Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (6)

Naast hun rapport stuurden M.A. van Roggen en G.C. van Waveren in oktober 1950 ook een afzonderlijke brief aan het Ministerie van Sociale Zaken. Daarin gingen zij uitvoerig in op het optreden van Geert Heijmeijer, het appèl dat hij deed op het katholieke sentiment in Nederland en de door hen geconstateerde misstanden, waarvoor in het rapport geen plaats was. Hieronder de hoofdpunten van de harde kritiek die beiden hierin in naar voren brachten tegen het beleid van Heijmeijer.

1. Bij zijn financiële beschouwingen voor de toekomst, heeft de heer Heijmeijer kennelijk gespeculeerd op sentiments- dan wel humaniteitsoverwegingen bij de Nederlandse regering. Wanneer het kapitaal van de opgenomen leningen verbruikt was, zou men die arme boerengezinnen toch niet zonder meer laten verhongeren? (Dat een eventuele liquidatie dit bij de bestaande toestanden in de Braziliaanse landbouw inderdaad voor vele kolonisten ten gevolge zou hebben, is helaas met vrij grote zekerheid te verwachten).
Fazendaplein met kantoren2. Zijn voorstelling van het eigenlijke karakter dezer kolonie tegenover de Braziliaanse regering is een geheel andere dan die in vaderlandse kringen naar voren wordt gebracht. In Nederland, onder andere bij de KNBTB, wordt uiteraard vooral het zuiver katholieke element van deze emigratie als propaganda gebruikt mede ten gevolge waarvan de Nederlandse regering dit ten rechte beschouwd heeft als een particuliere onderneming, waarvoor zij geen verantwoordelijkheid kon dragen.
Tegenover de autoriteiten in Brazilië – een praktisch geheel katholiek land, waar dus het katholieke element vanzelfsprekend is – wordt dit karakter evenwel nooit naar voren gebracht (Het zou deze autoriteiten waarschijnlijk ook slechts weinig interesseren). In Brazilië wordt doel en opzet uitdrukkelijk voorgesteld als Nederlandse emigratie. De heer Heijmeijer heeft ten volle geprofiteerd van alle faciliteiten en voorrechten, waarover de officiële Nederlandse Emigratiedienst aldaar beschikt. Hierdoor is min of meer opzettelijk de schijn gewekt, dat de Nederlandse regering volkomen achter dit streven staat en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat deze legalistische voorstelling van zaken niet heeft nagelaten de Nederlandse legatie en haar emigratiedienst in Brazilië in een enigszins scheve positie te brengen, is ook bij geringe kennis van de verhoudingen in dat land, geheel duidelijk.
3. Het (…) algemeen Nederlandse karakter van de kolonie (met welke gedachte de heer Heijmeijer zich in Brazilië heeft vereenzelvigd), is voor hem aanleiding, deze kolonie ook nog te beschouwen in een ander licht, nl. als de eerste nucleus voor alle verdere emigratie van landbouwers (en ook voor andere vaklieden) uit Nederland. Afgezien van het feit, dat dit praktisch – mits goed georganiseerd – zeer wel mogelijk zou zijn, worden in de gedachtegang van de heer Heijmeijer zijn kansen op verdere geldelijke steun van Nederlandse zijde belangrijk versterkt.
4. De heer Heijmeijer mist blijkbaar de eigenschappen en/of de neiging om bij de Braziliaanse regeringsinstanties voor Ribeirão op te treden en met succes te onderhandelen. Deze – inderdaad hoogst belangrijke en essentiële – werkzaamheden werden tot dusverre gaarne, maar principieel minder juist, overgelaten aan de goeden diensten van de Nederlandse Emigratie-attaché. Uit eigen inzicht, zowel op grond van uit goede bronnen verkregen informatie, kwam de Commissie tot de mening, dat de persoon van de president inderdaad voor representatieve doeleinden minder geschikt is. (…)
6. In het rapport is al gewezen op de – gezien het feit, dat nog geen enkele bestaanszekerheid verkregen was – enigszins luxueuze woningbouw. Toch is, juist in de laatste maanden, waarin de bodem van de geldkist angstig zichtbaar werd, voor het gezin Heijmeijer een nieuw huis van ca. 10 kamers gebouwd. Hoewel de heer Heijmeijer dit verklaart door te zeggen, dat de kolonisten hem dit als leider min of meer hebben “opgedrongen”, neemt dit niet weg, dat dit een belangrijke uitgave betekent, die wellicht beter uitgesteld had kunnen worden tot het bedrijf in productie zou zijn gekomen.
7. Ieder lid van de Coöperatie is verplicht bij toetreding in Nederland alle hem ter beschikking staande gelden ter leen te verstrekken aan de Coöperatie (Stichting Holambra). De heer Heijmeijer, die ook lid is, heeft daar evenwel niets in gestoken, niettegenstaande hij bij genoemde stichting per ultimo 1949 een saldo had van bijna ƒ 9000,-.
8. Op de fazenda lopen diverse lieden rond, waarvan men zich afvraagt, welke functie zij eigenlijk hebben en met welk doel zij zijn aangetrokken (…)
9. Een aantal “wilde” plannen, dat de Commissie tijdens haar verblijf te Ribeirão van de leiding mocht vernemen, is groot. Zo waren er behalve de chemische fabriek, de textielfabriek en het gymnasium, ook nog een hotelplan, een bioscoopplan, een meubelfabriek, een constructiewerkplaats, voorts het stuwmeerplan met annex een plan voor buitenverblijven van Brazilianen, een plan om het Nederlandse vee alsnog te vervangen door Argentijns vee, een plan voor een milkbar in São Paulo enz. Zo heeft men het hoofd vol van toekomstbeelden, maar de realiteit van het heden ontvangt te weinig aandacht.
10. De disciplinaire verhoudingen laten veel te wensen over. Men was het er algemeen over eens – en dit was ook duidelijk zichtbaar – dat de arbeidsproductiviteit in de laatste maanden gestadig was teruggelopen en bij het vertrek der Commissie ontstellend gering was. De geruchten (in een zo kleine gemeente natuurlijk tot de vreemdste vormen opgeblazen) over een aanstaande financiële debacle, zullen hieraan veel hebben bijgedragen. Men heeft de mensen niet in de hand. Zo lijkt de gedachte te bestaan: “alle voertuigen zijn van alle leden”. Iedereen rijdt maat met was zo voor de hand komt, of dit nu een jeep is of een tractor of een truck. Hierop is blijkbaar geen controle. Als symptoom zij hier vermeld, hoe de Commissie bij de woning van één der stafleden een tractor aantrof, die daar met een cirkelzaag en overbrenging was geïnstalleerd voor… het klein zagen van wat privé brandhout.
11. Het gebrek aan activiteit op financieel gebied, juist in deze tijd, is verbazend. De Coöperatie heeft sinds vele maanden een belangrijke vordering wegens geleverde tarwe op de staat São Paulo. Pogingen om deze vordering betaald te krijgen, zijn door de leiding zelf nauwelijks gedaan.
12. Kort voor het vertrek der Commissie werd door de Veehouderijleiding een goed gefundeerd voorstel gedaan, nl. om enkele boerderijen met goede stallen, waarin juist het meest belangrijke vee was ondergebracht, toe te wijzen aan boeren met grote ervaring en verstand van stamboekvee. Hierop werd door de heer Heijmeijer afwijzend beschikt; deze boerderijen moesten aan bepaalde vriendjes toegewezen worden. De Veehouderijcommissie, onder leiding van de veearts, heeft daarop en bloc haar ontslag ingediend.

Bron: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945-1954, inv.no. 11944.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (4)

Toen Geert Heijmeijer in 1950 in Nederland aanklopte voor nieuwe financiële steun en de regering besloot een onderzoekscommissie naar Brazilië  te sturen, verloor hij veel steun van veel mensen die hij tot dan toe tot zijn persoonlijke vrienden rekende. Ook in Brazilië had hij binnen de Nederlandse gemeenschap inmiddels veel krediet verspeeld. Een van de weinigen die hem nog bleef steunen was Roeland Vermeulen, de oud-planter die zich in 1937 vanuit Nederlands-Indië in Carambeí had gevestigd en gold als één van de leiders van deze kolonie. In een brief van 14 oktober 1950 schreef hij over het bezoek dat Van Roggen en Van Waveren twee maanden eerder aan hem hadden gebracht. De kritiek van beide heren deelde hij niet. Hieronder een weergave van deze brief.

