behuisd zijn en vooral voor we voldoende in de spullen zitten. Materiaal om te werken en grondstoffen vormen het grote probleem hier.
Een schop en een hamer zijn heus niet voldoende om 5000 hectaren te lijf te gaan waar alles ontbreekt en waar de meest primitieve problemen nog moeten worden opgelost. Problemen van water, licht en kracht. Problemen van transport, dat altijd grote afstanden betreft en over wegen gaat, die in modderpoelen veranderen na een flinke regenbui. Problemen van aanvoer van materiaal en niet het minst het probleem van de taal… van de duiten!

Kerkgang: 40 km heen en 40 km terug
De mensen “thuis” kunnen zich eenvoudig niet indenken wat het betekent als je op vele kilometers afstand geen smid hebt en geen smidse, geen timmerman, geen spijkers en geen hout, om van een bakker en een slager, een monteur en een metselaar maar niet te praten. Voor de zondagse kerkgang moet een rit gemaakt worden van 40 km heen en 40 km terug. Maar dan genieten we daarna ook met volle teugen van de gulle gastvrijheid van de Hollandse paters, die zich daar in Campinas hebben gevestigd en van wie wij reeds veel materiële en geestelijke hulp hebben ondervonden.
Maar helemaal zonder iets zitten we toch niet. Wij hebben een waterkrachtturbine, die 10 p.k. kan leveren en bovendien nog een stroomversnelling, die een vermogen kan opbrengen van 50 p.k. We hebben een bos van een paar honderd ha waarin nog gekapt en gezaagd moet worden en over vrij grote afstand naar het centrum gesleept.
Aan de turbine was een cirkelzaag gemonteerd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd en ze hebben de cirkelzaag niet vergeten. Maar daarop was gerekend en een cirkelzaag behoorde tot de uitzet van de eerste pioniers, die in april vertrokken. Nu moet dat geval echter nog gemonteerd worden en moet er een werkbank worden gefabriceerd. Wat overtallige stalstijlen leverden het materiaal. Prachtig hout, maar keihard en je kreeg er geen spijker door. Met bouten en moeren moet de zaak nu in elkaar worden gezet en Henk Ruhe toog er vanmorgen op uit met de bus naar het dichtst bijzijnde stadje op 15 km afstand. Het hele plaatsje werd “uitgekamd” op bouten en de oogst was 30 tweedehands bouten en moeren voor de somma van ƒ 11,30. En dan zeiden ze nog dat het goedkoop was!

Wij zochten land in Brazilië (IV – slot)

De commissie-Heymeijer verontschuldigde zich in haar rapport over het feit dat niet erg vleiend voor Brazilië en de Brazilianen. Zij meende in het belang van hen ‘voor wier toekomst wij ons verantwoordelijk achten’ er goed aan te doen de situatie met een kritisch oog te moeten bezien. ‘Indien (…) een gelegenheid gevonden wordt, waar inderdaad redelijke kansen voor Nederlanders bestaan (…), dan zullen degenen, die dan toch besluiten den stap te doen en de moeilijkheden het hoofd te bieden, voor het grootste deel wel blijken te zijn gesneden uit het hout, waaruit men pioniers snijdt. En deze lieden zullen slagen. Stelt men aan den anderen kant zaken te gunstig voor en wordt over de moeilijkheden maar luchtig heengegaan, (. ..) dan zullen velen verleid worden te emigreeren, voor wie de werkelijkheid een bittere teleurstelling zal beteekenen. Dit moet tot iederen prijs voorkomen worden, niet alleen in het belang van de slachtoffers, maar in het belang van de emigratie in het algemeen.’
                In 1973, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Holambra, blikte Heymeijer terug op het werk van zijn onderzoekscommissie. Hij gaf toe Brazilië in korte tijd te hebben gezien met Nederlandse ogen en te hebben aangehoord met Nederlandse oren. ‘Bij voorbaat kon gesteld worden, dat ons oordeel wat eenzijdig en zeker niet definitief kon zijn. Wij waren ons daar van bewust en daarmede ook van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van al te grage emigranten. Groepsemigratie zou de aangewezen wijze van emigratie zijn en dan waren er ook goede perspectieven. De candidaat-emigranten zouden goed voorbereid dienen te worden en er niet al te gemakkelijk over moeten denken om de stap te doen.’
                Het weekblad Boer en Tuinder publiceerde op 12 april 1948 de volgende conclusies van de commissie-Heymeijer:

