Een korte geschiedenis van Holambra (I)

Mari Smits, Holambra. Geschiedenis van een Nederlandse toekomstdroom in de Braziliaanse werkelijkheid, 1948-1988 Uitgave: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen (1990)

Sinds enkele jaren ben ik naast mijn reguliere baan bezig met de voorbereiding van een nieuw boek over Holambra I. Sinds het verschijnen van mijn boek in 1990 zijn er veel nieuwe bronnen beschikbaar gekomen. Met name de archieven van Nederlandse ministeries, die nu berusten bij het Nationaal Archief in Den Haag bevat veel nieuwe informatie over de nauwe relatie tussen Holambra en Nederland in de beginjaren. Toen enkele jaren geleden duidelijk werd dat mijn oude boek ten lange leste was uitverkocht, besloot ik opnieuw de archieven in te duiken ten einde deze nieuwe informatie te verwerken in een nieuw boek. Nu dit boek bijna klaar presenteer ik bij deze als opwarmertje de passages uit mijn scriptie ‘Met kompas emigreren’ over Holambra, dat ik schreef voorafgaand aan mijn onderzoek ter plaatse. Hoewel het gezien de kennis van nu sterk verouderd is en onvolledig, geeft het wel een impressie van de belangrijkste ontwikkelingen rond Holambra gedurende de eerste 12 jaar van zijn bestaan. Voor wie mijn scriptie nog eens na wil lezen, die kan hier de [pdf] vinden. De inleiding van ‘Met kompas emigreren’ is ook te lezen op mijn website www.marismits.nl.

Deel 1 van ‘Een korte geschiedenis’ beschrijft het begin van Holambra tot in 1950, toen bleek dat de jonge kolonie over onvoldoende financiële middelen beschikte om te kunnen blijven voortbestaan.

Het meest tot de verbeelding sprekende emigratieproject van katholieke zijde was ongetwijfeld de stichting van de landbouwkolonie Holambra in Brazilië Hier werden niet slechts individuele emigranten overgeplaatst in een nieuwe omgeving, maar werd op een nog niet ontgonnen stuk land een ‘fazenda’ ter grootte van vijfduizend hectares een hele dorpsgemeenschap gesticht met een eigen infrastructuur. Omdat het om een geheel Nederlandse gemeenschap in den vreemde ging. kreeg bet project in Nederland veel aandacht. Hoewel bij het project maar een beperkt aantal emigranten betrokken was, werd het belang daarvan groot geacht. Van het succes of het falen van het project zouden ook de toekomstige emigratiemogelijkheden en het prestige van Nederland als emigratieland afhangen. Terwijl voor Nederland bij de vestiging van landbouwkolonies in Brazilië een nationaal belang in het geding was, was voor de KNBTB een specifiek katholiek belang in het geding: de stichting van Holambra betekende de realisering van zijn van vóór de oorlog daterende opvattingen over emigratie; lange tijd was men immers van oordeel geweest, dat emigratie slechts dan verantwoord was als men land- en geloofsgenoten bijeen kon brengen in kolonies onder een eigen geestelijke en technische leiding. Hiervóór is reeds uiteengezet, dat deze opvattingen al snel door de feitelijke ontwikkeling van de naoorlogse emigratie achterhaald werden. Wat echter wél interessant is, dat is het feit dat voor de KNBTB zich voor het eerst de mogelijkheid voordeed om dit streven naar kolonievorming in praktijk te brengen.

Hoewel pas na 1945 sprake was van een georganiseerde vestiging van Nederlandse kolonies in Brazilië waaruit de vestiging resulteerde van onder andere Holambra (1948), Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) waren vóór 1940 al Nederlandse gemeenschappen in Brazilië aanwezig. De oudste daarvan is de sedert enige tijd aan de vergetelheid onttrokken, rond 1860 gestichte Zeeuwse gemeenschap Holanda in de staat Espirito Santo. Verder kwamen in 1908 en 1909 veel Nederlanders onder wie ontslagen Rotterdamse dokwerkers na een havenstaking in 1908 naar Brazilië. De meesten kwamen terecht op de kolonie Iraty in de staat Paraná. Deze kolonie werd echter een mislukking. Velen keerden terug naar Nederland. Een aantal van hen vormden het begin van de kolonie Carambei (Paraná), die daarentegen wél uitgroeide tot een
levensvatbare kolonie.

De basis voor de naoorlogse, georganiseerde groepsmigraties in Brazilië werd gelegd door een commissie die de Nederlandse regering in Londen in 1943 had gevormd voor de bevordering van emigratie na de oorlog. Vlak na de bevrijding maakte mr. Ch.J.I.M. Welter een reis naar Zuid-Amerika en rapporteerde positief over de immigratiemogelijkheden voor Nederlanders. In juli 1946 werd mr. P.C. van Scherpenberg voormalig lid van bovengenoemde commissie benoemd tot emigratie-attaché in Brazilië. In deze hoedanigheid bezocht hij de zuidelijke staten van Brazilië en rapporteerde dat er goede mogelijkheden aanwezig waren voor groepsmigraties.

B&T120447De KNBTB toonde interesse in emigratie naar Brazilië en zond in november 1946 een delegatie bestaande uit ir. J.G. Heymeijer, ir. W. van Beers en ir. C. van Steen naar Brazilië om ter plaatse de mogelijkheden voor een kolonisatieproject te bestuderen. Zij bezochten de staten Minas Gerais, São Paulo, Paraná en Santa Catarina. Hun onderzoek leverde drie objecten op – gelegen in Minas Gerais en Säo Paulo die geschikt leken voor de vestiging van Nederlandse boeren. In maart 1947 keerden Heymeijer en Van Steen terug naar Nederland voor het voeren van nader overleg en voor het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen. Van Beers bleef achter in Brazilië voor het verrichten van bodemkundig onderzoek. De resultaten van de eerste reis waren bemoedigend. De KNBTB besloot dan ook verder te gaan met de voorbereiding van de emigratie naar Brazilië. Reeds in juni van dat jaar werd al begonnen met de selectie van emigranten.

Met name in de staat São Paulo bleken goede mogelijkheden voor de vestiging van een Nederlandse kolonie aanwezig te zijn. De gouverneur van deze staat stelde een gebied van vijfduizend hectares ter beschikking en was tevens bereid de nodige financiële en morele steun te verlenen. Hij nodigde Heymeijer uit om opnieuw naar Brazilië te komen voor het verrichten van nader onderzoek en voor het aankopen van een geschikte locatie.
Deze tweede reis van Heymeijer die duurde van 21 september 1947 tot 24 januari 1948 en betaald werd door de SLN en de staat São Paulo leverde twee objecten op die geschikt leken als locatie voor een Nederlandse katholieke landbouwkolonie: Fazenda Ribeirão en Fazenda Monte d’Este, beiden gelegen in de buurt van de stad Campinas. Heymeijers voorkeur ging uit naar het laatste object, omdat een deel van de fazenda beplant was met koffie. De Fazenda Ribeirão was daarentegen een grote grasvlakte die nog moest worden ontgonnen. Het kostte Heymeijer dan ook weinig moeite de KNBTB te overtuigen van de noodzaak dit object binnen te halen en bij de SLN die alle activiteiten op het gebied van de emigratie coördineerde te bepleiten. Men dient hierbij bedenken dat niet alleen de KNBTB bezig was met de voorbereiding van een emigratieproject in Brazilië. Ook van protestantse zijde was men druk bezig; inspanningen die resulteerden in de vestiging van de protestantse kolonies Monte Alegre (1949) en Castrolanda (1951) in de staat Paraná.

Toen Heymeijer terugkeerde naar Nederland, bestonden er goede vooruitzichten op een spoedige aankoop van een fazenda voor de vestiging van Nederlandse katholieke boeren. Al vrij snel kwamen vanuit Brazilië berichten binnen die de kansen deden keren. Hieruit bleek dat de vertegenwoordigers van de SLN onder wie emigratie-attaché Van Scherpenberg slechts langzaam vorderden in hun onderhandelingen met de Braziliaanse autoriteiten. Na Heymeijers vertrek uit Brazilië manifesteerde zich aldaar een campagne die zich richtte tegen de Nederlandse aankoop van Monte d’Este. Dit leidde ertoe dat de Braziliaanse regering moest terugkomen op haar toezegging Monte d’Este beschikbaar te stellen voor Nederlandse emigranten. Daarnaast was het niet geheel duidelijk of de door de regering van Brazilië en de staat São Paulo in een eerder stadium toegezegde credieten, wel beschikbaar zouden komen. Deze teleurstellende berichten leidden ertoe dat een grote meerderheid van het SLN-bestuur het vertrouwen in de emigratiemogelijkheden naar Brazilië verloor en besloot het bureau van de emigratie-attaché per 1 juli te liquideren. Om de onderhandelingen echter niet al te abrupt af te breken, wilde men Heymeijer nog in de gelegenheid stellen om op kosten van de SLN een (derde) reis naar Brazilië te maken teneinde een beslissing te forceren.

In juni 1948 deden zich een aantal gunstige ontwikkelingen voor. De in het vooruitzicht gestelde Braziliaanse credieten kwamen uiteindelijk beschikbaar. Vooruitlopend op de aankoop van Fazenda Ribeirão het object waarop na het niet doorgaan van Monte d’Este de Nederlandse aandacht zich richtte – hadden in Brazilië aanwezige Nederlanders o.a. baron J.A. von Schwartzenau, ambtenaar op de Nederlandse ambassade en W. Miltenburg, een van de eerste emigranten op 5 juni reeds de ‘Cooperativa Agro-Pecuária Holambra’ opgericht. Deze coöperatie zou niet alleen het eigendom verkrijgen van de vijfduizend hectares grote fazenda maar ook de exploitatie ter hand nemen. Op 24 juni arriveerde Heymeijer in Brazilië teneinde de laatste obstakels voor de aankoop van Fazenda Ribeirão op te ruimen. Op 3 augustus kon Heymeijer aan de Emigratie-Stichting van de KNBTB berichten dat de aankoop praktisch rond was. Drie weken daarvoor, op 14 juli 1948, had Heymeijer in gezelschap van onder andere Von Schwartzenau, Miltenburg en Henk Ruhe evenals Miltenburg een Nederlandse emigrant op ceremoniële wijze “en onder het uitspreken van de bede GOD ZEGENE ONS WERK” de eerste spade in de grond gezet en daarmee een begin gemaakt met de ontginning van de Fazenda Ribeirão.

HeymeijerVoor Heymeijer was emigratie een vorm van levensvervulling. Reeds tijdens zijn studie aan de Landbouwhogeschool in Wageningen gaf hij blijk van zijn interesse voor het emigratievraagstuk. Zijn studie De emigratie van Nederlandsche landbouwers naar Frankrijk (1926) werd met medewerking van de KNBTB uitgegeven. In 1939 volgde hij mr. H. van Haastert op als secretaris van de KNBTB. Na de bevrijding ging hij een functie vervullen binnen de Stichting voor de Landbouw, een samenwerkingsverband van de KNBTB, de protestants-christelijke CBTB en de neutrale KNLC. Daarnaast was hij vice-voorzitter van de SLN. Nadat hij in het najaar overal in Nederland voorlichting had verzorgd over de landbouwkolonie ‘Holambra’, vertrok hij op 12 maart 1949 met het emigrantenschip “Alhena” uit Rotterdam naar Brazilië om als voorzitter van de Cooperativa Holambra mee te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap: “Want dit ideaal dat hem van kop tot teen bezielt, laat hem dag noch nacht met rust, hiervoor leeft hij, hiervoor werkt hij. Niet voor zich zelf, maar voor de toekomst van de uit Nederland gedrukte boeren, ging ir. Heymeijer heen,” zo werd in het blad van de KNBTB geschreven.