Amice,

Roeland Vermeulen te midden van de pioniers van Carambeí

Ik heb je brief van 5 dezer gisteren hier ontvangen en met verontwaardiging nam ik kennis van den inhoud. Ik haast me dan ook onmiddellijk aan je verzoek te voldoen en ik hoop, dat mijn schrijven je nog bijtijds zal bereiken. Tijdens het bezoek van de Commissie Hrn. Van Roggen-Van Waveren in gezelschap der Heeren Schwartzenau en Ds. W.M.V. Muller ten mijne huize werd vanzelf ook over de kolonie Ribeirão gesproken en constateerde ik, dat de Commissieleden en vooral de heer Van Waveren een zeer conservatief “voorlopig” oordeel velden over jullie mooie en grootsche opzet. Ik nam daartegen onmiddellijk stelling en heb ik getracht hen duidelijk te maken, dat naar veler en ook mijne meening in korten tijd met een handjevol Nederlandsche boeren een kranig stuk werk was verzet, dat de bewondering heeft van een ieder, die eenigszins op de hoogte is van het opbouwen van dergelijke gecompliceerde organisaties in een vreemd land onder vaak moeilijke omstandigheden. Ik ben niet bevoegd de gevoerde administratie en financiering te beoordelen, omdat ik tijdens mijne diverse bezoeken uitsluitend de cultuur-technische werkzaamheden observeerde. Dat hierbij ook tegenvallers en teleurstellingen ondervonden werden is vanzelfsprekend, omdat bij een dergelijk snellen opbouw nu eenmaal leergeld betaald moet worden. Het is en blijft echter mijne uitgesproken meening, dat jij als leider en organisator de volle waardering en eer verdient van de tot op heden verkregen resultaten. De leiding en organisatie kan niet in betere handen zijn toevertrouwd, want je taak en de te overbruggen moeilijkheden waren geen sinecure, doch zoals altijd staan “de beste stuurlui aan de wal”. Elke wijziging in de leiding zou m.i. eene onherstelbare fout kunnen beteekenen. Wel zul je langzamerhand gebruik dienen te maken van adviezen van bekwame medewerkers, omdat je werk dermate veelomvattend geworden is, dat het ondoenlijk wordt voor één man alléén.
                De Heer van Roggen voelde na mijne uiteenzetting de situatie beter aan, doch van de Heer v. Waveren kreeg ik de indruk, dat hij alles uitsluitend door een ambtelijke en accountantsbril bekeek.
                Je kent mijn enthousiasme voor immigratie van Nederlandse boerengezinnen naar dit veelbiedende land en Ribeirão heeft mijne volle bewondering. Jullie zijn zoover reeds geslaagd, doch je moet nog veel verder slagen. Als rechtgeaard Nederland gevoel ik dit min of meer als een Nederlandsch en nationaal belang. Het oog van vele vooraanstaande Brazilianen is op jullie werk gevestigd en het zou een blamage voor onze naam betekenen, als de groei van dit opbouwende werk niet met volle animo en energie werd voortgezet. Zelfs een gedeeltelijke mislukking zou ook mij persoonlijk treffen, even goed als jou.
                Mij werd o.a. de vraag gesteld, waarom ik daadwerkelijk niet meer tijd besteedde aan jullie arbeid. Je kent mijn standpunt en good-will en inderdaad betreur ik het nu des te meer, dat je niet verder ingegaan bent op mijne voorstellen. Ik blijf echter ten volle bereid, want bij mij geldt uitsluitend jullie succes in het belang van nog vele Nederlandse gezinnen, voor wie het in Patria te eng wordt. Jou komt de eer toe, maar toch zou ik gaarne “onopvallendnaast je mijne medewerking willen geven.
                Je aangekondigde brief met cheque heb ik tot op heden niet ontvangen en meld je dit voor de goede orde, opdat je er werk van kunt maken, waar deze brief ergens uithangt.
                In de hoop spoedigst na je terugkeer meer van je te mogen vernemen je verder toewensend met de verdere opbouw van Ribeirão, teken ik als steeds,

Je toegenegen, w.g. R.A.M. Vermeulen

Bron: NA, Archief Heijmeijer, inv.no. 7.

Wegbereiders: Joachim Anton von Schwartzenau (1898-1952)

Hoewel Geert Heijmeijer de initiatiefnemer en de eerste zakelijk leider was van Holambra, was hij niet betrokken bij de daadwerkelijke oprichting van de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra. Heijmeijer verbleef toen nog in Nederland, zodat de coöperatie werd opgericht door in Brazilië verblijvende Nederlanders. Voorzitter werd een Oostenrijkse baron, Joachim Anton (Jim) von Schwartzenau. Von Schwartzenau was de assistent van emigratieattaché Pieter Cornelis van Scherpenberg.

SchwartzenauJAJoachim Anton Carl Ludwig Adelbert Josef Oswald Erwin Maria Ozias Kreuzwendedich von Schwartzenau werd op 28 februari 1898 geboren in Wenen, destijds hoofdstad van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Zijn vader was Erwin Freiherr von Schwartzenau (1858-1926) en zijn moeder Marie Gräfin von Trapp (1858-1929). Joachims vader vervulde diverse vooraanstaande functies in het Oostenrijkse keizerrijk. Hij was stadhouder van Tirol en Vorarlberg (1901-1912) en vice-president van het keizerlijke administratief gerechtshof. In 1916 was hij korte tijd minister van Binnenlandse Zaken, waarna hij eerste president van de keizerlijke administratief gerechtshof werd.               

Zoon Joachim studeerde rechten aan de universiteit van Wenen en aan de economische en agrarische hogeschool. In 1926 vertrok hij naar Nederlands-Indië om te gaan werken bij de Maatschappij ter Exploitatie der Pamanoekan en Tjiasemlanden in Soebang, gelegen ten noorden van Bandoeng op West-Java. De eerste jaren was hij werkzaam op het rubberselectiestation van de onderneming. In 1929 en 1930 zou hij zich ook gaan specialiseren in de teelt van tapioca, sisal en thee. In het laatstgenoemde jaar werd hij verantwoordelijk voor de ontginning van 15.000 hectare regenwoud. Op dit land werden in de loop van de jaren dertig 60.000 mensen gehuisvest die afkomstig waren uit dichtbevolkte delen van Java. Het ontgonnen en geïrrigeerde land werd ingezaaid met rijst, tabak, katoen, pinda’s, soja en mais. Bovendien werden er 32 nieuwe dorpen gesticht. Binnen de cultuurmaatschappij klom Von Schwartzenau op tot één van de leidinggevenden. Om meer kennis op te doen over de verschillende gewassen maakte hij studiereizen naar diverse landen in Azië en Europa.
                In de winter van 1939-1940 verbleef Von Schwartzenau in Genève, waar hij in de bibliotheek van de Volkenbond onderzoek verrichtte. Kort daarvoor had hij voor zichzelf en zijn echtgenote – wie dat was is niet duidelijk – bij de Nederlandse regering een verzoek ingediend in om tot Nederlander te worden genaturaliseerd. Het wetsontwerp werd op 3 december 1939 ingediend bij de Tweede Kamer. Volgens de memorie van toelichting voelden hij en zijn vrouw zich tot Nederland aangetrokken. Na afronding van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede en Eerste Kamer verscheen de wet die Von Schwartzenau de Nederlandse nationaliteit verleende op 1 mei 1940 (negen dagen vóór de Duitse inval) in het Staatsblad.
                Vanwege de oorlog besloot hij niet terug te keren naar Java. Via Parijs, waar hij op 17 mei 1940 op het Nederlandse consulaat-generaal zijn Nederlandse paspoort ophaalde, vertrok hij via Madrid naar Brazilië. Stond hij bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek nog te boek als gehuwd, op de Braziliaanse immigratiekaart stond echter vermeld dat hij ongehuwd was. Von Schwartzenau vestigde zich in de buurt van São Paulo, waar hij een landbouwbedrijf begon. Op 23 december 1947 trad Von Schwartzenau in het huwelijk met Maria Petronella Josephina van der Hoogte, geboren op 7 maart 1905 in Amsterdam.
                Eerder dat jaar werd hij door de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, B. Klein Molenkamp aangezocht om Pieter Cornelis van Scherpenberg bij te staan bij zijn werkzaamheden als emigratieattaché. Jim van Schwartzenau, zoals hij zich inmiddels noemde, stond te boek als een landbouwkundige die het land en de taal goed kende. Hij werd in augustus 1947 belast met het bezoeken van voor Nederlandse emigratie geschikte terreinen en met het onderhouden van contacten met de door Nederlandse landbouw- en/of emigratieorganisaties uitgezonden landbouwkundigen. Daarbij zou hij zich vooral gaan richten op kolonisatie in de staat São Paulo. Hij hield kantoor in de stad en werd een belangrijke steunpilaar van Geert Heijmeijer bij de realiseren van een groepsvestiging van Nederlandse katholieke boeren. Heijmeijer was heel blij met de hulp van Von Schwartzenau, die hij typeerde als een ‘zeer ijverig, nauwgezet en degelijk werker, aan wie ik veel steun heb.’ Als een van de verdiensten van Von Schwartzenau was dat men volledig op hem kon vertrouwen en dat hij iedere afspraak ‘tot in details nauwkeurig afwerkt’.
                Von Schwartzenau was in 1948 verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van de Fazenda Monte d’Este, een fazenda die door de Braziliaanse overheid had geconfisceerd van Japanse immigranten. Naast Monte d’Este had hij ook het oog laten vallen op de Fazenda Ribeirão een verlaten veefazenda, die eigendom was het Amerikaanse vleesconcern Armour. Zelf had hij een voorkeur voor Ribeirão vanwege de goedkopere aankoopprijs, maar ook vanwege gunstigere irrigatie, verkavelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Ook had hij zijn twijfels over de onduidelijke juridische status van de Fazenda Monte d’Este en hield hij Heijmeijer dan ook voor om ook de optie Fazenda Ribeirão open te houden. Een Japanse lobby die zich onder meer uitte in een perscampagne tegen de Nederlandse kolonisatieplannen leidde er in april 1948 toe dat de Braziliaanse regering het aanbod voor de overdracht van Monte d’Este introk. Von Schwartzenau werd vervolgens ingezet om de aankoop van de Fazenda Ribeirão in orde te maken.
                Om de aankoop van de fazenda mogelijk te maken richtte Von Schwartzenau samen met de eerste pioniers van Holambra (Wim Miltenburg en Toon Cruijsen), Van Scherpenberg en vijf andere in Brazilië woonachtige Nederlands op 5 juni 1948 de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra op. Een jaar lang – tot na het moment dat Heijmeijer zich definitief in Brazilië had gevestigd – vervulde hij het voorzitterschap van de coöperatie. In die functie nam hij korte tijd ook het financieel beheer van de jonge kolonie op zich. Op het moment dat Von Schwartzenau in Brazilië handelend optrad, stond zijn positie echter in Nederland ter discussie. De Stichting Landverhuizing Nederland, de organisatie die verantwoordelijk was voor het Nederlandse emigratiebeleid, had geen vertrouwen meer in de emigratie naar Brazilië. Zij besloot daarop Von Schwartzenau per 1 augustus 1948 te ontslaan. Onder druk van Heijmeijer werd echter dit ontslag ingetrokken. Daarbij benadrukte Heijmeijer dat Von Schwartzenau een goedkope arbeidskracht was – hij had geen kinderen – en werkte zonder kantoor, zonder typiste, zonder auto en zonder dure reizen en al veel had bereikt.