  1. Waar voldoende arbeidskrachten zijn en redelijke transportmogelijkheden is de rentabiliteit van den landbouw in Brazilië op het ogenblik goed; in de koffie- en katoencultuur zelfs zeer goed. Dit laatste geldt ook voor den tuinbouw en de melkveehouderij in de omgeving van de groote steden. De economische toestand van Brazilië is op het moment zeer labiel; rekening moet worden gehouden met een daling van de prijzen der agrarische producten. Dit zal in mindere mate het geval zijn met sommige eerste levensbehoeften: melk, groenen, fruit, aardappelen.
  2. Voor emigratie naar Brazilië komen alleen jonge bij voorkeur gehuwde personen met een groot aanpassingsvermogen in aanmerking. De emigrant dient er rekening mede te houden, dat hij een periode van economische en sociale moeilijkheden zal moeten doormaken. De laatste moeilijkheid is in het algemeen voor de vrouwen het grootst. Vestiging als landarbeider is ten sterkste af te raden, gelet op den zeer lagen levensstandaard van den plattelandsarbeider in Brazilië. In bepaalde gevallen kunnen bekwame Nederlandsche boeren in een redelijke positie in loondienst worden geplaatst. In verband met de vrijwel in alle opzichten van de Nederlandsche sterk afwijkende toestanden en volksaard is individueele emigratie van landbouwers in het algemeen af te raden. In bijzondere gevallen of voor personen met speciale eigenschappen kan individueele emigratie succes opleveren. In alle gevallen moeten de emigranten in Nederland zoo volledig mogelijk worden ingericht en gewaarschuwd voor de moeilijkheden, die hun wachten, terwijl in Brazilië daadwerkelijke hulp en voorlichting noodzakelijk is. Emigratie op goed geluk levert de meest ernstige gevaren voor economische en maanschappelijken ondergang op. Het medenemen van vrouw en kinderen is in dergelijke gevallen misdadig te noemen.
  3. De aan individueele emigratie verbonden nadeelen kunnen grootendeels worden ondervangen door vestiging in groepsverband. Dit is mogelijk voor betrekkelijk kleine groepen als deelpachter op groote landgoederen. Grootere groepen zouden zich kunnen vestigen door aankoop of in sommige gevallen door pacht van gronden in een bepaalde streek. Aan de vestiging van grootere groepen als zelfstandige landbouwers in een streek, waar uitbreidingsmogelijkheden bestaan, is om economische en sociale motieven verre de voorkeur te geven. De groep dient dan uit zooveel mogelijk homogene elementen te bestaan en in organisatorisch verband te worden gebracht.
  4. In het algemeen is aan koop van grond de voorkeur te geven boven pacht. Onder de huidige omstandigheden kan het pachten van grond voordeelen bieden, gelet op de betrekkelijk hooge koopprijzen en de onzekerheid met betrekking tot de waarde van de nationale munt in Brazilië; bovendien zijn de moeilijkheden om de vestiging te financieren bij koop aanzienlijk grooter. Mogelijkheden om een belangrijk gedeelte van de voor de financiering benoodigde geldmiddelen in Brazilië te vinden zijn aanwezig. De rentestandaard is echter in het algemeen zeer hoog.
  5. De landbouwbedrijven zijn in Brazilië in het algemeen veel grooter en de opbrengsten per H.A. lager dan in Nederland. Gelet op de financieringsmoeilijkheden kunnen de bedrijven, die aan Nederlandsche emigranten ter beschikking worden gesteld – naar Braziliaanschen maatstaf gemeten – slechts zeer klein zijn. Om op deze bedrijven een redelijk bestaan te verdienen zal de exploitatie door vakbekwame boeren en op meer intensieve wijze dan in Brazilië in het algemeen gebruikelijk is, moeten plaats hebben. In de meeste gevallen zal de grond moeten worden verbeterd. Voor de vaststelling van de minimale bedrijfsgrootte het aangeven van de wijze van verbetering van den bodem en het inrichten van de bedrijven op de meest rationeele wijze zijn wetenschappelijke studie en practische ervaring gedurende eenige jaren noodzakelijk.
  6. Alvorens tot groepsvestiging kan worden overgegaan is een nauwkeurig en verantwoord onderzoek van de betrokken streek noodzakelijk ten aanzien van bodem en klimaat, afzetmogelijkheden en sociaal-culturele omstandigheden. Indien tot groepsvestiging wordt overgegaan is het gewenscht overeenkomstig de Braziliaansche wetgeving een “cooperativa” op te richten, die financiële en technische leiding geeft. Tegelijk dient een afzetorganisatie in het leven te worden geroepen.
  7. Aangezien de mogelijkheid bestaat, dat Brazilië een bestaan kan bieden voor duizenden Nederlanders als kleinere, maar zelfstandige land- en tuinbouwers, is een ernstige poging, om de zeer vele aan emigratie naar dit land verbonden moeilijkheden te overwinnen en het nemen van een proef op voldoend groote schaal, verantwoord. Deze proef dient een aantal van 200-300 gezinnen te omvatten; de vestiging daarvan moet worden voorafgegaan door een kleinere groep van 20-30 pioniersgezinnen. Voor het slagen van de proefonderneming is de aanstelling van een of meer landbouwkundigen voor onderzoek en voorlichting als bedoeld onder 5 en 6 noodzakelijk. De aan het nemen van een proefneming gepaard gaande kosten zijn aanzienlijk lager dan die, welke moeten worden besteed aan de stichting van bedrijven op nieuwe gronden in Nederland.

