Wegbereiders: Geert Heijmeijer (1903-1973)

In de reeks ‘Wegbereiders’ wil ik wat dieper ingaan op personen die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en opbouw van de Holambra’s. De keuze van personen zal het eerste oog wat willekeurig lijken. Behalve de rol die iemand heeft gespeeld in de (voor-)geschiedenis van Holambra I en II moet ik over meer gegevens beschikken dan enkel over de periode dat iemand bij de groepsemigratie naar Brazilië betrokken is geweest. We beginnen de reeks met de stichter van Holambra: Geert Heijmeijer.

Johannes Gerardus (Geert) Heijmeijer werd op 21 april 1903 geboren in Amsterdam als de jongste zoon van Bastiaan Heijmeijer (1859-1938) en Maria Margaretha Johanna Schermer (1865-1936). Zijn vader was als graanhandelaar firmant van C.P. Heijmeijer en zoon, een door Geerts opa Cornelius Pieter Heijmeijer opgerichte groothandel in granen en levensmiddelen te Amsterdam. De familie kwam oorspronkelijk uit Westfalen totdat een voorvader zich in 1764 in Kampen vestigde.
                Na zijn middelbare school ging Geert Heijmeijer in 1921 Landbouwkunde studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. In 1926 studeerde hij af op de scriptie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk, die vanwege het belang van het onderwerp door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) werd uitgegeven. Nog datzelfde jaar trad hij in dienst van de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB) – een regionale bond van de KNBTB – om de oprichting van de R.K. landbouwwinterschool te Voorhout voor te bereiden. Van 1927 tot 1935 was hij directeur van deze school.
                Op 12 september 1928 trad Geert Heymeijer in het huwelijk met Julia Oswaldina Maria (Lia) Hencke (1903-1974). Lia Hencke’s vader, Johannes Maria Hencke (1864-1928) was afkomstig uit Lüdighausen in Westfalen en was boekhouder (en later rentmeester) op Huis Bergh. Daar werd Lia in 1903 geboren. Geert en Lia kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters
                In 1935 vertrok Geert Heijmeijer naar Brabant, waar hij rentmeester was van het Staatsdomein Niervaart te Klundert. In 1939 redigeerde hij samen met F.F.X Cerutti hierover het boek Niervaart. Een beschrijving van de ontwikkeling der heerlijkheid Niervaart en van den huidigen toestand der Staatsdomeinen.
                Op 1 september 1939 trad Heijmeijer aan als algemeen secretaris van KNBTB. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 stond hij voor de ondankbare taak om de bond en zijn economische instellingen uit handen van de Duitse bezetter te houden. Toen in augustus 1941 de NSB-er O.F.J. Damave tot commissaris bij de KNBTB werd benoemd onderhandelde hij met deze over de verzelfstandiging van de instellingen. Na de opheffing van de KNBTB en zijn gewestelijke boerenbonden begon Heijmeijer een eigen landbouwkundig ingenieursbureau. Onder deze vlag publiceerde hij in 1941 het boek Wij boeren met artikelen van uiteenlopende auteurs, waarin getracht werd de boerenbevolking bewust te maken van haar tradities en haar eigen karakter. Met de vertegenwoordigers van de andere opgeheven landbouw- en landarbeidersorganisaties werkte hij gedurende de bezettingsjaren aan de oprichting van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in de landbouw. Als opmaat tot deze organisatie, die in 1954 onder de naam Landbouwschap van start ging, werd op 2 juli 1945 de Stichting voor de Landbouw opgericht. Omdat hij echter bij het KNBTB-bestuur onvoldoende gehoor vond voor zijn opvattingen over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, nam Heijmeijer in 1946 ontslag als algemeen secretaris en concentreerde zich op het voorzitterschap van de afdeling Sociale Zaken van de Stichting voor de Landbouw. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), een semi-overheidsorgaan dat initiatieven op het gebied van de emigratie coördineerde.
                De groeiende belangstelling voor emigratie in het naoorlogse Nederland en het overschot aan jonge boeren voor wie geen boerderij beschikbaar was, waren voor Heijmeijer de aanleiding om in november 1946 in opdracht van de KNBTB samen met Wim van Beers en Chris van Steen naar Brazilië te vertrekken om de mogelijkheden van een kolonisatieproject te onderzoeken. De moeilijkheden in Nederland en in Brazilië werden ondervonden om dit project te realiseren beschreef Heijmeijer in 1973 in Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie. Holambra, 1946-1973[1]. De zoektocht naar ‘land in Brazilië’ resulteerden in 1948 in de aankoop van de Fazenda Ribeirão. Voorafgaand aan de aankoop, die mogelijk gemaakt was door een lening van de Braziliaanse overheid, was op 5 juni 1948 door in Brazilië aanwezige Nederlanders (waaronder enkele emigranten) de Cooperativa Agro-Pecuária do Nucleo Holandês Riberão opgericht, twee maanden later omgedoopt tot Coõperativa Agro-Pecuaria Holambra. Heijmeijer was op dat moment in Nederland voor het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten.
                Met het vertrek van het schip de ms ‘Algenib’ op 18 december 1948 vanuit de haven van Antwerpen begon de feitelijke emigratie. De boeren die zich op de Fazenda Ribeirão vestigden, traden in dienst van de coöperatie. Heijmeijer achtte dit noodzakelijk om de opbouw van de jonge nederzetting op gang te brengen. Hiermee wilde hij ook bereiken dat kleinere boeren een kans van slagen konden krijgen, doordat zij via de coöperatie krediet zouden krijgen van de grote boeren. Dit coöperatief systeem was nodig voor de ontginning van de grond en de bouw van huizen. Zodra het mogelijk was zouden de boeren een eigen bedrijf kunnen beginnen. Heymeijer vertrok met zijn gezin op 12 maart 1949 met de ss ‘Alhena’. Het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder gaf hoog op van Heymeijers missie: ‘Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren ging ir. Heymeijer heen.’[2] Na de aankomst nam hij het voorzitterschap van de coöperatie op zich.
                De jonge nederzetting kreeg de nodig tegenslagen te verduren. Zo werd het uit Nederland meegenomen stamboekvee getroffen door veeziekten, zoals mond- en klauwzeer en kampte de kolonie met een tekort aan liquide middelen. Onverantwoorde aankopen door Heijmeijer en diens weinig standvastige beleid verergerden de zaak. Hierdoor kwam de samenwerking binnen de coöperatie steeds meer onder druk te staan en zakte het werktempo. Eind 1949 zag Heijmeijer zich reeds genoodzaakt om in Nederland aan te kloppen voor een nieuwe lening. Een Nederlandse onderzoekscommissie kraakte in oktober 1950 harde noten over zijn beleid. Zij stelde vast dat ‘voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, ‘de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.’[3] Redding was wel mogelijk, maar dan was een lening nodig van 2,5 miljoen gulden en moest de leiding vervangen worden door een leiding met meer organisatorisch en commercieel inzicht. Zonder Heijmeijer in de besluitvorming te betrekken, besloot de Nederlands regering eind 1950 deze lening mogelijk te maken. In overleg met de KNBTB werd C.J.J.(Charles) Hogenboom aangesteld als regeringscommissaris om toezicht te houden op de besteding van het crediet.
                Hogenboom zette zich op Holambra aan een saneringsbeleid waaraan Heijmeijer aanvankelijk loyaal meewerkte. Een aantal grote boeren weigerden met “die koeliedrijver” – Hogenboom had eerder in Nederlands-Indië gewerkt – in zee te gaan. Ze zegden in juni 1951 hun lidmaatschap van de coöperatie op en vertrokken daarna naar Não Me Toque in de deelstaat Rio Grande do Sul. Op 28 januari 1952 trad Heijmeijer terug als coöperatievoorzitter ten gunste van Hogenboom. Hij bleef Hogenbooms saneringsbeleid saneringsbeleid steunen, maar merkte in de loop van 1952 dat hij niet meer betrokken werd bij coöperatiezaken. Voorts voelde hij zich persoonlijk en financieel in zijn bestaan bedreigd. Hij sloot zich in oktober van dat jaar aan bij emigranten die weigerden een nieuw, in het Portugees opgesteld contract te ondertekenen. Het coöperatiebestuur gaf te kennen dat Heijmeijer er met zijn gezin beter aan deed Holambra te verlaten en terug te keren naar Nederland. Nadat pogingen om in Brazilië een andere functie te verwerven op niets waren uitgelopen, sloot hij in maart 1953 een overeenkomst met de coöperatie die zijn terugkeer naar Nederland mogelijk moest maken. Op 19 maart 1953 verliet Heijmeijer Brazilië, om op 13 april in Nederland te arriveren. Zijn oudste zoon Geert Jan bleef achter en werd later in Brazilië financieel directeur van het geneesmiddelenconcern MSD.
                Eind juni slaagde hij erin een nieuwe betrekking te vinden: consulent Grond- en Pachtzaken. Deze functie, aanvankelijk te Zwolle en later in Arnhem, zou hij tot zijn pensionering in 1968 blijven vervullen. Na zijn vertrek van Holambra in 1953 bezocht hij nog twee keer Brazilië: in 1966 om onderzoek te doen naar ervaringen met ontginning van gronden en in 1973 bij de viering van het 25-jarig bestaan van Holambra. Bij die laatste gelegenheid werd hij geëerd als de stichter van de kolonie. Tijdens dit laatste verblijf in Holambra kreeg hij te horen dat zijn dochter Eveline was verongelukt in Denemarken. Enkele maanden later, op 30 oktober 1973 overleed hij zelf  in Vught. Vijf maanden na Geert Heijmeijer overleed ook zijn vrouw Lia. Beiden liggen begraven op de R.K. begraafplaats te Doorwerth.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Heijmeijer
www.berghapedia.nl/index.php/Hencke,_Johannes_Maria
www.online-begraafplaatsen.nl
Mijn boeken over Holambra en de KNBTB
Nederlands Patriciaat, no. 79.
Het Archief Heijmeijer (toegangsnummer 2.21.364) in het Nationaal Archief.