Correio de Manha, 20 februari 1952
Correio de Manha, 20 februari 1952

Gedurende de eerste twee pioniersjaren was Von Schwartzenau vanuit zijn kantoor in São Paulo een belangrijk steunpunt van Holambra. Deze relatie kwam in 1950 onder druk te staan als gevolg van de financiële moeilijkheden van de kolonie. Van de nauwe relatie met Heijmeijer was weinig meer over. Op aanwijzen van het Gezantschap in Rio werd de relatie tussen Von Schwartzenau en Holambra op 30 september 1950 officieel verbroken. Bij de reorganisatie die vanaf 1951 op de Fazenda Ribeirão onder leiding van Charles Hogenboom werd uitgevoerd, was hij niet meer betrokken. Op 19 februari 1952 overleed Von Schwartzenau in Rio de Janeiro. Hij werd begraven op de Cemitério São João Batista in het stadsdeel Botafogo.

Bronnen:
– Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv.no. 11936
– www.familysearch.org: Brazil Immigration Cards
– www.statengeneraaldigitaal.nl
– Österreichisches Biographisches Lexicon, dl. 12, p. 12.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (3)

In zijn bijlage bij het rapport dat hij samen met de hoofdaccountant G.C. van Waveren schreef in opdracht van de Nederlandse regering, stond M.A. van Roggen ook uitgebreid stil bij de kolonisatie van de nog jonge Nederlandse kolonie op de Fazenda Ribeirão. Ten tijde van hun bezoek in augustus 1950 bevonden zich op de fazenda 689 Nederlanders: 355 mannen en 334 vrouwen. Toen de kolonie eind 1948 van start ging, was het percentage vrijgezellen nog hoog, maar later waren het vooral gezinnen met soms een groot aantal kinderen die zich op de fazenda vestigden. Volgens Van Roggen maakten jonge kinderen (tot 15 jaar) maar liefst 47% van de bevolking uit. Door het hoge percentage vrouwen en kinderen was het productieve element in de bevolking gering. Ten tijde van het bezoek waren er op de kolonie slechts 195 actieve personen aanwezig, wat neerkwam op 28% van de gehele Nederlandse bevolking.

IMG_2744a
HUA, Archief Aartsbisdom Utrecht, inv. no. 260.

Na het noemen van deze cijfers gaf Van Roggen een uitgebreide beschrijving van de plaats van de jonge Nederlandse kolonie in de Braziliaanse samenleving. ‘Men dient te beseffen dat deze familie-emigratie zeer zeker niet berust op een soort “Wanderlust” of zucht naar avontuur, noch op een innerlijke drang naar geestelijk ruimere sferen van de zijde der emigrerende Hollandse boeren. Het moet worden gezien als de noodzaak van het zoeken naar bodemexpansie, nodig voor het continueren van het Hollandse boerenbedrijf elders (…). Aanlokkelijk als dit idee van een bedrijfsoverplaatsing moge zijn voor de groot-Nederlandse expansie, is deze geestelijke instelling zeker niet zonder bezwaarlijke consequenties gebleken t.a.v. de noodzakelijke snelle aanpassing van de emigrant aan de nieuwe omgeving. Te Ribeirão voelt men zich geplaatst in een stuk (voorlopig inferieur) Holland en niet, wat uit sociale, technische en politieke overwegingen veel juister ware, in een stuk (superieur) Brazilië. De agrarische en sociale acclimatisatie is nog zeer gering, juist ook door het enorme en voor deze lieden zo moeilijk te overbruggen verschil op landbouwgebied tussen de Nederlandse en Braziliaanse standaarden.
Voor het doen slagen van een dergelijke onderneming moet men zich nu eenmaal aanpassen – vooral op het gebied van landbouw en veeteelt – aan de geheel andere eisen, die bodem en klimaat stellen, eisen waaraan niet te ontkomen valt, wil men behoed blijven voor ernstige mislukkingen en teleurstellingen. Deze aanpassing blijkt moeilijk te zijn en in een te traag tempo tot stand te komen. Enkele oorzaken:
a) Het sterk ‘isolerende’ karakter van zelfstandig en technisch selfsupporting bedrijf. Men doet en kan en ‘weet het’ alles zelf.
b) Door de grote massa werk welke tot dusverre werd verzet, hebben de boeren en ook hun leiders weinig gelegenheid gehad zich op andere Braziliaanse bedrijven te oriënteren, waardoor het contact met de agrarische wereld buiten de kolonie zeer beperkt is gebleven.
c) De sociale en ideologische instelling van de leiding.
d) De specifieke karaktertrekken van de Hollandse boer.
e) Het gebrek aan mensen met tropische ervaring.

Wel lijkt het thans, dat men bezig is zich meer aan de toestanden aan te passen, in het bijzonder op veterinair gebied onder de deskundige invloed van de, helaas eerst recent aangetrokken, veearts, die over een ruime tropische ervaring beschikt. Maar een oeroude boerenmentaliteit is nu eenmaal uiterst moeilijk in andere banen te leiden. Zeer bepaald werd de indruk verkregen, dat in dit opzicht de leiding ernstig in gebreke is gebleven. Men verdedigde het gebrek aan contact van de boeren met de buitenwereld door aan te voeren, dat er weinig gelegenheid was geweest en dat men alle werkers steeds voor de ontginning en opbouw nodig had. (…) Ook de aanpassing van de leiding zelve aan de Braziliaanse verhoudingen en het contact met de autoriteiten is lang niet wat het zou moeten zijn. Men heeft kennelijk (…) te veel gesteund op de goede diensten van de Nederlandse emigratiedienst ter plaatse. (…)

Bij het rustig praten met de nieuwere emigranten komt vaak de gedachte naar voren dat men gelukkig is uit het onzekere West-Europa weg te zijn en hier de mogelijkheid heeft gevonden een vreedzamer toekomst te kunnen opbouwen voor zichzelf en de kinderen. Ook de pas aangekomen emigrant voelt met zijn gezond boerenverstand wel aan, dat hier goede kansen bestaan voor een ondernemend en vakkundig man. De oudere emigranten, dus meer de groep der aanstaande zelfstandige boeren, hebben uiteraard vooral het oog gericht op het hun lang beloofde “onafhankelijk bestaan”, opgebouwd op de door de coöperatie gelegde grondslagen. Deze lieden lijken weinig gevoel of begrip te hebben voor de thans bestaande financiële situatie en de eventuele gevolgen voor die coöperatie en zichzelf.
Was bij de aankomst van de commissie in augustus de algemene stemming nog vrij goed, al spoedig bleek deze gaandeweg minder te worden. Het was duidelijk, dat dit in direct verband kon worden gezien met de recen
t ingevoerde “krap-geld politiek” van de leiding en met het plotseling (…) opgekomen besluit van de directeur om, tezamen met de pater als geleide, naar Nederland te vliegen.
Van verscheidene zijden werd de indruk verkregen, dat de boeren steeds onwetend waren gehouden van de benarde liquiditeitspositie en ter zake nog niet waren ingelicht tot vlak voor het vertrek van de directeur, noch over het eigenlijke doel van deze overhaaste en kostbare reis. Juist tegenover de ten aanzien van de boeren betrachte zuinigheid in de besteding van de resterende kasmiddelen, maakte dit een weinig gelukkige indruk. Het is begrijpelijk, dat in een kleine gemeenschap als deze de geruchten plotseling hevig opbloeiden, hetgeen in een stemming van onzekerheid, onrust en angst resulteerde. Deze stemming liet op haar beurt niet na het vertrouwen en daarmede de werklust ongunstig te beïnvloeden.
Helaas lag er intern, mede door de eigenaardige machtsverhoudingen in deze kolonisatie, geen bevredigende oplossing voor de hand. Toch is het zonder meer duidelijk, dat in deze hoogst ongewenste onzekerheid over de voortzetting van een groot bedrijf in den vreemde waaraan het wel en wee van een 700-tal Nederlanders ten nauwste is verbonden, zo spoedig mogelijk moet worden ingegrepen.
Als gunstige factor, in het bijzonder in deze kritieke maanden, moet worden gezien het feit, dat alle kolonisten onderling krachtig verbonden zijn door hun kerk en geloof.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (2)

Naast de spijkerharde conclusies over het onder leiding van Geert Heijmeijer gevoerde beleid van de Cooperativa Holambra, bevatte het rapport van M.A. van Roggen en G.C. van Waveren van oktober 1950 ook twee bijlagen waarin zij – ieder vanuit hun eigen expertise – een analyse geven van de situatie op de Fazenda Ribeirão. Vooral het rapport van de landbouwkundige Van Roggen bevat interessante observaties.

Van Roggen stelde dat behalve ernstige kritiek er ook uiting diende te worden gegeven aan ‘een oprecht gevoelde waardering voor het vele werk dat door een klein aantal Nederlanders in een vreemd land en in den beginne onder primitieve omstandigheden, in korte tijd werd tot stand gebracht. Ernstig wordt gehoopt, dat bij deze eerste kolonisatiepoging op grote schaal in Brazilië gemaakte fouten in opzet en uitvoering niet zullen leiden tot een teniet doen van de kans en de hoop van deze ernstig willende boerengezinnen, zich in dit land een redelijke toekomst te verzekeren. Voor vakkundige en ijverige werkers bestaan in dit dynamische land ongetwijfeld grote mogelijkheden en wanneer men dan tevens (…) constateert de goodwill en waardering van Braziliaanse zijde voor de prestaties van speciaal de Nederlandse boeren, dan ontkomt men niet aan de overtuiging dat kolonisatie hier, mits goed voorbereid en goed geleid, succes moet hebben. (…)
In dit verband zij hier nog opgemerkt, dat de gevolgen van een eventuele mislukking dezer kolonie verre zouden uitgaan boven het persoonlijk lot van het 700-tal Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen en ernstige schade zou betekenen voor de algemene Nederlandse reputatie en belangen in geheel Brazilië.’