 

Bronnen: Rapport W. van Beers, J.G. Heymeijer en C. van Steen (Rio de Janeiro), 12 februari 1947, in: NA, Archief Voorlopers NED, inv.no. 121; J.G. Heymeijer, ‘Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie naar Brazilië. Holambra, 1948-1973’, mei 1973, p. 6, [0655] in: NA, Archief Heymeijer, inv.no. 7; Boer en Tuinder, 12 april 1947.

Wij zochten land in Brazilië (I)

In november 1946 vertrok in opdracht van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) een commissie bestaande uit oud-secretaris Geert Heymeijer, het hoofd van de landbouwkundige afdeling van de Wieringermeerdirectie Chris van Steen en bodemkundige Wim van Beers naar Brazilië met als opdracht de mogelijkheden voor vestiging van Nederlandse katholieke jonge boeren te onderzoeken. Op 19 maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug in Nederland. In zijn rapport sprak Heymeijer over moeilijkheden, maar ook over mogelijkheden. In het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder deed hij verslag van zijn bevindingen. In de eerste aflevering van 12 april 1947 zette hij uiteen waarom het noodzakelijk was om alleen goed voorbereid en in groepsverband naar Brazilië te trekken. Hij wees daarbij op de teleurstellende ervaringen die een Nederlandse emigrant eerder in Brazilië had opgedaan.

‘Gisteren kreeg ik een brief van een Gelderschen boer. Een goede brief, een verstandige brief. Die boer is een oude pionier die 13 jaar in Brazilië geweest is. Hij vertrok in 1909 met een groep. “Wij werden met een 50-tal gezinnen in een stuk oerwoud neergezet en met 20 gezinnen in een barak gestopt,”schrijft hij. “Ieder moest maar zien hoe hij op het land (oerwoud) dat hem werd toegewezen een hut bouwde. Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak daar zeker geslaagd zijn en dan zou er niet zooveel ellende en honger geleden zijn.. En dan vraagt men mij waarom ik zelf zoo enthousiast ben om te emigreeren. En dan is mijn antwoord: omdat ik heimwee heb naar Brasil…”

Ik kan mij dat voorstellen, heimwee naar Brasil, ondanks de geleden ellende. Daar is iets in dat land, dat je vast houdt als je het verlaten gaat. Wat dat is, wie kan het precies zeggen? Maar het zal de zon zijn, de prachtige lucht, het eewige groen, de ruimte, de vrijheid… Het is een goed land, Brazilië maar er wordt veel ellende geleden, heel veel en toch… het schijnt wel, dat de ellende daar beter te dragen is dan elders, of dat de Brazilianen het beter verdragen kunnen dan wij verwende Hollanders kunnen begrijpen!

“Wanneer er toen goede voorlichting was geweest, zou die zaak zeker geslaagd zijn,” zegt mijn briefschrijver. Daarmee slaat hij den spijker op zijn kop. Emigreeren naar Brazilië zonder uiterst degelijke voorbereiding en zonder voorlichting en organisatie loopt bijna steeds op een mislukking uit. De kolonie van onzen Gelderschen boer bestaat niet meer, verschillende pogingen van Nederlandsche kolonisaties in deze eeuw zijn mislukt. Slechts één groep heeft zich weten te handhaven en leeft thans in zekeren welstand. Maar tal van andere emigratiepogingen van buitenlanders leden jammerlijk schipbreuk. De fouten, die vroeger gemaakt zijn, dienen te worden voorkomen en dan zal Brazilië inderdaad kansen bieden op een redelijk bestaan en een gelukkig leven voor den Nederlandschen boer.