[1] Manuscript in: Archief-Heijmeijer.
[2] Boer en Tuinder, 19 maart 1949.
[3] Rapport Van Roggen/Van Waveren (oktober 1950), in: Archief-Heijmeijer.

Op weg naar Ribeirão

Op 22 april 1950 vertrok Jan Litjens (1912-2002) met zijn vrouw en twee kinderen met de ms. Delfland naar Brazilië. Tot zijn vertrek was hij werkzaam bij de KNBTB en was bij de bond korte tijd de rechterhand van Heymeijer. Als secretaris van de Katholieke Nederlandse Jonge LitjensBoeren- en Tuindersbond kwam hij direct in aanraking met de grote aandrang onder vele jonge boeren om te emigreren. In de eerste helft van 1949 bezocht Litjens in opdracht van de Emigratiestichting van de KNBTB Canada om aldaar de ontvangst van emigranten op poten te zetten en om gesprekken te voeren met diverse autoriteiten. Een jaar later besloot hij echter zich niet in Canada maar in Brazilië te vestigen. Litjens werd voor de coöperatie van Holambra de contactpersoon met invloedrijke personen in de Braziliaanse samenleving en diverse overheidsinstanties. Hij was nauw betrokken bij de stichting van Holambra II in 1960 en het Sociaal Centrum van Holambra I. In het themanummer van Ontginning deed Jan Litjens verslag van de bootreis naar Brazilië en zijn aankomst op de Fazenda Ribeirão.

De boottocht.
De machtigste sluizen ter wereld, nl. die van IJmuiden, 400 meter lang, 50 meter breed en 15 meter diep, vormden zaterdag 22 April j.l. de laatste band met het moederland, als wilde het land zich van de beste kant laten kennen. Een vriend komt langs voor een laatste handdruk, onder het schutten der sluizen. Tot de hoogte van Rotterdam kun je nog een laatste vage kustlijn van Hollands strand en duin waarnemen en dan ligt Nederland achter je. Je bent op weg naar Z. Amerika, naar Brazilië, naar de Fazenda Ribeirão. Na het slingeren van de boot in de Golf van Biscaje, waarbij je tijd noch lust hebt om te peinzen, maar vele huishoudelijke werkzaamheden je aandacht vragen, begin je in gedachten geleidelijk het land van bestemming op te bouwen, waartoe gesprekken en foto’s de bouwstenen vormen.

Als we op 29 April te Las Palmas olie gaan tanken, krijgen wij bij ons bezoek aan het eiland een eerste indruk van tropische warmte, waaraan de verbrande huid ons enige dagen blijft herinneren. De zwarte mensen, de witte huizen, de groene palmen en de fel brandende zon bepalen mede de kleur van het beeld, dat we in onze gedachten van Ribeirão zijn gaan vormen. Op Las Palmas bezoeken wij de Pico Bandama (de piek van Van Dam, die hier als laatste de Nederlandse vlag ophield) en de herinnering aan bloemrijke straatjes, een prachtig landschap en sjacherende Spanjolen is het laatste wat bijblijft. De bootreis wordt alleen afgewisseld door het Neptunusfeest, door dolfijnen en vliegende vissen, die we met onze boot zien mee zwemmen, door het zicht op de St. Paulus-rotsen en zo steken we over naar Rio de Janeiro.

Plots ervaar je, dat de zeereis weer ten einde is. Het lezen van boeken over Columbus, over de geschiedenis, de cultuur en de economie van Brazilië en het naarstig bestuderen van het Portugees, hebben de tijd doen omvliegen. ’s Morgens om 5.30 uur staan we op de brug en zien we Rio naderen. Omkranst door machtige heuvels ligt het daar in de schittering der lichtjes van Copacabana. Geleidelijk aan wordt het dag, de stadsverlichting gaat uit. Rechts komt de zon achter de toppen op en vóór je ligt wellicht het schoonste stadspanorama ter wereld, Rio de Janeiro. De stad zelf heeft alle kenmerken van een wereldstad in de steigers. De kennismaking met je nieuwe landgenoten geeft wel wat verrassingen, maar aan de cacaokleur ben je geneigd spoedig te wennen, wanneer je de beminnelijkheid ziet, waarmede ze elkaar bejegenen. Bij het bezoek per kabeltrammetje naar het “Suikerbrood”, zie je daar weer de mooie stad Rio onder je liggen in haar prachtige heuvelomlijsting aan het grote binnenmeer. En als even daarna snel de duisternis invalt en de stadslichten weer aangaan, wordt het een schitterend schouwspel.

Daar gaat· op de hoogste bergkam bij de stad Corcovado (dit is de Bultenaar), de verlichting van het 40 meter hoge Christusbeeld aan en zo treedt dit Christus-gewijde land je in zijn meest sympathieke gedaante tegemoet. Op de terugweg vraag je je af,. of dit land met· zijn Iatijnse cultuur eigenlijk niet hoger staat dan het door tempo, techniek en geld beheerste N. Amerika.

Weer varen we, thans het laatste stuk naar Santos, de haven van onze bestemming. De service en de welwillendheid van kapitein en bemanning van de Kon. Holl. Lloydboot zijn thans wellicht nog groter dan gedurende het begin van de reis, maar het maakt niet meer die indruk. Geheel word je in beslag genomen door de vragen: Wie zal er straks zijn om ons af te halen ? En: hoe zal de Fazenda er uit zien ?

Aankomst.
Santos biedt niet zo’n machtig schouwspel als Rio, maar de aankomst blijft een zeer mooi gebeuren. Na de stad om te zijn gevaren en aan de handelskade te hebben aangelegd, sao-paulo-antigaliggen we tegenover een mooi laag landschap, waarachter het hoogland steil oprijst. Dit lage landschap met zijn kerkjes, werfjes en in groen en palmen verscholen gebouwtjes, herinnert je sterk aan de sfeer van de Waal. De vertegenwoordiger van de Kolonie, even later gevolgd door Ir. Heymeyer, was er om ons af te halen. Met de hem eigen gang kwam Ir. Heymeyer de loopplank op, heette ons welkom in Brazilië en was weer snel verdwenen, zich haastend naar Sào Paulo, waar vele drukke bezigheden hem wachtten. Nadat was afgesproken, dat we in verband met de kinderen, eerst de volgende ochtend zouden ontschepen, brachten we nog een nacht door op de boot, waartoe de kapitein ons welwillend toestemming verleende. Een bus bracht ons de volgende dag langs bananen-aanplantingen over de steiIe helling van het hoogland naar São Paulo. De bedrijvige, jonge miljoenenstad. Daar pikte Ir. Heymeyer ons op en ging het naar de Fazenda. Met het uitzicht op het beboste heuvelland, werd de weg snel afgelegd. Na Campinas volgde een vrij stoffige weg, door een meer bewoond en beter bewerkt land, naar de Fazenda Ribeiräo. Betere aanplantingen wisselden hier af met weinig bewerkte en zeer extensief geëxploiteerde fazenda’s, die een weinig aanlokkelijk beeld vertoonden. Hier en daar zag je uitgestrekte bossen en overal langs de weg rezen termietenhopen op.