Van Roggen gaf een schets van de bijzondere rol die de coöperatie vervulde. Deze moest de bedrijfsopbouw van de grond af financieren. Ook rustte op haar de plicht, gedurende de niet-productieve periode, het levensonderhoud van de toekomstige zelfstandige boeren en hulppersoneel met hun vaak zeer grote gezinnen te bekostigen. Naarmate de uitgifte van de bedrijven zou vorderen zou het functionele karakter t.o.v. de leden veranderen van productie- tot een in- en verkooporganisatie. Wel diende de coöperatie dan enige nevenbedrijven, min of meer ten bate van het algemeen belang, te blijven uitoefenen.
Op 1 september1950 was begonnen met de uitgifte van 27 bedrijven, tot een totaal van 580 ha. Uit de stukken kwam echter niet naar voren hoe de juridische en financiële verhoudingen en verplichtingen zouden liggen tussen de coöperatie en de vrije bedrijven en ook had de leiding nog geen helder beeld voor ogen van een definitieve en bevredigende regeling, hoewel de ontbinding inmiddels was begonnen. ‘Het behoeft geen betoog, dat deze gang van zaken als een ernstige nalatigheid moet worden gezien.’

Maar ook, dat een aantal van deze “vrije” boeren door hun kort verblijf in Brazilië (soms 1 jaar of minder) zich onvoldoende hebben kunnen aanpassen, lijkt, ‘dit moment voor een ontvoogding wel erg praematuur en weinig gelukkig gekozen. De leiding bleek het met deze opvatting wel eens te zijn doch stelde daar tegenover haar overtuiging, dat ambitie en prestatie der boeren door zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, zeer gunstig gestimuleerd zullen worden. Hierover nader gehoord, gaf de leiding uiting aan de erkenning, dat de arbeidslust en prestatie in collectief verband van deze, overigens op reputatie en karakter scherp geselecteerde boeren, bepaald was tegengevallen, uiteraard met gunstige uitzonderingen. Vele van oudsher in Nederland zelfstandige en onafhankelijke boeren hebben bij hun aanmelding voor emigratie, ondanks de voorlichting ter zake, zich blijkbaar niet kunnen realiseren, wat het zou betekenen, enkele jaren in vreemde omgeving – en niet door directe levensnood gedwongen – in loonarbeid (!) en onder andere Nederlanders (!), pioniersarbeid te moeten verrichten. (…)
Hoe dan ook, de coöperatie heeft dus, mede daartoe gedwongen door het ongeduld van enkele kapitaalkrachtige boeren naar “een eigen bedrijf”, moeten toegeven aan de uit de algemene vergadering der kolonisten opgekomen wens, om met de verkaveling een begin te maken. Wat de gevolgen van deze beslissing zullen zijn, zal de naaste toekomst leren, maar, teneinde ernstige interne moeilijkheden te voorkomen, moet een spoedige definitieve regeling op juridische basis en conform de Braziliaanse wetten, worden gezien als een onafwijsbare noodzaak. Het is niet duidelijk, waarom op dit kardinale punt niet veel vroeger (…) afdoend overleg is gepleegd met Braziliaanse deskundigen op coöperatie- en juridisch gebied. Van de zijde v/d Nederlandse emigratiedienst in Brazilië is op de urgentie van een definitieve regeling reeds geruime tijd en bij herhaling gewezen.
Uit het bovenstaande feit, dat de coöperatie thans door enkele kapitaalkrachtige emigranten in een dwangpositie is geraakt, zou blijken, dat bij de opzet niet zijn voorzien de consequenties van een ongelijke en in dit geval zelfs bijzonder sterk variërende inbreng door alle participanten. Degenen, die een relatief zeer hoog bedrag hebben gestort voor hun vertrek uit Nederland, eisen thans “waar voor hun geld”. Dit is niet onbegrijpelijk, doch komt juist op dit moment van geringe liquiditeit der coöperatie, wel zeer ongelegen.
De ideologische gedachte van “alles voor allen”, die bij de opzet van deze emigratie blijkbaar heeft voorgezeten, is bij een aantal dezer nuchtere boeren ietwat verwaterd.
De gang van zaken is geweest, dat de emigranten bij toetreding in Nederland hun geldmiddelen in leen afstonden aan de Stichting Holambra. Hieruit worden passage en andere eerste kosten voldaan, waarna het saldo wordt overgeschreven naar Brazilië, alwaar het tegen de geldende koers op naam wordt gecrediteerd in cruzeiros. De emigranten hebben over dit saldo niet direct de beschikking, doch kunnen boven de door hen in collectieve arbeid verdiende lonen, een gering bedrag opnemen voor eerste levensbehoeften en kleine aankopen. Opbrengsten van door de boeren in eigen bedrijf gekweekte producten, welke moeten worden verkocht door bemiddeling van de coöperatie, vloeien momenteel nog alle terug in de kas van het bedrijf en komen dus niet te hunner beschikking voor verdere verbetering van de eigen bedrijfsmiddelen.
De slechte liquiditeit noopt de coöperatie tot deze starre houding, welke echter vanzelfsprekend aanleiding geeft tot felle kritiek en een neiging bij de betroffen boeren, zich “bekocht” te voelen. Ook hier dient zo spoedig mogelijk een bevredigende oplossing te worden getroffen.

Bron: NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

Fazenda Ribeirão in moeilijkheden (1)

Terwijl met het themanummer van Ontginning in Nederland het beeld werd verspreid dat er in Brazilië groots werk werd verricht, was de situatie op de Fazenda Ribeirão op dat moment verre van rooskleurig. Al in augustus 1949 klopte Geert Heijmeijer bij de Nederlandse minister van Sociale Zaken Dolf Joekes aan voor financiële steun. Het bestuur van de Cooperativa Holambra was tot de conclusie gekomen dat tot dusverre beschikbaar gekomen financiële middelen ontoereikend waren om de kolonie te kunnen afbouwen. Eind 1949 bezocht hij Nederland en diende hij bij de Nederlandsche Bank een aanvraag in voor een nieuw krediet ter waarde van  2,8 miljoen gulden. Deze kredietaanvraag vormde aanleiding voor overleg tussen Nederlandse ministeries en de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), wat leidde tot het zenden van een onderzoekscommissie bestaande uit de landbouwkundige Ir. M.A. van Roggen en G.C. van Waveren, hoofdaccountant op het ministerie van Financiën. Beiden bezochten de Fazenda in augustus 1950. De conclusies van hun rapport waren onthutsend en zouden leiden tot een drastische reorganisatie van de jonge kolonie met verstrekkende gevolgen.

Conclusies
In oktober 1950 rapporteerden Van Roggen en Van Waveren hun bevindingen aan de Nederlandse regering. Hun conclusie was dat de Cooperativa Agro-Pecuária Holambra “thans” niet rendabel was, maar dat onder zekere voorwaarden voor het bedrijfsjaar 1952-1953 een “voorlopig matige rentabiliteit” kon worden verwacht. Voor het bereiken van die matige rentabiliteit moest wel worden voldaan aan vier voorwaarden: 1) dat de cooperativa, verdeeld over het tijdvak 1950/1952, in totaal de beschikking zou krijgen over een bedrag van 12 miljoen cruzeiros; 2) dat de president van de Cooperativa, ir. J.G. Heijmeijer, zou worden vervangen door iemand met meer organisatorisch en commercieel inzicht; 3) dat verdere emigratie naar de kolonie Ribeirao zou worden stopgezet, totdat een matig bestaan zonder hulp van buitenaf verzekerd was; 4) dat het administratieve en technische beheer onder geregelde controle zou komen van een ter plaatse uit deskundige Nederlanders samen te stellen commissie, die tevens toezicht zou uitoefenen op de naleving van de voorwaarden waaronder een eventueel krediet zou worden verstrekt.

“Niet de juiste persoon”
Ter toelichting van de tweede voorwaarde velden Van Roggen en Van Waveren het volgende oordeel over Heijmeijer: “Naar het inzicht der commissie is de emigratie naar en de oprichting van de kolonie Ribeirão voor een zeer belangrijk deel te danken aan het initiatief van de heer Heijmeijer, die met groot enthousiasme en optimisme deze zware taak is begonnen. Het is daarom uitermate te betreuren dat de commissie moet vaststellen dat voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.
Dit was ook moeilijk te verwachten. Voor het nemen en uitvoeren van een dergelijk emigratie-initiatief zijn ongetwijfeld een zekere mate van idealisme en enthousiasme onmisbaar. Voor de commerciële en zakelijk-technische voering van een bedrijf onder bijzondere omstandigheden, zijn evenwel geheel andere karaktertrekken gewenst. Zelden worden deze divergerende eigenschappen tegelijk in één persoon aangetroffen.”