B&T120447Ik heb in de bijna 4 maanden, die wij in Brazilië doorbrachten, verschillende mislukkingen gezien van kersversche emigranten, die meenden op eigen beenen te kunnen staan en met hun Nederlandse werkwijze in een geheel andere omgeving gemakkelijk succes te zullen betalen. Het moge een waarschuwing inhouden voor al-te-grage en ongeduldige candidaat-emigranten. Dat ongeduld kan ik mij voorstellen, maar het is beter een jaar te wachten en goed terecht te komen in dit verre en vreemde land, dan de onmiddellijke wenschen vervuld te zien en spoedig op de boot te zitten om straks in ellende onder te gaan.

Daarbij hebben heel veel candidaat-emigranten geen flauwe notie wat emigreeren beteekent en een totaal onjuiste voorstelling van het land, waar zij hun toekomst hopen op te bouwen. Aan de hand van de zeer schaarsche gegevens, die in ons land over Brazilië te krijgen zijn, bouwen zij in hun phantasie een droomenland op, dat waarschijnlijk wel aan hun wenschen, maar heelemaal niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Voor hen die zóó vertrekken zal de ontgoocheling bitter zijn.
Emigreeren naar welk land dan ook doet men niet voor zijn plezier, maar het is voor velen een harde noodzaak. Maar het is in het belang van den emigrant en tenslotte ook in het belang van ons land, dat de emigrant zoo goed mogelijk voorbereid vertrekt. Voorbereid op een hard leven gedurende eenige jaren, voorbereid op tegenslag, voorbereid op moeilijkheden, bereid en in staat om dit alles te dragen en te weerstaan.

Laat dit genoeg zijn voor degenen, die meenen in Brazilië gemakkelijk en snel rijk te worden; zij kunnen die illusie gerust uit hun hoofd zetten. Maar voor den vakbekwamen boer, die liefst van vele markten op het agrarisch terrein thuis is, die zich aan vreemde toestanden en gewoonten weet aan te passen, ligt er in Brazilië een goede kans, die echter naar mijn meening in het algemeen alleen gegrepen kan worden, indien in groepsverband geëmigreerd wordt. Slechts aan weinigen met een speciaal karakter zal het lukken, als enkeling te slagen. De voorbereiding van een groepsemigratie kost echter veel tijd, zorg, geld en geduld. Hoe dringend de emigratie van onze boeren ook is, wie verantwoordelijkheid moet dragen voor de toekomst van velen, die hun heil in het buitenland zullen moeten zoeken, moet eischen, dat deze dingen zorgvuldig worden voorbereid en goed georganiseerd. Er staan te groote belangen op het spel.

Wij zochten land in Brazilië! Het is niet zoo eenvoudig om de ervaringen en indrukken, die wij ginds opdeden, in enkele woorden te vertellen en nog moeilijker om een antwoord te geven op de vraag, die velen op de lippen brandt: Is Brazilië een emigratieland voor onze boeren? Er zijn vele moeilijkheden en het “neen” zou eenvoudig zijn, ware het niet, dat onze verantwoordelijkheid ons er van weerhield om door dat “neen” een groot land met naar onze meening op den langen duur nog zeer groote mogelijkheden voor onze boeren af te sluiten. Anderzijds verbiedt onze verantwoordelijkheid ons ook om op deze vraag een onbevangen “ja” te antwoorden. Dat zou den ondergang van velen kunnen beteekenen.’

Stukjes Nederland in Brazilië

Molen “De Immigrant”, Castrolanda.

150 jaar groepsmigratie tussen integratie en identiteit

Over de Nederlandse groepsmigratie is in de afgelopen decennia al veel literatuur verschenen. Zowel historici – waaronder ikzelf -, antropologen, sociologen, landbouwkundigen en geografen hebben dit verschijnsel dat zich nergens anders in die omvang heeft voorgedan, aan een serieuze studie onderworpen. Bovendien hebben ook de emigranten zelf hun geschiedenis te boek gesteld en zijn er ook enkele journalistieke werken over de Nederlandse groepsvestigingen verschenen.