Fazendaplein met kantoren

Dan slaan wij af naar de Fazenda Ribeirão. Nieuwsgierige zebu’s steken hun koppen op om ons te verwelkomen, waggelen vervolgens kalm de stoffige weg af, of het hoge onkruid in. Na enige minuten komt er een stuk, waar tractoren en schijven hun werk reeds hebben gedaan. En plots liggen daar om een bocht de fazenda-gebouwen. Onder een paar hoge kapokbomen doorrijdend, tussen het Escritório (het kantoor) en een oude veecurral en langs de school afdraaiend, stoppen wij vóór het begroeid Fazenda-gebouw. Het is een laag versleten gebouw, dat tot het uiterste benut wordt; het is klooster en pastorie, hoofdbureau en woonhuis tegelijk. Bovendien eten er de vrijgezellen. Het is duidelijk, dat alle bewoners zich veel moeten ontzeggen, om er met zovelen tezamen te kunnen wonen. Na een zeer hartelijk aangeboden lunch wordt te voet de tocht gemaakt naar ons huis, waar juist de laatste hand is gelegd aan de waterleiding en de electriciteit. Het huis is het best te vergelijken met een kampeerhuis in Mook of Groesbeek. Er staan daar een paar welwillend geleende stoelen en tafels, kopjes enz., er staan ook bedden. Een wieg is gauw geïmproviseerd. Het is precies de improvisatiesfeer, die men vroeger genoot als men op vacantie trok. Met een paar laatste lucifers wordt het hout in de uit stenen gebouwde kachel aangestoken, wat drinkwater, melk, wat etenswaar en sinaasappels worden als proviand ingeslagen. We kunnen ons te goed doen aan het rustieke en riante uitzicht, dat ons huisje ons rondom biedt. Al spoedig staat een prachtige sterrenhemel met het Zuiderkruis boven ons hoofd. Zoals altijd (maar wij wisten het nog niet), gaat om 10.00 uur plots het licht uit. Zo werden we gestoord in een zeer nuttige bezigheid: het vangen van vliegende en kruipende medebewoners. Om kwart voor elf slaan dehanen aan het kraaien bij de buren. Zo gaan wij slapen met een mengeling van vreemde en bekende geluiden.

 De Fazenda.
De kennismaking met de fazenda en haar bewoners biedt telkens nieuwe aspecten en maakt een verrassende indruk. Wanneer men per jeep door het landschap kruist en men telkens nieuwe mooie vergezichten waarneemt, komt men onder de indruk van de bekoorlijke schoonheid van dit heuvelachtige landschap; het best te vergelijken met Z. Limburg. Meer indruk nog maakt het feit, dat men allerwegen nieuwe boerderijtjes ontdekt, bewoond of nog in aanbouw, zoals in onze nieuwe polders. Dan weer ziet men, over een helling rijdend, een hele rij huisjes. Deze gebouwen, smetteloos wit en van een rood pannendak voorzien, zo passend in het landschap, getuigen van de energie en netheid, waarmede deze in een jaar tijds zijn tot stand gebracht en onderhouden worden.

Ook de 1.000 H.A. cultuurland getuigen van de nacht en dag voortgezette arbeid onzer emigranten, welke men eerst op zijn juiste waarde gaat schatten, als men enige halsbrekende tochten over de nog in cultuur te brengen woeste gebieden heeft gemaakt. Rijdend langs de stoffige hellingen, kan men zich voorstellen, hoe onbegaanbaar naar Nederlandse opvattingen deze wegen zullen zijn in regentijd. De grond. die zo rood en hard is, maakt een goede indruk wanneer deze beteeld wordt met groenbemesting of wanneer er maïs op groeit, die er zo uitstekend bij staat. Men kan zich ook nauwelijks voorstellen, dat deze grond arm is, wanneer men het inlandse gras meer dan ruiterhoogte ziet groeien. Momenteel is het klimaat voor dergelijke tochten heel aangenaam. Met uitzondering van 11.00 tot 2.00 uur op de dag is het hier doorgaans heerlijk koel.

Bij de Fazenda staan de werkplaatsen en bedrijven in een groep bijeen. Evenals de huizen getuigen deze van de bekwaamheid der emigranten door de doeltreffende inrichting, waarmede ze zijn opgezet. Overal heerst er orde en netheid. Dit kan niet anders dan een uitstekende indruk maken op de vele bezoekers, die de fazenda aandoen. Als men van een vermoeiende tocht terugkeert en de avond plots is ingevallen, passeert men de kapel en hoort men er niet zonder ontroering de zusters, de Kanunnikessen van het H. Graf, het koorgebed zingen. Het Geloof en het vertrouwen op God zijn de basis, waarop deze kolonie is gesticht en zij vinden hun levende uiting in deze kloostergemeenschap. Terwijl overal ter wereld de emigranten grote zorgen hebben betreffende de opvoeding der kinderen, verzorgen hier de zusters opvoeding en onderwijs. En leveren aldus zowel voor de hedendaagse gemeenschap als voor de gemeenschap der toekomst een nooit genoeg te waarderen en onmisbare bijdrage.

In de Braziliaanse pers

Op 10 mei 1950 publiceerde het dagblad O Estado de São Paulo artikel over de Nederlandse boeren op de Fazenda Ribeirão. Auteur van deze bijdrage was Edgar Fernandez Teixeira, in het dagelijks leven hoofd van de Divisão de Fomento Agrícola van de deelstaat São Paulo,  een functie die te vergelijken was met die van Directeur van de Landbouw in Nederland.
Teixeira was vol waardering over hetgeen er op de fazenda gepresteerd werd. Het maandblad van de katholieke jonge boeren Ontginning publiceerde een eigen vertaling van dit artikel.

Replica van de oude bushalte van de Fazenda Ribeirão

Van meet af aan hebben wij met belangstelling het experiment gevolgd, dat in de gemeente Mogi Mirim ondernomen wordt. Dit experiment beoogt de vestiging van kerngroepen Nederlandse landbouwers in Brazilië, specialisten in het fokken van melkvee en in de zuivelindustrie en bovendien van tuinders en deskundigen op het gebied van de landbouw. Eind 1947 maakten Nederlandse experts een rondreis door Brazilië en kwamen daarbij tot de bevinding, dat zowel in Minas Gerais als in São Paulo en de overige zuidelijke staten de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijk project alsmede voor de vestiging van coöperatieve bedrijven. Hier zouden de emigranten in groepsverband geleidelijk kunnen wennen aan onze methoden, onze gronden en onze cultures en een eigen zuivelindustrie kunnen beginnen, gebaseerd op de hier bestaande omstandigheden en tegelijk even modern als in Nederland.

De uitslag van hun onderzoek was tenslotte, dat de Fazenda Ribeirão thans de “Granjas Holandezas Reunidas” ‑ aan de minimum eisen voldeed om enige duizenden Nederlanders onder te brengen. Voornoemde fazenda werd door de Federale regering van “Amour”[1] gekocht en daarna weer van de hand gedaan aan de Nederlanders, tegen afbetaling op lange termijn. Vervolgens organiseerde men, met de steun en onder toezicht van de Nederlandse regering, een coöperatie, die de gronden verdeelde en de eerste maatregelen begon te treffen om tot een rationele exploitatie te komen. De “Granjas Holandezas Reunidas” liggen op ongeveer 42 km van de stad Campinas, aan de weg van Mogi-Mirim, en behoren tot het grondgebied van die gemeente.

De eerste maal, dat wij daar een bezoek hebben gebracht, was in 1948, niet lang nadat de nieuwe eigenaren hun goed in bezit hadden genomen. Later zijn we er nog twee of drie keer terug geweest en nog heel onlangs, j.l. Zondag, hebben we een tocht gemaakt over de velden en langs de bedrijven. Indertijd het was toen eind 1948 ‑ schreef O Estado het volgende: “Sinds de fazenda in Nederlandse handen is overgegaan, zijn er al twee families aangekomen en bovendien een econoom, die tevens landbouwkundig-ingenieur[2] is. Deze maakte een begin met de verdeling van het land in percelen. Het plan beoogt de productie van ongeveer 20.000 liter melk per dag, die op de fazenda gepasteuriseerd zal worden en zal worden afgeleverd aan São Paulo, Campinas en andere steden in de omgeving.
Behalve melk zal men natuurlijk
ook boter, kaas en verschillende bijproducten gaan fabriceren. Ook de tuinderij en de aanleg van weiden hebben een belangrijke taak te vervullen bij het verwezenlijken van dit plan. In dit verband moet ons een opmerking van het hart! Vele kenners van de streek hebben er hun bevreemding over uitgesproken, dat juist deze fazenda voor immigratiedoeleinden door de Nederlanders is uitgekozen, want de grond ervan zou betrekkelijk arm zijn. Het schijnt echter, dat de Nederlanders zich niet vergist hebben in de landbouwkundige waarde van de aangekochte gronden en men mag verwachten, dat de toekomst de mogelijkheid zal bevestigen om die “slechte” gronden te herscheppen in akkers, die economisch rendabel zijn.”