Grove fouten
Vervolgens gaf de commissie Van Roggen-Van Waveren een opsomming van grove fouten en tekortkomingen die de leiding konden worden aangerekend:
“a) Uit de totstandkoming en de praktische uitvoering van de kolonie blijkt duidelijk dat de voorbereiding en planning veel te weinig zorg en aandacht hebben gehad.
b) Ook de financiële opzet van het bedrijf was weinig doordacht; vrijwel bij de aanvang moet reeds duidelijk zijn geweest dat de coöperatie – ook bij een gunstige rentabiliteit – spoedig in liquiditeitsmoeilijkheden zou geraken.
c) Van enig weloverwogen plan, hoe de kolonie zich moest ontwikkelen en welke de middelen van bestaan zouden zijn, is tot aan de komst der commissie geen sprake geweest. De leiding is bij haar bedrijfspolitiek blijkbaar volkomen opportunistisch en optimistisch te werk gegaan. (…)
d) Belangrijke bedragen zijn geïnvesteerd in objecten die niet of eerst in de toekomst een rendement zullen afwerpen. Vooral de bouwerij is duur geweest. Men had in vele gevallen kunnen volstaan met semi-permanente uitvoering en/of het gebruik van minder dure materialen, waardoor grote bedragen zouden zijn bespaard voor productieve doeleinden.
Ditzelfde geldt ook voor de machines, bij de aanschaf waarvan meer beleid en zuinigheid betracht had kunnen worden. (..)
e) De belangrijkste functies van de coöperatie, speciaal in de toekomst, zijn de verkoop en de inkoop. Ook hier, zelfs voor wat betreft voedingsmiddelen in Brazilië, geldt, dat produceren gemakkelijker is dan verkopen. Tot op heden is aan de organisatie van deze beide functies vrijwel niets gedaan. (…)
f) Met het grote en zeer gunstig ‘gestemde’ landbouwproefstation te Campinas is betreurenswaardig weinig contact opgenomen. Terwijl noch de leiding, noch de boeren zelf, enige ervaring hadden op agrarisch gebied in sub-tropische streken, is men grotendeels naar eigen inzicht gaan werken, terwijl deskundige voorlichting zo nabij is en ook gaarne werd gegeven. Zelfs de komst van een jong landbouwkundig ingenieur heeft hierin geen verbetering gebracht, daar deze direct aan geheel ander werk werd gezet. (…)
g) Het bovenstaande geldt in versterkte mate voor de veebelangen. Ook hier is zonder voldoende gebruik te maken van de desbetreffende Braziliaanse instanties en zonder dat enige veterinaire hulp aanwezig was, de veestapel van Nederland naar een sub-tropisch klimaat, deels zelfs in het ongunstige jaargetijde, overgebracht. Door onervarendheid, onvoldoende voeding en slechte verzorging, zijn een groot aantal dieren gestorven, waarvan een belangrijk deel bij goede behandeling behouden had kunnen blijven. Niet alleen de grote sterfte onder het vee, doch ook de ernstige vertraging in voortplanting en productie (in september 1950 niet meer dan gem. 6 liter per dag per koe), is aan deze onoordeelkundige behandeling in de beginperiode te wijten. (…)
h) Van verschillende zijden moest de commissie vernemen dat de leiding van Ribeirão, die toch geheel nieuw en vreemd was in Brazilië, praktisch nooit raad kwam vragen aan de reeds lang in dat land gevestigde Nederlanders, die de typische verhoudingen en toestanden uitstekend kennen en gaarne en belangeloos hun raad zouden hebben gegeven.
De uit hoofde van zijn functie door de emigratie-attaché (een man met grote tropische landbouw- en irrigatie-ervaring) gegeven adviezen werden wel aangehoord maar voor het grootste deel niet opgevolgd.
i) Zo is van de aanwezige mogelijkheden inzake watervoorziening veel te weinig gebruik gemaakt. Men had met enige kosten maar vooral met enige goede wil, vrij behoorlijke stukken bouwgrond met behulp van irrigatie direct voor intensieve landbouw geschikt kunnen maken. Instede daarvan heeft men zich geworpen op de uit Brabant zo welbekende ontginning van droge arme gronden, die weliswaar goedkoper is, maar slechts zeer matige en riskante cultures kan dragen. Bij een juiste plaatskeuze van boerderijen en het graven van eenvoudige leidingen had men bij vele stallen en erven waarschijnlijk steeds lopend water kunnen krijgen. (…)
j) De keuze en benoeming van de technische afdelingsleiders, praktisch geheel in handen van de heer Heijmeijer, is niet altijd juist en gelukkig geweest. Bij de beoordeling behoren in ieder geval bekwaamheid en flinkheid de doorslag te geven. Voorts werden verscheidene figuren aangetroffen wier aanwezigheid en functie in dit specifiek agrarisch bedrijf niet goed verklaarbaar was.
k) De commissie verkreeg de indruk dat de dagelijkse leiding en de uitvoering van de werkzaamheden vrijwel uitsluitend in handen liggen van de president, hetgeen voor een groot bedrijf niet juist kan zijn. Vrijwel niemand anders heeft de bevoegdheid een beslissing te nemen.

Bron: Rapport Van Roggen/Van Waveren, okt. 1950. NA, Archief Directie voor de Emigratie, 2.15.68, inv.no. 1616.

 

 

De vrouw op de Fazenda

Vorig jaar overleed in Nijmegen op 96-jarige leeftijd Ans van den Besselaar-Van der Kallen. Ans was in Nijmegen vooral bekend als oud-wethouder. Zij was de weduwe van Jef van den Besselaar, voormalig hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Vóór hun politieke, respectievelijk wetenschappelijke loopbaan in Nijmegen verbleven zij tien jaar lang in Brazilië. Begin 1950 werd Jef van den Besselaar door Geert Heijmeijer naar de Fazenda Ribeirão gehaald om er een gymnasium van de grond te tillen. Toen een jaar later bleek dat er voor hem geen werk meer was op de Fazenda, ging hij werken aan Braziliaanse universiteiten. In het themanummer van Ontginning van augustus 1950 schreef Ans van den Besselaar een bijdrage over de vrouw als emigrant. Zij schetst hierin de klassieke rol van een boerin die haar echtgenoot volgt bij het realiseren van zijn emigratieplannen en de gevolgen voor haar van de veranderingen die zich in 1950 op de nog jonge emigrantennederzetting voltrokken.

 

Zelden gaat het plan om met een boerengezin te emigreren, uit van de vrouw. Dat is niet alleen omdat het meer tot de man behoort om toekomstplannen te maken. De vrouw is ook meer dan de man gehecht aan haar eigen vertrouwde omgeving. Haar familie, haar bekenden vormen voor haar een hechtere band. En zijn de kinderen nog klein, och dan is zij tevreden als ze goed zijn verzorgd en met blozende gezichtjes rond de tafel zitten. Wel gaan haar gedachten uit naar later, als ze groot zijn, maar zorgen maakt zij zich er nog niet over. Ze geniet van het geluk van nu. En dan komt de man, de sterke werklustige boer ineens voor de dag met emigratieplannen en nog wel naar Brazilië. Dat geeft haar een schok, want het leven waarmee zij zo vertrouwd is, komt in gevaar.

Vrouw Fazenda

En wil die vrouw dan emigreren? Soms kan ze de vreemde plannen niet geloven. Ze neemt ze niet au sérieux. En blijkt het dan toch ernst te zijn, dan heeft zij dikwijls moeite om haar wil met die van haar man in overeenstemming te brengen. Niet omdat zij niet in staat is te emigreren, maar omdat zij zich zo veilig en gelukkig voelt in het leven van nu en niet verlangt naar het onbekende. De vrouw moet die gedachte in zich laten rijpen. Dan gaat ze beseffen, voordat ze naar Brazilië vertrekt, dat daar een mooie toekomst ligt voor haar kinderen en dat het geluk van een eigen bedrijf hun daar ten deel zal vallen. Heeft zij dat ingezien, dan zou het geen echte vrouw zijn als ze·niet met ’n opgewekt humeur en vol frisse moed haar jonge krachten zou willen geven. En dan is dezelfde jonge vrouw in staat om zich vrijwillig los te maken uit haar milieu en haar familie zo ver achter te laten. En dit enthousiasme heeft zij ook nodig, want zij zal hier allerlei moeilijkheden aantreffen, die zelfs voor iemand, die vol goede moed vertrekt, niet altijd gemakkelijk zijn op te lossen.

Waar liggen dan die moeilijkheden? Natuurlijk zijn deze ook niet voor ieder hetzelfde, maar sommige ervaringen zijn wel algemeen. Voor hen, die in Holland een gerieflijke, degelijke boerderij achterlaten, vormt de overgang naar de pionierswoning op de Fazenda wel een groot contrast. Misschien is het contrast nog niet groot genoeg. Soms heeft men de indruk, dat het gemakkelijker is van het ene uiterste naar het andere over te gaan, als te wennen aan het betrekkelijke comfort, waarin men zich toch in veel dingen moet aanpassen. Want zijn onze woningen nog wel pionierswoningen in de strikte zin van het woord? Kwam de aanpassing in het begin, toen de emigranten in de “pau-a-piches” terecht kwamen, misschien niet vlugger tot stand dan nu? Want een vergelijking van deze hutten met een, volgens Nederlandse begrippen, bewoonbaar huis, was eenvoudig onmogelijk. Maar ook de tegenwoordige pionierswoning heeft nog zijn ongemakken, want de huizen hebben hier geen plafonds, wat in de warme tijd heerlijk koel is, maar in de wintertijd dikwijls koud. Bovendien waait het stof door de pannen binnen, zodat het kraakheldere en stofvrije Hollandse huis hier een onbereikbaar ideaal is. Ook is het in de natte tijd als de modder; hier “barro” genoemd, de wegen vervangt, een bijna onmogelijke taak het huis schoon te houden. Dan maar eens een keer meer schrobben en je er voor de rest niet druk over maken.

De natuur is hier prachtig en voor opgroeiende kinderen is het hier een paradijs. Ze kunnen er op uittrekken te paard. Ze rijden mee op trucks en leven op jongensachtige manier mee met de opbouw van de Fazenda. Maar het is weer aan de vrouw om de juiste maat van die vrijheid te bepalen en de huishoudelijke discipline te handhaven. Want de vrijheid mag geen verwildering betekenen. Daarom moet de emigrantenmoeder bij het opvoeden van haar kinderen de ;,sterke vrouwvan het evangelie zijn en haar huis besturen en de tucht bewaren.

Het eten kan niet geheel Hollands blijven en de eerste weken wordt de vrouwelijke vindingrijkheid zwaar op de proef gesteld. De emigrante, die hier aankomt, zal eerst niet weten, wat klaar te maken en hoe. De rijst ,b.v. die veel goedkoper is dan de aardappelen, zal eerst als dagelijks gerecht niet smaken. Van de vrouw hangt het af, hoe zij dit probleem aanpakt, want een goed gevoed gezin is de basis·voor een goed humeur.