Opvallend is dat er nauwelijks pogingen ondernomen zijn voor een integrale benadering van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië. Het boek Praktijk en patroon van recente Nederlandse groepsmigraties van Willem van der Mast is een uitzondering, maar dateert alweer van 1963. Ook Kees Wijnen’s rapport De Nederlandse agrarische groepsvestigingen in Brazilië uit 2001 is een integrale studie, maar focust zich vrijwel uitsluitend op landbouwkundige ontwikkelingen. Alle andere studies hebben in de regel één of enkele groepsvestigingen tot studieobject. Inmiddels is de omvangrijke reeks boeken verder verrijkt met nieuwe werken over Carambeí, Gonçalves Junior, Holambra I en Campos de Holambra (Holambra II). Hoewel nieuw onderzoek in Nederland en in Brazilië meer licht zal werpen op de afzonderlijke groepsvestigingen en ongetwijfeld ‘untold stories’ aan het licht zal brengen, is er alle aanleiding om een geïntegreerde geschiedschrijving van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië te entameren. In het navolgende wil ik daarvoor een korte opzet schetsen aan de hand van reeds verschenen literatuur. Daarna zal ik mijn bijdrage afsluiten met enkele opmerkingen over de integratie van de Nederlandse groepsvestigingen in de Braziliaanse samenleving.

De geschiedenis van de Nederlandse emigratie naar Brazilië sinds de onafhankelijkheid in 1822 omvat drie fasen:

  1. Groepsmigratie als resultaat van het opereren van Braziliaanse propagandacommissies in Nederland (1858-1940).
  2. Georganiseerde groepsmigratie als resultaat van nauwe samenwerking tussen Nederlandse en Braziliaanse overheden (1940-1970).
  3. Spontane vestiging (1970-heden).

1858-1940
De eerste fase begint in 1856 als vanuit de deelstaat Espírito Santo de Associação Central de Colonização (ACC) met behulp van het emigratiekantoor Steinmann & Co uit Antwerpen inschakelde om propaganda te maken voor nieuwe landbouwkolonies. Met beloftes van een vrije Op een dagovertocht en een stuk grond tegen aantrekkelijke voorwaarden werden tussen 1858 en 1862 Zeeuwse landarbeiders naar Brazilië gelokt. Van enkele vestigingen in Espirito Santo zijn 150 jaar na dato amper sporen van Nederlandse aanwezigheid terug te vinden. De betrokken families zijn óf verder getrokken of volkomen geassimileerd en hoogstens herkenbaar aan verbraziliaanste achternamen. Alleen de kolonie Holanda, waar zich nazaten van emigranten van emigranten uit Zeeuws-Vlaanderen bevinden, heeft de tand des tijds weten te doorstaan. De groep wist amper het niveau van zelfvoorziening te ontstijgen en wist wonderwel zijn Nederlandse identiteit te handhaven. Heden ten dage spreken nog enkele nazaten een Zeeuws-Vlaams dialect. Hun lotgevallen zijn in 2008 opgetekend door Ton Roos en Margje Eshuis onder de titel Op een dag zullen ze ons vinden.

In 1908 kwam een nieuwe propagandacommissie – ditmaal opgezet door de Braziliaanse federale overheid ‑ met vergelijkbare verhalen naar Europa en wist in de periode 1908-1910 ruim capa_contracapa_final.inddtweeduizend Nederlandse emigranten naar Brazilië te lokken. De emigratie werd bovendien gestimuleerd door de geregelde bootdienst die de Hollandsche Lloyd net begonnen was met bestemming Zuid-Amerika. De emigranten vestigden zich in de centrale deelstaat Minas Gerais en de twee zuidelijke deelstaten Rio Grande do Sul en Paraná. De bekendste nederzetting waar Nederlandse emigranten zich vestigden was Gonçalves Junior in de deelstaat Paraná. De berichten over misstanden in de kolonies waren voor de Nederlandse regering aanleiding om ongeveer 1000 emigranten te repatriëren. Voor veel emigranten kwam dit te laat. Zij waren al door ziekten en slechte voeding gestorven en van het opzetten van een eigen landbouwbedrijf kwam meestal niets terecht in een nog onontgonnen en geïsoleerd gebied. Gonçalves Junior kreeg bij de Nederlandse emigranten de dubieuze naam ‘het vrouwenkerkhof’. Over deze emigratiegolf publiceerden Ruth en Willem Kiewiet uit Carambeí in 2011 een rijk geïllustreerd boek.