De gemeenschap stond bij Heymeijer voorop. De coöperatie die de grond in eigendom had, werd gevormd door de emigrerende boeren. Iedere emigrant moest bij toetreding zijn kapitaal inbrengen in de coöperatie, zodat kapitaalgoederen zoals vee en machines centraal konden worden aangeschaft. Bij aankomst op Holambra werd door de coöperatie voor onderdak gezorgd. De emigrant was verplicht, zolang hij nog niet over een eigen bedrijf kon beschikken, te werken in dienst van de coöperatie voor het ontginnen van de grond en voor het bouwen van woonhuizen. Voor deze (gezamenlijke) arbeid kreeg hij een bepaald loon, waarvan echter slechts zoveel werd uitgekeerd als nodig was voor zijn levensonderhoud. De rest van het loon kreeg hij uitbetaald op het moment dat hij een eigen bedrijf kon beginnen. Iedere kolonist had recht op het eigendom van een stuk land met huis en schuur. De grootte van het bedrijf zou komen te liggen tussen de tien en twintig hectares. Heymeijer wilde hiermee bereiken dat ook kleinere boeren een kans van slagen kregen, doordat zij via de de coöperatie crediet zouden krijgen van de grotere boeren. Het lag in de bedoeling dat Holambra zich zou gaan toeleggen op de veeteelt, teneinde de steden Campinas en São Paulo te voorzien van consumptiemelk. Hiervoor werd Nederlands stamboekvee naar Brazilië getransporteerd. Voor de behartiging van de belangen van de coöperatie in Nederland werd de Stichting Holambra opgericht. G. Duysens uit Roermond werd aangesteld als directeur van deze stichting. De stichting was onder andere betrokken bij de voorbereiding en selectie van emigranten en zorgde voor de aankoop en het vervoer van vee, machines en de noodzakelijke bouwmaterialen.

Na twee jaren van voorbereiding was de Nederlandse katholieke landbouwkolonie een feit. Reeds in de zomer van 1947 was een begin gemaakt met de voorbereiding en selectie van emigranten. In de maand mei van dat jaar – ruim een maand na zijn terugkeer van zijn eerste reis naar Brazilië – verzorgde Heymeijer voorlichtingsbijeenkomsten waarin hij potentiële emigranten informeerde over de mogelijkheden die Brazilië te bieden had voor Nederlandse boeren. Kort daarna werd een circulaire en een vragenlijst rondgezonden ten behoeve van de selectie van emigranten. Van der Mast maakt melding van de aanwezigheid van een beweging onder katholieke boeren met name in het zuiden en midden van Noord-Brabant om te gaan emigreren. Onder invloed van enkele missionarissen in Brazilië richtte deze groep zich op dat land. Voor de realisering van hun plannen zochten zij contact met de KNBTB. Van de 32 emigranten die op 19 december 1948 met de ms “Algenib” uit de haven van Antwerpen richting Brazilië vertrokken, was dan ook de helft afkomstig uit Midden-Brabant. Eén van hen was Henk Klein Gunnewiek, Achterhoeker van geboorte, toen 19 jaar oud en nog vrijgezel. Dertig jaar geleden heeft hij zijn herinneringen op papier gezet. Van zijn persoonlijke ervaringen zal in het navolgende dankbaar gebruik worden gemaakt.

Heymeijer en kardinaalNa de beëindiging van de voorbereidingscursussen op het KNBTB-vormingscentrum ‘Ons Erf’ in De Steeg, vertrok op 12 maart 1949 een volgende groep naar Holambra. Onder hen bevonden zich Heymeijer, een aantal zusters kanunnikessen van het H. Graf die het onderwijs en het huishoudelijk werk zouden gaan verzorgen en de norbertijn dr. P.J.A. Sijen, die zou gaan fungeren als aalmoezenier van de kolonie. Terwijl in 1948 zich 41 personen vestigden in Holambra, volgden er in 1949 en 1950 nog eens 344 resp. 268. Voor de buitenwereld was Holambra het voorbeeld van grote bedrijvigheid waar hard werd gewerkt aan de ontginning van de verwaarloosde grond (“de tractoren ronken dag en nacht”) en aan de bouw van nieuwe woningen voor de volgende zendingen emigranten. Klein Gunnewiek schrijft daarover: “Zo had ieder zijn werk, en er werd in de begintijd erg hard gewerkt. Dit kwam vooral, door de goede verstandhouding onderling” en door het ideaal om samen “een toekomst op te bouwen”. Het ideaal om samen te werken aan de opbouw van een nieuwe gemeenschap werd herhaaldelijk benadrukt. G. Duysens, directeur van de Stichting Holambra: “Allen voor één en één voor allen is hier een noodzakelijke voorwaarde om te slagen. Hiermede gelukt of mislukt deze vestiging.” Voor de pastoor van Holambra, pater Sijen, betekende dit vertrouwen hebben in hen die leiding geven, “ook wanneer ge niet alles begrijpt van hun beleid”.

Het aanvankelijke enthousiasme om samen in coöperatief verband een nieuwe gemeenschap op te bouwen verflauwde echter geleidelijk. Daarnaast kreeg de coöperatie grote tegenslagen te verwelken. Het Nederlandse stamboekvee dat per schip naar Brazilië was getransporteerd ten behoeve van de melkproductie, had sterk te leiden onder ziektes. In totaal stierven 98 van de 718 dieren door ziekte. De Nederlandse regering zond daarop een Nederlandse veearts dr. R.E. de Maar naar Holambra om de onder het vee heersende ziektes te bestrijden. Bij zijn rapportage noemde hij als een van de oorzaken van de gerezen moeilijkheden de onbekendheid van de leiding met het houden van Nederlands vee onder tropische omstandigheden. Volgens hem hoefde het houden van Nederlands vee geen problemen op te leveren, mits goede verzorging en voorlichting aanwezig was. Naast de problemen met het vee kampten de kolonisten met een gebrek aan liquide middelen. Om over geld te kunnen beschikken voor het voorzien in het levensonderhoud van de kolonisten, was men genoodzaakt voortdurend vee te verkopen, waarvoor echter steeds lagere prijzen werden gemaakt. Braziliaanse opkopers bleven gewoon wachten tot de prijzen verder daalden.

Een en ander leidde ertoe dat de onderlinge verhoudingen verslechterden en het vertrouwen in de zaak een flinke deuk opliep. De samenwerking die de basis vormde voor de coöperatie, verliep steeds stroever, waardoor het werktempo sterk daalde. Hoewel de leiding via talloze vergaderingen en de vorming van een adviescommissie probeerde oplossingen voor de gerezen moeilijkheden aan te dragen, groeide de ontevredenheid onder de kolonisten. Er ontstond tweespalt onder hen. Degenen die nog vertrouwen in de zaak hadden, werden al snel voor ‘kontenlikkers’ uitgemaakt, terwijl de ontevredenen betiteld werden als ‘de oppositie’ of ‘de rooien’.

Zie verder deel 2

Bedelen of vergaan

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (11)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het tweede deel van deze brief beschrijft hij de reis vanuit Rosario in Argentinië naar zijn nieuwe woonplaats Itapira.

Hervormde_kerk_en_toren_in_Westerlee_-_4
St. Joriskerk te Westerlee

’t Was dan ook eene landstreek die wij doortrokken, zoo aangenaam, en voor ons, die de moeitevolle berglanden hadden bereisd met de minst mogelijke hulpmiddelen, zoo verrukkelijk, dat wij ons waanden in ’t geliefde vaderland te zijn. Ja, wij hadden de bergen en bosschen achter den rug en zagen een groote schoone, voor het oog onmetelijke vlakte voor en om ons, hier en daar begroeid met eenig kreupelhout, dat ons zoo opwekkend deed denken aan ons geliefd dorpje. Zullen wij ooit uw klein torenspitsje dat zich nauw verheft boven de toppen der boomen, die u omringen, wederzien? Zullen we ooit uw kerkje weder betreden, om Gods woord te hooren verkondigen? Zullen wij ooit weder als voorheen, toen wij nog bij u waren, gezellig met u vereenigd zijn? Wij willen het hopen; maar mocht onze wensch niet worden vervuld, toch in welke omstandigheden wij ook mogen komen, nimmer o heilige geboorteplaats zullen wij u vergeten.

Zoo trokken wij dan steeds verder deze landstreek door. De bodem is hier zeer vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken. Naar men ons verklaarde zoude men voor duizend peso’s (twee duizend en vijfhonderd gulden) vijf-en-twintig hectare van dat heerlijke land kunnen koopen. Gij begrijpt, dat zoo iets voor ons onmogelijk was en wij er natuurlijk niet aan konden denken, zoo’n voordeelige koop te doen, omdat wij ontbloot waren van alles, wat waarde had, geldig voor de maatschappij, behalve alleen onzen goeden wil en daar het voortdurend bleek, dat die goede wil luttele waarde had, bleven wij arm en verlaten en leden gebrek aan alles.

Van ons bovenbeschreven voorgevoel gesproken, ben ik verplicht u hier te doen weten, dat er iets gebeurde, wat op ons, die zoo weinig meer aan menschelijke deelneming gewoon waren, een diepen en nooit te vergeten indruk maakte. Het smart ons, dat we niet in staat zijn de namen dier edele menschen te kunnen vermelden, die ons zoo hulpvaardig tegemoet kwamen. ’t Was bij aankomst aan een voor ons onbekend gebleven station, dan, waar wij zoodanig uitgeput waren en niets bezaten om iets te koopen, dat de chef en zijn schrijvers, Duitschers, zich over ons ontfermden. Die braven – zij gaven ons van alles te eten en te drinken, schonken aan de kinderen vele kleedingstukken en aan mijne vrouw schoenen. Deze laatstgenoemde gift kwam zeer te stade, daar wij allen barrevoets liepen, wat voor de vrouw onmogelijk bleek te zijn. Het scheen ons toe, dat deze goede menschen de heerlijke spreuk omhelsden: “Doe goed en zie niet om,” want waarlijk zij waren het goeddoen aan ons blijkbaar nog niet moede, waarvan het feit getuigde, dat zij ons kosteloos lieten mederijden in een goederenwagen van des morgens elf tot den daaropvolgenden nacht twaalf uur. Wij arriveerden toen bij oen station en moesten daar des nachts overblijven. Wederom werd ons gegund daar in een goederenloods te mogen slapen om den volgenden morgen de nog acht kilometer afstand tot Rosario te voet beginnen af te leggen. Zeker tengevolge wij den vorigen dag gereden hadden en dus uitgerust, kwamen wij des avonds niet erg vermoeid aan te Rosario.

Dit was het punt, waar wij gaarne wilden wezen, om persoonlijk den consul te spreken. Nooit genoeg kunnen wij de bovengenoemde Duitsche spoorweg-ambtenaren prijzen, die ons zoo veel goed hadden gedaan. Wij vergaten dan ook nimmer hen in het geheel gedachtig te zijn, dat we nooit verzuimden tot den Allerhoogste op te zenden.
Te Rosario dan zijnde begaf ik mij den volgenden morgen onmiddellijk naar den consul om raad te vragen en hulp in te roepen. Ik mocht hem ontmoeten. Het hart klopte mij hoorbaar in den boezem, toen ik voor hem stond, en mijn onderdanig verzoek tot hem richtte, om ons te redden òf aan arbeid òf ons terug te willen zenden naar Europa. Hij bleek een gepantserde gelijk te zijn. Alles stuitte op dien man af, zoowel een redelijk woord als wanhopig smeeken. Met de meeste koelheid antwoordde hij: ik kan niets voor u doen. Slechts van één ding kon hij zich zeker niet onttrekken en wel om ons onderdak te geven in het emigrantenhuis, waar wij echter geen het minste voedsel kregen, noch iets, dat ons zoo zwaar beproefden konde opwekken. Nog dankten wij den hemel voor ons onderdak, want wij hadden al zoo dikwijls buiten moeten slapen.