De boeren werken nu nog in een straf georganiseerd coöperatief verband en voor de meesten staan de huizen nog in het centrum van de Fazenda. De boerin is niet gewend in het centrum van het dorp te wonen. Liefst woont ze in het centrum van haar bedrijf. De vrouw, die het meest thuis is, heeft hier weinig gelegenheid om kennis te maken met het grote bedrijf, en de buren wonen vlakbij. Zij zien alles van·elkaar en soms zal het ook nog een heel ander soort mensen zijn dan die waaraan zij gewend zijn. Treft zij het zo, dan is het moeilijk elkaar te waarderen; maar pakt het wel, dan zal het niet moeilijk zijn elkaar door de eerste moeilijkheden heen te helpen.

Sommige vrouwen zeggen, dat je het hier lang niet zo druk hebt als op de boerderij in Nederland. Dan moeten zij oppassen dat het praatduiveltje haar geen parten speelt, want daarmee maken zij zichzelf niet gelukkiger en de geest, die door de vrouw gemaakt moet worden, zouden zij hierdoor bederven. Want de vrouw moet verzachten ook de tegenslagen, die zijzelf en haar man zullen ondervinden van mensen en dingen.

Maar het samenwonen in het centrum van de Fazenda zal niet blijvend zijn. In september beginnen vele boeren een eigen bedrijf en de boerderijen, die nu gebouwd worden liggen soms al ver uit elkaar. In Holland zijn de afstanden zo klein, dat een kwartier gaans al een afgelegen boerderij betekent. Maar in dit grote land met zijn uitgestrekte gronden is er nog plaats genoeg en de boeren zullen dus steeds verder van het dorp aftrekken. De vrouw, die houdt van de stilte der natuur, de schone vergezichten en het vee om haar huis, zal dit niet zwaar vallen. Maar hoeveel vrouwen houden niet van wat gezellige kout met hun buurvrouw? Voor haar zullen er misschien wel eenzame ogenblikken komen.

Paarden Fazenda

Iedere vrouw moet deze dingen beseffen, maar zij moeten ook weten, dat je hier God voelt in de natuur, dat er een kerk is waar je echt devoot kunt bidden en dat je hier als vrouw een werkzaam en gelukkig leven kunt hebben. Want dan wacht haar de grote voldoening van een zichtbaar resultaat. Niet door boerderijen, machines of bebouwd land wordt een nieuwe maatschappij opgebouwd, maar door mensen en kinderen, die mensen moeten worden. En die kinderen zijn haar kinderen en die moet zij opvoeden, aangepast aan de nieuwe levensomstandigheden.

Er wordt hier van iedere vrouw gevraagd een sfeer te scheppen, die de geest van de jonge gemeenschap zal bepalen en zij moet dus alle kleinzieligheid, jaloezie en kortzinnigheid van te voren uit haar hart bannen om te genieten van “het scone ende het goede”.

Wegbereiders: Geert Heijmeijer (1903-1973)

In de reeks ‘Wegbereiders’ wil ik wat dieper ingaan op personen die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming en opbouw van de Holambra’s. De keuze van personen zal het eerste oog wat willekeurig lijken. Behalve de rol die iemand heeft gespeeld in de (voor-)geschiedenis van Holambra I en II moet ik over meer gegevens beschikken dan enkel over de periode dat iemand bij de groepsemigratie naar Brazilië betrokken is geweest. We beginnen de reeks met de stichter van Holambra: Geert Heijmeijer.

Johannes Gerardus (Geert) Heijmeijer werd op 21 april 1903 geboren in Amsterdam als de jongste zoon van Bastiaan Heijmeijer (1859-1938) en Maria Margaretha Johanna Schermer (1865-1936). Zijn vader was als graanhandelaar firmant van C.P. Heijmeijer en zoon, een door Geerts opa Cornelius Pieter Heijmeijer opgerichte groothandel in granen en levensmiddelen te Amsterdam. De familie kwam oorspronkelijk uit Westfalen totdat een voorvader zich in 1764 in Kampen vestigde.
                Na zijn middelbare school ging Geert Heijmeijer in 1921 Landbouwkunde studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. In 1926 studeerde hij af op de scriptie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk, die vanwege het belang van het onderwerp door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) werd uitgegeven. Nog datzelfde jaar trad hij in dienst van de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB) – een regionale bond van de KNBTB – om de oprichting van de R.K. landbouwwinterschool te Voorhout voor te bereiden. Van 1927 tot 1935 was hij directeur van deze school.
                Op 12 september 1928 trad Geert Heymeijer in het huwelijk met Julia Oswaldina Maria (Lia) Hencke (1903-1974). Lia Hencke’s vader, Johannes Maria Hencke (1864-1928) was afkomstig uit Lüdighausen in Westfalen en was boekhouder (en later rentmeester) op Huis Bergh. Daar werd Lia in 1903 geboren. Geert en Lia kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters
                In 1935 vertrok Geert Heijmeijer naar Brabant, waar hij rentmeester was van het Staatsdomein Niervaart te Klundert. In 1939 redigeerde hij samen met F.F.X Cerutti hierover het boek Niervaart. Een beschrijving van de ontwikkeling der heerlijkheid Niervaart en van den huidigen toestand der Staatsdomeinen.
                Op 1 september 1939 trad Heijmeijer aan als algemeen secretaris van KNBTB. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 stond hij voor de ondankbare taak om de bond en zijn economische instellingen uit handen van de Duitse bezetter te houden. Toen in augustus 1941 de NSB-er O.F.J. Damave tot commissaris bij de KNBTB werd benoemd onderhandelde hij met deze over de verzelfstandiging van de instellingen. Na de opheffing van de KNBTB en zijn gewestelijke boerenbonden begon Heijmeijer een eigen landbouwkundig ingenieursbureau. Onder deze vlag publiceerde hij in 1941 het boek Wij boeren met artikelen van uiteenlopende auteurs, waarin getracht werd de boerenbevolking bewust te maken van haar tradities en haar eigen karakter. Met de vertegenwoordigers van de andere opgeheven landbouw- en landarbeidersorganisaties werkte hij gedurende de bezettingsjaren aan de oprichting van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in de landbouw. Als opmaat tot deze organisatie, die in 1954 onder de naam Landbouwschap van start ging, werd op 2 juli 1945 de Stichting voor de Landbouw opgericht. Omdat hij echter bij het KNBTB-bestuur onvoldoende gehoor vond voor zijn opvattingen over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, nam Heijmeijer in 1946 ontslag als algemeen secretaris en concentreerde zich op het voorzitterschap van de afdeling Sociale Zaken van de Stichting voor de Landbouw. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), een semi-overheidsorgaan dat initiatieven op het gebied van de emigratie coördineerde.
                De groeiende belangstelling voor emigratie in het naoorlogse Nederland en het overschot aan jonge boeren voor wie geen boerderij beschikbaar was, waren voor Heijmeijer de aanleiding om in november 1946 in opdracht van de KNBTB samen met Wim van Beers en Chris van Steen naar Brazilië te vertrekken om de mogelijkheden van een kolonisatieproject te onderzoeken. De moeilijkheden in Nederland en in Brazilië werden ondervonden om dit project te realiseren beschreef Heijmeijer in 1973 in Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie. Holambra, 1946-1973[1]. De zoektocht naar ‘land in Brazilië’ resulteerden in 1948 in de aankoop van de Fazenda Ribeirão. Voorafgaand aan de aankoop, die mogelijk gemaakt was door een lening van de Braziliaanse overheid, was op 5 juni 1948 door in Brazilië aanwezige Nederlanders (waaronder enkele emigranten) de Cooperativa Agro-Pecuária do Nucleo Holandês Riberão opgericht, twee maanden later omgedoopt tot Coõperativa Agro-Pecuaria Holambra. Heijmeijer was op dat moment in Nederland voor het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten.
                Met het vertrek van het schip de ms ‘Algenib’ op 18 december 1948 vanuit de haven van Antwerpen begon de feitelijke emigratie. De boeren die zich op de Fazenda Ribeirão vestigden, traden in dienst van de coöperatie. Heijmeijer achtte dit noodzakelijk om de opbouw van de jonge nederzetting op gang te brengen. Hiermee wilde hij ook bereiken dat kleinere boeren een kans van slagen konden krijgen, doordat zij via de coöperatie krediet zouden krijgen van de grote boeren. Dit coöperatief systeem was nodig voor de ontginning van de grond en de bouw van huizen. Zodra het mogelijk was zouden de boeren een eigen bedrijf kunnen beginnen. Heymeijer vertrok met zijn gezin op 12 maart 1949 met de ss ‘Alhena’. Het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder gaf hoog op van Heymeijers missie: ‘Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren ging ir. Heymeijer heen.’[2] Na de aankomst nam hij het voorzitterschap van de coöperatie op zich.
                De jonge nederzetting kreeg de nodig tegenslagen te verduren. Zo werd het uit Nederland meegenomen stamboekvee getroffen door veeziekten, zoals mond- en klauwzeer en kampte de kolonie met een tekort aan liquide middelen. Onverantwoorde aankopen door Heijmeijer en diens weinig standvastige beleid verergerden de zaak. Hierdoor kwam de samenwerking binnen de coöperatie steeds meer onder druk te staan en zakte het werktempo. Eind 1949 zag Heijmeijer zich reeds genoodzaakt om in Nederland aan te kloppen voor een nieuwe lening. Een Nederlandse onderzoekscommissie kraakte in oktober 1950 harde noten over zijn beleid. Zij stelde vast dat ‘voor het in productie brengen en het geven van de zakelijke leiding, ‘de heer Heijmeijer niet de juiste persoon blijkt te zijn.’[3] Redding was wel mogelijk, maar dan was een lening nodig van 2,5 miljoen gulden en moest de leiding vervangen worden door een leiding met meer organisatorisch en commercieel inzicht. Zonder Heijmeijer in de besluitvorming te betrekken, besloot de Nederlands regering eind 1950 deze lening mogelijk te maken. In overleg met de KNBTB werd C.J.J.(Charles) Hogenboom aangesteld als regeringscommissaris om toezicht te houden op de besteding van het crediet.
                Hogenboom zette zich op Holambra aan een saneringsbeleid waaraan Heijmeijer aanvankelijk loyaal meewerkte. Een aantal grote boeren weigerden met “die koeliedrijver” – Hogenboom had eerder in Nederlands-Indië gewerkt – in zee te gaan. Ze zegden in juni 1951 hun lidmaatschap van de coöperatie op en vertrokken daarna naar Não Me Toque in de deelstaat Rio Grande do Sul. Op 28 januari 1952 trad Heijmeijer terug als coöperatievoorzitter ten gunste van Hogenboom. Hij bleef Hogenbooms saneringsbeleid saneringsbeleid steunen, maar merkte in de loop van 1952 dat hij niet meer betrokken werd bij coöperatiezaken. Voorts voelde hij zich persoonlijk en financieel in zijn bestaan bedreigd. Hij sloot zich in oktober van dat jaar aan bij emigranten die weigerden een nieuw, in het Portugees opgesteld contract te ondertekenen. Het coöperatiebestuur gaf te kennen dat Heijmeijer er met zijn gezin beter aan deed Holambra te verlaten en terug te keren naar Nederland. Nadat pogingen om in Brazilië een andere functie te verwerven op niets waren uitgelopen, sloot hij in maart 1953 een overeenkomst met de coöperatie die zijn terugkeer naar Nederland mogelijk moest maken. Op 19 maart 1953 verliet Heijmeijer Brazilië, om op 13 april in Nederland te arriveren. Zijn oudste zoon Geert Jan bleef achter en werd later in Brazilië financieel directeur van het geneesmiddelenconcern MSD.
                Eind juni slaagde hij erin een nieuwe betrekking te vinden: consulent Grond- en Pachtzaken. Deze functie, aanvankelijk te Zwolle en later in Arnhem, zou hij tot zijn pensionering in 1968 blijven vervullen. Na zijn vertrek van Holambra in 1953 bezocht hij nog twee keer Brazilië: in 1966 om onderzoek te doen naar ervaringen met ontginning van gronden en in 1973 bij de viering van het 25-jarig bestaan van Holambra. Bij die laatste gelegenheid werd hij geëerd als de stichter van de kolonie. Tijdens dit laatste verblijf in Holambra kreeg hij te horen dat zijn dochter Eveline was verongelukt in Denemarken. Enkele maanden later, op 30 oktober 1973 overleed hij zelf  in Vught. Vijf maanden na Geert Heijmeijer overleed ook zijn vrouw Lia. Beiden liggen begraven op de R.K. begraafplaats te Doorwerth.