De stichting van Carambeí vloeide voort uit het mislukken van Gonçalves Junoir. Enkele families, aangevuld met nieuwkomers uit het Zuidhollandsche ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer, begonnen in 1911 een nieuwe vestiging op grond die voor hen beschikbaar was gesteld door de ‘Brasil Railway Company’. Carambeí, door Kees Wijnen gerekend tot de projectvestigingen, was van oorsprong een spontane vestiging, die door zijn homogene karakter – de meeste emigranten waren van gereformeerde komaf en hebben een eigen kerk, eigen scholen en later ook een coöperatie gesticht – na 1945 werd gerekend tot de grote Nederlandse landbouwkolonies.

1940-1970
De tweede fase van de Nederlandse emigratie naar Brazilië begint na 1945 als kerkelijke en maatschappelijke groeperingen in Nederland op zoek gaan naar mogelijkheden voor groepsvestigingen. De katholieken waren de eersten die hierin slaagden met de stichting van Holambra I in 1948 in de deelstaat São Paulo. Gereformeerde boeren uit Noord-Nederland, mede geholpen door de Christelijke Emigratie Centrale en de bestaande kolonie Carambeí volgden in 1951 met de stichting van Castrolanda op circa 35 kilometer afstand van Carambeí. In beide projectvestigingen vormde naast de kerk de door hen opgerichte coöperatie het middelpunt van de gemeenschap. In 1960 werd vanuit Carambeí en Castolanda een vervolgnederzetting opgezet nabij Arapotí, waar zich ook nieuwe emigranten uit Nederland vestigden. Dit gebeurde nog hetzelfde jaar ook vanuit Holambra I, wat leidde tot de stichting van Holambra II.

Eén projectvestiging komt amper meer ter sprake en dat ligt vooral aan het feit dat deze in het begin van de jaren zeventig is opgeheven. In 1949 stichtte een groep vrijgemaakt-gereformeerde boeren in de deelstaat Paraná de groepsvestiging Monte Alegre. De emigranten hadden de grond die zij bewerkten niet in eigendom en moesten toen de papierfirma Klabín de pacht opzegde, de kolonie verlaten. Pogingen om een nieuwe vestigingsplaats te vinden liepen op niets uit, waarna de groep zich gedwongen zag terug te keren naar Nederland. Ook de lotgevallen van deze emigranten vragen om serieus historisch onderzoek.

Molen “Povos Unidos”, Holambra.

Ook in deze tweede fase was sprake van spontane vestiging. Deze kwamen voort uit de interne moeilijkheden die Holambra I in de eerste tien jaar heeft moeten doorstaan. Een grote groep vestigde zich tussen 1951 en 1953 in Rio Grande do Sul in de nabijheid van Não Me Toque. Een deel van de emigranten keerde later terug, terwijl anderen een grote materiële welvaart wisten te realiseren. Van grote onderlinge samenhang was geen sprake. Met een coöperatie hadden ze slechte ervaring. In 1953 vestigde zich een kleine groep voormalige katholieke Holambra-boeren zich in Tronco, in de nabijheid van Carambeí en Castrolanda terwijl in 1959 een groep zich in het kustgebied van de zuidelijke deelstaat Santa Catarina vestigde.

1970-heden
Na 1970 begon een nieuwe fase van spontane vestiging. Hier ging het om boeren die verspreid in de nabijheid van een stad bedrijven stichten. Ze kenden in de regel weinig of geen gemeenschappelijke verenigingen of instellingen. Vaak zijn het kinderen van emigranten in de oudere groepsvestigingen die hun vleugels uitslaan, soms aangevuld met nieuwe emigranten. De oudste van dit type vestigingen waren Maracajú in de deelstaat Mato Grosso do Sul en Paracatú in Minas Gerais, beide opgericht in 1972. In 1985 volgden Rio Verde in de deelstaat Goias en Brasolândia in de deelstaat Minas Gerais, en in 1995 Balsas in de noordelijke deelstaat Maranhão. De groep boeren van Nederlandse komaf in Maracajú kent een gemengde komaf. Hierbij waren emigrantenkinderen betrokken uit zowel Não Me Toque, de Paraná-kolonies en de Holambra’s. Paracatú werd opgezet vanuit Não Me Toque. In Rio Verde vestigden zich emigrantenkinderen uit de beide Holambra’s terwijl in bij de vestiging Balsas emigranten uit Carambeí, Castrolanda en Arapotí waren betrokken. De vestiging Brasolândia (Unaí) verdient bijzondere aandacht, omdat het hier gaat om een groep vrijgemaakt-gereformeerden, waaronder familieleden en kennissen van de groep emigranten die eerder gevestigd waren in de opgeheven nederzetting Monte Alegre.