Lieve vrienden! Ik moet u zeggen, dat hoeveel wij ook al reeds hadden ontbeerd wij, wij allen hier op proef werden gesteld en hier moesten ondervinden, wat onze karakters in ’t geheel niet toelieten: wij moesten… bedelen. Aan wanhoop ten prooi ging ik – wij gingen allen bedelen, want het scherpe zwaard – de honger – dreigde ons te vernietigen. Ja, wij gingen allen, zelfs mijne vrouw met het kleinste kind op den arm. Dit was te veel. Doch arbeid was er niet: de staat had zijn kinderen verlaten. Had men mij slechts den zwaarsten arbeid aangeboden waar ik, zoo gij weet in ’t vaderland ook niet tegen op zag, hoe gaarne zoude ‘k hebben aangepakt, ware het dan ook slechts alleen ten voordeele van mijne vrouw en het kleinste kind. Niets echter baatte, noch mijn goeden wil, noch vragen, zelfs smeeken om werk; het wachtwoord heette: bedelen of vergaan. Dit trof ons op ontzettende wijze, doch wij moesten berusten in het noodlot, door te bedelen konden wij toch eten. Wij zochten troost in het geloof. Wij mochten nog heimelijk –heimelijk vermoeden: wij zullen nog wel gered worden, omdat eenvoudig onze goede wil steeds zoo vast streefde naar beter. ’t Was tevens ook, dat wij gesterkt werden door het woord van Job:
“De Heer heeft gegeven:
“De Heer heeft genomen,
“De naam des Heeren zjj geloofd.”

Wij bedelden. Ik huurde eene kleine woning in de stad voor 7 peso’s per maand. Deze betrokken wij hoofdzakelijk ’s nachts, daar wij over dag natuurlijk op straat moesten gaan. In dezen toestand verkeerden wij ruim eene maand. Dat in dergelijke omstandigheden het spreekwoord : “buurman’s leed troost” waar is en als ’t ware eigen leed vergemakkelijkt, mag ik niet ontkennen, in weerwil echter, dat het wel wat zweemt naar ongeoorloofde zelfzucht. Bij het vernemen toch, dat er zoo’n 600 personen rondliepen als bedelaars was het ons beter te moede en konden dus het schaamtegevoel, dat ons zoo diep geschokt had, beter onderdrukken. Deze 600 bedelaars waren mannen, die hier niet gekomen waren als bedelaars van beroep, maar om een eerlijk stuk brood te verdienen, waarvan hen zoo veel goeds was voorspeld. Er waren vele Hollanders onder. Men verklaarde, dat er tal van Hollanders in deze stad waren, die in geen zes maanden werk hadden kunnen bekomen en enkel van bedelen hadden moeten bestaan. – Doch wederom kwam er eenig licht: wederom schoot er een vonk in de ziel, die nieuwe hoop opwekte. Op zekeren morgen toch werd aan alle hoeken der straten en pleinen het aangename bericht aangeslagen, dat de emigratie naar Brazilië open was. ’t Was ons te moede alsof die aankondiging zóó uit den hemel viel en alléén ten dienste van ons, gedwongen bedelaars, in leven werd geroepen. Wij namen zonder eenig beraad deel aan de inschrijving, gelijk ook de grootste massa deed. Den 27 Augustus verlieten wij Rosario met den trein naar Buenos-Ayres en van daar ging het per stoomboot tot Santos, eene zeehaven in Brazilië. Gij zult u wellicht herinneren,dat Santos nog al vrij algemeen bekend is als een belangrijke haven, waar veel beste soort koffie gescheept wordt, bestemd voor Europa. De arbeid, die ons zoude worden opgedragen, bestond dan ook in de koffieplantage.

Santos 1890
Santos 1890

Intusschen moet ik u nog even doen opmerken, dat wij vóór onze afreis van Rosario onder alle die vreemdelingen een nauwe bekende aantroffen en wel CHRISTOFFEL SPRENGER van Heiligerlee. Dit was voor ons een aangename verrassing en we drukten elkander onstuimig de hand. Tal van vragen en verhalen omtrent toekomst en wedervaren kruisten elkander, wij werden het vragen niet moede, toen SPRENGER ons verhaalde al reeds in Brazilië geweest te zijn, en het ons eenvoudig afraadde daar naar toe te gaan. Helaas, wij hadden reeds een contract geteekend en moesten, ’t mocht loopen zoo bet wilde, vertrekken. Welnu, wij waren immers toch in de eerste plaats geen bedelaars meer. Wij kwamen immers in dienst van den staat en zouden wij zoo iets niet gretig aanvaarden? Het afscheid nemen van onzen vriend SPRENGER viel ons hard. De uitdrukking die wij ons in ’t vaderland wel eens veroorloofden :
“Vrienden in den nood
“Honderd op een lood.”

Was bij deze ontmoeting niet op de rechte plaats: wij waren als ’t ware één ziel en één zin. O, wat een handdruk is van een vriend in verre landen en in den nood, geliefden, dat is met geen pen te beschrijven – in geen woorden uit te drukken. Ze wekt den moedeloozen zwoeger op gelijk een heldere zonnestraal opwekkend is na den regen en verkwikt ons als een milde regen na gloeiende zonnehitte. Ze verkoelt ons het brandende voorhoofd na vele inspanning en moedig schraagt haar sterke arm ons op het glibberigste pad. Ze deelt met ons in leed en gevaren en zoo ons welvaart bejegent, juicht ze oprecht met ons mede. O reine, trouwe vriendenblik, driewerf gezegend! Steun in den nood – redder, waar de wanhoop ons dreigde te vermeesteren, kom aan ons naar deelneming smachtend harte. Bode uit hoogere sfeeren – zalige vriendschapsband omsluit ons steeds vaster: word’ met ons harte één.
“Wat ons dan ook moog’ ervaren
“’t Zij ons moeite, wacht of strijd,
“Bij het klimmen der gevaren,
“Aan Uw trouwe borst gevlijd:
“Zal ons harte niet verkwijnen,
“Staat de Poolstar in ’t verschiet,
“Moge om ons ’t al verdwijnen,
“Trouwe vriendschap, gij slechts niet !”

Ter eere dient gezegd, dat het Leger des Heils hier ook zeer veel goeds deed. Het belaste zich niet alleen met onvermoeid troostende en bemoedigende woorden te richten tot de naar beterschap hakende massa zwervelingen, maar vergat daarbij niet op te treden ook aan hongerige magen voldoening te geven. Met de meeste toewijding na zang en gebed deelde het geheel kosteloos brood, soep en vleesch uit aan allen, die het slechts verlangden. Ik geef u de verzekering dat deze wijze van handelen door zeer velen gretig en onder dankbaarheid werd aanvaard. Ook wij genoten mee. Ik kan echter niet ontkennen, dat het mij tegen de borst stuitte, dat wij, na reeds zoolang bedelaar geweest te zijn, ’t welk ons zoo diep gegriefd had, weder op nieuw bij aankomst in een andere, zoo het heette betere plaats, zouden profiteren en van gegeven brokken. En toch, met het oog op de bleeke, afgematte en moedelooze vrouw en kinderen, nam ik alles in dank aan wat de leden van het Leger des Heils ons zoo minzaam toereikten.

Zoo bevonden wij ons dan in Santos en moesten daar weder voorloopig in een emigrantenhuis worden geherbergd. Dit ging wederom onder groote moeilijkheden gepaard, daar het huis, hoe groot het ook is, veel te klein bleek te zijn voor de groote massa emigranten. Wonderlijk niet waar? ’t Was alsof een kwade demon ons vervolgde en ons steeds bij den minsten schijn van hoop de pas afsneed. In plaats wij ons dan dachten uit te rusten werden de deuren voor ons gesloten, omdat het huis reeds overvol was, zoodat wij ons des nachts onder den blooten hemel moesten behelpen. Nadat wij daar vier dagen geweest waren, braken we op in de richting van St. Paul [São Paulo], steeds zoekende en trachtende om langs den weg van arbeid redding te verschaffen.
Ten slotte moet ik u nog melden, dat, hoe sterk ook altijd vroeger mijn levendige hoop mij bijbleef, zelfs onder de slechtste vooruitzichten, ik begon te wanhopen aan welslagen. Ik vrees voor ’t ergste. Niet vrees ik voor den dood of wat ook dat tot verontrusting kan leiden aan kleinzieligen, maar de vrees bevangt mij in hooge mate dat er een tijd kan komen, dat het mij niet meer gegeven is troost in te spreken aan mijn hulpbehoevend huisgezin. Intusschen zal ik doen wat de hand vindt om te doen en mocht alles, wat wij aanvangen, steeds vruchtloos blijken te zijn, welnu, wij hebben ons dan geen zelfbeschuldiging te verwijten. Tot slotte nog dit: wij blijven heimelijk hopen, dat het u gegeven moge zijn ons uit dit land te verlossen.

Uw toegenegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

‘Ook wij hebben een kruis te dragen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (10)

Begin 1892 schreef Antko Drenth vanuit zijn nieuwe woonplaats Itapira in Brazilië enkele brieven waarin hij verslag deed van de reis van zijn gezin vanuit de binnenlanden in Argentinië naar Brazilië. In het eerste deel van deze brief beschrijft hij wat zij moesten doorstaan tijdens de reis vanuit Tucuman naar Rosario.

Geliefde familie, vrienden en bekenden en allen, die deze brief zullen zien en lezen, u allen wensch ik het slotvers van de openbaring van Johannes: “De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen! Amen.” Het was hedenmorgen, dat mij in ’t bijzonder trof, het 24e vers uit Mattheus 16, Toen Jezus tot zijne discipelen zeide: “Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en volge Mij.” Hoe troostend is dit woord uit Jezus’ eigen mond voor ons zoo zwaar beproefden – voor ons, die niet meer zijn dan droeve zwervers. Doch laat het heerlijke woord van Jezus ons voldoende zijn en wat ons ook ontmoete, wij staande zullen blijven door de kracht van zijn woord en een onwankelbaar geloof.

Ja, ook wij hebben een kruis te dragen, dat, wij gevoelen het, alleen mogelijk is door Jezus’ troostwoord. Buiten en behalve de slechte vooruitzichten, die hier voor ons open staan op ’t gebied van maatschappelijke zaken hebben wij door den dood het verlies te betreuren van onzen geliefden zoon Udo, die onverwacht heenging tot zijn Heer. Hoe zwaar ons dit ook treft in het voor ons zoo vreemde land, moeten wij echter zwijgen en berusten in den wil des Heeren – moeten wij zwijgen – ook omdat onze Udo de toekomst goed inzag. Tot het laatst genoot hij, hoewel twee dagen sprakeloos zijnde, een vol verstand en gaf op levendige wijze te kennen tot zijn Jezus te zullen gaan. De gedachte – die wetenschap liever, dat hij vol vertrouwen zoo kalm en rustig henen ging, doet ons in hooge mate berusten in den wil van Hem, wiens doen enkel wijsheid is en liefde, en deed ons nog dankbaar voor zijn gezegend aandenken vol vertrouwen ons dierbaar kleinood aan de groeve afstaan, wetende, dat Hij, die nimmer plaagt uit lust tot plagen, alles doet ten goede voor zijn kinderen.
“Wie heeft verworven die leere te lijden,
“Hecht niet aan de aardsche bezitting uw hart;
“Wie heeft genoten die leere te Jijden,
“Wenkt u de vreugd, zij verwijst naar de smart.”

Ziehier onze levensloop verder. Gelijk gij reeds weet hebben wij het laatst verloopen jaar te Tukuman doorgebracht, na dan hier en daar gezworven te hebben, zoodat gij in langen tijd geen bericht van ons hebt gehad, want het is iemand, overmand van zwarigheden en droefenis, op zulke zwerftochten niet maar zoo gegeven en de gelegenheid is niet altijd daar om te kunnen schrijven. Toen wij dan eindelijk niet meer in Tukuman konden zijn, gingen we vertrekken naar Santiago, eene stad in de provincie Santiago [Santiago del Estero, MS], dat is een afstand van 865 kilometers. Deze reis ondernamen wij te voet en behoef ik u dus niet te zeggen hoe moeitevol dat ging, als ge bedenkt, dat wij nagenoeg zonder geld waren. Met een zak, waarin eenig beddegoed, op den rug, ging het steeds voort. Mijne vrouw droeg het kleinste kind, terwijl de andere kinderen belast waren met het ons nog overgebleven plunje. Wellicht zult gij zeggen: hoe is het mogelijk zoo’n hopelooze reis te ondernemen. Laat ik u in de eerste plaats doen opmerken, dat wij vooraf schreven aan den consul te Rosario met beleefd verzoek ons te hulpe te willen komen om te kunnen vertrekken op zijn order, doch we kregen in ’t geheel geen antwoord. Een tweede brief, mede onderteekend door tien Hollanders werd afgezonden, waarop eindelijk na lang wachten een antwoord inkwam, luidende, dat hij (de consul) geen vrije overtocht konde geven.