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Heijmeijer
www.berghapedia.nl/index.php/Hencke,_Johannes_Maria
www.online-begraafplaatsen.nl
Mijn boeken over Holambra en de KNBTB
Nederlands Patriciaat, no. 79.
Het Archief Heijmeijer (toegangsnummer 2.21.364) in het Nationaal Archief.


[1] Manuscript in: Archief-Heijmeijer.
[2] Boer en Tuinder, 19 maart 1949.
[3] Rapport Van Roggen/Van Waveren (oktober 1950), in: Archief-Heijmeijer.

In de Braziliaanse pers

Op 10 mei 1950 publiceerde het dagblad O Estado de São Paulo artikel over de Nederlandse boeren op de Fazenda Ribeirão. Auteur van deze bijdrage was Edgar Fernandez Teixeira, in het dagelijks leven hoofd van de Divisão de Fomento Agrícola van de deelstaat São Paulo,  een functie die te vergelijken was met die van Directeur van de Landbouw in Nederland.
Teixeira was vol waardering over hetgeen er op de fazenda gepresteerd werd. Het maandblad van de katholieke jonge boeren Ontginning publiceerde een eigen vertaling van dit artikel.

Replica van de oude bushalte van de Fazenda Ribeirão

Van meet af aan hebben wij met belangstelling het experiment gevolgd, dat in de gemeente Mogi Mirim ondernomen wordt. Dit experiment beoogt de vestiging van kerngroepen Nederlandse landbouwers in Brazilië, specialisten in het fokken van melkvee en in de zuivelindustrie en bovendien van tuinders en deskundigen op het gebied van de landbouw. Eind 1947 maakten Nederlandse experts een rondreis door Brazilië en kwamen daarbij tot de bevinding, dat zowel in Minas Gerais als in São Paulo en de overige zuidelijke staten de omstandigheden gunstig zijn voor een dergelijk project alsmede voor de vestiging van coöperatieve bedrijven. Hier zouden de emigranten in groepsverband geleidelijk kunnen wennen aan onze methoden, onze gronden en onze cultures en een eigen zuivelindustrie kunnen beginnen, gebaseerd op de hier bestaande omstandigheden en tegelijk even modern als in Nederland.

De uitslag van hun onderzoek was tenslotte, dat de Fazenda Ribeirão thans de “Granjas Holandezas Reunidas” ‑ aan de minimum eisen voldeed om enige duizenden Nederlanders onder te brengen. Voornoemde fazenda werd door de Federale regering van “Amour”[1] gekocht en daarna weer van de hand gedaan aan de Nederlanders, tegen afbetaling op lange termijn. Vervolgens organiseerde men, met de steun en onder toezicht van de Nederlandse regering, een coöperatie, die de gronden verdeelde en de eerste maatregelen begon te treffen om tot een rationele exploitatie te komen. De “Granjas Holandezas Reunidas” liggen op ongeveer 42 km van de stad Campinas, aan de weg van Mogi-Mirim, en behoren tot het grondgebied van die gemeente.

De eerste maal, dat wij daar een bezoek hebben gebracht, was in 1948, niet lang nadat de nieuwe eigenaren hun goed in bezit hadden genomen. Later zijn we er nog twee of drie keer terug geweest en nog heel onlangs, j.l. Zondag, hebben we een tocht gemaakt over de velden en langs de bedrijven. Indertijd het was toen eind 1948 ‑ schreef O Estado het volgende: “Sinds de fazenda in Nederlandse handen is overgegaan, zijn er al twee families aangekomen en bovendien een econoom, die tevens landbouwkundig-ingenieur[2] is. Deze maakte een begin met de verdeling van het land in percelen. Het plan beoogt de productie van ongeveer 20.000 liter melk per dag, die op de fazenda gepasteuriseerd zal worden en zal worden afgeleverd aan São Paulo, Campinas en andere steden in de omgeving.
Behalve melk zal men natuurlijk
ook boter, kaas en verschillende bijproducten gaan fabriceren. Ook de tuinderij en de aanleg van weiden hebben een belangrijke taak te vervullen bij het verwezenlijken van dit plan. In dit verband moet ons een opmerking van het hart! Vele kenners van de streek hebben er hun bevreemding over uitgesproken, dat juist deze fazenda voor immigratiedoeleinden door de Nederlanders is uitgekozen, want de grond ervan zou betrekkelijk arm zijn. Het schijnt echter, dat de Nederlanders zich niet vergist hebben in de landbouwkundige waarde van de aangekochte gronden en men mag verwachten, dat de toekomst de mogelijkheid zal bevestigen om die “slechte” gronden te herscheppen in akkers, die economisch rendabel zijn.”

Inkuilen van groenvoer
Inkuilen van groenvoer

Wij zijn dus bevoegd om een oordeel uit te spreken over hetgeen er te zien was eind 1948 en over wat op dit ogenblik bereikt is, vooral in het laatste jaar. Naar onze mening is het verrassend te zien wat hier door noeste arbeid tot stand is gebracht en met een gerust hart durft men nu reeds de uitslag van dit experiment optimistisch beoordelen. Een landbouwbedrijf van een dergelijke structuur is wellicht een unicum op ons grondgebied. De eerste kolonisten zijn nu al een groep van meer dan 500 personen[3]: mannen, vrouwen en kinderen. De “Granjas Holandesas Reunidas” vormen een klein, maar vooruitstrevend boerendorp, waar alle arbeid steunt op het coöperatieve principe. Men vindt er een kerk, scholen, magazijnen, ruime en goed ingerichte · werkplaatsen, zoals een timmermanswinkel, een smederij, een garage voor de reparatie der landbouwmachines; bovendien een modern machinepark voor alle soorten werkzaamheden, vanaf tien grote tractoren tot z.g. “combines”, om tarwe te oogsten en andere graansoorten, alsmede een “combineom maïs te oogsten. De coöperatie beschikt ook over machtige sproeiers, die in een paar uren tijds tientallen hectaren aardappelland kunnen besproeien.Bij ons bezoek was men juist bezig 75 ha tarweland, in maart bezaaid, te besproeien om een hevige rupsenplaag te bestrijden, die in een paar dagen was opgekomen en het gewas van dat bouwland in ernstig gevaar bracht.

Dit jaar hebben de “Granjas Holandesas Reunidas” reeds meer dan 700 ha beplant, waarvan 200 met maïs, 100 met tarwe, 30 met aardappelen van zes verschillende uit Holland geïmporteerde soorten, vooral die, welke geschikt zijn voor ons land, 80 ha guando, 35 mucuna en kleinere percelen met andere gewassen, zoals erwten, waarmee men hier proeven neemt en die een van de belangrijkste teelten zal gaan uitmaken. De “slechte” gronden ontsluiten zich langzamerhand voor de kennis van de Nederlandse boeren (van wie velen in het bezit van een diploma zijn op het gebied van de landbouwkunde, de veefokkerij, de veeartsenij, economie)[4], enz. Daar men een intensieve bemesting toepast en de modernste. methoden op landbouwkundig gebied toepast, en de arbeid vanaf het gereedmaken van de bodem tot aan de oogst zoveel mogelijk met behulp van machines verricht wordt, slaagt men erin een bevredigende opbrengst te verkrijgen. Naar men ons inlichtte, is men ook voornemens de inrichting van stallen te bevorderen, waar men compost zal kunnen verkrijgen, omdat de organische meststoffen een ideale oplossing zullen betekenen voor deze gronden, zodat ze n.l. weer geschikt zullen worden gemaakt voor iedere soort gewas.