Vergelijking
Door in plaats van geschiedenissen te schrijven van afzonderlijke groepsvestigingen of uit te gaan van de religieuze gezindheid van groepsvestigingen – dus alleen een geschiedenis van de protestantse vestigingen in Paraná of de katholieke Holambra’s in de deelstaat São Paulo, ontbreekt de mogelijkheid om vergelijkingen te maken tussen nederzettingen die in dezelfde periode zijn ontstaan en die desalniettemin een andere ontwikkeling hebben doorgemaakt. Zelf heb ik 25 jaar geleden onderzoek gedaan naar de bewogen ontstaansgeschiedenis van Holambra I. Castrolanda werd in dezelfde tijd gesticht maar is interne scheuringen bespaard gebleven. Ligt dit in de verschillen in aanpak van de selectie van emigranten, de homogeniteit van de groep of speelde de factor religie hierin een doorslaggevende rol? Feit is wel dat in beide groepsvestigingen sprake was van aanvangsmoeilijkheden, waarbij Castrolanda kon steunen op kennis, ervaring en financiële ondersteuning van Carambeí. Ook de ontwikkelingen in Arapotí en Holambra II lenen zich voor een vergelijking.

Integratie en identiteit
De wijze waarop een groepsvestiging was georganiseerd, de sociaal-economische status en ook vooral de kerkelijke denominatie van de emigranten waren in belangrijke mate bepalend voor de integratie in de Braziliaanse samenleving. Het sociaal-economische isolement stelde de nazaten van de Zeeuwse emigranten in Holanda, Espirito Santo in staat hun Nederlandse identiteit na zes generaties in stand te houden. De verbetering van de infrastructuur en de stichting van sociale voorzieningen, zoals onderwijs, zorgt ervoor dat heden ten dage die identiteit onder druk komt te staan en het dus onwaarschijnlijk is dat er over enkele decennia in de binnenlanden van Espirito Santo nog een Zeeuws-Vlaams dialect wordt gesproken.

Voor de latere vestigingen geldt dat de Nederlandse identiteit het sterkst wordt beleefd in de coöperatief georganiseerde landbouwvestigingen en in mindere mate op de verspreide vestigingen, zoals Não Me Toque en de meeste spontane vestigingen van na 1970. De emigranten in deze vestigingen maken deel uit van een grotere gemeenschap van mensen met een uiteenlopende herkomst. In enkele vestigingen is sprake van enkele gemeenschappelijke  activiteiten, maar de infrastructuur die de vijf projectvestigingen kennen, ontbreekt.

In de vijf projectvestigingen zijn de emigranten en hun kinderen niet alleen sociaal-cultureel met elkaar verbonden, maar ook zijn zij economisch op elkaar aangewezen. Bovendien wordt het wij-gevoel versterkt door eigen kerken, winkels, sportvoorzieningen, scholen e.d. Tussen de coöperatieve landbouwvestigingen is bovendien een verschil waarneembaar tussen de katholieke Holambra’s en de protestants-christelijke kolonies in Paraná. Heden ten dage beroepen zij nog steeds Nederlandse dominees, terwijl de tijd dat het religieus leven op de Holambra’s bepaald werd door Nederlandse paters en zusters al enkele decennia achter ons ligt. Voor de Holambra’s geldt overigens dat al vanaf de jaren zeventig gemengde huwelijken tussen emigrantenkinderen en Brazilianen gemeengoed zijn geworden; in de protestants-christelijke groepsvestigingen ligt dit gezien het religieuze verschil gevoeliger. Ook de Nederlandse taal weet zich hierdoor beter te handhaven dan op de katholieke Holambra’s.

Voor de meeste Nederlandse groepsvestigingen geldt bovendien dat het sociaal-economisch succes een kloof gecreëerd heeft. De emigranten zijn vaak eigenaar van grote landbouwbedrijven, terwijl de Brazilianen als landarbeider of werknemer bij hen in dienst zijn. Pas met de komst van goedopgeleide Brazilaanse werknemers ontstond er een meer gelijkwaardige positie tussen de Nederlanders en een deel van de Braziliaanse bevolking. Het ligt in de verwachting dat deze kloof langzaam gedicht wordt. Toen ik 25 jaar geleden een jaar op Holambra I verbleef constateerde ik dat de oude generatie nog duidelijk Nederlands was, maar de tweede generatie een mengelmoes was van Nederlandse en Braziliaanse invloeden, een verschijnsel dat we in Nederland ook aantreffen bij de tweede generatie allochtonen.