Inkuilen van groenvoer
Inkuilen van groenvoer

Wij zijn dus bevoegd om een oordeel uit te spreken over hetgeen er te zien was eind 1948 en over wat op dit ogenblik bereikt is, vooral in het laatste jaar. Naar onze mening is het verrassend te zien wat hier door noeste arbeid tot stand is gebracht en met een gerust hart durft men nu reeds de uitslag van dit experiment optimistisch beoordelen. Een landbouwbedrijf van een dergelijke structuur is wellicht een unicum op ons grondgebied. De eerste kolonisten zijn nu al een groep van meer dan 500 personen[3]: mannen, vrouwen en kinderen. De “Granjas Holandesas Reunidas” vormen een klein, maar vooruitstrevend boerendorp, waar alle arbeid steunt op het coöperatieve principe. Men vindt er een kerk, scholen, magazijnen, ruime en goed ingerichte · werkplaatsen, zoals een timmermanswinkel, een smederij, een garage voor de reparatie der landbouwmachines; bovendien een modern machinepark voor alle soorten werkzaamheden, vanaf tien grote tractoren tot z.g. “combines”, om tarwe te oogsten en andere graansoorten, alsmede een “combineom maïs te oogsten. De coöperatie beschikt ook over machtige sproeiers, die in een paar uren tijds tientallen hectaren aardappelland kunnen besproeien.Bij ons bezoek was men juist bezig 75 ha tarweland, in maart bezaaid, te besproeien om een hevige rupsenplaag te bestrijden, die in een paar dagen was opgekomen en het gewas van dat bouwland in ernstig gevaar bracht.

Dit jaar hebben de “Granjas Holandesas Reunidas” reeds meer dan 700 ha beplant, waarvan 200 met maïs, 100 met tarwe, 30 met aardappelen van zes verschillende uit Holland geïmporteerde soorten, vooral die, welke geschikt zijn voor ons land, 80 ha guando, 35 mucuna en kleinere percelen met andere gewassen, zoals erwten, waarmee men hier proeven neemt en die een van de belangrijkste teelten zal gaan uitmaken. De “slechte” gronden ontsluiten zich langzamerhand voor de kennis van de Nederlandse boeren (van wie velen in het bezit van een diploma zijn op het gebied van de landbouwkunde, de veefokkerij, de veeartsenij, economie)[4], enz. Daar men een intensieve bemesting toepast en de modernste. methoden op landbouwkundig gebied toepast, en de arbeid vanaf het gereedmaken van de bodem tot aan de oogst zoveel mogelijk met behulp van machines verricht wordt, slaagt men erin een bevredigende opbrengst te verkrijgen. Naar men ons inlichtte, is men ook voornemens de inrichting van stallen te bevorderen, waar men compost zal kunnen verkrijgen, omdat de organische meststoffen een ideale oplossing zullen betekenen voor deze gronden, zodat ze n.l. weer geschikt zullen worden gemaakt voor iedere soort gewas.

Het program van deze uitgebreide werkzaamheden wordt uitgestippeld door de coöperatie, die het toezicht houdt over alle takken van dienst en hoofdzakelijk beoogt grassoorten, maïs en andere granen te winnen om er het melkvee mee te voeren. Tot nu toe zijn er al ongeveer 1.000 stuks vee[5]door de boeren zelf meegebracht hij hun overtocht naar Brazilië. Er is zowel zwart-bont als rood-bont vee. Voor groenvoer en groenbemesting is de keus voornamelijk op guando en mucuna gevallen, omdat deze gewassen het voordeel bieden, dat ze de grond vruchtbaar maken en tegelijk uitstekend dienst kunnen doen als veevoer en als hooi.

Maar de grondslag van deze Nederlandse kolonie berust op de melkbedrijven. Deze hebben een uniforme omvang van 15 ha.[6] Naar de aard van de grond heeft men hiervoor overwogen decultuur van maïs, rijst en aardappelen, de aanleg van kleine tuinen en van een tamelijk groot oppervlak weiland. Dit oppervlak van 15 ha laat bij een gunstige ontwikkeling een veestapel van 30 melkkoeien toe. De stal bevindt zich vlak bij het woonhuis van de kolonist en sommige van die woonhuizen zijn hoogst comfortabel ingericht. Vele boeren zullen zelf boter en kaas produceren, maar men gaat ook een modelzuivelfabriek bouwen om bepaalde standaardtypen kaas en boter te kunnen vervaardigen. Men vindt hier velenieuwigheden, die men in het binnenland, zelfs in de steden, nog niet kent, o.a. een wasserij (reeds in uitvoering), die alle personen van de Nederlandse kolonie zal bedienen.

De vooruitgang, die hier practisch in anderhalf jaar geboekt is, laat ons voorzien, dat over nog één jaar op zijn hoogst[7] de “Granjas Holandesas Reunidas” een modelcentrum zullen vormen, dank zij hun hoog organisatiepeil en dank zij de methoden, die hier op het gebied van de landbouw en de veeteelt worden toegepast. Men zal er een leerzaam voorbeeld kunnen vinden, dat hopelijk anderen zal aansporen om het na te volgen, tot grotere bloei van ons land.

Bron: Ontginning, augustus 1950


[1] Frigorífico Armour do Brasil S/A, Braziliaanse dochteronderneming van het Amerikaanse vleesconcern Armour & Company uit Chicago.
[2] Ir. J.G. Heymeijer.

[3] Dit getal was aan de hoge kant.
[4] Gedoeld werd op de kleine staf van deskundigen, die er al aanwezig was of binnenkort werd verwacht.
[5] In werkelijkheid waren het er 500.
[6] De bedoeling was om vooral 15 ha.-bedrijven te stichten; daarnaast was voorzien in enkele bedrijven met een grotere omvang.
[7] Commentaar van de vertaler in Ontginning: ‘De eerlijkheid gebiedt ons te erkennen, dat de schrijver zich wat al te complimenteus uitlaat. Wij zullen intussen ons best doen om aan zijn hoge verwachtingen zoveel mogelijk te beantwoorden.’

Holambra in opbouw (II)

Het Centrum.

Wat thans het “Centrum” heet, is het fazendaplein (met het fazendahuis) en de onmiddellijke omgeving daarvan. Hier klopt het hart van de coöperatie. Afgezien van enige woonhuizen, die wij er vinden, staat daar de kerk, het fazendahuis, de kantoren, het vrijgezellenhuis en de school, allemaal gebouwen, die in het leven der emigranten een voorname rol spelen. Over al die gebouwen zou heel wat te vertellen zijn, maar we moeten ons tot enige hoofdzaken beperken.

De kapel werd vorig jaar van Maart tot Mei (oorspronkelijk met een andere bedoeling) gebouwd en in Juli werd de achterwand ervan door Pater Dr. G. Sijen, de pastoor der parochie, met een fraaie voorstelling van de Verrijzende Christus getooid. · Men probeert hier doelbewust de grondslagen te leggen voor een liturgische gemeenschapsvorming en het spreekt vanzelf, dat de zeven zusters, Kanunikessen van het H. Graf, voor deze geestelijke opbouw uiterst waardevolle bijdragen leveren. De kapel is op dit ogenblik al te klein, de pater is nu al genoodzaakt iedere Zondag drie H.H. Missen te lezen. Op de duur zal deze situatie de bouwafdeling voor een nieuw probleem stellen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Het fazendahuis vereist eveneens omvangrijke reparaties en uitbreidingen. Het is weliswaar een royaal ingericht woonhuis met vrij veel ruime vertrekken, maar als men hoort, welke bestemmingen dit huis zoal heeft, zal men onmiddellijk begrijpen, dat het toch weer veel te klein is. Het bergt onder zijn herbergzaam dak de familie Heymeyer (6 personen) de zusters (thans 7, binnenkort 9 personen) en de pater. Bovendien gebruiken er tot nu toe dagelijks ruim 30 vrijgezellen hun maaltijden. En tenslotte heeft Ir. Heymeyer er zijn kantoor.

Binnenkort komen er een paar van deze bestemmingen te vervallen, wat niet anders dan noodzakelijk is, omdat noch van een behoorlijk kloosterleven, noch van een behoorlijk familieleven binnen deze al te enge muren sprake kan zijn. De vrijgezellen zullen zeer binnenkort gaan verhuizen naar een speciaal voor hen ingericht tehuis, waar ze de maaltijden kunnen gebruiken, waar ze kunnen vergaderen, zich ontspannen, lezen, schrijven, enz. De Heer en Mevrouw Slegers hebben zich met de taak belast te zorgen voor de materiële en hogere belangen van deze vrijgezellen. En voor de directie wordt thans aan de andere kant van het fazendaplein een kantoorruimte ingericht, zodat ook in dit opzicht het fazendahuis meer ontlast zal worden.

Over het kantoor der administratie en de school zullen we vandaag maar niet langer spreken. Hopelijk komen deze beide instellingen een volgende keer nog eens aan de beurt.

 

Groei van het bedrijf.

De bouwafdeling heeft al drie dochterbedrijven onder haar hoede. In de eerste plaats de timmermanswerkplaats, die zonder meer een modelinrichting kan worden genoemd, al kan ze het steeds toenemende werk niet bijhouden. Vervolgens de houtzagerij, die nog niet zo heel lang geleden ertoe is overgegaan eigen hout van de fazenda te zagen en voor verder gebruik te bewerken. Tenslotte is er de steenfabriek, die over enige tijd 30.000 stenen per week zal kunnen produceren. Deze dochterbedrijven betekenen een enorme deviezenbesparing voor de fazenda, en hun belangrijkheid zal in de volgende maanden nog· steeds toenemen. Wanneer we bedenken, dat een jaar geleden de spanten nog uit Campinas betrokken moesten worden en dat tienduizenden stenen uit. de omliggende plaatsen geleverd moesten worden, zal men begrijpen, dat deze bedrijven hier absoluut noodzakelijk zijn.