Het program van deze uitgebreide werkzaamheden wordt uitgestippeld door de coöperatie, die het toezicht houdt over alle takken van dienst en hoofdzakelijk beoogt grassoorten, maïs en andere granen te winnen om er het melkvee mee te voeren. Tot nu toe zijn er al ongeveer 1.000 stuks vee[5]door de boeren zelf meegebracht hij hun overtocht naar Brazilië. Er is zowel zwart-bont als rood-bont vee. Voor groenvoer en groenbemesting is de keus voornamelijk op guando en mucuna gevallen, omdat deze gewassen het voordeel bieden, dat ze de grond vruchtbaar maken en tegelijk uitstekend dienst kunnen doen als veevoer en als hooi.

Maar de grondslag van deze Nederlandse kolonie berust op de melkbedrijven. Deze hebben een uniforme omvang van 15 ha.[6] Naar de aard van de grond heeft men hiervoor overwogen decultuur van maïs, rijst en aardappelen, de aanleg van kleine tuinen en van een tamelijk groot oppervlak weiland. Dit oppervlak van 15 ha laat bij een gunstige ontwikkeling een veestapel van 30 melkkoeien toe. De stal bevindt zich vlak bij het woonhuis van de kolonist en sommige van die woonhuizen zijn hoogst comfortabel ingericht. Vele boeren zullen zelf boter en kaas produceren, maar men gaat ook een modelzuivelfabriek bouwen om bepaalde standaardtypen kaas en boter te kunnen vervaardigen. Men vindt hier velenieuwigheden, die men in het binnenland, zelfs in de steden, nog niet kent, o.a. een wasserij (reeds in uitvoering), die alle personen van de Nederlandse kolonie zal bedienen.

De vooruitgang, die hier practisch in anderhalf jaar geboekt is, laat ons voorzien, dat over nog één jaar op zijn hoogst[7] de “Granjas Holandesas Reunidas” een modelcentrum zullen vormen, dank zij hun hoog organisatiepeil en dank zij de methoden, die hier op het gebied van de landbouw en de veeteelt worden toegepast. Men zal er een leerzaam voorbeeld kunnen vinden, dat hopelijk anderen zal aansporen om het na te volgen, tot grotere bloei van ons land.

Bron: Ontginning, augustus 1950


[1] Frigorífico Armour do Brasil S/A, Braziliaanse dochteronderneming van het Amerikaanse vleesconcern Armour & Company uit Chicago.
[2] Ir. J.G. Heymeijer.

[3] Dit getal was aan de hoge kant.
[4] Gedoeld werd op de kleine staf van deskundigen, die er al aanwezig was of binnenkort werd verwacht.
[5] In werkelijkheid waren het er 500.
[6] De bedoeling was om vooral 15 ha.-bedrijven te stichten; daarnaast was voorzien in enkele bedrijven met een grotere omvang.
[7] Commentaar van de vertaler in Ontginning: ‘De eerlijkheid gebiedt ons te erkennen, dat de schrijver zich wat al te complimenteus uitlaat. Wij zullen intussen ons best doen om aan zijn hoge verwachtingen zoveel mogelijk te beantwoorden.’

Holambra in opbouw (II)

Het Centrum.

Wat thans het “Centrum” heet, is het fazendaplein (met het fazendahuis) en de onmiddellijke omgeving daarvan. Hier klopt het hart van de coöperatie. Afgezien van enige woonhuizen, die wij er vinden, staat daar de kerk, het fazendahuis, de kantoren, het vrijgezellenhuis en de school, allemaal gebouwen, die in het leven der emigranten een voorname rol spelen. Over al die gebouwen zou heel wat te vertellen zijn, maar we moeten ons tot enige hoofdzaken beperken.

De kapel werd vorig jaar van Maart tot Mei (oorspronkelijk met een andere bedoeling) gebouwd en in Juli werd de achterwand ervan door Pater Dr. G. Sijen, de pastoor der parochie, met een fraaie voorstelling van de Verrijzende Christus getooid. · Men probeert hier doelbewust de grondslagen te leggen voor een liturgische gemeenschapsvorming en het spreekt vanzelf, dat de zeven zusters, Kanunikessen van het H. Graf, voor deze geestelijke opbouw uiterst waardevolle bijdragen leveren. De kapel is op dit ogenblik al te klein, de pater is nu al genoodzaakt iedere Zondag drie H.H. Missen te lezen. Op de duur zal deze situatie de bouwafdeling voor een nieuw probleem stellen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Het fazendahuis vereist eveneens omvangrijke reparaties en uitbreidingen. Het is weliswaar een royaal ingericht woonhuis met vrij veel ruime vertrekken, maar als men hoort, welke bestemmingen dit huis zoal heeft, zal men onmiddellijk begrijpen, dat het toch weer veel te klein is. Het bergt onder zijn herbergzaam dak de familie Heymeyer (6 personen) de zusters (thans 7, binnenkort 9 personen) en de pater. Bovendien gebruiken er tot nu toe dagelijks ruim 30 vrijgezellen hun maaltijden. En tenslotte heeft Ir. Heymeyer er zijn kantoor.

Binnenkort komen er een paar van deze bestemmingen te vervallen, wat niet anders dan noodzakelijk is, omdat noch van een behoorlijk kloosterleven, noch van een behoorlijk familieleven binnen deze al te enge muren sprake kan zijn. De vrijgezellen zullen zeer binnenkort gaan verhuizen naar een speciaal voor hen ingericht tehuis, waar ze de maaltijden kunnen gebruiken, waar ze kunnen vergaderen, zich ontspannen, lezen, schrijven, enz. De Heer en Mevrouw Slegers hebben zich met de taak belast te zorgen voor de materiële en hogere belangen van deze vrijgezellen. En voor de directie wordt thans aan de andere kant van het fazendaplein een kantoorruimte ingericht, zodat ook in dit opzicht het fazendahuis meer ontlast zal worden.

Over het kantoor der administratie en de school zullen we vandaag maar niet langer spreken. Hopelijk komen deze beide instellingen een volgende keer nog eens aan de beurt.

 

Groei van het bedrijf.

De bouwafdeling heeft al drie dochterbedrijven onder haar hoede. In de eerste plaats de timmermanswerkplaats, die zonder meer een modelinrichting kan worden genoemd, al kan ze het steeds toenemende werk niet bijhouden. Vervolgens de houtzagerij, die nog niet zo heel lang geleden ertoe is overgegaan eigen hout van de fazenda te zagen en voor verder gebruik te bewerken. Tenslotte is er de steenfabriek, die over enige tijd 30.000 stenen per week zal kunnen produceren. Deze dochterbedrijven betekenen een enorme deviezenbesparing voor de fazenda, en hun belangrijkheid zal in de volgende maanden nog· steeds toenemen. Wanneer we bedenken, dat een jaar geleden de spanten nog uit Campinas betrokken moesten worden en dat tienduizenden stenen uit. de omliggende plaatsen geleverd moesten worden, zal men begrijpen, dat deze bedrijven hier absoluut noodzakelijk zijn.

Toch blijven de moeilijkheden nog zeer groot en ze zijn van velerlei aard. Zand moet b.v. gehaald worden op een afstand van 13 km aan de rivier en hier kan men eigenlijk alleen in de droge tijd terecht. De voorziening van kalk en cement loopt maar zeer stroef, en het transport, dat het uiterste vraagt van het beschikbare materiaal, is een probleem op zich.

De snelle groei van de kolonie stelt de bouwafdeling iedere maand, we zouden ·haast zeggen, iedere dag, voor een nieuwe puzzle. Van half mei tot half augustus moeten er 25 boerderijen worden gebouwd met de daarbij behorende stallen; voorts 6 huizen in het centrum, drie kalverstallen en vier stallen voor volwassen vee. En tenslotte moet een gedeelte van de grote zuivelfabriek worden opgebouwd, het z.g. A-melkbedrijf. Daarnaast komen nog de kleine, dagelijks terugkerende karweitjes en men zal begrijpen, dat de Heer Hendrikx iedere maand blij·is als de nieuwe emigranten weer een dak boven hun hoofd hebben.

Er is een werkschema opgesteld, waarbij de bouwafdeling in vier ploegen verdeeld is en zonder al te grote tegenslagen hoopt men inderdaad met de verschillende projecten gereed te komen. En het moet gereed komen, want vóór half Augustus worden hier weer een dertig (meestal grote) families verwacht, die ergens ondergebracht moeten worden. In de uitvoering van dit programma ligt voor alle personen, die erbij betrokken zijn, iets spannends: komen de leveranties wel op tijd? Ondervindt het transport geen al te grote strubbelingen? Zullen de timmerlieden, de metselaars wel kunnen bijhouden?

Deze en dergelijke vragen hoort men hier dagelijks. Maar tot nu toe is men, ondanks alles, geneigd deze vragen optimistisch te beantwoorden. Want het is nog altijd klaargekomen, de emigranten hebben nog altijd een huis gevonden, er kwam nog altijd een oplossing, ook al leek ze aanvankelijk onmogelijk. Wij vertrouwen dus op het goede gesternte, dat ons tot nu toe nog altijd vergezeld heeft. We bouwen verder en zien hier een dorp verrijzen, dat ons dagelijks meer tot voldoening stemt en ons aanspoort ·steeds verder en hoger te streven.

Uit: Ontginning, augustus 1950