Campos de Holambra
Campos de Holambra

Terwijl in spontane vestigingen de Nederlandse identiteit langzaamaan minder zichtbaar zal worden, is dit op de vijf projectvestigingen nog niet het geval. Integendeel, uit commerciële overwegingen wordt die identiteit juist opgepoetst. Mede aangespoord door Braziliaanse politici, worden de groepsvestigingen getransformeerd tot toeristische trekpleisters, waarbij ook Brazilianen zich een Nederlandse identiteit aanmeten. Het zou me niets verbazen als zij ook deelnemen aan het klompendansen en allerlei Nederlandse attributen, zoals Delfts blauw, klompen en molentjes verkopen. De Nederlandse identiteit wordt daarmee deel van de culturele diversiteit die de Braziliaanse samenleving kenmerkt.

Kerkelijke ontwikkelingen
Tot slot nog enkele opmerkingen over de Nederlandse protestantse inbreng in Brazilië. Carambeí, Castrolanda en Arapotí stonden aan de wieg van de Braziliaanse zusterkerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Igrejas Evangelica Reformadas do Brasil (IER). Binnen het enorme land is het maar een kleine religieuze entiteit van 2500 lidmaten, die bovendien nauw gelieerd is aan de Nederlandse agrarische groepsvestigingen. Buiten deze vestigingen zijn er inmiddels enkele zendingskerken ontstaan.

De Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) kenden in Brazilië een heel bewogen geschiedenis. De in de jaren zeventig opgeheven nederzetting Monte Alegre nam zowel in de Braziliaanse samenleving als ook binnen de Nederlandse groepsvestigingen een geïsoleerde positie in. Aangezien de vrijmaking in Nederland nog vers in het geheugen lag, was aansluiting van hun kerk bij de IER niet aan de orde. De houding binnen de emigrantengroep tegenover integratie was ronduit negatief. Illustratief is waren de woorden van hun dominee Los: ‘Wie naar Brazilië emigreert, blijve Nederlander!’ De groep beschouwde zich als een op zichzelf staande gemeenschap, wier leden op elkaar waren aangewezen. Omgang met de inheemse bevolking werd niet mogelijk geacht. Net als de andere projectvestigingen heeft ook Monte Alegre eind jaren vijftig pogingen ondernomen om een vervolgnederzetting op te zetten. Begin jaren zeventig werd de kolonie zoals gezegd opgeheven. Van der Mast concludeerde in zijn studie over groepsmigraties dat deze groep emigranten het verkeerde land van vestiging heeft gekozen.

Kerk in Castrolanda

Bij de stichting van de Brasolândia in 1985 hebben de vrijgemaakte geloofsgenoten gekozen voor een meer open nederzetting temidden van de Braziliaanse bevolking. Ook de kerk die zij in 1991 gesticht hebben was minder geïsoleerd. Allereerst heeft men een Braziliaanse predikant aangesteld; bovendien heeft de kerk zich in 2002 aangesloten bij de Igreja Reformada do Brasil, een vrijgemaakt-gereformeerd kerkgenootschap, die het resultaat was van de zendingsactiviteiten van Nederlandse en Canadese zusterkerken in het noorden en en zuiden van Brazilië. Toch vormt ook de IRB met ongeveer 500 lidmaten een kleine geloofsgemeenschap die nog veel zendingswerk zal moeten verrichten om dieper te wortelen in de Braziliaanse samenleving.

Besluit
In het voorgaande heb ik willen aantonen dat integratie in de Braziliaanse samenleving afhankelijk is van drie factoren, namelijk de mate van geslotenheid van een groepsvestiging, de religieuze identiteit van de emigrantengroep en de sociaal-economische positie. Van geslotenheid is momenteel nauwelijks meer sprake, wel kan een combinatie van materiële welvaart en een afwijkende religieuze identiteit remmend werken op het integratieproces. Anderzijds biedt Brazilië voldoende ruimte voor uiteenlopende nationale en religieuze tradities. Het land is immers een toonbeeld van culturele diversiteit. Daarin is uit commerciële en toeristische overwegingen volop ruimte voor het oppoetsen van het Nederlandse karakter van de groepsvestigingen.

Deze bijdrage is een geactualiseerde versie van een lezing gehouden tijdens een studiedag van de Christelijke Emigratie Centrale op 24 april 2009 te Utrecht.

Bewaren

Bewaren

Bewaren