Toch blijven de moeilijkheden nog zeer groot en ze zijn van velerlei aard. Zand moet b.v. gehaald worden op een afstand van 13 km aan de rivier en hier kan men eigenlijk alleen in de droge tijd terecht. De voorziening van kalk en cement loopt maar zeer stroef, en het transport, dat het uiterste vraagt van het beschikbare materiaal, is een probleem op zich.

De snelle groei van de kolonie stelt de bouwafdeling iedere maand, we zouden ·haast zeggen, iedere dag, voor een nieuwe puzzle. Van half mei tot half augustus moeten er 25 boerderijen worden gebouwd met de daarbij behorende stallen; voorts 6 huizen in het centrum, drie kalverstallen en vier stallen voor volwassen vee. En tenslotte moet een gedeelte van de grote zuivelfabriek worden opgebouwd, het z.g. A-melkbedrijf. Daarnaast komen nog de kleine, dagelijks terugkerende karweitjes en men zal begrijpen, dat de Heer Hendrikx iedere maand blij·is als de nieuwe emigranten weer een dak boven hun hoofd hebben.

Er is een werkschema opgesteld, waarbij de bouwafdeling in vier ploegen verdeeld is en zonder al te grote tegenslagen hoopt men inderdaad met de verschillende projecten gereed te komen. En het moet gereed komen, want vóór half Augustus worden hier weer een dertig (meestal grote) families verwacht, die ergens ondergebracht moeten worden. In de uitvoering van dit programma ligt voor alle personen, die erbij betrokken zijn, iets spannends: komen de leveranties wel op tijd? Ondervindt het transport geen al te grote strubbelingen? Zullen de timmerlieden, de metselaars wel kunnen bijhouden?

Deze en dergelijke vragen hoort men hier dagelijks. Maar tot nu toe is men, ondanks alles, geneigd deze vragen optimistisch te beantwoorden. Want het is nog altijd klaargekomen, de emigranten hebben nog altijd een huis gevonden, er kwam nog altijd een oplossing, ook al leek ze aanvankelijk onmogelijk. Wij vertrouwen dus op het goede gesternte, dat ons tot nu toe nog altijd vergezeld heeft. We bouwen verder en zien hier een dorp verrijzen, dat ons dagelijks meer tot voldoening stemt en ons aanspoort ·steeds verder en hoger te streven.

Uit: Ontginning, augustus 1950

Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ’s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.

Reisindrukken van een oud-planter (9)

Tijdens mijn bezoek aan Carambeí in september van dit jaar vernam ik dat de familie Vermeulen blij verrast was met de herontdekking van de reisindrukken van hun voorvader Roeland Vermeulen, die eind jaren dertig waren verschenen in het Indische weekblad De Bergcultures. Inmiddels verschijnen ook delen van dit feuilleton in De Regenboog, het maandblad van de Nederlandse kolonies in Brazilië. In het zevende deel, oorspronkelijk verschenen in De Bergcultures van 29 oktober 1938, deed Vermeulen onder meer verslag van de viering van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in Carambeí en een bijzonder huwelijk van twee pioniers in de kolonie.

Mijn laatste reisbrief dateert van 23 Juni 1938 en ik bemerk met schrik, dat wij alweer drie maanden verder zijn. De dagen vliegen voorbij en onze steeds terugkeerende verzuchting is, dat de dag het dubbele aantal werkuren mocht tellen, teneinde den gang der werkzaamheden nog sneller te doen geschieden. Toch hebben wij geenszins reden tot klagen. Wij doen wat wij kunnen en elke nieuwe dag brengt nieuwe vreugde. Wij vestigden ons op Carambehy circa medio October 1937. Wij wonen hier dus nog geen jaar en als wij het resultaat van ons werken aanschouwen, stemt dit ons zeker tot groote tevredenheid. Onze moestuin is nu in volle productie. Dagelijks genieten wij van de zelf gekweekte groenten, welke in groot variatie op tafel verschijnen. Alle geplante vruchtboomen staan vol in blad, het is een lust voor de oogen, zóó mooi als alles is uitgeloopen. Ook de in potten gekweekte acacia, nogueira brasileira (Braziliaansche tungboom), kapok, dennen, cassia, bracatinha en andere boomjes zijn prachtig gegroeid. Nu begint het eens zoo dorre kamp reeds een geheel ander aanzien te krijgen. Van onze aardbeien genieten wij dagelijks volop, terwijl de frambozen, bramen en druiven in vollen bloei staan. Vier onzer koeien moeten eerstdaags kalven. Het zal voor ons een groote gebeurtenis zijn, als het eerste kalfje het levenslicht aanschouwt! Ook de windpaggers en schaduwboomen beginnen, nu het voorjaar hier is ingetreden, zienderoogen te groeien. De lupine staat in vollen bloei en de Aleurites fordii (tung)-plantjes staan er op de kweekbedden kerngezond bij. Kortom, wij mogen inderdaad met de verkregen resultaten tevreden zijn.

19381507-1

Ons woonhuis is gereed en past volkomen in deze omgeving ; het is inderdaad in elk opzicht geheel naar onzen wensch uitgevallen. Sinds een maand bewonen wij het nu. Zoowel mijn vrouw, ikzelf en de kinderen moeten steeds poot-aan spelen, doch in dit zonnige land, met zijn gezond klimaat, is hard werken een genot, temeer waar het den opbouw geldt van een eigen bezit. (…)

Een drukke tijd ligt achter ons; een tijd van opbouw en succes, maar als scherpe tegenstelling ook een tijd van zorg en angst. Herinneren wij slechts aan het noodweer op 22 Mei j.l., met al zijn fatale gevolgen. Wij zullen dat nooit vergeten en bij iedere opkomende onweersbui, welke zich hier in deze streken bijzonder hevig en zwaar kan ontlasten, worden wij angstig voor het eigen bezit. Op den dertienden September jl. woedde hier wederom een hevig onweer, gepaard gaande met zware regens en storm.Juist op dien dag wilden wij het 40-jarig Regeeringsjubileum onzer geëerbiedigde Koningin vieren, welk feest oorspronkelijk op 7 September zou plaats hebben, doch wegens de slechte weersomstandigheden was uitgesteld tot 13 September. Liet het weer zich op den vroegen morgen van dien dag gunstig aanzien, onmiddellijk na de plechtige opening en het uitspreken der feestrede door den Voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Verbond, Ds. Muller, kwam een orkaan opzetten, waarna het begon te stortregenen, zoodat het buitenfeest letterlijk in het water viel. Van ons nieuwe huis en de stallen woeien ettelijke pannen af, waardoor eenige gaten in de daken ontstonden, met gevolg dat de daar beneden liggende vertrekken en ruimten onder regenden. Gelukkig viel de aangerichte schade uiteindelijk mee, doch we hopen vurig verder van dergelijke stormen bevrijd te blijven.

19381507-2
Nog een foto van de Hollandse dag tijdens de veetentoonstelling te Ponta Grossa. Links ds. Muller, naast hem dochter Muis Vermeulen. De derde vrouw van links is mevr. Muller.

Onze kolonie is echter niet achtergebleven in de rij der feestvierende landgenooten daar ginds in het eigen Moederland en elders over den aardbol verspreid. Het bestuur van het Algemeen Nederlandsch Verbond had, evenals bij het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard en daarna bij de geboorte van Prinses Beatrix, in het 40-jarige regeeringsjubileum onzer Koningen een gelukkige aanleiding gevonden om alle Hollanders van Carambehy en omliggende contrijen samen te roepen, teneinde met elkander in vreugde en dankbaarheid dit feest te vieren en te herdenken, hetgeen die veertig jaren ons Vaderland gebracht hebben. Zoo werden dan op den 20sten September, eindelijk weer een stralend helderen dag, zooals wij dien hier zoo goed kennen, met zijn intens blauwe lucht en zonnewarmte, ten derden male de vlaggen geheschen in dit kleine stukje “Holland”, midden in de onafzienbare prairie van de Paranasche hoogvlakte. Hoe werd er feestgevierd! Een bloemencorso voor versierde karossen, wagentjes en fietsen, een ringstekerij voor paren in tweewielige karretjes, een Hollandsche kermis met diverse kermisgeneugten voor oud en jong, een defilé en behendigheidswedstrijd te paard vormden den hoofdschotel van het feestprogramma. Ondanks dan alle tegenwerkende weersfactoren, slaagde uiteindelijk deze derde poging tot feestelijk herdenken in vreugde en dankbaarheid. De liefde en trouw der Hollanders van Carambehy voor hun Vorstenhuis kwamen hierbij weer bijzonder tot uiting.