De consul Leonard van Riet

Hij gaf ons echter den raad ons verzoek te richten tot den consul-generaal, den heer Van Riet, wellicht, dat deze raad konde geven. Dit geschiedde: wij schreven onmiddellijk en het antwoord, dat wij weldra ontvingen luidde, dat hij niets voor ons konde doen, daar hij wel de emigratie naar het binnenland bevorderde, maar in ’t geheel niet naar buiten, alzoo niet terug. Daar nu de ondervinding ons voor goed geleerd had niets van autoriteiten te hopen te hebben en wij steeds bedrogen uitkwamen en in weerwil onzer goeden wil steeds verarmden en verzwakten, bleef er niets anders over dan al onzen moed en krachten te verzamelen en te voet de oogenschijnlijk onmogelijke reis te aanvaarden. Reeds waren er al vijf familiën op weg, toen ook wij in gezelschap van een familie lotgenooten, herkomstig uit Zeeland, ons op zekeren dag op reis begaven. Na vijf dagen gezwoegd te hebben bij het gebruik van zeer slechte voeding, de nachten doorbrengende in open lucht, of bij buitengewoon geluk in de eene of andere loods, waren de vrouwen en kinderen in ’t bijzonder uitgeput, zoodat zij niet meer voort konden en dus de toestand nog hopeloozer werd. Gevoelden wij allen groote afmatting, de vrouwen waren letterlijk niets meer. Opgezwollen beenen als zij hadden, stonden hunne oogen hol, waaruit dikwijls tranen te voorschijn kwamen, als zij den blik sloegen op de kinderen, waaraan zij als moeders zoo gaarne hulp en troost hadden verleend. Gelukkig konden wij nog enig geld bij elkander brengen om een spoorkaart te koopen voor dertig kilometer afstand, ten dienste der vrouwen en kleinste kinderen.

Ofschoon in de laatste dagen niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk diep geschokt door de soms bijna onmenschelijke behandeling, die wij ondervonden, zagen we hier toch, dat er in dit vreemde land nog edele harten vol van liefde en menschenmin klopten bij het aangenaam verrassend feit, dat het spoorwegpersoneel de vrouwen en kinderen nog een aanzienlijke afstand kosteloos lieten meerijden. Wij, de mannen en de grootste kinderen mochten toen slapen in een goederenloods van het station Ruisch en hebben daar ook gegeten. Des anderen daags begaven wij ons weder vroeg op reis en kwamen na groote vermoeienis weder bij de vrouwen aan te Labanda, eene kleine stad in de provincie Santiago. Wij merkten spoedig op, dat daar veel drukte heerschte, door het bouwen van loodsen en andere aanverwante zaken aan het nieuwe station behoorende. Onmiddellijk zagen wij dan ook om naar arbeid, die wij daar tot aller blijdschap kregen. Hoe behoeftig het u wellicht ook moge toeschijnen, wij zagen hier de grootst mogelijke uitredding door vóór onze arbeid aanving eene woning te verkrijgen, bestaande in een goederenwagen, die de spoorwegdirectie ons in gebruik afstond. O ’t was dan ook zoo hoog tijd, dat er eenige verpoozing kwam. Uitgeput naar lichaam en ziel als wij allen waren, begon de moed zoodanig bij den dag te zinken, dat er al zeer weinig veerkracht meer over was, om elkander tot moedhouden aan te kunnen sporen. En toch onzen waarden – toch, toen wij gezamentlijk den wagen betrokken hadden, bezield met de gedachte eenige rust te zullen erlangen en morgen en vele achtereenvolgende dagen werk en brood, zongen wij uit volle borst, doch met verzwakte stem ter eere van onzen God: Gezang 7, vers 1:
“Op bergen en in dalen,
“En overal is God!
“Waar wij ook immer dwalen,
“Of zitten, daar is God ;
“Waar mijn gedachten zweven,
“Of stijgen daar is God;
“Omlaag en hoog verheven,
“Ja overal is God !”

Na versterkt te zijn, tevens door een gebed, dat wij tot den Allerhoogste opzonden en het genot van een diepen slaap genoten hebbende, gingen wij aan den arbeid. Twee maanden hebben we aan bovengenoemde gebouwen gewerkt tot genoegen van de directie: het werk was toen voltooid. Helaas, er werd ons toen als ’t ware een wachtwoord toegeroepen, dat ons deed opschrikken en maar al te veel herinnerde aan den tijd van werkeloosheid, bijgevolg armoede en wellicht wederom zwerven. Het zoogenaamde wachtwoord heette: “Tramwage Conklade” dat is: ’t Werk is gereed.

ArgentinaNu hadden wij voor ons huisgezin weer eenig geld over verdiend en wel vijftien gouden peso’s (deze hebben eene waarde naar Hollandsche munt van twee gulden en vijftig cents. Een rijksdaalder dus). Er bestonden ook peso’s in papier, die slechts eene waarde hadden van een gulden. Onder deze bedrijven waren er weder twee Hollandsche familiën aangekomen uit Tukuman, eveneens te voet en doodelijk uitgeput als ook wij bij onze aan komst. Ik kan u de verzekering geven, dat hun lot ons in hooge mate trof en wij allen onze krachten en gegevens, die we bezaten in goud zoowel als in ziel, ten beste gaven, onze lotgenooten te helpen steunen – die armen en bedroefden. Wij waren immers zóó rijk, niet waar? Het scheen na alle deze bedrijvigheden, dat ons lijden werkelijk voorbij was• en wij onzen goeden wil beloond zouden zien, bij de ontmoeting van eenen Hollander, die de landtaal goed machtig was en niet spaarzaam bleek te zijn in het geven van goeden raad en daad tevens, wijl hij ons hielp aan het station te komen en vele en velerlei raadgevingen gaf omtrent datgene te doen wat in onze positie het beste scheen te zijn. Nadat wij onzen dank aan dien goeden vriend gebracht hadden, namen wij reiskaarten naar het station Ceres in de provincie Santa Fe.Deze spoorreis, die den geheelen dag duurde, kostte ons per familie zeven en een halve peso – de helft dus van onzen verdiende en bezittende schat. Eindelijk des avonds laat te Ceres aankomende, waren we wel eenigszins opgewekt om, na eenige rust genomen te hebben, morgen verder te gaan in de richting van Rosario. Zoo begon dan weder een voetreis, waarvan wij tusschen Itapira en Labanda nog zoo’n toonbeeld van ellende in ’t geheugen hadden. In hooge mate moesten wij dus eerstens op spaarzaamheid bedacht zijn en daarbij zooveel mogelijk elkander moed in boezemen, opdat we toch de reis zouden volbrengen om weder op een plaats te zijn, waar werk en brood zoude worden gevonden. Nadat wij dan twee dagen hadden gemarcheerd, natuurlijk alle onze bezittingen op den rug, kon mijne vrouw niet meer. Met ons kleinste kind van 10 maanden dat zij op den arm droeg, viel ze flauw, waarbij wij dachten, dat het met haar gedaan was. Groote barmhartige God, zoo het met Uwe rechtvaardigheid overeenstemt, help dan ook nog voor ditmaal in den nood!

Zoo was mijn gebed, terwijl onze kinderen het zwijgend doch in tranen badend aanhoorden. God hoorde en verhoorde: Hij gaf het bewustzijn aan mijn vrouw terug. Mijne vrouw was toen zeer zwak en uitgeput en moest dus noodzakelijk rust hebben. Slechts één dag rust genoot ze, toen de noodzakelijkheid dáár weder was verder te moeten gaan. Nu nam ik een spoorwegkaart voor haar en de kleinste kinderen tot een eerstvolgend station, waarna wij, Gezina en ik wederom te voet de reis vervolgden. Over Gezina gesproken, deze wordt al vrij groot en forsch en draagt dan ook zoo veel mogelijk het kleinste kind. Zoo kwamen wij dan na een langen dagmarsch bij het station Placio, waar mijne vrouw met ons kleinste kind reeds was aangekomen.

In de nabijheid van dit station is eene kolonie gelegen, bestaande uit Russische joden. Daar deze stambeoefenaars zijn van landbouw en veeteelt, waar ik, zoo gij weet, het best in thuis behoor, zag ik den volgenden dag dadelijk rond om daarbij te kunnen worden geplaatst. En waarlijk: ik kreeg arbeid, of liever ik kreeg op mijn vraag om arbeid een toestemmend antwoord, zonder voorloopig te weten te komen of het al dan niet een kostwinning zoude geven. Mijn werk, dat mij later werd opgedragen, bestond in ploegen en wel met ossen. Welnu, dat ging mij goed af; een ploeg loopt door ossen getrokken regelmatiger dan paarden, vooral als paarden wat wild zijn. Ook kregen wij eene woning, waaraan echter nog veel getimmerd moest worden. ’t Was slechts eene ruwe massa, waarvan vier muren de eenige goede deelen waren. Nu moest ik maar zien hierop een dak te plaatsen, waar ik in geen geval tegen op zag, zoo het mocht gebleken hebben, dat het te verdienen dagloon zoodanig was, dat wij er eenigszins van konden bestaan. Dit bleek echter onmogelijk te zijn, daar het dagloon slechts bestond in drie kilogram vleesch en twee kilogram brood. Onhoudbare toestand. Gij zult wellicht zeggen: drie kilogram rundvleesch, gerekend bij u te lande per 5 ons naar den prijs van zes, zeven, acht stuivers of meer, wordt een bedrag van aanzienlijke geldswaarde en zoude men eenvoudig minstens de helft van het vleesch verkoopen om voor dat geld wat het opbracht andere huishoudelijke zaken te koopen. – Met deze veronderstelling rekent ge mis. – Het is wederom de omstandigheid van den eigenaardigen toestand des lands en bij goed doorzien laat dit zich zeer goed begrijpen, als gij weet, dat het vleesch wat hier wordt aangeboden, komt van het ongemeste rund, dat graast op de prairie en in de bergstreken en hoogstwaarschijnlijk meer ter wille der huid dan wel om het vleesch wordt gehouden, vandaar ook, dat er massa’s koeien rondloopen, die zelfs duizendtallen bedragen. Zoo kunt ge u dus wel voorstellen, dat het vleesch dezer dieren erg taai is, met één woord slecht, en bij u onder gezeten burgers eenvoudig zoude worden gestempeld met de woorden : “als zoolleder zoo taai.”

Zoo zijn wij dan ook maar drie dagen daar geweest, omdat het eenvoudig onmogelijk was te bestaan. En weder gingen wij op reis , al weder te voet, totdat we op zekeren avond bij een klein station aankwamen. Het scheen ons toe dat er nog wel redding zoude opdagen, waarvoor wij echter geen reden hadden, wijl er in genen deele eenig uitzicht op bestond. Ik geloof heimelijk, dat deze zoete hoop zijn oorsprong vond in het feit, dat wij op dien avond niet zoo erg vermoeid waren. ’t Was alsof wij, ja, hoe zal ik het uitdrukken, bezield waren door een niet te beschrijven voorgevoel, dat ons zeide : houd moed, eenmaal zal uw vaste wil zegevieren !

Geen paradijs.

De Nederlandse emigratie naar Zuid-Amerika, 1858-1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel omvangrijkere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. Swierenga’s conclusies zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1862 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zich richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

– Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
– De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
– Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
– Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
– Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen);
– Onvoldoende capaciteiten als landbouwer.

Zeeuwen in Espírito Santo
De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst. De opbrengst kon men vervolgens gebruiken voor het afbetalen van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.

A Espirito SantoOp 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in het zuiden van Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ook ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.

De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen die Holanda en Holandinha werden genoemd. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.

Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voor handen. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.

Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

Argentinië
Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.

In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1891 4474 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen, Friesland en Zeeland. Van hen waren 3742 emigranten, 84% van het totaal, zogenoemde kredietpassagiers. Zoals uit de onderstaande Argentijnse statistiek blijkt, arriveerden ook het merendeel van de ca. Belgen en Fransen dankzij de door Argentinië beschikbaar gestelde kredietpassages. Van de Spanjaarden en Engelsen was die maar voor de helft het geval, terwijl het merendeel van de Duitsers, Oostenrijkers, Zwitsers en Italianen hun overtocht zelf betaalde.