Het afdeelingsbestuur van het Algemeen Nederlandsch Verbond is dit jaar bijzonder actief geweest. Kenmerkte het jaar 1937 zich door een sterke inzinking, in 1938 mocht de afdeeling zich verheugen in een aanzienlijke vermeerdering van het aantal leden, ook uit de omgeving van Carambehy. Wij hebben reden tot dankbaarheid, daar door het toenemend aantal leden het bewijs geleverd wordt, dat de Hollanders hier begrijpen, dat een nauw aaneengesloten verband den gemeenschapszin slechts kan bevorderen. Wij spreken steeds van Holland, respectievelijk Hollanders, omdat hier in Brazilië “Nederland” en “Nederlanders” absoluut onbekende klanken zijn. Men kent hier (en wij kunnen dit met trots neerschrijven), men waardeert hier hooglijk slechts Holland als aanduiding voor Nederland en de “Hollanders” als verzamelnaam der Nederlanders. Wij passen ons derhalve geheel hierbij aan door Nederland, Holland en ons zelf Hollanders te noemen. En zoo’n stukje Holland is de kolonie Carambehy, ondanks haar Braziliaanschen naam, welke oorspronkelijk uit het Indiaansch komt en welker vertaling in het Hollandsch omschreven luidt: “uitgestrekte prairie” (campos). Hollandsch dus, ondanks ook den zeer terechten naam, dien de reeds lang verdwenen Indianen van vroeger aan deze plaats gegeven hadden. Carambehy, niet méér dan een miniatuur plekje in de grootste der Zuid-Amerikaansche Staten: Brazilië, dat ongeveer 270 maal zoo groot is als Holland. Maar dit Carambehy heeft zijn Hollandsch karakter trouw bewaard gedurende de 26 jaren van zijn bestaan als Hollandsche kolonie, ver in het binnenland van den staat Paraná op ± 1100 meter boven den zeespiegel; een stukje Holland zóó Hollandsch, dat men moeite heeft te gelooven, dat men zich niet in Holland bevindt. Veel herinnert hier aan Holland; de roode daken der naar Hollandsehen landelijken trant gebouwde en ingerichte huizen, de koeien, de boter en de kaas, de goede eigenschappen der beste Hollanders: eenvoud en soberheid, trouwhartigheid en gastvrijheid en vooral ook onkreukbare trouw en eerlijkheid. Aan Holland herinnert ook de gehechtheid aan het oude verre land aan de Noordzee, evenals het klimaat, dat, zij het in verbeterde editie, met het vaderlandsche klimaat overeenstemt. Aan Holland herinnert de verre horizon en de ontzaglijke hemelkoepel, blauw, strak en diep als een zee, bij helder stralend weer; maar even zwaar en triest als late najaarsluchten, de voorboden van regen, wind en mist, die boven ons landje aan de zee voortjagen, kunnen ook hier de dagen van “nattigheid” voorbij gaan. Het buitenwerk ligt dan wel geheel of gedeeltelijk stil, zoover het den arbeid van menschenhanden betreft. Deze zoeken dan werkzaamheden in stal of schuur en binnenshuis, of vouwen zich warmend om een dampende kop koffie, terwijl buiten de regen stroomt en het vee als onbeweeglijke schimmen samenschuilt tegen de dampende heuvels van het schrale kamp. Grijs, grijs is dan dit land van zon en wijdte. Leven dan herinneringen op ergens uit die grijsheid geroepen, de warme intimiteit van een woonkamer, de geur van de koffie, de zingende ketel, het vroege lamplicht … ? Doch, spreekt en leeft misschien nog het allermeest en toch het laatst genoemd, dit alles hier op Carambehy niet door het in stand houden door de oud-kolonisten van hun eigen mooie taal? De gehechtheid dezer rechtgeaarde Hollandsche voortrekkers verdient overal, doch zeker in het vaderland ten volle waardeering.

Sinds eenige maanden krijgen wij ook les in de Braziliaansche taal. Er heeft zich hier een gepensionneerd Zwitsersch professor gevestigd, die jarenlang verbonden was aan verschillende Gymnasia der groote steden: in Brazilië en die bereid was tegen een honorarium van 3 milreis (zegge ± 30 cent) per lesuur ons geheele gezin de moeilijkheden der BraziIiaansche taal bij te brengen. Brazilië heeft zijn eigen taal en inderdaad is Brazilië groot en beteekenend genoeg om een eigen taal te hebben. Al is oogenschijnlijk het verschil tusschen het Portugeesch en·het Braziliaansch niet groot, in werkelijkheid bestaat er een groot verschil tusschen de Braziliaansche en Portugeesche spraakkunst, vooral sinds Brazilië zijn eigen spellingsregels heeft vastgesteld. De taal is mooi en welluidend, doch men moet zeer ernstig studeeren om haar grondig te leeren. Het Braziliaansch is verre van gemakkelijk en wij ouderen vooral stuiten telkens op onoverkomelijke moeilijkheden tijdens de studie. Toch ben ik er van overtuigd, dat speciaal voor het jongere geslacht een serieuze studie dezer welluidende taal zeker de moeite zal loonen.

Alvorens dezen brief te beëindigen wil ik nog melding maken van een onlangs gevierde bruiloft hier in de kolonie. Onze oudste kolonist “Opa Los”, weduwnaar van 72 jaar, trad in het huwelijksbootje met “tante Mina Verschoor”, een weduwe van 66 jaar. Deze jonggehuwden willen trachten elkanders laatste levensjaren op te vroolijken en het was inderdaad een ontroerend moment, toen de beide oudjes, hand in hand, elkaar met hoogst ernstige en vrome gezichten voor den dominee trouw en gehoorzaamheid beloofden. U ziet, aan poëzie mankeert het hier op Carambéhy ook niet.

Wij leven thans in het tijdperk der kampbranden. Zoodra het voorjaar intreedt, beginnen de Braziliaansche fazendero’s hun oudste kampgronden (± 3 jaar oud) in brand· te steken, teneinde voor hun vee nieuw krachtig, eiwitrijk gras te verkrijgen. Dit kampbranden geschiedt zeer oordeelkundig en vereischt een groote mate van inzicht en ervaring. Duizenden hectaren worden op deze wijze gebrand en zoo ver het oog reikt ziet men·het prairievuur. De lucht is tijdens deze periode soms wekenlang bezwangerd van rook. De zon wordt er door verduisterd; onwezenlijk licht verspreidt zich over het land, welks vergezichten oplossen in een laaghangend rookgordijn, waar de wind geen vat op schijnt te hebben en dat den verfrisschenden regen tegenhoudt. De zon beschrijft haar baan, maar wat wij van haar zien is niets dan een onwezenlijke bal, zwevend in een helle lucht, die pijn doet aan de oogen, als men er in opkijkt. Zonsop- en -ondergang zijn echter phantastisch mooi en vooral het avondrood, dat ineenvloeit met de grillige vuurlijnen van brandende kampen in de verte, is zoo magnifiek, dat men slechts kan zijn, hoewel men woorden zoekt om het te beschrijven. In de zwarte, sterrenlooze nachten levert het stille schouwspel van kruipend vuur over de spanning van vele heuvels en dalen heen, den nieuweling een gevoel van pracht en verschrikking tegelijk. Grillig en ongebreideld schijnt het steeds weer anders van vorm en gloed; hoe ver ook verwijderd, zoodat men geen vlammen, doch slechts vurige rookzuilen geen boven de wit-gloeiende lijnen ziet, toch ondervindt men de ondefinieerbare aantrekkingskracht van iets allesverterends, iets, waaraan een mensch maar zelden denkt, wanneer hij ’s avonds bij kaars of olieland, lichtje zit te werken. (…)

Carambehy, 24 september 1938.

Film Braziliaanse Koorts komt er

Een half jaar geleden presenteerden twee Nederlandse documentairemakers, Arjan van Westen en Monique Schoutsen hun plannen voor het maken van een nieuwe documentaire over de nazaten van de Zeeuwse emigranten in Espírito Santo. Het geld hoopten zij bijeen te krijgen door middel van crowdfunding. Via hun website www.braziliaansekoorts.nl kon je een financiële bijdrage storten, waarbij de hoogte van de donatie bepalend was voor wat je er als donateur voor terug zou krijgen. Afhankelijk van de hoogte van de bijdrage kreeg je na verschijning een exemplaar van de DVD toegestuurd, een exemplaar van het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis, vermelding van je naam op de aftiteling of een uitnodiging voor de première. Arjan en Monique hebben de afgelopen zomer op talloze markten in Zeeland gestaan om hun project te promoten. Daarnaast waren ze geregeld te gast in regionale en landelijke media. En met succes! Momenteel is 19.000 van de benodigde 25.000 euro binnen. Ze hebben daarom besloten de film te maken in de wetenschap dat de komende maanden de resterende 6000 euro nog binnen zal komen.

Komende maanden start het filmen in Zeeland en in maart gaan Arjan van Westen en Monique Schoutsen naar Brazilië. Hun streven is om de documentaire net voor het WK voetbal af te hebben.

Om alvast in de stemming te komen, volgen hier nogmaals de twee korte films die Eline Jongsma en Kel O’Neill in 2012 maakten in Holanda, Espírito Santo. Ongetwijfeld wordt de nieuwe documentaire veel informatiever dan deze filmische impressies.

 

Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ’t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Overschat Uzelf niet!

In augustus 1950, net op het moment dat op de Fazenda Ribeirão in opdracht van de Nederlandse regering een onderzoeksteam bezig was om de economische situatie van de jonge emigrantengemeenschap in kaart te brengen – hetgeen leidde tot een vernietigend rapport over de leiderscapaciteiten van Geert Heymeijer – verscheen in Nederland een themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren. De bedoeling was duidelijk: in Brazilië werd iets groots verricht en daarbij kon men gerust nog wat jonge kerels die konden aanpakken gebruikten. Daarnaast was het blad bedoeld om negatieve sentimenten, waaraan de emigranten in hun brieven naar het thuisfront uiting gaven, te weerspreken.

Ontginning 1950Illustratief voor het van bovenaf opgelegde positivisme om onderhuidse onlustgevoelens te neutraliseren is het artikel ‘Overschat Uzelf niet!’ van de geestelijk leider van de Fazenda Ribeirão, pater Godfried Sijen OPraem. Volgens Sijen hing de kans van slagen van emigranten vooral af van de sterke en gezonde geest. Hij herhaalde daarbij de woorden die Heymeijer tijdens de voorbereiding had gebruikt: ‘als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt.’ Ook hield hij de lezers voor om vertrouwen te houden in de leiding, ook al begreep men niet alles van het gevoerde beleid. Ook hield hij de emigranten voor doof te zijn voor stokerij en roddelpraatjes, die vriendschap verstoorde en die in een vreemde omgeving een nog betere voedingsbodem zou vinden. ‘Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren?’ Gezien de grote vertrouwenscrisis, die de jonge kolonie van 1951 tot en met 1953 totaal verscheurde, hadden deze wijze woorden een grote voorspellende kracht. Ook Sijen slaagde er niet in om de geest goed te houden. Op zondag 21 december 1952 kwam hij niet opdagen voor de H. Mis. Hij werd dood aangetroffen op zijn bed.

De man, die in Nederland rondloopt met het plan om te emigreren, heeft enige gelijkenis met de bestuurder op een legerwagen in de dagen der bevrijding. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor een kostbare vracht naar een onbekend land. In die dagen dan, toen de autocolonnes van de geallieerde bevrijders door ons land raasden, werden niet zonder reden langs de wegen speciale borden geplaatst, die waarschuwden tegen het gebruik van sterke drank. Een dronken chauffeur ziet niet goed de weg, die yóór hem ligt en is daarbij de beheersing kwijt over eigen hoofd en hand. Het gevaar bestaat, dat vele van onze boeren en tuinders, op zoek naar nieuw land in een nieuwe wereld, te werk gaan als in .een roes, gelijk aan die dronken chauffeurs. In één punt komen ze er in ieder geval mee overeen: ze zien de weg niet goed,.die voor hen ligt en ze kunnen die ook niet overzien .. Niemand in Nederland, die het niet heeft ondervonden, beseft ten volle wat dit is: emigreren. En ook kan iemand, die het zelf heeft meegemaakt, dit niet precies vertellen aan een ander. Dagelijks ontvangen wij en onze mensen brieven uit het vaderland met vragen om inlichtingen en raad. De beantwoording van die vragen kan de doorslag geven voor de levenskwestie:zal ook ik emigreren met mijn gezin of niet? Maar niemand onzer, die nu werkelijkheid ondervindt, durft het aan: te vertellen wat het is. De weg die de emigrant voor zich heeft, is niet duidelijk te beschrijven. En raad geven is zeer moeilijk en gevaarlijk. Het zal, als ge in het nieuwe land zijt, telkens anders zijn dan anderen U vertellen kunnen.

Zonder een goed beeld te krijgen van zijn toekomst, moet de emigrant zich toch een oordeel vormen; waarop een verstandig besluit kan volgen. En uit eigen ervaringen van nu en vroeger is het vanuit Nederland even onmogelijk om goed te oordelen. Ge kunt de weg niet overzien, die ge af zult moeten leggen. In dit punt lijkt ge dus op een chauffeur, die door het grote bord moet worden gewaarschuwd.

Maar de omstandigheden in Nederland brengen ook nog gevaar mee de beheersing te verliezen over eigen hoofd en hand, zoals de roes doet bij de dronkeman. De nood benevelt het verstandig oordeel en doet eigen krachten overschatten. Dit laatste misschien nog wel het meest. En als het zo is, wordt emigreren een uiterst gevaarlijke onderneming. Want de kans tot slagen bij emigratie hangt op de eerste en voornaamste plaats af van een gezonde en sterke geest. Wantrouw gerust de macht van uw handen, de degelijkheid van uw vakmanschap, de kracht van uw machines, wantrouw vooral ook de macht van uw kapitaal! Maar overtuig u van de adel en de sterkte van uw geest. Ir. Heymeyer heeft het destijds telkens weer herhaald op de bijeenkomsten in De Steeg: als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt. We beseften toen ook niet geheel wat dat betekende. Nu weten wij het en kunnen wij zijn woorden slechts herhalen voor degenen, die na ons komen willen.

Als ik nu trachten zal dit even nader voor u uit te werken, denk ik verder slechts aan emigratie naar dit onmetelijke land, Brazilië, met zijn ‑ zoals wij hier zeggen ‑ grote mogelijkheden en even grote onmogelijkheden. Elk land vraagt van de vreemdeling een eigen geesteskracht: de eenzaamheid van Canada, de jeugd van Australië, de tradities van Z. Afrika, Ribeirão in Brazilië vraagt van ieder onzer en van ieder die komen zal, een eigen geesteskracht en een eigen geestesadel.

Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)
Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)

Aan niemand zal ‑ dat vertrouwen we ‑ die geest van Geloof en trouw aan God en Kerk ontbreken, die allen juist deze vorm van emigratie in groepsverband kiezen doet. Voor henzelf en voor hun kinderen achten zij die geestelijke waarden zo het best gewaarborgd, die ons dierbaar zijn vóór alle andere belangen. Voordat men dan het grote besluit neemt, is vóór alles wijs en voorzichtig beraad noodzakelijk. Daarbij moet ge goed bedenken, dat alle inlichtingen voor uzelf van zeer betrekkelijke waarde zijn, dat de toekomst anders zijn zal dan ge u in verbeelding voorstelt, anders het leven in de nieuwe gemeenschap, anders de kerk waarin ge bidden zult, de school ,waarin uw kinderen worden opgevoed, het kleine huis, waarin ge wonen zult, het voedsel dat ge eet, anders de gewoonten op het werk, met het vee en met het land, dat ge bebouwen zult. Vooral van de ouderen zal een aanpassingsvermogen worden gevraagd, dat op hun leeftijd meer dan normaal is. Onderzoek, wat de motieven zijn, die U uiteindelijk bewegen. Is het vooral de zorg voor uw geld, dat ge met zoveel vlijt gespaard hebt, blijf dan thuis. Zijn het vooral uw kinderen, waarvoor gij alles over hebt, bedenkt dan, dat dit offers vraagt, niet gedurende enkele dagen, maar gedurende enkele jaren, misschien heel uw verder leven: offers, die ge niet zelf kiest, maar die U worden opgedrongen en waarvan ge de zin niet altijd begrijpen zult. Overschat uzelf niet!Onderzoek, of ge bereid zijt mee te bouwen aan iets groots, dat verder reikt dan uw eigen belangen en die van uw gezin, want ook deze zijn uiteindelijk alleen gediend, wanneer ge standvastig mee wilt werken ‑ let op “werken” ‑ aan de opbouw van deze gemeenschap. Die gemeenschap moet sterk zijn, voordat ge eraan denken moogt zelf sterk te kunnen worden. Zult ge daarvoor afstand kunnen doen van uw zelfstandigheid, die aan uw boerenhart zo dierbaar is en die ge hier nooit zo verlangen kunt zoals. voorheen? Zult ge vertrouwen kunnen hebben in hen, die leiding geven, ook wanneer ge niet alles begrijpt in hun beleid? Zult ge geen smaad werpen op de goede naam van mensen, die niet denken en niet leven zoals gij? Zult gij hen niet verdenken verkeerd te zijn, terwijl ze slechts anders zijn dan gij ? Zult gij dan doof zijn voor stokerij, die vriendschap verstoort, voor de kleine roddelpraatjes, die ook onze dorpen in het vaderland zo ontsieren, maar die in een nieuwe vreemde omgeving nog een betere voedingsbodem vinden? Zult ge tien keer kunnen zwijgen, wanneer ge spreken wilt en als ge éénmaal spreekt, zal het dan altijd een wijs woord zijn, altijd verhelderend en verheffend? Hoe staat uw vrouw met deze eis. Zij heeft een grote rol te spelen en moet hier vooral de steun zijn voor uw geest. Maar zij zal zich eenzamer voelen dan gij en behoefte hebben om zich uit te praten. Zal ze het gebrek aan werkelijk nieuws niet vervangen door opgeblazen nieuwtjes of nieuws in haar verbeelding, waarvan andere mensen het slachtoffer worden ? Dan zoudt gij schuldig zijn aan wanbegrip en twist en afbreuk aan de liefde, die ook hier de band is onzer gemeenschap. Als ge werkelijk kritiek meent te hebben, zult ge die uiten op de juiste plaats en op de juiste toon? Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren? Zullen dit ook de beproevingen niet doen, die langdurig zullen zijn ? Jarenlang zult ge u ook behelpen moeten metprimitieve middelen, terwijl ge in Nederland met vele dingen zo verwend zijt. Hebt ge aanleg tot droefheid en neerslachtigheid, waaraan ge te gronde kunt gaan, tot tobberij waarmee ge uw geestkracht verliezen kunt?