A tabel

Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede. Al in 1890 constateerde de Commissaris-Generaal van het Argentijnse Departement van Immigratie dat een deel van deze ellende ook te wijten viel aan de verleende kredietpassages: ‘Zij bezaten niet het minste kapitaal, en in ’t algemeen evenmin een voor ons land geschikt beroep. Ten einde de passage machtig te worden, deden zij de valsche verklaring, dat zij landbouwers waren en met het doel terugbetaling van het ontvangen voorschot te vermijden, teekenden zij valsche schuldbekentenissen met valsche namen.’ Er heerste ‘overal bedrog in deze uit de laagste klasse der maatschappij voortgekomen immigratie. Ontbloot van alle energie, waren deze elementen ook niet in staat tegen hunne oude gewoonten te reageeren in het nieuwe land hunner vestiging; zij konden tot den vooruitgang van ons land niet bijdragen. Twee derde van de kredietimmigratie was slecht.’

A ArgentiniëKort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Daarnaast verleende de in 1889 in Buenos Aires opgerichte Nederlandse vereniging aan circa 200 Nederlandse gezinnen en ongehuwden onderstand.

Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië en het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding met Buenos Aires.

Mislukking en nieuwe start
In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd in 1907 vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het merendeel van de landverhuizers was dit keer afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

A Z-BrazilieDe emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Verder waren vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië vertrokken, terwijl anderen zich vanuit de kolonies vestigden in Braziliaanse steden. Door de negatieve berichtgeving over de immigratie en het snelle vertrek van veel emigranten uit de kolonies besloot de Braziliaanse regering met ingang van 1910 de verstrekking van vrije passages te staken. Voor de Nederlandse regering waren de berichten aanleiding om een ieder, die geen landbouwer was of over enige middelen beschikten, ten sterkste te ontraden naar Brazilië te emigreren. Het gevolg van de bemoeienis van beide regeringen was dat het aantal Nederlanders dat emigreerde sterk terugliep.

A Brazilië immigratie
Nederlandse immigratie in Brazilië, 1908-1916

Na de scherpe terugval stabiliseerde de emigratie naar Brazilië zich voor enkele jaren rond de ca. 250 per jaar. Onder de emigranten bevonden zich ook enkelen die eerder met steun van de Nederlandse overheid waren teruggekeerd. Zij wilden terugkeren omdat zij terdege mogelijkheden zagen in Brazilië. Samen met enkele nieuwe emigranten stonden zij aan de wieg van de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. Deze kolonie ging in 1911 van start nadat enkele enkele Nederlandse emigranten van Gonçalves Junior erin waren geslaagd in Carambeí grond te verwerven van de Brazil Railway Company. Hun positieve verhalen waren voor familieleden en bekenden uit hun dorp van herkomst een reden om nu ook naar Brazilië te vertrekken. De pioniers van Carambeí waren afkomstig uit het Zuid-Hollandse ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer.

Met het aflopen van de mislukte emigratie naar Brazilië groeide wederom de migratiebeweging naar Argentinië. Van 1905 tot en met 1917 vertrokken 2200 Nederlanders naar dit land. Het merendeel van deze emigranten waren zakenlieden en kooplui. Boeren en ongeschoolde arbeiders vormen nog slechts een kleine minderheid. Dit was ook het geval in de jaren twintig, toen zich nog eens 1200 Nederlanders in Argentinië vestigden. Een deel van de boeren die vertrokken ging de bestaande Nederlandse kolonie Tres Arroyos versterken.

A migratie Z-AmerikaDe Koninklijke Hollandsche Lloyd heeft een belangrijke rol gespeeld bij de groei van de emigratie naar Zuid-Amerika in de zeven jaren voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. De grafiek laat het verloop van de emigratie vanuit de Nederlandse havens naar Zuid-Amerika zien. We kunnen constateren dat vanaf 1907 de KHL deze migratiebeweging volledig voor zijn rekening heeft genomen. Het merendeel van de migranten waren afkomstig uit het Duitse achterland. Net als uit de statistiek van de Braziliaanse immigratiedienst wat betreft de Nederlandse migratie naar voren kwam, zien we ook hier dat in 1910 de het aantal landverhuizers dat via de KHL vertrok sterk terugliep. Oorzaak was het feit dat de Braziliaanse overheid geen vrije passages meer verstrekte. Dit was een tijdelijke dip, die zich daarna weer herstelde. Terwijl de Nederlandse emigratie stabiel bleef op het lage niveau van ca. 250 per jaar, was het herstel vooral toe te schrijven aan het feit dat met name Duitse emigranten nog wel gebruik konden maken van door de Braziliaanse overheid verstrekte passages.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen Antko als gevolg van de crisis in Argentinië werd ontslagen begon ht gezin aan een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 13 september 2014 voor Genootschap Amstelodanum in Koffiehuis van de Koninkijke Hollandsche Lloyd ter gelegenheid van Open Monumentendag.

Bewaren

Tulipana. Veilig stellen van bedreigd Nederlands erfgoed in Brazilië.

Vorig jaar verscheen van de hand van Lodewijk Hulsman een archiefgids waarin de in Nederland aanwezige bronnen betreffende de Nederlandse groepsemigratie naar Brazilië in kaart wordt gebracht. Deze archiefgids kwam tot stand in het kader van het Gedeeld Cultureel Erfgoedprogramma, waarin Brazilië een van de focuslanden is van het beleid van de Nederlandse overheid. Als vervolg hierop wordt momenteel gewerkt aan een programma dat zich richt op het cultureel erfgoed dat op de groepsvestigingen zelf aanwezig is. Dit programma heeft inmiddels de naam TULIPANA gekregen.

IMAGE_213Het TULIPANA programma heeft tot doel het bedreigde cultureel erfgoed van Nederlandse emigranten en expats in Brazilië veilig te stellen en tevens dit materiaal digitaal te ontsluiten. Samen met vrijwilligers werken we aan de inventarisatie, conservering, digitale ontsluiting en het beschikbaar stellen van de bronnen: foto’s, Nederlandstalige archieven en Nederlandstalige week- en maandbladen.

Tulipana doet dit niet alleen voor de emigranten en hun nazaten zelf, maar ook voor familieleden en geïnteresseerden in Nederland en elders in de wereld. Met het online publiceren van de bronnen wordt het materiaal tevens toegankelijk voor (Nederlandstalige) onderzoekers (historici, antropologen, taalonderzoekers, etc.).

Het project is gericht op een duurzame oplossing. Na afloop van het project zal het website-beheer en/of de digitale bestanden worden overgedragen aan partijen die verder kunnen gaan met het proces van digitaliseren, beschrijven en publiceren van het bronmateriaal.

Samenvattend zijn de vijf doelstellingen:

  1. Verbeteren van het behoud van het cultureel erfgoed
  2. Ontwikkelen van een database van de collectie
  3. Ontwikkelen en implementeren van de online publicatie
  4. Leveren van duurzame oplossingen
  5. Bronnen presenteren aan het publiek

De lokale musea van de Nederlandse groepsvestigingen Castrolanda en Holambra hebben het Centre for Global Heritage and Development in Leiden, dat optreedt als penvoerder van Tulipana, gevraagd om assistentie bij het conserveren van het lokale cultureel erfgoed en het verbeteren van de toegankelijkheid van de historische bronnen. Het projectteam streeft ernaar deze werkzaamheden ook te verrichten ten behoeve van de erfgoedinstellingen in de andere Nederlandse groepsvestigingen. Zij worden uitdrukkelijk uitgenodigd zich bij dit project aan te sluiten.

Hoewel er in verschillende groepsvestigingen aandacht is voor het Nederlands cultureel erfgoed, ontbreekt het de vrijwilligers van deze erfgoedinstellingen aan kennis en middelen voor een adequate conservering en ontsluiting van dit erfgoed. Met name het papieren erfgoed wordt in meerdere opzichten bedreigd. Allereerst zijn veel archiefmateriaal en publicaties (week- en maandbladen) uit de pioniersfase (tot ca. 1970) geschreven in het Nederlands. Met het verdwijnen van de eerste generaties staat de kennis van de Nederlandse taal onder druk. Vroeg of laat zal die kennis geheel verdwijnen. Dit betekent dat het schriftelijk materiaal voor de nazaten van de emigranten praktisch ontoegankelijk wordt. Verder wordt dit schriftelijk materiaal vaak in matige tot slechte omstandigheden bewaard. Het (sub)tropische klimaat in Brazilië is niet gunstig voor het langdurig bewaren van papier en inkt. Kennis over de mogelijkheden om de bewaarcondities te verbeteren ontbreekt. Zo zijn foto’s reeds verbleekt en aan elkaar geplakt. Als gevolg van het verdwijnen van het documentair erfgoed van de Nederlandse migranten zal de kennis van de pioniersjaren van deze groepsvestigingen mogelijk worden gereduceerd tot enkele populair historische clichés.

Voor meer informatie zie: www.tulipana.org

Like ons op www.facebook.com/landverhuizers

 

‘Zeker 25 personen hadden nimmer mogen komen’

HogenboomIn november 1951 was Charles Hogenboom, die begin dat jaar bij Holambra als regeringscommissaris was aangesteld om de financiële belangen van de Nederlandse regering en de andere Nederlandse geldschieters te bewaken en om de reorganisatie van de Fazenda Ribeirão door te voeren, eindelijk eens in de gelegenheid minister Dolf Joekes van Sociale Zaken te informeren over de ontwikkelingen op de fazenda. In zijn correspondentie met Nederland schuwde hij niet om man en paard te noemen en personen die in zijn ogen een dubieuze rol speelden zwart te maken. Deze brieven zijn dan ook niet geschikt om in extenso te publiceren. Ik beperk me daarom tot enkele passages die kenmerkend zijn voor het denken en doen van Charles Hogenboom.

“Als oorzaak dat ik zo een lange tijd niets meer liet horen omtrent de vorderingen met betrekking tot de ontwikkeling van de Fazenda Ribeirão moet ik de snelle veranderingen in de diverse situaties die zich hier hebben voorgedaan, aanwijzen. Het was voor mij onmogelijk mij op een rapportering in te stellen, waarbij de ene dag zus en de andere weer zo geschreven zou moeten worden. Hoewel door zeer koppig vol te houden de technische uitvoering der gemaakte plannen, waarbij telkens opnieuw de allergrootste moeilijkheden voorkomen, voor een zeer voornaam deel gereed zullen komen en wij daarom zeker niet ontevreden mogen zijn, zijn het de psychisch morele problemen, die nog immer de moeilijkste obstakels vormen. Men kan stellen dat een 25 personen zeker nimmer hier had mogen komen. Men kan met recht zeggen dat onder deze groep er verschillenden zitten die telkens opnieuw de gelegenheid te baat nemen om de goede geest te ondermijnen.

Dit alles neemt niet weg dat wij met deze mensen zitten in een gemeenschap, waarin het sentiment de boventoon voert, waar men niet geheel langs de normale weg van het zakelijk handelen kan te werk gaan om geen al te grote brokken te maken. Men kan nu eenmaal niet en dat kan niemand op deze gemeenschap aan. Wel moet volledig erkend worden, dat van de gemeenschap in totaal en van elk hierin levend individu veel gevergd is en nog gevergd wordt. Dit sluit echter niet uit dat wij er doorheen moeten en door vast te houden er ook doorheen komen en wij binnen een jaar door de allergrootste moeilijkheden heen zullen zijn. Ik bedoel hier vooral mede dat de mensen dan ook zelf zullen zien, dat zij, trots de zware lasten die op hen drukken, er doorheen komen.

Een boertje uit Brabant of waar dan ook kan dit geheel niet omvatten. Hij rekent met zijn koetjes en een paar kalfjes en een paar honderd kippen en is niet in staat het geheel als een grootbedrijf te zien en te omvatten wat hiermede aan financieringskunst gepaard gaat. Het vertrouwen verloor hij toen de zaak door tekort aan financiën vastgelopen was. Het gehele verwijt komt neer op de vroegere leiding, doch hij vraagt zich niet af wat hijzelf gedaan heeft om van deze gehele beweging een luxe immigratie te maken, door zo weinig mogelijk te werken en zoveel mogelijk te trekken van de coöperatie. Enkelen zijn hun centen, verkregen door de valorisatie van hun bezit in Holland, hier kwijt geraakt; de meesten brachten niets in en worden hier voor een compleet bedrijf gezet. De jongste boer van amper 20 jaar had net zoveel te vertellen als een gedegen huisvader van 50 jaar. De jonge boer van 25 tot 35 bracht over het algemeen en brengt het nu nog steeds met een verbeten wil en een onverwoestbaar humeur, enkele uitzonderingen daargelaten, op.

De meeste der gemaakte fouten zijn niet meer te herstellen. Men kan de mensen die feitelijk moesten verdwijnen, doch lid zijn van de Cooperativa, niet hier de hei op sturen. Slechts langzaam maar zeker komt men tot een langs een natuurlijke weg gaande selectie doordat blijkt dat juist zij, die niet voldoende werken of minderwaardige praktijken aan de kost trachten te komen, het economisch niet kunnen volhouden.”

Bron: NA, 2.15.68, inv.no. 1459

Over Brazilië (Ribeirão)

Op 4 augustus 1951 publiceerde het in Venray verschijnende weekblad Peel en Maas een ingezonden brief van een oud-dorpsgenoot. Hij reageerde op een artikel dat op 21 april in de krant had gestaan onder de titel “Emigratie avontuur;  700 Nederlanders hulpbehoevend in Brazilië.” De schrijver van het stuk wilde zijn zienswijze weergeven over hetgeen er sinds de stichting in de jonge kolonie Holambra was voorgevallen.

Toen de zaak hier voor 3 jaar terug werd aangepakt, is er begonnen met een kleine steun van de KNBTB ontvangen, voor de rest is de zaak gestart op ’t crediet van de Federatieve regering van Brazilië en van de Staat São Paulo. Dit crediet was op het eerste gezicht nogal een heel bedrag (f. 15.000 per gezin) maar er moest veel gebeuren en na een jaar wisten we hier al, dat dit niet voldoende was om alles op te bouwen. Dit kwam vooral doordat de staat São Paulo als voorwaarde voor het crediet had bedongen, dat het eerste jaar 100 gezinnen naar Brazilië zouden moeten komen. Door dit snelle tempo moest alles in verhouding ook groot zijn. De ontginning moest snel gaan, de huizenbouw moest vooruit, school en kerk, werkplaatsen, winkel en slagerij, alles moest tegelijk verrijzen.
Doordat de emigranten zo snel kwamen kon de verkaveling en de aanleg van wegen niet voorblijven op de woningen die er gebouwd moesten worden om de mensen onder dak te brengen. Ook de ontginning kon niet snel genoeg vooruit doordat niet voldoende en niet het juiste materiaal kon worden aangeschaft. Door dit alles konden de woningen niet direct op de plaats van de boerderijen, verspreid over de fazenda, worden gebouwd. Dit vergde te veel tijd, vooral doordat men met de bouwmaterialen niet overal kon komen waar de boerderijen moesten worden geplaatst, doordat er nog geen wegen waren.

Industriewijk
In 1949 zijn we begonnen met het bouwen van woningen op de plaats waar de boerderijen moesten komen, we zijn er echter mee op moeten houden, omdat het niet uit te voeren was om bovengenoemde redenen. Toen is men begonnen met het bouwen van woninggroepen zoals deze nu op de fazenda liggen. Hiermee kon in veel kortere tijd meer en voordeliger worden gebouwd. Zelfs toen kon men de komst van de emigranten nog niet vóór blijven en moesten dezen worden ondergebracht in de lemen hutten die er nog stonden.
Nu had men de emigranten wel langzamer kunnen laten komen, maar voor de gezinnen welke er minder dan het gestelde aantal kwamen, kreeg men ook geen crediet. Zonder dit crediet kon er helemaal niets gebeuren. Nu kwam er toch het noodzakelijkste aan gebouwen enz. klaar en kon er de grondslag goed worden gelegd.
Na een jaar wisten we al, dat er niet voldoende geld zou zijn om zo door te gaan, er is toen dan ook in 1949 nog nieuw crediet aangevraagd in Nederland. Inmiddels liep de investering hoger op dan de begroting was, doordat het vee tot tweemaal toe te kampen kreeg met mond- en klauwzeer en door de late inzaai van de verschillende gewassen konden deze ook geen directe opbrengsten meer geven. Met deze gewassen werd alleen een zekere grondverbetering bereikt, maar dit bracht het eerste jaar geen geld in het laatje. Het beschikbare geld werd steeds minder al werd dit dan ook wel aangevuld door de komst van nieuwe emigranten. Dit was niet voldoende om de zaak flink door te zetten.
In januari 1950 werd de toezegging verkregen van de Nederlandsche Bank tot plaatsing of medewerking tot plaatsing van een hypothecaire lening, onder voorbehoud van goedkeuring door de Nederlandse regering. Toen deze toestemming werd gevraagd, besloot het Departement van Sociale Zaken een commissie uit te zenden om ter plaatse een onderzoek in te stellen en een rapport uit te brengen. Dit was in maart 1950.
De commissie arriveerde in augustus op de fazenda en bracht rapport uit in october. De taak van deze commissie was zeker niet gemakkelijk. Om in enkele maanden te zeggen wat voor mogelijkheden er in een land als Brazilië zijn, is ondoenlijk. Zelfs voor ons die nu al meer dan twee jaar hier zijn is niet nog moeilijk. We hebben echter de vragen die door de commissie werden gesteld, naar vermogen beantwoord en het rapport is klaar gekomen.
Het resultaat van dit rapport was: besprekingen van de ministers van Sociale Zaken, Landbouw en Financiën en de katholieke boerenbond. De ministers hebben zich schriftelijk bereid verklaard om een wetsontwerp in te dienen bij de Staten Generaal om een lening te verstrekken, ofwel garantie te verlenen voor rente en aflossing van een lening door derde. In januari 1951 is met de regeringscommissaris die inmiddels was aangesteld het eerste geld, een overbruggingscrediet van de KNBTB, aangekomen.

Hogenboom
C.J.J. Hogenboom

In die tijd is er al weer heel wat gebeurd, men kon niet stil blijven zitten wachten en men kon niet doorwerken, dit is alles bij elkaar zeer schadelijk, want het is ook hier: stilstaan is achteruit gaan. Nu hebben we op de toezeggingen die er steeds gedaan zijn doorgezet voor zover dit mogelijk is geweest. Nu is er in januari en februari toen de regeringscommissaris hier was weer een rapport gemaakt. Daar wij nu al weer meer gegevens hadden, kon dit ook weer zuiverder en beter gebeuren. De regeringscommissaris, de heer Hogenboom, heeft dan ook na een grondig onderzoek verklaard, dat hier voldoende mogelijkheden zijn. Na dit onderzoek is de heer Hogenboom weer naar Nederland vertrokken om de zaken verder af te werken. In het rapport, dat door Hogenboom is mede genomen, was om met het gevraagde crediet te kunnen slagen als voorwaarde gesteld, dat het crediet onmiddellijk beschikbaar wordt gesteld.
Nu is er in mei wel wat geld gekomen, zodat we alle voorbereidingen hebben kunnen maken die nodig zijn, om, als het geld komt, snel te kunnen doorwerken, maar… als dit nu ook niet spoedig komt, lopen we zeker vast. Er moeten nu een 60-tal boerderijen worden gebouwd, er moet meer worden geploegd en gezaaid. Bedrijfsmateriaal en een bezetting van vee, kippen en varkens is er nodig voor deze nieuwe bedrijven. Alles staat startklaar en wacht op het crediet, dat iedere dat wordt verwacht. Komt dit niet, dan zal er wat anders moet worden bedacht, om aan het eten te blijven en om door te kunnen draaien.
Door al dit langzaam werken wat het crediet betreft, door het lange uitblijven van de steun uit het vaderland, dat tocht wel de steun heeft toegezegd, krijgt men hier allerhande narigheden met de mensen. Ieder heeft voor- en tegenstanders, zo is het met ons ook het geval. Wij kennen deze tegenstanders wal niet, maar, hierdoor zijn zij des te gevaarlijker. Door al de valse berichten wij hier uit het vaderland krijgen, door de manier waarop deze worden overgebracht is het zeker, dat dit gebeurt om hier de eenheid kapot te maken. Ook valse berichten welke in Nederland worden verspreid bewijzen dan ook, dat daar geprobeerd wordt, om een bepaalde stemming tegen de fazenda te wekken.
De praatjes, dat moet werk zijn van kwaadwilligen, hier is van dat alles tenminste niets bekend. Deze “sterke verhalen” zijn dan ook tot de laatste letter uit de duim gezogen! Onze mensen verdienen hier een veel hoger loon als de Brazilianen, de levensmiddelen zijn in onze winkel lager dan elders in Brazilië. Dit blijkt uit het feit, dat er zelfs veel Brazilianen van buiten de fazenda hier hun goederen kopen.
Met het vee gaat het ook zeer goed, buiten de preimmunisatie zijn er geen dieren meer dood gegaan. Er zijn koeien bij, die 25 tot 30 liter melk per dag geven, er zijn er bij, die nu in een half jaar tijds al meer dan 2000 liter melk hebben gegeven. Ook de gewassen op het land zijn voor zeker 90 pct. goed te noemen, de opbrengsten, welke nog niet heel zuiver bekend zijn, omdat nog niet alles is geoogst, staan ver boven het gemiddelde van het land. Hiermede blijkt wel, dat het met de droogte ook al niet zo erg is geweest. Het heeft dit jaar dan ook meer geregend dan in de voorgaande jaren dat wij hier zijn.
Met dit al wordt er in Nederland meer slecht dan goed over de fazenda verteld. Als men de berichten uit Nederland moest geloven, dan zouden wij hier zelfs gaan twijfelen aan alles wat we hier zien op de fazenda. Dan, ja dan zouden we ons zelf niet meer mogen geloven. Maar in Nederland, daar gaat men door dit alles toch wel twijfelen aan de gang van zaken hier.
De voorbereidingen voor ’t crediet duren hierdoor zeker langer, wij moeten maar wachten en horen ook hier vanuit Nederland over de voorbereiding van het crediet allerhande geruchten en worden ongerust, of men in het vaderland nog wel zal helpen, voordat het te laat is. Anderen maken hiervan misbruik. Zij praten de mensen hier voor, dat de fazenda over de kop gaat, dat ze moeten zien, dat ze ander werk krijgen enz. Jammer genoeg zijn er al verschillenden hier in gelopen, maar ieder heeft zijn goed recht en kan hier gaan als hij wil.
Nu zijn er al verschillenden, die ondervonden hebben, wat het is om alléén in Brazilië te staan. In deze enkele maanden hebben ze al verschillende plaatsen gehad. Er zijn er bij, die al een ander vak hebben moeten kiezen om werk te kunnen houden. Ze verdienen niet de helft van wat zij eertijds op de fazenda verdienden, toch zeggen ze, dat het hen nog goed gaat en proberen zo nog meer mensen mee in het ongeluk te trekken. Alles gaat hun goed, zoals wij het hier horen en toch weten wij zeker, dat er zelfs verschillenden bij zijn, die hun kost niet behoorlijk hebben. Hoe het zal aflopen, weten we natuurlijk nog niet, dit is echter wel zeker, dat als de Nederlandse regering ons de toezegging geeft, die ze heeft gedaan en het duurt niet te lang, dan zel er hier zeker een goede toekomst zijn voor velen.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Laat de kankeraars en dwarskijkers hier maar vertrekken, daar wordt het niet slechter van. In Peel en Maas van 2 juli 1951 staat een artikel over “de stichting van Ysselsteyn”. Hieruit zou ik een klein stukje willen aanhalen, nl.: ‘Het antwoord zal slechts zijn, dat een groot vertrouwen op God en een paar harde werkknuisten dit hebben mogelijk gemaakt en het nog mogelijk maken, dat ook nu nog jonge kerels de wijde (Wereld) intrekken om voor zichzelf en hun gezin de taaie grond te gaan ontginnen, te werken onder omstandigheden, waarvoor velen hun neus optrekken.’ Dit geldt ook voor de mensen die hier op de fazenda zijn.
Wat het crediet aangaat zou ik nog een stukje uit Peel en Maas van 3-3-’51 in herinnering willen brengen nl. van links en rechts. Deurne gaat 346 ha ontginnen. De kosten van dit ontginningsobject zijn begroot op f 1.386.238,25 voor arbeidslonen en f 391.100,- voor andere kosten. In dezelfde kolom staat een artikeltje over “Nederlandse boerenkolonie in Brazilië in zorgen”. Aan dit artikeltje zou ik willen toevoegen, dat het gevraagde crediet hiervoor is, in de eerste instantie f 2.500.000,-. Het betreft hier 700 Nederlanders op 2000 ha land. Hier zit al eenzelfde bedrag in, maar dan ik ook het gehele bedrijf klaar. Deurne heeft voor 346 hectare f 1.777.438,25 nodig, en dit zijn dan nog alleen de ontginningskosten.
Hiermede hoop ik de gemoederen van de diverse familieleden weer tot rust te hebben gebracht en ik ga eindigen met vele groeten aan vrienden en bekenden. Tot een volgende keer.