Als ge, na dit alles met zorg te hebben onderzocht, meent toch temoeten emigreren, laat dan uw besluitstandvastig zijn. Durf dan de konsekwenties aan van uw besluit, de konsekwenties, die ge kent en .die ge niet kent, maar die U hier verrassen zullen. Wees dan grootmoedig, begeesterd voor de grote taak, waaraan ge mee wilt werken, gewapend met vertrouwen en met geduld, sterk door verdraagzaamheid en door volharding.

Wanneer ik nu tenslotte nog uw begrijpelijke nieuwsgierigheid voldoen moet naar het antwoord op de vraag: hoe staat het in werkelijkheid met dit alles op Ribeirão, dan kan ik U geruststellen. En met u allen, die in Nederland wellicht verward zijn in geruchten en halve berichten. Een emigrant ‑ en zeker een boerenemigrant ‑ is nu eenmaal geen briefschrijver. En als hij behoefte heeft om zich te uiten, is hij als ieder mens geneigd om langer bij zijn moeilijkheden stil te staan dan bij zijn geluk. Hij drukt de bedoeling niet uit, waarmee hij schrijft, evenmin als hij de fantasieën zal beseffen, die hij kan oproepen bij de grage lezers. De geest op Ribeirão is goed! Maar die goede geest is bescheiden en niet spraakzaam; hij spreekt zich uit in het werk en in de prestaties, die hier in één jaar tijds verricht zijn. Hij spreekt vooral tot degenen, die ons jonge dorp hier persoonlijk bezoeken kunnen en vol bewondering weer vertrekken. Hij spreekt zich weinig ‑ te weinig ‑ uit in brieven naar Nederland. Al wat ge anders hebt gehoord, verdenk dat van eenzijdigheid of ondoordachte geruchtmakerij.

Alle dagen wat nieuws

Lange tijd was het schrijven van brieven voor emigranten het enige middel om het contact te onderhouden met de familie in Nederland. Voor het onderzoek naar de stemming onder de mensen die zich in de beginjaren in Holambra vestigden zijn deze brieven een onmisbare bron. Zij vormen een belangrijke correctie van het beeld dat de leiding van de nog jonge kolonie wilde uitdragen in Nederland. De bedoeling was duidelijk. Positieve verhalen waren een belangrijk propagandamiddel om nieuwe emigranten aan te kunnen trekken. Ook het publiceren van brieven in dag- en weekbladen had deze bedoeling. Een van de briefschrijvers was Jan Nabuurs uit Venray, die met zijn echtgenote behoorde tot de eerste grote groep emigranten die zich in Holambra vestigde. Op 7 mei 1949 publiceerde Boer en Tuinder de navolgende brief.

Fazenda Ribeirão, 13 februari 1949.

Geachte vrienden,

Gauw wil ik nog even U allen een briefje schrijven, dat ik in zal sluiten bij een brief van thuis. Wij zijn nu enkele weken in ons nieuwe vaderland en nu weten we nog niets, want het is een land waar alles en nog wat mogelijk is. Eén ding is zeker: als het niet veel slechter meer wordt willen wij niet meer naar Holland terug. Het is ons hier in grote trekken goed bevallen. Het is hier mooi en alle dagen zien wij weer wat nieuws. De ene dag goed, de andere dag minder goed.
Ik heb hier naast me liggen een kaart van de Fazenda en dan is het een uitgestrekt gebied met een groot bos en enkele kleinere bossen, wat riviertjes en wat zandwegen. Nu deze kaart zult U misschien ook al wel hebben gezien. Maar als we dan de werkelijkheid zien dan is dat weer heel anders. De Fazenda bestaat uit verschillende heuvels en als we tegen zo’n heuvel staan dan zien we niets dan een groot perceel vlak land met tegenover ons ook weer zo’n perceel van een andere heuvel en we worden niet gewaar dat het een heuvel is, alleen als we er tegen op of af moeten.
                Toen we dezer dagen een keer rondreden met de tractor en een vierwielige wagen er achter, vroeg Miltenburg ons, wat we van het land dacht toen we ongeveer op zo’n heuvel en eenparig was het antwoord “goed” en ook goed te bewerken, het is mooi gelijk. Toen we een uurtje gereden hadden vroeg er eentje, of die berg daar ook van de Fazenda was, want die zullen we toch wel niet goed kunnen bewerken. Het antwoord was: ‘Ja daar hebben we straks op gestaan en toen werd er door U beweerd het mooi en goed land was.’ Zo zien we hier dat het oog nogal bedriegt.

Het klimaat
Het klimaat is hier goed. De warmte is goed te dragen, al zijn wij niet in de warmste tijd hier geweest. Al is het zo warm dat we op de trekker de hand niet kunnen leggen van de zon, toch voelt men het nog niet zo erg. Als we zweten dat het water langs het lijf loopt, dan voelt men dit niet zo als in Nederland; maar ook onze huid verbranden doen we makkelijk en voor we het weten. Dit kan in 10 minuten gebeurd zijn.
                Wat de slangen aangaat, we hebben er al een hele boel opgeruimd ± 20, maar meestal met het ploegen. Ook wordt er zo nu en dan een gevangen, maar het gevaar is niet zo groot. Vliegen zijn er ongeveer als in Holland. Je wordt ze echter niet veel gewaar, wel van die kleine muggetjes, die kunnen nog wel eens vervelend zijn.
                Nu iets dat zeker van belang is. Wijst de emigranten maar goed op de volgende punten. Er is wel niet veel nodig, maar als ge een goed huis gewoon bent, dan valt het niet mee om in een slecht te gaan wonen. Dan, ze komen niet bij het Fazendahuis, wat het middelpunt is, maar tot op 5 km. afstand toe. Dit is ook wel niet zo erg, maar ze moeten er toch goed aan denken, want een buurpraatje houden gaat niet altijd en het is er altijd even stil en eenzaam, tenminste als ge een dorpsleven gewoon zijt.

Moeilijk voor de vrouwen
Dan vooral voor de vrouwen is het moeilijk, daar de man gewoonlijk de hele dag is op zijn werk. Ik zeg wel eens, we zijn nu wel getrouwd, maar we kunnen nog niet zoveel en zo rustig samen praten als in Holland in de verkeringstijd en toen zagen wel elkaar maar eens in de week. Dit moeten vooral de jongeren zoveel in de oren knopen. Nu zien we elkaar wel meer, maar als we thuis komen gaan we graag direct na het eten rusten.
                Dan, ge mist hier alle comfort en dit is wel gauw gezegd, maar denkt er maar eens goed over na, want als ge hier bent dan is het niet erg, als ge het maar eerst goed hebt overdacht, anders valt het heus niet mee, dat hoor ik wel van verschillende anderen.
                Dan het knecht zijn voor zelfstandige boeren dat is ook nogal moeilijk; het is zich neerleggen bij het besluit van een ander en het bewustzijn dat dit noodzakelijk is voor het algemeen belang. Het bewustzijn van het algemeen belang te dienen is bij enkelen ook zo dat ze denken dat dit goed is als het in hun kraam te pas komt. Over onze Limburgers zijn ze hier goed te spreken, laten we hopen dat dit zo zal blijven.
                Nu wil ik U allen nog eens bedanken voor de samenwerking die we hebben gehad en voor de medewerking die ik heb gehad om hier te komen. Vooral zou ik van hier uit nog bijzonder willen bedanken Vader Bisschop, waar wij ook veel te danken hebben. Ik hoop dat U deze brief in de beste gezondheid moogt ontvangen en teken met de vriendelijke groet aan U allen.
                Mag ik misschien ook nog eens iets van de gang van zaken horen?

J.A.M. Nabuurs, Campinas.