Een oud-dorpsgenoot.

Een hel voor emigranten

De Zeeuwse emigratie naar Zuid-Amerika vóór 1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel grotere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. De conclusies van Swierenga zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zicht richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

  • – Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
  • – De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
  • – Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
  • – Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
  • – Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen).
Uitbetaling
Uitbetaling bij het huis van de directeur

De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst, te gebruiken voor de afbetaling van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.
Op 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro aan. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.
De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen met de namen Holanda en Holandinha. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.
Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voorhanden. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.
Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

ss-Schiedam-W
SS Schiedam van de NASM

Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.
In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1890 4470 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen en Friesland. Zuid-Beveland leverde ca. 600 landverhuizers. Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede.
Kort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië een het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding op Buenos Aires.

In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd een jaar eerder vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het aandeel Zeeuwse emigranten was beperkt; het merendeel van de landverhuizers was afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van Gonçalves Júnior in 1908. Groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

De emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Opmerkelijk is verder dat met name vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië waren vertrokken. De kolonie die gedurende korte tijd de meeste Nederlanders huisvestte was Gonçalves Junior in Paraná. In deze kolonie, die onder emigranten bekend stond als het vrouwenkerkhof, werd de basis gelegd voor de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. In 1911 slaagden enkele emigranten van Gonçalves Junior erin bij de spoorwegmaatschappij grond te verwerven. Nadien zouden emigranten uit Nederland deze groepsvestiging versterken en werd er een begin gemaakt met familieleden en voormalige dorpsgenoten.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de Zeeuwse emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Behalve in Espírito Santo in Brazilië zijn er waarschijnlijk ook in Argentinië nog nazaten van Zeeuwse emigranten te vinden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van een niet-Zeeuwse familie, nl. de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen ze als gevolg van de crisis in Argentinië werden ontslagen begonnen zij een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 18 juli 2014 in Middelburg tijdens de Viering 200 jaar Provincie Zeeland: Komen, gaan en terugkeren.

‘Wij zwervers in dit ondermaansche’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (9)

In het laatste deel van de brief die hij op kerstmis 1891 naar het thuisfront schreef, gaf Antko Drenth uiting aan het verlangen om naar huis terug te keren. Ook het verblijf in Brazilië bleek geen verbetering te zijn en maakte het alleen maar lastiger om die terugkeer mogelijk te maken. Het verlangen kerstmis te vieren in het oude vaderland overheerste het gemoed.

Dezer dagen kregen wij nog al eenige bemoedigende tijdingen en wel, dat er in België commissiën waren gevormd om pogingen in ’t werk te stellen, hunne landgenooten van hier terug te transporteeren naar hun vaderland. Er moeten zelfs uit enkele havens al velen zijn vertrokken, waaronder bij uitzondering, naar men zegt, ook eenige Zeelanders. Ook loopt hier het gerucht , dat de overtochtskosten naar België slechts vijf-en-twintig gulden bedragen, zoodat wij alle hoop hebben dat gij ons gelukkig kunt maken, om, door weinige kosten te verspillen, ons uit de ongelukkige positie, waarin wij anders wellicht zullen moeten omkomen, te verlossen. Wij betreuren het ten zeerste, dat de Nederlanders nog niets deden, om ons te verlossen, die anders in liefdadigheidszin nooit ten achteren staan. Het zal wellicht een gevolg zijn van het feit, dat ons land, of beter gezegd, Nederland, geen geregelde vaart heeft op Brazilië, en bijgevolg het onmogelijk is ons de behulpzame hand te bieden, tenzij men groote sommen gelds bijeen bracht ter uitvoering. Zulk een offer is wel te groot, om daaraan te denken en zullen wij dus moeten afwachten, wat de orde van den tijd ons zal geven.

Ik heb ook al aan den Consul te Rio de Janeiro geschreven wat het zoude moeten kosten, om naar Holland terug te keeren, doch kreeg eenvoudig geen antwoord. Nog zal ik het eenmaal wagen aan dien heer te schrijven met beleefd verzoek, toch in elk geval de goedheid te willen hebben, dat ZEd. ons de noodige inlichtingen verstrekken, dan komen wij, zoo hij ons daarmede wil dienen, nader tot den waren toestand. Zoo wij ons nu nog maar in Argentina bevonden, zoude ‘k eenvoudig naar de hoofdstad loopen waar de Consul woont, en hem in persoon trachten te mogen spreken. Doch hier in Brazilië gaat het niet aan om te voet bij een zeehaven te komen. Gij moet weten dat wij ons diep in het binnenland bevinden en de weg die wij zouden moeten passeeren, is uiterst moeielijk en zeer gevaarlijk tevens. Daarenboven nog de omstandigheid dat het in den regentijd is, zoodat, het een bij het ander genomen, het er naar aanligt om ons aan het lot over te geven.

Men zegt hier ook dat de landreis tot de kortst bijzijnde zeehaven tegen zeventig mijl per familie kan worden afgelegd per spoor; dit zal dunkt mij ongeveer vijftig gulden bedragen, want het geld staat hier tegenwoordig zeer laag in koers en heeft dus tegenover de geregelde Europeesche staten, weinig waarde. Dit vindt zeker ook al weder zijn oorsprong in het bestaan der wisselvallige regeering. Men doet de betalingen hoofdzakelijk in papier.
Mocht gij u nu willen overtuigen in welke verhouding deze geldswaarden tot elkander staan, zal de firma des heeren GROENEVELD, kassiers te Winschoten, u wel willen inlichten. Zoo hebt ge dan, lieve vrienden, eenen langen brief die echter, ik weet het, u niet bemoedigt en u niet gelukkig maakte. Ik ben echter verplicht u de volle waarheid te melden, want mocht het wezen dat er nog zijn die plan hebben het vaderland te verlaten, mogen ze zich vooraf aan ons wedervaren spiegelen. Ik eindig met de hartewensch dat gij ons nog eens spoedig schrijft.

O, het doet ons zoo’n goed iets van zijn geliefden uit en om het oude dorpje, waar wij als kinderen zoo gelukkig samen waren, te vernemen. God geve, dat gij u allen in opgewekte stemming bevindt terwijl ik dezen schrijf, want immers is het juist bij u het heerlijke Kerstfeest. Kerstfeest in het vaderland – wat heerlijke, wat zielverheffende gedachte!
In onze verbeelding zien wij u allen gezellig bij elkander in een door de lamp verlicht vertrek rondom den gezelligen haard vereenigd, terwijl de sneeuw buiten krast en kraakt als de wandelaar zich op weg of pad beweegt. Wat al eigenaardige en tevens hoogst leerzame oogenblikken zijn het die men in dat tijdperk kan genieten, niet waar? Ziet in de eerste plaats ter voorbereiding dier groote plechtigheid hier en daar een sierlijken kerstboom prijken, omringd met lachende kindergezichtjes die zich heerlijk afspiegelen in de schitterende verlichting, die zoo met voor kinderen kostbare geschenken rijk beladen is en waarom de lieve jeugd zich woelend en joelend beweegt, het tijdstip verbeidende, om op een gegeven oogenblik van al dat schoons een deeltje te genieten. – Dan zien wij in onze verbeelding den waardigen leeraar het predik-gestoelte beklimmen, om in welsprekende en zielverheffende taal te gewagen van het nieuwe licht, dat door de geboorte van onzen grooten: Meester, Jezus Christus, Gods Zoon, ons omstraalt. En als wij dan zoo met diepen ernst nadenken over het komen, het zijn en het gaan van dien grooten Meester, dan hebben wij wel geen recht tot klagen, maar spoort het ons aan tot zelfverloochening in hooge mate, om het pad in te slaan zooals Hij het ons heeft afgebakend. O, hoeveel lijden ook wij moesten ondervinden op ons levenspad, het weegt niet op tegen, dat wat Jezus ondervond en overwon: Hij, die somwijlen geen steen de zijne kon noemen, waarop hij zijn vermoeid hoofd mocht nederleggen ter ruste en na de hoogste verzoekingen weerstand te hebben geboden – als een overwinnaar uit het strijdperk trad. Hij bad zelfs voor zijn belagers – Hij bleef rein. Ja dierbare Jezus al wordt Uw woord hier niet in ruimen zin gepredikt, toch kennen wij U en hopen wij U te volgen. Gij die de liefde predikte tot grondslag van alle geluk.
Ja Heiland Gij hebt niet te vergeefs voor ons geleefd – Gij Meester, die Uw jongeren dient, Gij Godsman en toch onzer één – met de gedachte aan U, aan Uwe alles doordringende almacht en liefde, in aanbidding neergebogen, zingen ook wij in het verre land, maar toch even als elders in Uwe nabijheid met onze geliefden meê:
“Juicht Christ’nen juicht uit eenen mond,
“Volgt Bethl’ems herd’ren koren,
“Haast zal heel ’t luist’rend wereldrond
“Verrukt dit heilnieuws hooren.
“De Hemel zing’ en de aard vervang’,
“Verblijd het heerlijkst lofgezang:
“Messias is geboren” !

Vaartwel dan onze geliefden, vaartwel! Moge ook op u het heerlijke Kerstfeest dien heiligen invloed uitoefenen die wij, zwervers, in dit ondermaansche zoo zeer noodig hebben, is de hartewensch van ons allen.

Uw genegen broeder en vriend:
A. DRENTH.

‘Eene smart zonder tranen’

De lotgevallen van Antko Drenth en Rijna Dijk (8)

In het tweede deel van de brief van 25 december 1891, geschreven vanuit Itapira in Brazilië, beschrijft Antko Drenth de lotgevallen van zijn gezin tijdens de reis vanuit Alderete in Argentinië terug naar Buenos Aires. Het gezin was getroffen door pokken en wist nog maar net het vege lijf te redden. Drenth had nog weinig hoop dat het nog goed zou komen en gaf te kennen graag naar Nederland terug te willen keren.

Toen dan eindelijk FREDERIK weer loopen kon, braken wij spoedig op, om te trachten opnieuw aan ’t werk te komen. Nadat wij na eene vermoeiende reis bij een andere kolonie waren aangekomen, werd ons dadelijk arbeid aangewezen. Die scheen werkelijk niet slecht te zijn, daar wij eenig meer loon zouden erlangen dan in de vorige kolonie en ieder huisgezin voor zich in ’t genot zou worden gesteld van eene vrije woning. Echter moesten wij zelf de woning timmeren, waarvoor het benoodigde materieel uit het bosch konde worden gehaald. Aan alle ellende gewoon en verhard door zooveel slagen van het noodlot, pakten wij vlijtig aan, om toch maar spoedig onder dak te komen.

Zoo gelukte het dan, dat wij in zes dagen tijds, door vier man, negen huisjes timmerden, die toen onmiddellijk werden betrokken. Ik geef u de verzekering, dat wij, hoe sober deze woningen er ook uitzagen, blijde waren toch maar verlost te zullen worden van dat samenwonen in massa, dat toch tot niets anders leidde dan tot totale verdierlijking. Tijdens de zesdaagsche bearbeiding der woningen moesten wij de diepste ellende wedervaren. Het was nl. juist tot overmaat van ramp regentijd, die in deze streken allergeweldigst kan zijn. Wel nu, een lang afdak of soort loods aan de zijden open, veel overeenkomende met bij u een bijenstal, diende ons die zes dagen tot gezamentlijke woning, waar wij gelijk varkens in den stal nederlagen. Daar het dak dezer loods bestond uit lang gras, dat steeds de regen met stroomen doorliet, kunt ge u wel voorstellen, wat wij te verduren hadden. Nog was dit alles niets, nog kon deze ellende voor niets noemenswaard geheten worden bij den ernst, die maar al te wel zou volgen. Te midden dan in dezen poel van jammer en ellende werd mijne vrouw aangetast door de zoozeer gevreesde pok-ziekte en daarna ons kleinste kind. – Neen, hier is mijn pen niet in staat u dezen toestand te beschrijven: zóó mijne geliefden te zien heenliggen en hun letterlijk niets tot verlichting hunner smarten te kunnen aanbieden, dan zooveel mogelijk mijn best te doen hen tegen de altijd doorslaande regen te dekken.
Gelukkig hadden wij een geneesheer, die ons trouw ter zijde stond.

’t Was God, de alomtegenwoordige, die ons ook in dezen nieuwe kracht ten strijde gaf. Ja wij streden en spoorden elkander aan tot het gebed, waarin wij altijd onze troost vonden en opwekking om den strijd te voleinden, die van ons gevraagd werd. Hier zal het woord van den dichter wederom op zijn plaats zijn, waar hij zoo naar waarheid zingt :
“Stort ge tranen bij ’t verhalen
“Van ’t vergallen uwer vreugd,
“O, verzamel ’t geen u restte:
“Doe veeleer gelijk de jeugd;
“Is het speeltuig eens gebroken,
“’t Hindert ’s kinds genoegen niet,
“Daar men ’t met gebroken speeltuig
“Toch opnieuw weer spelen ziet”.

Ja, de Heer onze God gaf verlichting, toen wij na drie dagen in de bovengenoemde loods op de afschuwelijkste wijze hadden moeten verblijven. Onder groote bezwaren, zoo gij begrijpen kunt, had toen de overbrenging plaats van de zieken naar het houten huisje, dat eindelijk voor ons in gereedheid was. Dit geschiedde echter zonder ongelukken, waarbij wij ons zeer gelukkig gevoelden en dankbaar. Nadat ons verblijf zoo’n vier weken geduurd had in de eigen of liever vrije woning, waren mijn vrouw en kind oogenschijnlijk het grootste gevaar voorbij; zij waren echter uiterst zwak, en hadden dus nog groote behoefte aan goede zorg. En wederom bleek dat er nieuwe zwarigheden zouden opdoemen, wederom geleek het, dat wij als ’t ware een stuk wild gelijk waren, die nergens en nooit rust zouden vinden. Op zekeren morgen dan kwam de chef of opzichter ons zeggen, dat wij ons aan een nieuw accoord moesten onderwerpen en wel zóó, dat ons loon minder zoude bedragen. Algemeene schrik, zoo gij denken kunt, overstelpte ons, daar ons bestaan tegen het zware werken toch al zoo uiterst karig was. Wat moesten wij wel beginnen? Met het oog toch op de zieken en zwakken kon er geen sprake zijn op het oogenblik, om te trachten te vertrekken naar eene andere kolonie en bleven wij genoodzaakt ons aan de willekeur van onzen meester te onderwerpen, hoe het dan ook mocht uitloopen.

Wij werkten door en bleven afwachten, wat ons boven den gewonen kost zoude worden uitbetaald. Weerloozen, die we waren, wisten en konden we als slaven gelijk zijnde niet weten, wat ons opnieuw te wachten stond. Eenigen tijd dan werkten wij door, altijd nog met hoop bezield, dat alles wel wat mee zou kunnen vallen. Doch na eenigen tijd, toen wij op een Zondag, dat is hier de betaaldag, bij den meester kwamen, om ons dagloon te mogen ontvangen, kregen wij eenvoudig het voor ons zoo verpletterend bericht, dat er niet werd uitbetaald. De reden hiervan werden ons kort en bondig te kennen gegeven en wij konden gaan, ons aan het lot overlatende. Was hier de oorzaak dezer wreedheid, omdat wij slecht werk leverden of onwillig waren zult ge wellicht zeggen – of wel kon het zijn, dat er geen arbeid meer was, neen, goede vrienden, de oorzaak was gelegen in iets, dat gewoonlijk een grooten invloed uitoefent op den gang der maatschappelijke zaken: ’t Was in dezen de politiek die sprak. – Niet minder toch werd ons gezegd, dan dat de Nationale bank zijne betalingen had gestaakt. – Dat dit een verpletterende boodschap voor ons was, kunt gij wel denken. De staat zijne betalingen gestaakt, waarvan wij slaven gelijk waren. De staat niet bij machte, om zijne huishouding te onderhouden, hoe moest het dan nu wel met ons worden. Het spreekt van zelf, dat wij in de eerste oogenblikken geen gezond idee hadden en waarom toch men ons zoo hard durfde behandelen. Dat een staat, of regeering liever, geen onfeilbaar en onkreukbaar lichaam was over zijn onderdanen, dat konden wij in geenen deele bevatten.

En toch bleek het maar al te waar te zijn: wij moesten ons nu maar voor goed zelf zien te redden. – Gij zult zeker wel in de Hollandsche couranten vernomen hebben, hoe of het hier eigenlijk stond ten opzichte van verschillende politieke stroomingen, die revolutie uitlokten en bij gevolg alle dagelijkschen arbeid ondermijnden. Thans weder ten prooi van alle wisselvalligheden, moesten wij onze kluis verlaten en waren wij genoodzaakt opnieuw een zwerftocht te aanvaarden. Wij gingen. Wederom zwoegde ik onder den last van eenig beddegoed, gereedschappen en ander plunje in gezelschap mijner zwakke vrouw en kinderen, om nog niet te spreken van de andere familiën, die in gelijke benarde omstandigheden verkeerden dan wij. De tocht ging in de richting van Rosario, de hoofdstad van Santa Fé. Ik zal u de moeite maar niet geven te lezen wat ook deze tocht ons voor inspanning gaf. Met één woord: het ging onder de bitterste omstandigheden. Toch kwamen wij te Rosario, waar wij al spoedig lotgenooten aantroffen, herkomstig uit Friesland, die hetzelfde lot gelijk wij hadden ondervonden en na de vreeselijkste beproevingen te hebben doorstaan, ook in Rosario waren aangekomen. Het tafereel, dat ook zij ter aanschouwing gaven, was hartverscheurend. Deze had het verlies te betreuren zijner vrouw, gene van vrouw en kind, terwijl een andere gewaagde van meer. Eén o.a., dit was een gewezen bakker uit Leeuwarden, treurde over ’t verlies zijner vrouw en zes kinderen ….. de man was radeloos. Verder werd ons verhaald, dat er in een kolonie van de vijf-en-twintig Hollanders slechts zes waren overgebleven. Deze waren allen vrijgezellen. Wanneer gij u eene voorstelling kunt maken van al deze ellende en het beeld kunt scheppen , alsof gij er mede in betrokken waart, gij zoudt bezielend uitroepen: “dat alles is te veel!” Ook wij deden dezelfde uitroep hooren, doch aan het bitterste lijden gewoon was het, alsof het als ’t ware eene smart geleek te zijn zonder tranen en wij ons steeds trachtten op te beuren en onze lijdensgeschiedenis te beschouwen voor een noodzakelijkheid, die de Voorzienigheid ons had opgelegd.

Ja, wij hebben tot dusverre altijd getracht ons staande te houden door immer bemoedigend het lot, wat voor ons was geordineerd, te aanvaarden en te dragen. Dit durf ik naar waarheid te zeggen, dat wij alle krachten inspanden, om tot een goed einde te komen, doch de verwarring en algemeene ellende was zoo groot, dat er niet te denken viel voor een huisgezin het soberste onderhoud te kunnen veroveren. Zelfs vrijgezellen liepen er in groote menigte om, die letterlijk niets konden verdienen. O.a. ontmoetten wij nog eenen Duitscher en eenen Engelschman, die ook aan alles gebrek hadden. Zij bleken anders wel dappere mannen te zijn, daar zij nagenoeg naakt en zonder eenig redmiddel ver uit het binnenland waren gekomen langs ongebaande wegen, om zoo mogelijk in de een of andere zeehaven een schip te vinden, dat koers zoude zetten naar Europa, onverschillig naar welke streek van het oude werelddeel, zoo zij maar slechts aan Europeeschen wal kwamen. Tot overmaat van ramp, die veroorzaakt was door honger en uitputting, hadden deze ongelukkigen nog met een anderen vijand te kampen, die in de gegeven omstandigheden niet te overwinnen was, waarvan wij tot toen nog verschoond waren gebleven. In de eerste plaats waren hun beenen ontzettend opgezwollen, tengevolge het aanhoudend marcheeren op bloote voeten langs rotswanden, berghellingen en ongebaande wegen door somwijlen ondoordringbare bosschen. Op dergelijke tochten en onder dergelijke omstandigheden wordt de reiziger veelal aangevallen door een insekt, dat in die bergstreken welig tiert en wee dengene, die er door wordt aangetast. Het is een soort vloo, zandvloo, in de landtaal genoemd Pikus. Het diertje huist zich ’t liefst in enkele deelen van het menschelijk lichaam en wel het eerst zet het zich bij voorkeur onder de nagels der teenen, eveneens onder die der vingers. Het monster, hoe klein ook, overrompelt den mensch veelal in den slaap en eenmaal in zijn begeerde woning gehuisvest zijnde, laat het zich door geen kleinigheid verdrijven.
Niet meer als het in ’t vleesch zit, veroorzaakt het aan den mensch een geweldige jeukte, waarna opzwelling en het leggen van een eitje is geschied. Dan volgt zwering en afschuwelijke etterbuilen die erge pijnen veroorzaken, blijven den lijder bij.
Slechts rust en de uiterste zindelijkheid zijn in staat deze kwaal weg te maken, doch dan ook nog slechts met groote nauwgezetheid.

Als gij nu weet, dat op zulke zwerftochten noch van onderdak in den nacht, noch van geregeld voedsel, noch van rust sprake kan zijn, zult ge u eenigszins kunnen verplaatsen in het leed, dat zulke zwervers ondervinden. – Zoo ziet gij dan, dat het hier in genen deele is uit te houden en onmogelijk is gebleken te zijn, dat wij – dat – wie ook, als emigrant der Europeanen langer tegen den stroom kunnen opwerken. ’t Is dan ook daarom en gegrond op het volle bewustzijn, clan wij allen onze uiterste krachten en goeden wil immer ten beste hebben gegeven, ik mij niet schaam op uw vraag om naar het vaderland terug te willen keeren, volmondig antwoord: Ja, van ganscher harte. – Want gij moet weten, dat niet alleen de slechte vooruitzichten omtrent brood te verdienen mijn krachten beginnen te ondermijnen, maar als ik het oog sla op de vale en uitgeputte gezichten van vrouw en kinderen, die ten gevolge de slechtste voeding of dikwijls zonder voedsel er uit zien als wandelende dooden, dan wordt het mij bang om ’t hart en gevoel ik mij zoo voor goed afgemat, dat ik niet in staat meer ben het zware werk, dat ik vroeger zoo gaarne aanpakte en uitvoerde, te kunnen verrichten. Echter blijf ik in zekeren zin nog al goed gezond, dat wij als een groote zegen beschouwen. Dat mijn spierkrachten zich begeven beschouw ik voor geen ziekte zoozeer, want zoo ik maar goed voedsel kreeg, zoude mijn gespierde vuist van voorheen wel spoedig terug keeren. Hoe sterk en vaardig was ik vroeger niet waar? Voor genen arbeid terugdeinzende, gevoelde ‘k geen afmatting gelijk nu, nu mijn stramme beenen mij steeds in herinnering brengen, dat ik er minder op word.

Moge dan de Heere uwe pogingen zegenen om ons uit de ellendigste omstandigheden te verlossen. Zende uw gebeden gelijk ook wij doen, tot den Almachtigen op ter onzer redding, opdat wij elkander nog eenmaal op vaderlandschen bodem mogen terug zien.